Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Luk. 2: 17, 18 (Kerstfeest)

Dovnload 54.76 Kb.

Preek over Luk. 2: 17, 18 (Kerstfeest)



Datum31.07.2017
Grootte54.76 Kb.

Dovnload 54.76 Kb.

Preek over Luk.2:17, 18

(Kerstfeest)

Orde van dienst

1. Votum en groet

2. Psalm: 89:1

3. Wet des Heeren/ Geloofsbelijdenis

4. Psalm 6:2 / 103:11

5. Schriftlezing: Lukas 2: 1-20 en 1:1-4

6. Gebed

7. Tekst: En als zij het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord dat hun van dit Kindeke gezegd was; en allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders (Luk.2:l7, 18).


Verdeling van de preek:


  1. Het Kind in de kribbe; het vraagt ons aller aandacht

  2. De herders van Bethlehem; zij horen, zien en…getuigen

  3. En allen die het horen verwonderen zich.

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 145: 2, 3

10.Prediking

11.Psalm: 119:86

12.Dankgebed

13.Psalm: 108:2

14.Zegenbede.


ERE ZIJ GOD

Er is een bekend schilderwerk van Rogier van der Weyden waarop de evangelist Lukas is afgebeeld, terwijl hij bezig is een schilderwerk van Maria en haar Kind Jezus te maken. Wellicht maakt hij tevens een aantal notities van wat hij uit Maria’s mond zal hebben gehoord over de geboorte van de Zaligmaker. Het is deze evangelist die in de tijd dat hij in Caesarea bij Paulus in de gevangenis verbleef (57-59 nChr.) volop gelegenheid heeft gehad om Maria te bezoeken en uit haar mond de precieze toedracht te verhalen van zowel de aankondiging door de engel Gabriël als ook van de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem, van de geboorte van de Heere Jezus in de stal en van het bezoek van de herders.1


Geen van de andere evangelisten heeft dat allemaal zo nauwkeurig op schrift gesteld. Daarom kan Lukas in het begin van zijn evangelie aan zijn jonge vriend Theofilus schrijven, dat hij een verhaal geeft van ‘de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben’ (Luk.1:1b).
Theofilus is de eerste lezer van Lukas 2 geweest. Hij is de eerste uit een lange rij van mensen die het na hem gelezen hebben: die onvergelijkelijk mooie en ontroerende geschiedenis van de geboorte van Jezus Christus, van de herders in de velden van Efrata, van de engelenzang…. Duizenden zondagsschoolkinderen hebben het uit hun hoofd geleerd en op het Kerstfeest van hun zondagsschool opgezegd. Miljoenen monden hebben het de engelen nagezongen: ‘Ere zij God’…
Ook wij worden vanmorgen uitgenodigd om over de schouder van Lukas mee te lezen, heilbegerig om in te zien in de grote en heilrijke dingen van God, geopenbaard in het kleine Kind van Bethlehem. ‘Dingen die onder ons volkomen zeker zijn.’


In sobere woorden wordt het ons verhaald. ‘En het geschiedde in diezelfde dagen…’. Keizer Augustus (31vChr. – 14 nChr.) maakt grote drukte, zet de halve wereld op zijn kop met zijn zogenaamde census/ volkstelling (een belastingmaatregel), waarbij de namen van zijn onderdanen met al hun bezittingen geregistreerd moeten worden.


In het jaar 27 vChr. begon Augustus een grote hervorming in het Romeinse rijk. In Gallië startten de werkzaamheden voor een census, een registratie van alle burgers met het oog op het betalen van belasting aan de Romeinse senaat….Ongeveer veertig jaar lang hebben deze registratiewerkzaamheden geduurd… Die elders vertoefden, hadden de verplichting zich naar hun woonplaats te begeven om zich te laten inschrijven (+ bezittingen: huis, plaats van het huis, huisgenoten, hun beroep en leeftijd)…

De census speelde zich in twee etappes af, de zogenaamde apographè: een systematische opgave van alle belastingsubjecten en –objecten. Als rechtsregel hoorde hierbij, dat wie grondbezit had in een andere civitas (stadstaat), zijn verklaring in die civitas moest afgeven in welk gebied zijn grondbezit lag. Want de grondbelasting moest aan die gemeente betaald worden, waarin het grondbezit lag. Tot de apographè hoorde het opstellen van een bevolkingsregister, het opmeten en taxeren van het grondbezit en de registratie daarvan. De tweede etappe was de zogenaamde apotimèsis, de ambtelijk opgelegde belastingaanslag. Aldus Dr. J. T. Nielsen, Het evangelie naar Lucas I (De prediking van het Nieuwe Testament); Nijkerk 1979; blz.66v.2


De wereldgeschiedenis gaat zijn eigen gang. En wie heeft er erg in, dat het de hoge God is, die juist dit schokkende wereldgebeuren gebruikt om Zijn heilsgeschiedenis te schrijven? Het is daardoor, dat Jozef en Maria nog net op tijd in Bethlehem aankomen, waar - wat betreft Jozef althans - de erfenis der vaderen (van vader David) lag.3 Juist daardoor kon uitgerekend in Bethlehem waar de profeet Micha reeds van geprofeteerd had, de Messias geboren worden.


  1. Het Kind in de kribbe; het vraagt ons aller aandacht

Dat is de goddelijke ernst en ironie van Gods geschiedenis op de aarde. In een stille, koude nacht, als alle mensen slapen, wordt Hij geboren: de langverwachte Messias. Maria’s Eersteling, Gods Eniggeborene. Het gaat er allemaal heel eenvoudig en ongekunsteld, zelfs onaanzienlijk naar toe. Het komt niet in de krant. Het wordt in de hoofdstad van het grote Romeinse rijk niet opgemerkt. En vooreerst ook niet in het paleis van Herodes de Grote die de scepter zwaait als gouverneur over Galiléa en (later) ook procurator wordt van Judéa. Ja zelfs in de scholen van de Schriftgeleerden waar men toch beter moest weten, wordt er vandaag niet op de komst van de Messias gerekend. Kortom, alle vorstelijke luister ontbreekt en geleerdheid komt er niet aan te pas.


Zo werkt God. Hij is bezig met de grootste dingen, al vinden die plaats in het klein. Kijk, daar ligt de Messias in de meest armelijke omstandigheden: in een beestenstal, in een voederbak van beesten. En wie haalt het dan in zijn hoofd om Hem als de Messias te begroeten? Daar kijkt immers niemand ooit naar om?! Dat wordt op zijn best geloofd door een moeder die al te fantastisch van haar kind droomt, dat het de Messias is.
Ja, zo redeneert het ongelovig mensenhart. Als dat kleine Kind van Bethlehem de grootste Koning der aarde moet heten, moet dat dan niet gepubliceerd worden? Gaat dat zo niet onder ons mensen toe? De moderne media zijn immers, als er een koningskind geboren gaat worden, al maanden van tevoren bezig om het aan te kondigen.
Nu, laat dat dan maar aan de Heere God Zelf over. Nee, we merken hier niets van een Kerstreclame in de zin van de wereld. Geen versierde etalages en Kerstbomen. God zorgt voor een opgetogen hemel. Hij zet als de Koning van hemel en aarde eerst de hemel in rep en roer. Hij zorgt zelf voor een Kerstpreek. Een engel jubelt het uit: ‘U is heden geboren de Zaligmaker…’. En hemelse legerscharen zingen ervan: ‘Ere zij God…’. Zij zingen het hoogste lied. God laat de kribbe van Bethlehem omringen met een liturgie van de hemel.
En als het dan weer stil geworden is in de velden van Efrata, gaat een handvol herders door het nachtelijk duister naar Bethlehem. In allerijl. 4 Het kan niet wachten tot morgen. Hun schapen hebben ze wellicht toevertrouwd aan de hoede van enkele herdersjongens. Zo komen de eerste aanbidders bij het Kind van Bethlehem, gedreven door het geboortebericht dat zij hebben ontvangen en getrokken als met koorden van liefde door de aantrekkingskracht van het Kind Zelf.
Dr. Jakob van Bruggen gaat ervan uit, dat de herders niet in diezelfde nacht bij de kribbe van Bethlehem kwamen. ‘De herders zeggen niet: “Laten wij naar de stad gaan”, maar “laten wij verder trekken tot Betlehem”. ‘Het feit, dat zij de naam van de plaats noemen, wijst erop dat zij niet in de directe omgeving ervan verkeerden. Ook het werkwoord (dierchomai) wijst op een wat langere reis. Lukas gebruikt het in Handelingen vaak voor het trekken door een gebied. Daar de herders samen gaan, is het zeker bij een wat grotere afstand aannemelijk dat zij hun kudde meenemen. Terwijl zij normaal in de steppe blijven en om de dorpen heentrekken, besluiten ze nu de plaats Betlehem aan te doen. Zij doen dit met haast (2,16): dus niet al weidende. Hun aanspreken van mensen (2,17) wijst op een aanwezigheid overdag….Daar Lucas in 2,21 de besnijdenis op de achtste dag vermeldt, is het aannemelijk dat de herders op één van de eerste dagen na de geboorte met hun kudde bij het dorp zijn verschenen.’ Zo dr. Jakob van Bruggen, Lucas, het evangelie als voorgeschiedenis (Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie, AFDELING EVANGELIËN); Kampen blz.84v.
M.i.zijn de argumenten die Van Bruggen hier gebruikt, niet overtuigend. Ook als de herders met hun kudden in de omtrek van Bethlehem vertoefden (zie vs.8: er waren herders in diezelfde landstreek), kan gezegd worden, dat zij doortrokken naar de stad. Dat zij hun schapen daarbij hebben meegenomen, lijkt onwaarschijnlijk. De woorden ‘zij kwamen met haast’ wekken onwillekeurig de gedachte, dat zij in ‘allerijl’, bij de kribbe zijn aangekomen. Bovendien veronderstelt vs.20, dat zij terugkeerden (Gr. ‘hupostrefoo’) naar de plaats waar zij tevoren met hun schapen waren. Dat Lukas in vs.21 overgaat tot het vermelden van de besnijdenis, behoeft in geen enkel opzicht te betekenen, dat de herders in een van de dagen, daaraan voorafgaand, pas op de geboorteplek zijn aangekomen.
We lezen in onze tekst: En als zij het gezien hadden…De herders hadden tegen elkaar gezegd: ‘Laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd’ (vs.15 slot). Dat is het eerste dat ons opvalt in de tekst: het zien van het Kind. Dat was een zien van het geloof, een zien op grond van wat de herders van Godswege was verkondigd. Daar gaat het ook in deze Kerstpreek om. Het Kind in de kribbe vraagt alle aandacht. Dat doen kinderen wel eens meer. Maar niet altijd terecht. Het Kind in de kribbe vraagt terecht om uw aller aandacht.
Veel is u in deze dagen verteld over de betekenis van het Kerstfeest. U kunt er wellicht ook het belangrijkste wel van navertellen. Maar ik vraag u: hebt u de geboren Koning der Joden, het Kind in de kribbe met ogen van geloof gezien? Gaat er ook voor u aantrekkingskracht uit van dit Kind? Middelpunt zoekende kracht? Van huis uit is er in ons niets dat naar zo’n Zaligmaker vraagt. Van nature ‘zien we in Hem geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzien, zo is er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben’ (Jes. 53:1). Of is dat bij u anders geworden? Hebt u wel eens last gehad van uw duistere en godloze leven, van uw zelfgenoegzaam en zelfverzekerd bestaan? Als dat niet zo is, is er in u geen beweging te krijgen naar de Heere Jezus toe.
Maar als de Heere in de hemel u mobiliseert, dan moet u met de herders van Bethlehem mee op pad. Nee, ik kan u niet precies vertellen wat er in het hart van de herders is omgegaan, toen zij op zoek gingen naar het Kind Wiens geboorte hun door de engel was aangekondigd. Veel belangrijker is het voor u, dat u het van uzelf weet wat u uitdrijft naar Jezus toe. Mag ik u vragen: is er ooit in uw binnenste een heimwee gekomen naar God? Hebt u er ooit naar verlangd om vrijgesproken te worden van uw schuld voor God? Kijk uw ogen uit. Neem er de tijd voor om u te verdiepen in de grote waarde van het Kind van God.
En mag ik dan vanmorgen een herder voor u zijn en u meenemen naar het Kind in de kribbe dat al uw aandacht vraagt? Blijf niet buiten staan. Zoek geen zaligheid in uzelf, in uw eerzuchtig en heerszuchtig bestaan. Kom binnen. Kijk uw ogen uit. Er gaat een geweldige aantrekkingskracht uit van dit Kind. Het stuurt u niet weg, als u met lege handen en met een hunkerend hart naar Hem toekomt.
U mag dit Kind alles vertellen wat u dwarszit. U mag bij Hem uithuilen. U vindt misschien geen woorden om te zeggen wat er omgaat in uw hart. Het hoeft ook niet. Hij weet het allang. Wat ik u smeek: ‘Kijk naar dit Kind in Bethlehems arme stal in het geloof, dat Hij u weer terugbrengt in de gemeenschap met zijn Vader’.

Daartoe werd Hij geboren. Daartoe sterft Hij straks aan een kruis.


Eén blik op Hem en u hebt de volle zaligheid. Iemand zegt wellicht: Zien is nog geen hebben. Nu, dat hangt er maar van af. U hebt misschien in het voorbijgaan wel eens een blik opgevangen van de Heere Jezus, wel eens een indruk gekregen van de noodzakelijkheid van Hem als Borg en van Zijn gewilligheid om u uit de wereld te trekken tot Zijn wonderbaar licht. Maar het ging allemaal weer voorbij. En het bracht u niet op de knieën. U leefde weer even rustig door als tevoren.
Maar het kan ook zijn, dat uw hart door één blik op Jezus zo vertederd is, dat u de hele wereld wel zou willen inruilen voor Hem. Nu, dan zeg ik u nu: Voor één blik kunt u Hem krijgen: een Zaligmaker Die alles voor u gereed maakt bij God.
Iemand van u vraagt misschien: Hoe wisten de herders toch, dat het Kind dat zij zagen, het Kind was, dat hun door de engel was aangekondigd als hun Zaligmaker. Nu, dat was niet moeilijk. De engel had er immers bij gezegd, dat zij moesten zijn bij een pasgeborene in bittere armoede. Niet in een koninklijk paleis. Niet in een rijk versierde wieg. Zo paste dit Kind precies bij de herders. Want dat waren immers ook zulke arme lieden. Als u in Jezus een Zaligmaker ziet die past bij uw armoede en net zo ellendig is als u bent, bent u aan het goede adres.
Omhels Hem. Aanbid Hem. Wij verkondigen u een Christus Die geboren is in de armoede van uw zondaarsbestaan. J. Calvijn schrijft in zijn verklaring van ons tekstgedeelte: ‘Willen wij derhalve tot Christus komen, zo moet het ons niet verdrieten het spoor te volgen van hen die de Heere, tot nederwerping van de trots der wereld, van achter de schapen genomen en tot onze leermeesters verheven heeft.’5
2. De herders van Bethlehem; zij horen, zien en…getuigen
En dan lezen we nog iets van de herders: En als zij Het (Kind) gezien hadden, maakten zij alom bekend het Woord, dat hun van dit Kind gezegd was. 6 Horen, zien en…Zwijgen? Gewoon tot de orde van de dag overgaan? Nee, dat bestaat niet. Kerstfeest vieren en Jezus geen woord waardig keuren, dat gaat echt niet samen.
Maar moesten die herders, nadat zij zo lang hun kudde in de steek gelaten hadden, niet nodig terug naar hun schapen? Het waren toch geen huurlingen die geen goede zorg hadden voor de schapen? Mochten zij hun werk ook niet zien als ‘een goddelijk beroep’? Op zijn tijd mag een mens zich bezighouden met eeuwige dingen, met het zien op Jezus. In het bijzonder op de zondag. Maar dan komt er toch ook weer een werkdag en worden wij geroepen om in ons dagelijks werk de Heere te dienen?! En als hier vanmorgen soms jonge mensen zijn, die zielsblij zijn geworden, vanaf het moment dat zij voor het eerst de Heere Jezus als hun Redder leerden kennen, laat hen dan niet denken, dat zij van de ene dag op de andere hun gewone dagelijkse werk aan de kant moeten gooien en evangelist of zendeling moeten worden.

In de Bijbel worden wij een en andermaal opgeroepen om te blijven in de roeping waarmee we geroepen zijn.


Ja en toch lezen we van de herders niet, dat zij direct weer naar de weidegronden even buiten Bethlehem zijn gegaan om voor hun dieren te gaan zorgen. Er was hun voor even een andere voorrangszaak op het hart gebonden. Ze hebben in elk geval op weg naar Bethlehems dreven niet stilgezeten en ook niet stil gezwegen. Wellicht zijn zij ook wel zo lang bij Maria en Jozef en hun Kind op kraamvisite gebleven, dat het zo langzamerhand weer licht was geworden. Met andere woorden: ze zullen op de terugweg genoeg mensen ontmoet hebben aan wie ze het grote nieuws konden toevertrouwen.
Nu, die herders hadden oog voor Jezus gekregen. Ze kregen ook een mond om van Hem te getuigen. Het was bij hen niet: horen, zien en zwijgen. Ze moesten van ‘de gevonden buit’ wat uitdelen. In het Kind van Bethlehem heil zien voor het eigen hart, houdt ook in: er anderen deelgenoot van willen maken. De liefde maakt gunnend. De herders maakten alom bekend het woord dat hun van dit Kindje was gezegd (door de engel en wellicht ook door Maria). De herders proclameerden het engelenwoord dat hun was verkondigd. Het woord van de herders stemde in elk geval in alles overeen met het woord van de hemelse boodschapper. Het was herders niet toegestaan voor de rechtbank te getuigen (zo onbetrouwbaar vond men herders). Maar God schakelt hen in in het grote werk van de verbreiding van Zijn Evangelie.
Ze zullen dat niet met veel fraaie zinnen hebben gedaan. De herders waren ongeletterde mensen, analfabeten wellicht. Ze hebben veeleer stamelend en stotterend hun gevoelens geuit. Als hier vanmorgen iemand is, die denkt, dat hij over de Heere Jezus niet goed spreken kan, laat hij dan van Hem vertellen wat hij van Hem weet, al is het slechts met een paar kreten. En als hier vanmorgen iemand is, die niet zo uit ervaring over Jezus spreken kan als de herders van Bethlehem, laat hij dan maar zeggen wat de Schrift, de Bijbel van Jezus vertelt. Zwijg niet over Hem tegenover uw man, uw vrouw, uw kinderen, uw buren. En als u het niet met woorden kunt zeggen, zing dan maar het hoogste lied.
Het schijnt bij sommige mensen die wekelijks tweemaal per zondag onder het Woord in de kerk komen, zo te zijn, dat ze niet over de Heere willen spreken, omdat zij vrezen, dat anderen mogelijk van hen zouden kunnen denken , dat zij bekeerd zijn. Maar is dat niet de dood in de pot? Moet Jezus zo in uw gezin doodgezwegen worden? Is het soms beter, dat u voor uzelf levenslang onzeker bent en inmiddels nooit een goed woord van Jezus spreekt?
Let erop, gemeente, dat de herders aan iedereen die het maar wilde horen, bekend maakten wat hun van het Kind in de kribbe was gezegd. Zij hadden het niet allereerst en allermeest over wat zij gezien hadden (een engel, engelen). De engelenboodschap was voor hen van doorslaggevende betekenis. Die werd bevestigd in het Kind in de kribbe.

Het woord dat hun verkondigd was, dat was de inhoud van hun boodschap (grote blijdschap voor heel het volk in de heden geboren Zaligmaker, Christus de Heere in de stad van David; vs.10v). Ze maakten het heilsfeit bekend. 7. Het vuur van hun rede lag in een hoogst persoonlijk zien van het Kind in de kribbe. Maar de stof van hun rede lag in het Woord dat hun over dat Kind was gezegd. Zij stamelden de engel en zijn boodschap na. En zo mogen ook wij als herders (en leraars) dat doen op het Kerstfeest.


Natuurlijk hebben de herders ook allemaal aan Maria en Jozef verteld, wat hun overkomen was. Van de engel die tot hen gesproken had en van de engelenzang. Maar daarop beriepen zij zich niet direct om de waarheid van het Kerstevangelie te betuigen. Zij vertelden aan de mensen ook niet wat zij in het Kerstkind gezien hadden. Zij zetten hun bevindingen niet voorop.

Onlangs was er een dominee in Middelburg die in woord en geschrift liet weten, dat hij niet geloofde in het bestaan van God. Stel u voor: een dominee die beweert, dat God niet bestaat. En gelukkig is dat in de Synode van de Protestantse Kerk in Nederland niet onweersproken gebleven. Het was de scriba van die kerk die er getuigenis van aflegde, hoe de werkelijkheid en waarheid van God persoonlijk waarheid in zijn binnenste was geworden. Dat was heel mooi.


Toch moeten we niet vergeten, dat het niet onze bevinding is (dat wat we in de Heere en Zijn Christus hebben ontdekt), dat van doorslaggevende betekenis is in ons getuigenis naar buiten toe. Zo is het ook, als wij als herder en leraar zo nu en dan eens iets vertellen van wat wij persoonlijk ondervonden hebben in het geloof. De kracht van onze prediking ligt in het Woord dat ons is toevertrouwd en dat met klem en kracht als waarheid van God mag worden betuigd. Een rechtgeaarde herder predikt het Woord. Hij heeft, als het goed is, Zelf ondervonden wat het is in het Kind van Bethlehem te geloven als zijn Zaligmaker. Maar hij predikt niet zijn bevinding. Hij predikt het Woord.
Doet u het zo ook maar, ook al bent u geen herder en leraar. Trek u het lot aan van allen die met u op reis zijn naar de grote eeuwigheid. Vraag u af aan het eind van een dag en van een week, hoeveel woorden u besteed hebt aan het getuigenis van Jezus Christus. Hoeveel is u van dit Kind Jezus al niet verteld. Op de Adventszondagen, vier in getal, voorafgaand aan het Kerstfeest, en op dit Kerstfeest zelf. En kan er dan bij u geen goed woord over de Heere en Zijn dienst af? Beste jonge mensen, spreken jullie wel eens met elkaar over de betekenis van de Zaligmaker in je leven? Of heb je misschien verkering met een leeftijdgenoot die thuis nooit iets van de Heere en Zijn dienst hoorde? Nu, mag zij/ hij bij jou iets van die grote blijdschap opmerken waarover de engel sprak tegen de herders? Is Jezus het geheim van je leven? En u vader, u hebt misschien tot nu toe bij geen van uw kinderen ooit gehoor gevonden, als u met hen over Jezus sprak? En is dat dan een reden om er voortaan maar het zwijgen toe te doen? Of u die woont in een verzorgingscentrum, hebt u niet vele mogelijkheden om met uw medebewoners in gesprek te komen over het ene nodige in het leven?
Laten we nog een ogenblik terugkeren naar de herders. Het hoeft voor ons geen vraag te zijn, waar zij hun gehoor vandaan haalden. Natuurlijk hebben zij het eerst allemaal aan Maria en Jozef verteld wat hun van het Kind Jezus gezegd was door de boodschapper van God uit de hemel. En dat moet voor die twee een heerlijke bevestiging zijn geweest van wat zij beiden reeds veel eerder, eveneens van hemelboden, over hun Kind hadden vernomen.
Het zal allemaal best een aangevochten zaak zijn geweest. Was dit Kind, in de bitterste armoede geboren, de Zaligmaker? Wat een teleurstelling! Maria, Jozef weten jullie dat wel zo zeker? Hebben jullie je niet vergist? En dan dat wonderlijke gebeuren van de komst van de herders – de eerste aanbidders van het Kerstkind - die door wat zij te vertellen hadden een dubbele streep zetten onder al die heerlijke woorden over Jezus die Maria en Jozef reeds eerder hadden gehoord.
Zo werkt God. Ook u hebt wellicht ooit iets ondervonden waardoor u mocht gaan geloven, dat de Heere Jezus ook voor u op de wereld kwam. Er viel een woord van God in uw hart waardoor als het ware de hemel voor u openging. Maar vandaag wordt u erover bestreden. Is het ooit wel waarheid in uw binnenste geweest? Hebt u uzelf maar niet wat ingebeeld? En dan komt daar op een dag iemand bij u aan, die u laat weten, hoe het toegaat, als God Zich met een zondaar inlaat. En dan mag u weer moed scheppen. Soms krijgt u dan hetzelfde woord te horen als dat wat u indertijd zo bemoedigde. Een ware hartversterking. God sanctioneert Zijn eigen werk.
Zo werkt God ook door het Woord dat op deze kansel klinkt. De Heere heeft bemoeienis met een bestreden en aangevochten Maria en Jozef. Hij gebruikt het goede woord dat wij over Jezus spreken om te verklaren wat er in uw hart leeft en ook om te verklaren wat er in Gods hart leeft.
3.En allen die het horen verwonderen zich.
‘Nu goed’, zegt u, ‘in de stal van Bethlehem vonden de herders een gretig gehoor, maar hoe ging dat op straat?’

Nee, zij hebben geen massabijeenkomst georganiseerd. God Zelf zorgde voor gehoor. Toen zij op weg waren gegaan naar de kribbe, sliepen alle mensen nog. Maar toen zij terugkeerden naar hun kudde, zongen ze het hoogste lied over alles wat zij gehoord en gezien hadden (vs.20) en gingen de deuren van de arme herdershutten open.


‘Wat is daar aan de hand?’, zullen de mensen zich afgevraagd hebben? ‘Wat bezielt die mannen om zo vroeg op de dag al te gaan lopen jubelen?’ ‘Zeg, Jakob, David, hoor eens, nu hebben we toch iets meegemaakt, dat ons nooit eerder is overkomen.’ En toen hebben de herders hun stadgenoten laten weten, dat de Messias was geboren, op grond van het hun verkondigde Woord. ‘Herders, waarom zingt gij niet…?’

De Overpriesters en de Schriftgeleerden waren in geen velden of wegen te bekennen, hoewel zij konden weten, dat de Messias in Bethlehem geboren zou worden (Matth. 2:4-6). Zij lieten verstek gaan. Maar God gebruikte analfabeten, ruwe kerels als herders die als rovers bekend stonden, om Zijn Evangelie bekend te maken. 8 Zo heeft God dat vaker gedaan. Denk maar aan John Bunyan (1628-1688), een vloekende ketellapper, een ongeletterde man die door God gerecruteerd werd om het Evangelie van vrije genade aan de mensen te verkondigen, tot beschaming van heel theologisch Engeland van die dagen.


Ja, want het Evangelie is ook bedoeld voor de ‘man in the street’. Het is niet alleen voor bestreden Maria’s. Het is ook de bevrijdend boodschap voor herbergiers (bij wie voor Jezus geen plaats was), voor de jongeren in de ‘keten’, voor drugsverslaafden die geen heil meer in het leven zien.
Het Evangelie komt vanmorgen ook bij u aan de deur. Het wil uw hart veroveren. Op de grote oordeelsdag moet het niet kunnen gebeuren, dat één inwoner van uw dorp of stad tegen u zegt: ‘Waarom hebt u/ heb jij mij niet verteld, dat er een ‘middel was, waardoor ik aan de welverdiende straf kon ontgaan en wederom tot genade komen?’ (Heid.Cat., Zondag 5, vraag 12). Anderen van de Zaligmaker vertellen is ‘a solemn obligation as well as a great privilege’ (Warren W. Wiersbe, a.w., blz. 177). 9

En dan nu nog de vraag, hoe het met die evangelisatiecampagne van de herders in Bethlehem is afgelopen. En daaraan verbonden een heel persoonlijke vraag aan u en aan jou. We lezen in onze tekst: ‘En allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd door de herders’ (vs.18). Ziedaar het resultaat, de vrucht op de eerste Kerstpreek in Bethlehem. Die preek liet wat na: verwondering. ‘Prachtig’, zegt u, ‘heel Bethlehem ingewonnen voor de geboren Zaligmaker’. Zou dat zo zijn? Als wij ergens met het Evangelie naar toe zijn gegaan, laat ons dan niet vragen om de bekering van enkelen. Vraag gerust, of heel die plaats tot geloof mag komen. God doet wonderen.


De mensen van het herdersdorp zijn verbaasd geweest. Ze zullen hun stadgenoten met grote ogen aangekeken hebben. We lezen echter niet, dat al de hoorders ook net als de herders naar de kribbe zijn gegaan om het wonder van het Christuskind met eigen ogen te gaan zien. Calvijn schrijft in zijn verklaring van vs.17 van Lukas 2: ‘Dat allen, die het hoorden, zich verwonderden, en nochtans niemand een voet verzette om tot Christus te gaan, doet ons zien, dat zij wel verslagen zijn geweest over hetgeen hun van de daden Gods verkondigd was, maar zonder dat het hart er ernstig door geraakt was. ’10
Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen, dat er geen heilbegerigen onder hen zijn geweest, die gevallen zijn voor het Woord van de herders en het net zo grif hebben geloofd als wanneer zij door engelen ernaar toe zouden zijn gebracht. Zo lezen we in vs.33 van Jozef en Maria die zich verwonderen over wat Simeon in de tempel van het Christuskind zei. Dat was zeker geen verwondering van een ogenblik.
Maar verwondering behoeft nog geen bekering te zijn. De mensen hebben ervan opgekeken, dat simpele lieden als de herders zo opgetogen hun verhaal hebben verteld. Maar of ze het ook allemaal echt hebben geloofd….?Wellicht hebben ze een paar uur later tegen elkaar gezegd: ’t Is te mooi om waar te zijn. Die herders hebben gedroomd. De Messias in een stal geboren? We laten het maar voor wat het is. We zullen er misschien wel meer van horen. En toen hebben ze voor Maria, voor haar kind en voor Jozef voor een beter onderkomen in Bethlehem gezorgd (Matth.2:11). En dat was natuurlijk heel mooi.
Maar verwondering is niet altijd ook aanbidding. Het kan zelfs wel zijn, dat de inwoners van Bethlehem weldra gezegd hebben: ‘Was dat Kind maar nooit hier geboren’. Toen namelijk Herodes alle kinderen beneden de twee jaar door zijn wrede soldaten liet ombrengen, omdat hij er zeker van wilde zijn, dat een mogelijk geboren koning der Joden zijn troon niet kon bemachtigen.
Wel vaker lezen we in de Evangeliën, dat mensen zich verwonderen. Als Jezus later preekt, duivelen uitwerpt en grote wonderen doet, verwondert zich de schare (Matth. 9:8; 15:31 o.a.). Dat wordt ook gezegd van Farizeeën (Luk.11:38). Zelfs Pilatus verwonderde zich over die zachtmoedige man die geen woord tot zijn verweer uitsprak (Matth. 27:14; Mark. 15:5, 44). Maar zij hebben Hem allemaal wel laten vallen, ja Hem zelfs aan een kruis geslagen.
‘Komt, verwondert u hier,mensen.’ Maar gewetensovertui-gingen brengen niet altijd een mens op zijn plaats voor Jezus. U kunt iemand zijn, die respect hebt voor mensen die oprecht geloven en die in de grootste smarten gerust kunnen zijn in God. U kunt iemand zijn, die wel eens met ontroering naar een preek luistert, maar zich verder geen moeite getroost om uw zondig leven de rug toe te keren. Verwondering, geen bekering. De Christus Die in Bethlehem geboren werd, kreeg het nooit in uw leven geheel en al voor het zeggen. U bent nooit met heel uw hebben en houden, met heel uw verzondigd leven voor Zijn rekening komen te liggen. U hebt er tot nu toe geen erg in gehad, dat de armoe van het Christuskind uw armoede was.
Als dat laatste het geval met u wordt, bent u niet meer weg te slaan van de kribbe van Bethlehem. Daar ligt uw Redder Die kwam om u zalig te maken. Want Hij heeft Zijn leven voor u gegeven aan het vloekhout. Daar droeg Hij uw schuld. Daar verzoende Hij u met God. En dan stroomt uw hart vol van verwondering. Maar dan van een verwondering van meer dan van voorbijgaande aard. U gaat zingen:

Ik zal verrukt van vreugd,

Uw grote daân verhogen.

(Ps.92:2 slot ber.)


Dan blijft het op de bodem van uw hart liggen: Hij is mijn Redder. Hij alleen, ook als uw hart niet elke dag even vol is van Hem. Hij gaat toch nooit meer weg uit uw leven. Zelfs al zou u door veel beproevingen heen gaan, zoals de vaders en moeder van Bethlehem die hun kinderen door het zwaard van Herodes verloren; ze worden wel genoemd de eerste martelaren van de kerk. Het kan zijn, dat ook u een kind moest verliezen, maar het van dat kind mag weten: Vroeg gestorven, vroeg bij God. Is het dan toch niet goed? Wat God doet, dat is welgedaan.
Ook van Jozef en Maria lezen we, dat zij zich verwonderden; zij verwonderden zich over wat Simeon in de tempel over hun Kind zei (vs.33). Maar dat was een verwondering van het geloof. Ze konden het gewoon niet op: in hun Kind – ‘zaligheid, bereid voor het aangezicht van al de volken; een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Gods volk Israël’ (Luk. 2:31v).
Mijn vraag aan u is tenslotte, hoe u vanmorgen onder het gehoor van het Goddelijke Woord bent geweest. Laat ik dit wel zeggen, dat de Heere Jezus u van harte gegund is. Hij doet niets liever dan u de vrede geven met God die u nodig hebt om gelukkig te leven en zalig te sterven. Als u dat mag geloven, hebt u een wat we noemen ‘airbag’ waardoor u tegen een stootje kunt. Dan geen nood, zelfs als het eindgericht zou losbarsten.
Blijf u slechts voortdurend verwonderen over Gods goedheid waardoor ook u binnen de lichtkring van Gods genade bent getrokken. Hem zij de lof in eeuwigheid.
Amen.

1 Het schilderwerk is van Rogier van der Weyden (1400-1464) en stelt de evangelist Lukas voor, bezig met het schilderen van Maria en Jezus (1435). Maria wijst op haar Kind. Om Hem gaat het bij Lukas.



2 De afbeelding stelt Octavianus voor, die als eerste Romeinse keizer de eretitel Augustus (Augustus Caesar) ontving. Hij bracht Rome tot grote bloei, zorgde voor welvaart en vrede (Pax Romana), stimuleerde literatuur, kunsten en wetenschappen.

3 ‘Vrouwen van twaalf jaar af dienden ook in het register te worden opgenomen’. Aldus een verordening in Egyptische formulieren. Zo J. T. Nielsen, a.w., blz.70.

4 Halford Luccock noemde dit ‘the first Christmas rush’. Warren W. Wiersbe voegt hieraan toe: ‘but it was certainly different from the Christmas rushes we see today’ .Zo Warren W.Wiersbe, The Bible Exposition Commentary; volume 1; Victor Books Wheaton, Illinois 1989; blz. 176.

5 J. Calvijn, De Evangeliën Mattheüs, Markus en Lukas, in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard (vert.uit het Latijn, onder toezicht van A. Brummelkamp); eerste deel; 3e druk; Goudriaan 1979; blz. 128.

6 De Griekse Meerderheidstekst heeft hier het werkwoord: ‘diagnoridzoo’ = bekend maken. Volgens Van Bruggen (a.w.,blz. 84) betekent dit werkwoord dat verder niet voorkomt in het NT: bekendheid geven aan iets in ruimer kring.’ Heel treffend geeft J. A. Bengel, het weer met: ‘breiteten sie das Wort aus’. Zo J. A. Bengel, Gnomon (Auslegung des Neuen Testamentes in fortlaufenden Anmerkungen); Bnd I; Stuttgart, 8e Aufl. 1970; blz.286. De Statenvertalers hebben daarom het woord ‘alom’ ingevoegd.

7 Terecht schrijft dr. Jakob van Bruggen: ‘Het Griekse woord (rhèma) betekent..’woord’. Daarbij past ook de uitdrukking ‘dat de Heere ons bekend maakte’. Het lijkt wat vreemd om te spreken over ‘een woord dat geschied is’, maar hierin geeft Lucas misschien een getrouwe afspiegeling van het niet zo gestileerde taalgebruik van de herders. Dat zij wel degelijk ‘het woord’ bedoelen, dat de engel sprak, blijkt ook uit de herhaling in 17 en 19: beide malen ziet het woord rhèma dan op een woord dat ‘gesproken’ is en ‘in het hart overwogen wordt’. Zo dr. Jakob van Bruggen, a.w., blz.83. M.i. heeft dit niets te maken met een minder gestileerd taalgebruik van de herders. De herders hebben zich veeleer bediend van een typisch Hebreeuwse manier van spreken. Het Griekse woord rhèma = het Hebreeuwse dabar (woord, zaak, ding, daad, gebeurtenis)

8 In de preek over Luk.2:11., noot 11 heb ik het volgende over de herders gezegd: ‘Herders waren verachte lieden (’outcasts’). Men verdacht hen ervan, dat zij het met het ‘dijn’ en ‘mijn’ niet zo nauw namen. Het was hun niet toegestaan voor de rechtbank te getuigen. Herders stonden bekend als rovers. Bekend was de uitspraak: Koop van herders niets; want je weet nooit, of het gestolen is. Aldus H. L. Strack-P. Bellerbeck, Das Evangelium nach Markus, Lukas und Johannes und die Apostelgeschichte erläutert aus Talmud und Midrasch. Zweiter Band. München; 8e unveranderte Auflage 1982, blz.113.

9 K. H. Rengstorf constateert, dat niet ieder die tot geloof komt, ook apostel of evangelist moet worden, maar dat wel allen die gelovig worden, verplicht zijn om van hun geloof op hun plaats te getuigen. Zo K. H. Rengstorf, Das Evangelium nach Lukas (Das Neue Testament Deutsch); Göttingen 1962; blz.42.

10 J. Calvijn, a.w., blz.138.





Dovnload 54.76 Kb.