Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Genesis 2: 18

Dovnload 62.38 Kb.

Preek over Genesis 2: 18



Datum23.09.2018
Grootte62.38 Kb.

Dovnload 62.38 Kb.

Preek over Genesis 2:18



Orde van dienst
1. Votum

2. Groet


3. Psalm: 100:1, 2 en 3

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: 130:2 / 130:4


  1. Schriftlezing: Genesis 2:1-25

  2. Gebed

Tekst Gen. 2:18: Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken, die als tegenover hem zij. Gen.2:18


Puntenverdeling
1. Tweezaam, niet alleen

2. Een hulp tegenover hem

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 25:2, 7

10. Prediking

11. Psalm: 133:2 en 3

12. Dankgebed

13. Psalm: 147:6

14. Zegenbede.

* * *

Eenzaam. Hoe velen onder u, gemeente, kennen dit woord uit eigen ervaring.


Eenzaamheid is dat vreemde gevoel, dat reeds in het kinderleven een rol speelt, als een kind zijn moeder mist. Eenzaam kan jij je voelen, als je jong bent en nog steeds geen levensgezel(lin) gevonden hebt, met wie je lief en leed deelt. Eenzaam bent u, als u uw man of vrouw bent kwijtgeraakt door de dood, misschien zelfs na enkele huwelijksjaren. Hoe aangrijpend, als we van iemand in de courant lezen, dat hij dood gevonden wordt in zijn huis: gestorven, zonder dat iemand een hand naar hem uitstak.

Een mens kan eenzaam zijn, al wordt hij dagelijks omringd door tientallen anderen. Niet begrepen, op zichzelf teruggeworpen.


1. Tweezaam, niet alleen
Ook Adam in het paradijs was maar alleen. We lezen in Gen.2:19v, dat God alle dieren (al het vee, de vogels en de dieren van het veld) de revue bij Adam liet passeren en dat Adam al het gedierte namen gaf. Twee aan twee trokken ze langs hem heen. Van elke soort een mannetje en een vrouwtje. Al die dieren hadden dus een kameraad. Maar Adam had niemand aan zijn zij.1
Heeft God Zich vergist, toen Hij de mens schiep? Nee, dat niet. Was Adam soms ontevreden over God, omdat hij geen partner had? Nee, ook dat niet. We zouden kunnen denken, dat Adam toch aan God alleen genoeg moest hebben. Ja stellig. Maar we moeten constateren uit de geschiedenis van Genesis 1 en 2, dat God met Zijn schepping van de mens blijkbaar nog niet klaar was. Het kunstwerk ‘mens’ was nog niet af, nog geen ‘geheel’.
Het zou niet aan Gods bedoeling beantwoorden, als Adam geen partner had, met wie hij in gemeenschap kon leven. Het was Gods bedoeling immers om de mens mannelijk en vrouwelijk te maken. Zo lezen we het in Gen.1:27: God schiep de mens…; man en vrouw schiep Hij de mens naar Zijn beeld. En eerst toen God dat gedaan had, kon Hij met recht zeggen: ‘En ziet, het was zeer goed’ (Hebr.’tov’) (Gen. 1:31). 2
En als Adam dan gezien heeft, hoe in de dierenwereld elk dier een vrouwelijke nevenvorm naast zich heeft, voelt hij een zekere leegte in zijn hart, een hunkering om het leven te delen met een medemens, aan wie hij zich kwijt zou kunnen. En met die hunkering valt hij op een avond in een diepe slaap. En dan doet God, zijn Schepper een wonderlijk werk. ‘Het is alzo, dat God het Zijn beminden als in de slaap geeft’ (Ps.127:2 slot). Hij kent de diepste verlangens van ons hart en vervult die op de heerlijkste wijzen.
God riep uit Adams lichaam een tweede mens tevoorschijn. Uit een van Adams ribben bouwde God een vrouw. Die bracht Hij als een Godsgeschenk naar Adam toe. ‘Been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees’. ‘Manninne’, noemde Adam haar. Zij stond op naam van Adam. 3 Vgl. Gen.2:21vv. Hoe heerlijk was voor Adam die nieuwe dag. Nu was hij dan niet langer alleen. Zijn heimwee naar een metgezellin was vervuld. Nu hoefde hij niet langer rond te lopen in het paradijs zonder een medemens te ontmoeten, met wie hij kon praten en met wie hij Gods lof kon zingen. Nu kon hij dan samen met Eva luisteren naar de stem van God, als Deze wandelde in de hof en van Zich liet horen in het waaien van de wind des daags. Eva was het supplement van Adams wezen.
Terecht zegt ons bekende huwelijksformulier, dat God Adam zijn huisvrouw geschapen, zelf toegebracht en hem tot een huisvrouw gegeven heeft. Zo doet God dat. Ook nu nog brengt de Heere aan een ieder zijn vrouw als met Zijn hand toe. Zij het natuurlijk niet meer zoals in het paradijs.
Vanmorgen gaat de preek over de verbintenis tussen een man en een vrouw in het huwelijk. God Zelf heeft het gezegd: ‘Het is niet goed, dat de mens (Adam) alleen zij’. 4Een mens voor zich alleen – zonder een metgezel – is een verdrietige zaak.
Zo ervaart menigeen het. Een mens die op zichzelf is teruggeworpen, is tenslotte een angstig wezen. Welk een wonder, dat God daarom het huwelijk heeft ingesteld. J. Calvijn schrijft in zijn verklaring van onze tekst: ‘De mens is geschapen, opdat hij zou zijn: een in gemeenschap levend wezen.’ 5
Dat behaagt Hem. De Heere verbindt twee mensen aan elkaar en daarin mogen ze ondervinden, dat er Een is die om hen geeft.
Het is dus naar de orde van God, dat een jongen en een meisje op een bepaalde leeftijd verlangen om met elkaar te trouwen. God laat dat niet alleen toe, maar Hij beveelt het zelfs.

In een huwelijksverbintenis wordt de eenzaamheid opgeheven. Tweezaam is de mens. De mens wordt in zekere zin een twee-eenheid: mannelijk en vrouwelijk.



En als God het huwelijk kroont met de kinderzegen, mag het zelfs tot op zekere hoogte een drieëenheid worden (man, vrouw en kind).
Alle jongeren onder ons mogen daarom ook wel aan de Heere vragen om een levensgezel(lin), met wie zij in een verbintenis voor het leven lief en leed kunnen delen. Bid de Heere, of Hij Zelf de leegte in je hart wil vullen, door een leeftijdgenoot aan je zijde te geven. En dank er de Heere maar voor, als Hij je gebed in deze heeft verhoord. Gebruik de tijd voor het huwelijk dan ook maar om steeds meer naar elkaar toe te groeien. En grijp in je verkeringstijd niet op het huwelijk vooruit. Liefde kan wachten.
Helaas wordt het huwelijk in onze tijd door veel mensen ingeruild voor losse en vaak wisselende contacten buiten een officiële huwelijkssluiting om. Maar daarmee is het alleen zijn, de eenzaamheid in de verste verte niet opgelost. Integendeel, wat van al die contacten overblijft is het besef, op zichzelf teruggeworpen te zijn. Er is geen wezenlijke gemeenschap met de ander geweest.
Intussen is het ook waar, dat nergens in heel de mensenwereld de gemeenschap met de ander zo intens en heerlijk doorleefd kan worden, als in het huwelijk. En doorleef het daar dan, dat het goed is een metgezel(lin) te hebben, aan wie je jezelf helemaal kwijt kunt. Prediker zegt het zo (Pred.4:9v): ‘Twee zijn beter dan één; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid. Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee de ene, die gevallen is; want er is geen tweede om hem op te helpen. Ook indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?’
Het is niet goed, dat de mens alleen zij.6 Houdt dat in, dat ieder mens perse moet trouwen? Nee. Het kan zeker ook als een bijzonder charisma (genadegave) worden gezien om ongehuwd te blijven. Paulus spreekt daarover in 1 Kor.7. Maar dat is stellig niet ieder gegeven. Wie niet trouwt, doet beter, schrijft de apostel. Maar hij schrijft dat niet als een gebod aan iedereen. Ongehuwden behoeven zich niet achtergesteld te voelen. Als zij hun leven maar in dienst mogen stellen van de Heere en van hun naasten (in werken van barmhartigheid bijv.).
2. Een hulp tegenover
God heeft het huwelijk gewild. Dat is het eerste. Maar nu moeten we daaraan nog iets toevoegen. God heeft Adam een levensgezellin gegeven met een bepaald doel. Niet maar voor de gezelligheid alleen. Eva mocht naar Gods bedoeling een hulp zijn voor Adam. Een hulp tegenover, zo lezen we in Gen. 2:18 slot.7
Betekent dat, dat Eva niet meer dan een hulpje was? Een slavinnetje/ sloofje? Een over wie Adam naar eigen believen mocht heersen. In de verste verte niet. Het hebreeuwse woord voor hulp, dat hier gebruikt wordt, wordt elders in de Schrift gebruikt voor God. Zo bijv. in Psalm 121: ‘Mijn hulp is van de Heere…’. Zo heet de Heere elders ook: Mijn Helper. In die zin ook moeten we het verstaan, als Adams vrouw een hulp tegenover hem wordt genoemd: zijn klankbodem.
In Eva mag Adam weerklank vinden. Adam kan bij haar terecht, als hij ten einde raad is. Hij kan aan haar zijn verhaal kwijt. Hij mag bij haar aankloppen en zij is het die antwoordt op zijn vragen. Zo gezien, mag de man in de goede zin van het woord bepaald ‘hulpbehoevend’ zijn.
Het is een hoge positie die hier aan de vrouw wordt toegekend. Doe daar a.u.b. niet smalend over. Alsof de vrouw er alleen maar is ter wille van haar man. Of is het soms voor een christin niet iets geweldigs om voor haar man klaar te staan. Het eerste deel van onze tekst kan ook wel als volgt vertaald worden: Het is niet goed, dat de mens er is voor zich alleen. Dan zou hij aan Gods bedoeling niet beantwoorden.
Laat iedere man onder ons voortdurend beseffen, dat hij de (levens)wijsheid niet in pacht heeft, maar in duizend en een gevallen een gelijkwaardige bijstand nodig heeft. Ik word niet gelukkig en ik leef niet zinvol, als ik ‘voor mijzelf’ alleen leef. Daar word ik dood-ongelukkig door. En zo ga ik binnen de kortste keren ook langs de ander (man of vrouw) heen leven.Ik moet iemand hebben, aan wie ik mijn hartsgeheimen kwijt kan, die mij begrijpt en (ver)draagt. Ik heb alleen een zinvol leven in een ‘ik-gij’ verhouding. Elke man moet aanhoudend ervaren, dat hij zich tegenover zijn Eva te verantwoorden heeft. Dat is de ‘grandeur’ van de vrouw. Niet haar ‘misère’.
M.Henri schrijft heel treffend in zijn Bijbelverklaring, ‘dat de vrouw gebouwd werd uit een rib uit Adams zijde, niet uit zijn hoofd om hem te overtreffen, niet uit zijn voeten om door hem vertreden te worden, maar uit zijn zijde, om zijn gelijke te wezen, onder zijn arm, om door hem beschermd te worden, en nabij zijn hart om door hem te worden bemind.
Ons huwelijksformulier zegt het zo treffend als eerste doelstelling van het huwelijk: ‘opdat de een de ander trouw zou helpen en bijstaan in de dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven behoren’. Voor elkaar door de vuurlinie gaan, als er kwaad van de ander wordt gesproken. Maar ook elke avond op de knieën gaan om elkaar biddend op te dragen aan de Heere God. Dan is het ten enenmale een leugen, als er gezegd wordt: Je leert elkaar als man en vrouw nooit kennen en blijft altijd wel op de een of andere manier vreemd voor elkaar. Het is veeleer waar, dat wij elkaar in een goed huwelijk tot in de verste schuilhoeken van ons bestaan, tot op de bodem kennen; zij zijn een open boek voor elkaar.
Als ik dan maar weet, dat ik geen vrouw van de Heere heb gekregen om mijn lusten aan haar te bevredigen. Ik heb haar gekregen om haar lief te hebben en haar eeuwig welzijn te zoeken. Zo zal ik ‘met een goed en gerust geweten met haar leven en alle hoererij vermijden’ (zo het huwelijksformulier).
Het is niet goed, dat de mens slechts voor zich alleen leeft. Ik heb de ander (man of vrouw) nodig, niet maar uit het oogpunt van zelfverwerkelijking. Ik heb die ander nodig om de eer van onze Schepper groot te maken. Een huwelijk is niet een zaak van een beetje geven en nemen. Het is geven, geven en geven. En zo zalig ontvangen. En dat mag een mens leren, als hij door Gods Geest wordt wedergeboren.
Dan zal ik me wel duizendmaal bedenken, alvorens ik de heilige verbintenis van het huwelijk verbreek of laat verbreken. Echtscheiding is in onze tijd aan de orde van de dag. En daarmee worden de grondslagen van de samenleving ondermijnd.

Onthoud echter wat Jezus eenmaal zei, toen Hem gevraagd werd of het een mens toegestaan is zijn vrouw te verstoten om allerlei redenen: ‘Hebt u niet gelezen, dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft…Wat God dan samengevoegd heeft, scheide de mens niet..Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verstoot, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die pleegt overspel, en wie de verstotene trouwt, pleegt ook overspel’ (Matth.19:3-9; Herz. Statenvertaling).


Uit deze woorden vernemen wij, dat echtscheiding ten diepste reeds van de beginne niet door God gewild is. Als er sprake is van overspel of kwaadwillige verlating mag dat een reden zijn voor echtscheiding. En voor het overige kan er in een huwelijk zoveel misgaan, dat er geen sprake meer is van een wezenlijke verbintenis.

Maar intussen mogen we elkaar wel opwekken om tot het uiterste trouw te blijven aan elkaar. Kniel samen veel voor het aangezicht van God neer en ervaar het, dat ‘een drievoudig snoer niet haast wordt gebroken’ (Pred.4:12). Dat wil zeggen: een touw dat uit drie draden is samengevlochten, kan men niet een twee drie uit elkaar halen. Net zo min: een verbintenis van de Heere met een man en een vrouw.


Geen gelukkig leven/ huwelijksleven zonder de Ander (hoofdletter). Helaas, hoe vaak gaat het verkeerd in een huwelijk, als de band met God verbroken wordt. Maar als wij door Gods wederbarende heilige Geest aan de levende God verbonden zijn geworden, zullen wij ook alles in het werk stellen om het goed te houden onder elkaar. Ook al zijn we door de afval van God in en van onszelf onmachtig geworden om liefde te geven. Zo werd het, toen Adam en Eva afvielen van hun Schepper. En helaas is het ook binnen het huwelijk nog al eens zo, dat ieder zijn eigen leven leidt en daarom niet meer in staat is om zichzelf aan de ander te verliezen.
Daarom is het nodig, dat we ons gedurig afvragen: Mag ik, mag ons huwelijk gegrond zijn in de liefde van God in Christus. ‘Die liefde is sterk als de dood’ (Hoogl.7:6 m). Of om het met Joost van den Vondel 8 te zingen:
Waar werd oprechter trouw

dan tussen man en vrouw

ter wereld ooit gevonden…
Die liefde is sterker dan de dood;

geen liefde komt Gods liefde nader,

noch is zo groot.
Laat Jezus Christus de spiegel zijn waarin uw liefdesleven weerspiegeld wordt. Hij is de hemelse Bruidegom die uit de hemel kwam om Zijn bruidsgemeente te werven, om ‘voor haar Zijn leven over te geven en haar Zichzelf heerlijk voor te stellen, een gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar dat zij heilig zou zijn en onberispelijk’ (Ef.5:25, 27). ‘Zo’, schrijft de apostel Paulus, ‘zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelf lief...’. Paulus noemt het huwelijk ‘een groot geheimenis, ziende op Christus en de gemeente’ (Ef.5:28, 32).
Kan ons als gehuwden een hoger eer worden gegeven dan deze vergelijking met onze Heere en Heiland en Zijn kostelijke liefde? Daarvan een zwakke afspiegeling te mogen zijn in ons huwelijksleven, is uw en mijn hoge roeping. Om zo elkaar als man en vrouw door God gekend te weten en gedragen, door Hem van Wie wij zingen:
Om haar als bruid te werven

Kwam Hij ten hemel af.

Hij was ’t Die door Zijn sterven

aan haar het leven gaf.


Welk een zegen is het, gemeente, als man en vrouw beiden dat heilgeheim mogen kennen en met elkaar delen; ieder voor zich en samen elke dag levend uit het offer van de Heere Jezus. En zo zichzelf blijvend opofferen aan elkaar. Niets hebbend in zichzelf dan zonde en schuld, maar opgevangen door de doorboorde handen van de Heiland.

Welk een stille vrede mag er dan in ons hart zijn, als wij ook in zware beproevingen die de gehuwden gewoonlijk moeten doormaken, mogen zien op de Zaligmaker en ‘Zijn onbezweken trouw’.


Ik wil eindigen met te herinneren aan de onvergetelijke woorden die Kohlbrugge aan het papier toevertrouwde, toen zijn geliefde Cato hem door de dood ontviel. Zij was nog maar 24 jaar en moeder van twee kinderen. In de vroege morgen van haar sterfdag, kort na haar heengaan, schreef Kohlbrugge:

Mijn dierbare en getrouwe Catharina, die steeds bekommerde en zichzelf onwaardig achtende nederige dienstmaagd van onze lieve en getrouwe Heiland, is heden de 12e februari ’s morgens om drie uur, met blijdschap en verheuging ingegaan in het paradijs van onze God. Ik heb met haar gestreden, ben met haar in de duisternis geweest van de doodsschaduw en heb met haar mogen juichen. Ik ben met haar geweest tot aan de poort van de hemel en toen zij was ingegaan, heb ik de Heere geloofd over Zijn ontferming en getrouwheid.
Gezegend bent u, als u uw geliefde echtgenoot/ echtgenote zo in de Heere mag bezitten en op Gods tijd ook aan Hem mag afstaan. Hem zij alle dank en eer voor Zijn genade. En weet het dan tenslotte, wat Paulus schrijft in Fil.4:19: ‘Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus.’
Amen.



1 Het bekende schilderwerk van het paradijs door Jan Brueghel de Oude (1568-1625); Berlijn.

2 De afbeelding is een detail uit een schilderwerk (Adam en Eva; 1533) van Lucas Cranach de Oude (1472-1553).

3 ‘Das Bild van der Rippe bringt es in wunderbarer Weise zum Ausdruck, das eines ein Stück des anderen ist.’ Zo Helmuth Frey, Das Buch der Anfänge; Kapittel 1-11 des ersten Buches Mose (Die Botschaft des Alten Testaments). Stuttgart 1958; blz. 39

4  = voor zich alleen, op zijn eentje, apart, alleen. Vgl. Ex.18:14; 1 Sam.21:2; 2 Sam.18:24.

5 J. Calvijn, uitlegging van Genesis; vertaling door S. O. Los uit het Latijn naar de uitgave van Baum, Cunitz en Reuss; eerste deel. Middelburg 1900, blz.71. Calvijn zegt, dat hier een algemene regel gegeven wordt en dat hier van de eenzaamheid gezegd wordt, dat ‘zij niet goed is, tenzij God iemand als door een bijzonder privilege uitzondert.’ De Heere bestemt de mens, niet tot zijn verderf, maar tot zijn heil, voor het gehuwde leven.’


6 M.Henri schrijft bij onze tekst: ‘Volstrekte eenzaamheid zou een paradijs in een woestijn veranderen, en een paleis in een kerkerhol. Diegenen zijn dus zeer dwaas, die zelfzuchtig zijn, en alleen op de wereld zouden willen wezen.’

7 = hulp Vgl. Deut.33:26, 29; Ps.20:3; 33:20; 70:6; 115:9-11;124:8; 146:5; Ez. 12 :14 ; Hos. 13 :9.

Hebr. = als hem tegenover (letterlijk)= hem overeenkomstig. Eva was Adams tegenover, zijn evenbeeld. Zij was zijn weerspiegeling. Adam kon zich in haar (terug)vinden. Calvijn schrijft (a.w., blz.72 en 74), ‘Dat de vrouw de man is toegevoegd tot gezellin en medegenoot, om hem te helpen en aangenamer te doen leven.’ En even verder: ‘In het huwelijk mag de lieflijkste harmonie heersen, omdat de man op God zou letten, en de vrouw daartoe zijn getrouwe hulpe zou zijn, en beiden met één gevoelen de heilige, zowel als vriendschappelijke en aangename gemeenschap in ere zouden houden.’ Calvijn vat het Hebreeuwse op als: die hem gelijk zij (LXX heeft kat’auton). ‘Mozes wilde een gelijkheid aanduiden. En hiermee wordt afgewezen de dwaling van enkelen, die menen, dat de vrouw slechts ter wille van de voortplanting is geschapen.’



8 Joost van den Vondel leefde van 1587 tot 1679.



  • 2. Een hulp tegenover hem

  • Dovnload 62.38 Kb.