Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Matth. 25: 1-13

Dovnload 60.69 Kb.

Preek over Matth. 25: 1-13



Datum28.10.2017
Grootte60.69 Kb.

Dovnload 60.69 Kb.


Preek over Matth. 25:1-13
Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 95:1, 4

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 51:3 / 100:1

5. Schriftlezing: Matth. 25:1-13

6. Gebed


7. Tekst:/ thema: Matth. 25:1-13

Thema: De gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden

Puntenverdeling van de preek:


  1. Zo waakt dan…

  2. Jezus komt. Maranatha

  3. Het onderscheid tussen de dwaze en wijze meisjes

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 68:2, 6

10. Prediking

11. Psalm: 73:13

12. Dankgebed

13. Psalm: 119:7

14. Zegenbede.


* * *


‘Zo waakt dan.’ Deze woorden, gemeente, kunnen we als thema boven de preek van deze morgen zetten. U kunt die woorden vinden in Matth.25:13a. Zij zijn ook een samenvatting van wat we lezen in de gelijkenis van de vijf wijze en dwaze maagden.
1. Zo waakt dan…
Die gelijkenis is de tweelingzuster van de voorgaande over de wakende dienstknechten.1 Deze twee gelijkenissen lijken sprekend op elkaar. De gelijkenis van de tien wachtende meisjes is daarom ook wel genoemd: de vrouwelijke nevenvorm van de gelijkenis over de twee dienstknechten (Matth. 24:45vv) (Klostermann). Wees waakzaam; de Heere komt. Verwacht Hem. Maar – en daarop legt de gelijkenis van die twee dienstknechten grote nadruk - maak er in de tijd waarin Jezus op Zich laat wachten geen puinhoop van; wacht en waak over de goederen die u zijn toevertrouwd.
En dan is er nog de gelijkenis van de talenten (Matth.25:14vv). In deze gelijkenis gaat het ook over wachten. Maar daar ligt dan meer de nadruk op wat ons – positief - te doen staat in de tijd, dat de Heere Jezus nog niet is teruggekomen. ‘Doet handel, totdat Ik kom’. Woeker met de gaven die u geschonken zijn; wees actief bezig, dat ‘verkort’ de tijd.
Wij moeten wachten en tegelijk ook werken. Het is als met de slinger van een klok die zich steeds tussen twee punten beweegt. Het leven van een christenmens is zo ook een leven tussen wachten en werken (w w).
In de gelijkenis die we vanmorgen overdenken, die van de tien meisjes die op een bruidegom wachten, ligt het accent geheel en al op het wachten; uitzien naar Jezus’ wederkomst met groot uithoudingsvermogen. Want het kan wel eens langer duren dan je denkt. Blijf op je post! Bereid je voor op een lange wachtenstijd.2
Het is als met die soldaat die in Pompeï gevonden is in de aarde die bedekt is met een dikke lavastrooom uit de vuurspuwende Vesuvius in het jaar 79 na Chr.. Toen die soldaat eeuwen later werd opgegraven stond hij daar nog steeds keurig in de houding. Hij was niet van zijn post weggelopen, ook niet toen het doodsgevaar hem overviel.

Het christelijk symbool voor een waakzaam wachten is de haan boven op een toren. Dat dier draait ogenschijnlijk met alle winden mee. Maar je kunt beter zeggen: hij steekt steeds de borst vooruit, dwars tegen elke aanstormende wind in. Hij waakt dag en nacht. Hij ziet als eerste het rijzend licht van een nieuwe dag.
‘Zo waakt dan’, zegt Jezus. Bedenk, dat het wel eens veel langer zou kunnen duren dan je denkt. Bedenk, dat de dag van Christus’ komst er opeens kan zijn. Dan als bijna niemand Hem verwacht. Daarover vertelt de Heere Jezus de gelijkenis van de tien meisjes. Aanschouwelijk onderricht. Up to date.
Een verhaal over een naderend bruiloftsfeest. Iedereen weet uit ervaring hoe vreugdevol zo’n feest is. De bruidegom is lang van tevoren reeds bezig geweest met het treffen van voorbereidingen. Alles moet piekfijn in orde zijn voor een feestelijk samenzijn dat dagenlang zal duren. Zijn huis is versierd. Er staan lange tafels aangericht waar de feestgangers straks zullen aanzitten om te eten en te drinken. Weldra zal de bruidegom komen om zijn bruid uit haar woning op te halen en naar zijn eigen woning te leiden. Het is avond en het wordt donker.3
Er wordt intensief meegeleefd met het jonge paar in het dorp. Maar in het bijzonder zijn het de vriendinnen van de bruid die vol zijn van het naderend feest. Zij hebben zich voorgenomen om bruid en bruidegom in feestelijk gewaad en met feestgejuich te begeleiden naar de feestzaal. Vgl. Joh. 3:29.

Maar het duurt lang, voordat de bruidegom is gekomen. Het is inmiddels middernacht geworden. En nog steeds branden de lampen van de tien wachtende meisjes. Het zijn toortsen in een huls op een lange stok. In die huls: een pit van wol en lappen die brandt door olijfolie onder in de huls. Wat zal het een schitterende optocht zijn, als zij straks in het donker van de nacht zich naar de feestzaal begeven samen met bruid en bruidegom.



Op het afgesproken punt wachten zij. Hier moet de bruidegom langs komen. Zij wachten en wachten. Maar wachten duurt lang, vooral als de spanning stijgt.
Het duurt tenslotte zo lang, dat alle meisjes slaperig worden en indommelen. Misschien zijn hun ogen zo nu en dan even open gegaan, als zij voetstappen van een voorbijganger hoorden. Maar tenslotte zijn ze zo in slaap verzonken, dat alles haar ontgaat. Naast haar staan in de grond de lange stokken met de toortsen te branden.4
Maar dan opeens…!

Ze schrikken wakker. Een stem roept: ‘Ziet, de bruidegom komt; gaat uit, Hem tegemoet!’ (vs. 6).5 Snel grijpen ze naar de fakkels, gieten reserveolie bij en gaan op pad, met de bruidegom en bruid mee. Op naar de feestzaal. Maar niet allemaal gaan ze mee. Helaas, vijf van haar waren zo dwaas geweest om geen reserveolie mee te nemen. Zij hadden geen rekening gehouden met het zo lang wegblijven van de bruidegom. En terwijl de anderen die haar toortsen wel brandend konden houden door olie bij te vullen, met de bruidegom (en bruid) meegaan, gaan de vijf dwaze meisjes op advies van haar vriendinnen gauw naar de stad terug om olie te kopen.




Nee, die olie kunnen zij niet krijgen van de wijze meisjes; die hadden juist voor zichzelf genoeg. 6Maar als de dwaze meisjes in de stad aankomen, zijn alle deuren gesloten. Iedereen slaapt. Zij kunnen niet meer geholpen worden. Te laat. Wat de wijze meisjes tegen de dwaze zeggen is daarom meer een verwijt dan een goede raad (zo J.Calvijn, a.w.,blz. 375). Hadden jullie maar genoeg olie gekocht voor je op pad ging.7


En als zij toch nog bij de deur van de feestzaal aankomen en aankloppen om het feest mee te gaan vieren en roepen: ‘Heere, Heere, doe ons open’, zegt een stem van binnen: ‘Ik weet niet, wie u bent.’ 8 Je laat toch niet in het holst van de nacht iedereen zo maar binnen.
Te laat, ja voor altijd te laat.
Er scheen helemaal geen verschil te zijn tussen de dwaze en wijze maagden.
Maar nu maakt de deur onherroepelijk scheiding tussen die beiden.
2. Jezus komt. Maranatha
‘Waakt dan’, zegt Jezus. ‘Blijf wakker, al duurt het nog zo lang. Ik kom echt terug. Dan mogen jullie mee om het grote feest te gaan vieren. Maar kijk het eerst eens goed na, of je wel voldoende reserveolie bij je hebt.
Het kan duidelijk zijn, dat de Heere Jezus in de gelijkenis van de tien meisjes met de Bruidegom Zichzelf bedoelt. Hij is op de dag van Zijn opneming in de hemel van deze aarde weggegaan. Maar Hij heeft Zijn jongeren er herhaaldelijk op gewezen, dat Hij weldra terugkomt om hen op te halen en hen bij Zich thuis te brengen. 9 Dan, als de hemelen zullen worden opgerold als een dunne doek.
Als Hij terugkomt, zal dat een groot feest zijn. Met Hem en al Zijn heiligen de Heere eeuwig grootmaken, verlangt u daar ook wel eens naar? Ziet u daar ook naar uit? Geen zonde meer die scheiding maakt tussen de Heere en u. Geen rouw of verdriet zal er meer zijn. Zelfs de laatste traan zal uit stervende ogen zijn afgewist. Hij, de Bruidegom van Zijn kerk die al degenen die de Vader Hem gaf, vrijkocht met Zijn bloed, zal dan eeuwige eer en dank en lof ontvangen. Ik verzeker u, dat het de moeite eeuwig waard is om in die vreugde te delen, al zou u er 100 jaar op moeten wachten. Uw wachten op Hem zal beloond worden. U mist Hem toch zeker nog wel eens? Soms zozeer, dat u het bijna niet langer uit kan houden. Kwam Hij nu maar gauw?
Maar hij komt eraan. Dat is zeker. Hoort u de voetstappen niet van Hem, de Bruidegom door alle gebeurtenissen op aarde heen? Laten duivel en wereld u er niet van weerhouden, gemeente om uit te zien naar Zijn komst. De ongelovige wereld spot ermee. ‘Het is altijd al geweest, zoals het nu is. Echt, die dag komt toch nooit.’ Laat de boze wereld zich klaarmaken voor een allesvernietigende ondergang. Denk aan wat Noord Korea uithaalt in kernproeven, waarmee het de wereld uitdaagt om een oorlog te beginnen, waaraan geen eind kan komen.
Verwacht Hem, gemeente. Wacht en waakt. Wachten duurt lang. Dat weet u. Wacht maar eens bij een bushalte op een bus die maar niet wil komen. U doet telkens een stapje naar voren om te zien,of hij er nog niet aankomt.

De bruidegom vertoeft. En daar zal Hij Zijn reden voor hebben. Het is als met een vader die zijn huis om twaalf uur in de nacht nog niet heeft afgesloten. Waarom niet? Wel, er moeten nog een paar kinderen thuiskomen. Zo nu is het ook met Jezus. Hij wacht totdat de laatste is binnengebracht.


3. Het onderscheid tussen de dwaze en wijze meisjes
Wat u nodig hebt om op de Bruidegom te wachten, is: een lamp en olie. De lamp van een geloof dat brandt van liefde en de olie van de Heilige Geest 10 Die uw geloof brandende houdt. Vurige liefde voor Hem Die Zichzelf geheel voor uw redding overgaf. Dat maakt u tot opmerkelijke feestgangers. Het wordt opgemerkt door mensen om u heen. ‘Die mensen’ – zeggen zij – ‘wachten op iets, op Iemand. Die hebben wat te goed.’ 11
Maar wachten, gemeente, houdt ook in: waken. Waken tegen gevaren van buiten (spot en belachelijk gemaakt worden), tegen een leven in wereldgelijkvormigheid. Maar vooral ook tegen een gevaar van binnen. Tegen een sluimergeest, tegen inzinking in het geestelijk leven. Dan verflauwt de hoop. Het gebedsleven wordt minder innig. U bent niet zo gretig meer in het lezen van de Bijbel. U weet het zo zeker niet meer, dat u een vriend(in) bent van de hemelse bruidegom. Twijfel en vrees vervullen u.
De gelijkenis vertelt ons, dat alle tien de wachtende meisjes in slaap vielen. Voor het oog was er geen onderscheid tussen de wijze en de dwaze meisjes. Zo kan het zijn met de kerk. En alles wijst erop, dat het zo in onze dagen is. ‘Ja, ook in onze dagen is er zulk een dommel over de zielen gekomen en geeft de gemeente zo weinig van wakkerheid blijk, dat zij meer gelijkt op een groep sluimerende maagden met walmende toortsen, dan op een vrolijke lichtstoet, wakker van geest en vaardig van hand’ (zo Ds. J. J. Knap, a.w., blz.18).12
U bent toch zeker niet blind? Of ziet u het niet, dat er sprake is van een enorme teruggang in de geloofsbeleving? Men heeft de mond vol over missionair gemeente-zijn. Maar er gaat in feite weinig werfkracht uit van gemeenteleden. Alles is mat en dor geworden. Wat is het verschil nog tussen kerk en wereld? Een verklaarder van onze gelijkenis schrijft:
Wordt hier niet de constante verleiding uitgebeeld, die alle christenen bedreigt, juist wanneer zij in ijver zich van de lauwe massa onderscheiden, dat aan het getuigenis in de wereld de eigenlijke grondslag van innerlijke verbondenheid ontbreekt? Waar de verborgenheid des geloof niet wordt geoefend, die zich richt op Christus en Zijn toekomst, daar doven de fakkels in de nacht en blijven zij buiten, die zich reeds deelgenoten van Zijn heerlijkheid waanden.’ Aldus Dr. C. Brouwer, a.w., blz. 207.13
Wat u en ik nodig hebben, is olie van de Heilige Geest. Die houdt onze lampen brandende. Ook reserveolie. Dat betekent, dat we er van meet af op bedacht zijn, dat het wel eens langer zou kunnen duren dan wij denken. Beproef uzelf.
U kunt een dwaas meisje zijn. U kunt een geloof hebben dat ogenschijnlijk bergen kan verzetten, maar dat toch geen wezenlijke genade kent en dat uitvalt, als beproevingen en verzoekingen komen. We noemen dat wel een tijdgeloof. Dat verschilt van het ware niet alleen hierin, dat het er maar voor een tijd is. Het verschilt ook inhoudelijk van het ware geloof. Want het gaat u niet om de Heere alleen, maar veeleer om alles wat de Heere u geeft. Er is geen zaligmakende ontdekking aan uw schuld voor God. U kent geen ‘droefheid naar God die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt’ (2 Kor.7:10). U loopt over van veel (kerkelijke) activiteit en milddadigheid, maar kent geen ootmoed en dagelijkse strijd tegen de zonde.

U gaat trouw op onder de bediening van het Woord. U bent gedoopt en komt geregeld aan het heilig Avondmaal. U kent de ‘halleluja -roep’, maar meer uit kracht van opvoeding, dan als een hartekreet. Van afdwalingen in uw dagelijkse handel en wandel is weinig of niet sprake. U hoeft er dus ook niet over in te zitten, als u denkt aan de dag van uw dood. Zo meent u.

In een woord: veel oppervlakkigheid. U zingt wel eens een psalm met tranen in uw ogen. U bent – om met ds. J.J. Knap te spreken – een ‘gevoelsmens met een oog dat zeer spoedig vochtig wordt, en die, onbewust van uw zelfbedrog, uw natuurlijke ontroering voor ritselingen des Heiligen Geestes houdt’ (a.w., blz.15). Kortom, er is bij u geen sprake van waarheid in uw binnenste.
Het is met u als met de dwaze maagden. Haar voorbereidingswerk was gekenmerkt door grote haast en oppervlakkigheid. Zo is het ook met u, als u niet in waarheid om God verlegen bent geworden. Er wordt ook door u hoog opgegeven van zendingsdrang en evangelisatieactiviteit. Maar helaas, de buren zien het van u niet, dat u christen bent.
Hoe geheel anders ligt dat bij de wijze meisjes. Zij zijn niet zomaar op stap gegaan. Zij hebben er van meet af op gerekend, dat er tegenslagen en beproevingen zouden kunnen komen. Daarom hebben ze reserve-olie meegenomen. Die wijze maagden zijn de ware gelovigen die de goede keus hebben leren doen. Die alles, alles van zichzelf hebben prijsgegeven om dat in te ruilen voor de gerechtigheid van de Heere Jezus. Zij weten zich van dag tot dag afhankelijk van de doorwerking van Gods Geest. Zij hebben in zichzelf niets. Soms twijfelen ze zelfs, of het hun wel in waarheid om de Heere begonnen is. En toch, toch kunnen ze het niet laten om altijd weer op de knieën te zijn en de Heere om hulp te vragen. Dan zeggen ze met Job: ‘Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen’ (Job 13:15a). Elke dag is het:
Och, schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest

Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken

(Ps. 119:3a ber.).
Het is dat geloof, gemeente dat het uithoudt tot het ogenblik van de komst van de hemelse Bruidegom. Het wordt gekenmerkt door radicaliteit, door vastberadenheid en doorzettingskracht. Calvijn schrijft in zijn verklaring van de gelijkenis, ‘dat het niet voldoende is gedurende een kleine tijd vaardig en ijverig te zijn, maar dat dit met onvermoeibare volharding gepaard moet gaan….’. ‘De hoofdgedachte der gelijkenis is, dat het niet voldoende is dat wij ons éénmaal aangorden en gereed maken tot het volvoeren van onze plicht, maar dat wij ten einde toe moeten volharden.’ 14
Dit oprechte geloof valt nooit uit, al wankelt het soms. Ook als u dagen van geestelijke duisternis doormaakt waarin alles wat u onderscheidt van de goddeloze wereld om u heen, verdwenen lijkt te zijn, mag het toch zijn: ‘Heere, ik kan niet zonder U’. Dan is het voor u die weet hebt van de heerlijke liefde van de hemelse Bruidegom, bijna niet meer uit te houden. En toch, en toch: ‘Wie is er onder ulieden, die de Heere vreest, die naar de stem van Zijn Knecht hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des Heeren, en steune op zijn God’ (Jes.55:10).
Zo waakt dan. Het moet voor u toch een onverdraaglijke gedachte zijn op de grote dag van Christus’ te moeten roepen: ‘Onze lampen gaan uit’. Nee, dan kan en mag u er niet op rekenen, dat uw godzalige moeder of man u zou kunnen geven wat de Heere u heeft willen geven tijdens uw leven. Genade is geen erfgoed, en ook geen leengoed. De dwaze meisjes vragen om olie van haar wijze metgezellen. Maar die kunnen zij haar niet geven. Wij kunnen elkaar wel genade gunnen, maar niet geven.15
Zou u misschien op die dag willen doen wat u vandaag nog kunt doen en dan nooit meer kunt doen? Tot de verkopers gaan en olie kopen. Wacht niet tot het voor eeuwig te laat is. Het zou toch vreselijk zijn, als uw levensscheepje in het zicht van de veilige thuishaven, op de kust van de eeuwigheid te pletter slaat. Hoe vreselijk om op de grote dag van Christus’ wederkomst te roepen: ‘Heere, Heere, doe ons open’ en dan te moeten horen: ‘Ik ken u niet!’ Vgl. Luk. 13:25. Dan aan de verkeerde kant te staan van de deur die nooit meer voor u open zal gaan.
Roep Hem dan toch nu nog aan. Jezus heeft eens gezegd: ‘Indien dan gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven een hen die Hem bidden ’ (Luk.11:13).
Nog steeds wacht de hemelse Bruidegom om te komen. Wacht Hij niet ook op u? Opdat u, nu het nog heden van genade is, om Hem zou roepen. Maranatha - Kom, Heere Jezus. Hoe rijk, als Hij u straks binnen nodigt in de feestzaal, waar u met Abraham, Izak en Jakob mag aanzitten in Gods Koninkrijk. Voor eeuwig een bruid van onze heerlijke Zaligmaker Die ons kocht met de prijs van Zijn bloed.

Mag ik u vragen, gemeente, of u ook zo’n toekomstverwachting hebt. Ik mag u in elk geval nog vandaag zeggen, dat de Heere geen lust heeft in uw eeuwige ondergang, maar in uw leven in Zijn gemeenschap, voor eeuwig.’16


Te middernacht weerklinkt een stem:

de Bruidegom! Gaat uit tot Hem,

staat op, Hem te begroeten!

Staat op, Hem te begroeten!

Brengt uw lichten, uw lichten Hem uw eer;

laat allen wakend nu de Heer’

bereid en blij ontmoeten,

bereid en blij ontmoeten.

(Ludwig van Beethoven, 1770-1827/

Hendrik Pierson, 1834-1923).


Amen.


1 Deze gelijkenissen in Matth.25:1vv sluiten aan bij de inhoud van het voorgaande hoofdstuk over het komen van de Zoon des mensen aan het eind der tijden op een tijdstip dat u niet verwacht.Vgl. de oproep tot waakzaamheid in Matth. 24:42, 44 en 50.

2 Het getal tien heeft slechts de betekenis van een afgerond geheel. Het lijkt mij overbodig en ongewenst enig verband te leggen met de tien plagen over Egypte, met de tien geboden, gegeven op de Sinaï en met de tien wonderen van Jezus’ Messiaanse volmacht (Matth.18 en 9), met Jezus’ stamboom (de wereld-voltoiing in tien weken) en met de zgn. minjan (tien mannen die nodig zijn voor het houden van een dienst in de synagoge. Zo J. T. Nielsen in Het Evangelie naar Mattheüs (serie De prediking van het Nieuwe Testament); Nijkerk 1974; blz.61.

3 Rabbi Salomon bericht dienaangaande: ‘In het Israëlitische land is het de gewoonte, dat men de bruid uit haars vaders huis in dat van de bruidegom voert, en dat men, voor haar uit, ongeveer tien houten stokken draagt, hebbende elk een vat, in de gedaante van een schotel, op de top, waarin een reep doek met olie en pek. Deze aanstekende, draagt men ze als een fakkel voor haar uit.’ Aldus W. B. Renkema en R. J. W Rudolph, De gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus, voor de gemeente verklaard. Doesburg, 2e druk 1905; blz. 206. Zo ook Raschi (op Kelim 2,8). Zie H. L. Strack-P.Billerbeck, Kommentar zum NT aus Talmud und Midrasch; 1e Bnd (Das Ev.nach Matthäus); München; 8e Aufl. 1982; blz.504vv; 969.

M.i. is er geen reden om met Dr. J. T. Nielsen te veronderstellen, dat de bruid reeds is binnengebracht in het huis van de bruidegom (a.w., blz.61).



4 De afbeelding is een tekening van Eugène Burnand in Gelijkenissen des Heeren (Schriftoverdenkingen) van Ds. J. J. Knap Czn.; derde deel. Nijkerk 1921; blz.9.

5 In de verklaring van de gelijkenis moet niet uitvoerig aandacht worden gegeven aan de bruid. Zij wordt in de gelijkenis niet genoemd. Alle nadruk valt op het thema van de verwachting van Christus, de Bruidegom. Het Griekse woord ‘parthenos’ dat hier gebruikt = ongehuwde jonge vrouw; symbool van de reinheid van Christus’ gemeente; vgl. Hoogl.1:3; 2 Kor.11:2; Openb.14:4. Opmerkelijk is wel, dat oude tekstgetuigen (van reeds in de 2e eeuw) aan het eind van vs.1 lezen: om de bruidegom en bruid te ontmoeten. Zie ook noot 3.

6 De wijzen zeggen tot de dwaze meisjes: Geenszins (Gr.mèpote; absoluut niet). Dat klinkt hard. Maar in het licht van de ernst van dag waarop de Bruidegom eraan komt, is deze strengheid heel goed te verstaan.

7 De afbeelding is een tekening van Eugène Burnand in Gelijkenissen des Heeren (Schriftoverdenkingen van) Ds. J. J. Knap Czn. (a.w., blz.21.

8 Dat betekent: Ik wil met u niet van doen hebben. Vgl. Matth.7:23.

9 ‘Het huis van de bruiloft kan alleen het huis van de bruidegom geweest zijn...’ ‘De bruidegom haalde de bruid af en in zijn huis werd de bruiloft gevierd…’. De komst van de bruidegom is in werkelijkheid een terugkeer tot zijn huis, dat hij tijdelijk verlaten heeft…’ ‘ Over het algemeen was het in het Oosten zo, dat de bruid zelf erop uittrok naar het huis van de bruidegom en niet omgekeerd. Alleen ging de bruidegom haar wel tegemoet, om haar dan in triomf in zijn huis te halen.’ Aldus Dr. C.Brouwer, Het Koninkrijk Gods in gelijkenisen. BBB serie Baarn z.j., blz.201, 202. Vgl. Psalm 45. Het lijkt mij overigens onjuist om ‘het weggaan van de bruidegom op de werving van de bruid te laten slaan’ (bls.204).

10 Ds. J. J.Knap (a.w., blz.13) schrijft: ‘De olie is dus het voorname punt in de gelijkenis…;in de Schrift doorlopend gebruikt als het symbool van de verlichtende genade des Heiligen Geestes.’ Dat vijf van de meisjes wijs en vijf dwaas waren, betekent niet, dat de helft van de leden van de zichtbare kerk geen waar geloof heeft en 50% wel.

11 Voor de betekenis van ‘dwaas (Gr.mooros) en ‘wijs’ (phronimos) kunnen we verwijzen naar Matth.24:45 en 25:23. Dr. J. T. Nielsen (a.w., blz.62) noemt als het belangrijkste onderscheid: ‘de houding van toewijding, gericht op de zaak zelf’.

12 J. Calvijn verstaat onder het in slaap vallen, dat de gelovigen door aardse dingen ingewikkeld worden…en door de dingen van deze wereld worden afgetrokken.’ (a.w.,, blz.374).

13 Terecht schrijven W. B. Renkema en R.J.W. Rudolph in hun verklaring van de gelijkenissen (a.w., blz. 215): ‘De geestelijke opwekking van het Reveil in de vorige eeuw bracht, gelijk alle andere geestelijke opwekkingen, die er geweest zijn, een leven met Christus’ wederkomst met zich mee’ Maar… ‘tal van Christenen tegenwoordig denken zo goed als nooit aan Christus’ wederkomst, zodat zij in dit opzicht als door een geest des diepen slaaps bevangen zijn. En deze toestand in de kerk zal nog erger worden, zoals de Schrift ons leert. De Heiland Zelf heeft gezegd: ‘de Zoon des mensen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?…Als een donderslag bij een heldere hemel zal velen het geroep in de oren weerklinken: Maranatha; de Heere komt.’

14 Zo J. Calvijn, Verklaring van de Bijbel, De Evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas (in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard); uit het latijn vertaald onder toezicht van wijlen Prof. A. Brummelkamp; derde deel; 3e druk; Goudriaan 1979; blz.372v.

15 ‘Er is een eschatologische, een “laatste” ernst, een eigen verantwoordelijkheid, die niemand van een ander kan overnemen. De toewijding tot, de bereidheid voor, het “wijs”-zijn met de zaak van Christus is een strikt persoonlijke aangelegenheid. De zorg voor voldoende olie kan niemand aan een ander overdragen. Het is de meest eigen daad die een mens heeft te doen….’ Zo Dr. J. T. Nielsen, a.w, blz.63.

16 H.F. Kohlbrugge schrijft in zijn verklaring van ons tekstgedeelte: ‘Hieruit leren wij, dat op de dag van Christus’ komst, evenmin als heden, de een de ander kan helpen met datgene, waarmee hij zelf voor God komen moet. Dat is een gave, die niet kan gedeeld worden. Och, dat velen dit ter harte nemen! Want geen broeder kan de ander’ helpen, noch iemand God verzoenen. En is het, dat (voor) een mens de lamp uitgaat, als hij op zijn ziek of sterfbed neerligt, dan mag hij de leraar bij zich ontbieden, doch die kan hem, als er geen olie is in zijn vat, niet redden, alleen nog maar een goede raad geven, indien het niet alreeds te laat is.’





Dovnload 60.69 Kb.