Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Matth. 28: 2-6

Dovnload 68 Kb.

Preek over Matth. 28: 2-6



Datum05.12.2018
Grootte68 Kb.

Dovnload 68 Kb.



Preek over Matth.28:2-6


Thema: aflossing van de wacht

1. Votum en groet

2. Zingen: Psalm 89 : 1

3. Wet des Heeren

4. Zingen: Psalm 86 : 3

5. Schriftlezing: Matth. 28 : 1-15

6. Gebed

7. Tekst: Matth. 28 : 2-6


Thema/ verdeling van de preek:

Thema:De engel op de steen van Jezus’ graf (Matth.28:2)

Verdeling:

1. Hij zit daar als een poortwachter


  1. Hij verkondigt een boodschap van gericht en genade

8. Zingen: Psalm 118 : 10 en 12

9. Prediking

10. Zingen: Psalm 21 : 4

11. Dankgebed

12. Zingen: Psalm 146 : 1

13. Zegen.
Thema van de preek:

En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een Engel des Heeren, nederdalende uit de hemel, kwam toe en wentelde de steen af van de deur en zat op dezelve." (Matth. 28 : 2).
Onbeschrijflijk is het wonder van Christus’ opstanding uit de doden. Wie zal het onder woorden kunnen brengen, wat er ge­beurde in de vroegte van de eerste dag van de week, toen er be­weging kwam in de donkere grafspelonk van Jezus? Wie kan het verklaren? De dood en het graf zijn bij ons mensen het onher­roepelijke einde. Paasfeest is Gods ondoorgrondelijke begin.
Onbeschrijflijk is dat wonder. U zult daarom tevergeefs in de Evangeliën naar een beschrijving zoeken, waardoor ons precies uit de doeken wordt gedaan, hoe het allemaal in zijn werk is gegaan in Jezus’ stille graf. Het opstandingsgebeuren blijft in aanbiddelijke stilte gehuld. De Opgestane Zelf vertoont Zich in glorieuze luister. Een verklaarder van ons tekstgedeeelte (M.Henri) schrijft, dat ‘de getuigen Zijner opstanding Hem opgestaan zagen, maar Hem niet zagen opstaan’.
Toch wordt er niet helemaal gezwegen over de gebeurtenissen die plaatsvonden bij Jezus’ opstanding. In onze tekst wordt om zo te zeggen een randverschijnsel van de opstanding genoemd, waardoor het wonder van Christus’ verrijzenis toch enigermate voor ons oplicht.
*

Het is nog nacht, als de vrouwen, die Jezus zo onuitsprekelijk liefhebben, van huis gaan1, twee Maria's volgens de beschrijving van Mattheüs.2 Ze zullen de nacht slapeloos hebben doorge­bracht. Wenend zullen zij zich straks neerzetten in de buurt van het graf om zo dicht mogelijk te zijn bij Hem van Wie zij ver­vuld zijn. In het Markus-evangelie (Mark. 16:1) lezen we, dat zij niet alleen komen om het graf te bezien, maar ook om het lichaam van Jezus te zalven,


Maar dan opeens . . . ! Een nieuwe dag breekt aan. De aarde trilt onder haar voeten.3 Een aardbeving…
Even laat de evangelist Mattheüs het verhaal over de twee Maria’s los. Hij gaat haar als een getrouwe verslaggever van het grote heilsgebeuren vooruit in de richting van het graf. Wat gebeurt daar? Een lichtflits van de hemel. Een engel daalt neer. Hij grijpt de grote steen die voor Jezus’ graf gewenteld is, enkele dagen geleden, en rolt die weg. ‘Kom uit, Heere van de dood en van het graf! Sta op! Het is de hoogste tijd!’

Er is toilet gemaakt in de slaapkamer van de dood. Voor dag en dauw is Jezus opgestaan en liet Zijn doodsgewaad achter. Nu treedt Hij het onvergankelijk leven tegemoet.


En de engel . . . ! ? Hij zet zich neer op de afgerolde steen.
Niet zozeer om uit te rusten van het zware werk, dat hij heeft ver­richt, maar als een triomfator; als wilde hij zeggen : ‘En wie krijgt die steen weer voor het graf? Die moet heel wat mans zijn.’ Een hemelbode uit het eeuwige lichtrijk van God, met een ge­daante als van een bliksem, gekleed als in sneeuwwitte klederen. Vgl. Dan. 7:9.
Letten wij op deze gestalte. Er wordt wel eens gezegd, dat vrou­wen de eerste opstandingsgetuigen zijn geweest. Maar één was die vrouwen dan toch wel een beslissende stap voor: deze engel. Kom wat dichterbij. Laat ons met deze opstandingsgetuige nader kennismaken.
1.Hij zit daar als en poortwachter
Twee dingen zijn het vooral, die in verband met deze engelfiguur naar voren te brengen zijn. In de eerste plaats ontdekken we in hem een wachter. Engelen komen heel vaak voor in de Bijbel. Ze zijn er telkens weer geweest op de snijpunten van de heils­geschiedenis. In Efrata's velden, waar zij de geboorte van de Zaligmaker aankondigden en het ‘Ere zij God’ uit­jubelden, kort na Christus’ geboorte. In Gethsemané, waar een engel Jezus versterkte, toen Hij tot de dood bedroefd en be­angstigd was. Straks, als Jezus naar de hemel gevaren is, op de Olijfberg: ‘Wat staat gij en ziet op naar de hemel?’
Ze hebben meegeleefd met het geweldige gebeuren van het ver­zoeningswerk van onze Heere Jezus Christus. We lezen ergens in de Bijbel (1 Petr.1:12 slot), dat ‘zij begerig zijn geweest om in te zien’ in Gods heilgeheim, voor zondaren bestemd. Meeleven van de hemel. Met ingehouden adem hebben ze als het ware de gang van de Zaligmaker op aarde gevolgd.
En nu is er dan weer een engel, een gedienstige geest die ruim baan mag maken voor de uit Zijn graf verrijzende Christus. Eén van de gedienstige geesten, altijd voor Gods troon.

Het zou te ver voeren om u uitvoerig te vertellen, wat engelen allemaal te doen hebben. Ze hebben een druk werkprogramma. Daarboven in de hemel zijn ze bijvoorbeeld de liturgen die eeuwig Gods lof zingen rondom ‘s Heeren troon. Maar die ene engel die op de steen van Jezus’ grafspelonk zit, heeft wel een zeer bij­zondere taak. We zouden hem een poortwachter kunnen noemen. De Romeinen hadden ook wachters. Die waren zojuist do­delijk bevreesd weggevlucht van het graf van Jezus dat ze moes­ten bewaken. Ze werden afgelost door een andere wacht, die van een engel uit de hemel. Wel een vreemdsoortige aflossing van de wacht. U hebt misschien wel eens gezien, hoe dat gaat bij paleizen van aardse vorsten. Hoe keurig in de houding zij tegenover elkaar staan, als de ene groep paleiswachters afzwaait en de andere ervoor in de plaats komt.
Hier ook een aflossing van de wacht. Maar niet keurig in de houding. De wachters van Pilatus en het Joodse sanhedrin worden afgedankt, naar huis gejaagd. En het was alleen maar een wonder, dat ze levend en wel thuis kwamen. In hun plaats dan een wacht van de hemel. De Romeinse soldaten hadden een dode Jezus bewaakt om Hem in Zijn graf te houden. Hier een wachter van de hemel die toeziet op een leeg graf dat Jezus zojuist heeft verlaten.
Nog op een andere manier echter wordt hier de wacht afgelost. Herinnert u zich niet, dat in het begin van de Bijbel ook gesproken wordt van een engel die de functie van een poortwachter heeft? Dat is nadat God Adam, ons aller vader, heeft weggestuurd uit het paradijs. Adam heeft gebroken met God. Adam wilde als God zijn.


En dan stuurt God hem de deur uit. Het paradijs wordt ge­sloten. De weg naar de boom des levens wordt gebarricadeerd. Er staat voortaan een engel met een vlammend zwaard in de hand.4 Hij staat daar in de ingang van het paradijs om een halt toe te roepen aan ieder die het waagt om naar binnen te gaan. Er is geen terug meer mogelijk. Doornen en distels, dood en verderf blijven er over voor de mens, die het bestaan heeft om tegen God op te staan.


Deze engel uit het begin van onze Bijbel, is dus ook een poortwachter. Maar dan één, die een veto uitspreekt. Verboden toe­gang. Hebt u hem wel eens zien staan? Er wordt wel gezegd: ‘Als God een mens aan zijn zonde ontdekt, brengt hij hem in het paradijs terug’. Als zonde tot zondeschuld wordt, leren we het maar niet betreuren, dat we wel eens liefdeloze woorden uit­spreken en dat we onze naaste niet het zijne geven. Gods Geest leidt verder, leert ons onze doodsstaat voor God inleven, over­tuigt ons van onze vijandschap tegen God, van onze rebellie, van ons als God willen zijn.
Daar wil een mens niet van horen. Daar moeten hem de ogen voor geopend worden. Dan zegt hij niet meer: ‘Kan ik het helpen, dat Adam het er zo slecht afbracht?’ Dan is hij die Adam. Hij weet zich betrokken bij de zondeval in het paradijs. Dan snijdt het hem door de ziel, dat hij God kwijt is. Dan beukt hij niet langer met zijn onbekeerde vuisten op de paradijs­deuren. Dan staat hij daar op heilige afstand van de para­dijswacht, de poortwachter met het vlammende zwaard. De weg naar het leven heeft een slagboom. De zonde is onherroepelijk. Het oordeel lijkt onafwendbaar
*
Welnu, tegen deze achtergrond licht het woord over de engel die op de afgewentelde steen van Jezus’ graf zit, helder op. De wacht wordt afgelost. Nog op een andere manier dan alleen maar doordat aardse soldaten vervangen worden door een hemelbode. De wacht van het gesloten paradijs wordt af­gelost. De engel met het vlammend zwaard kan naar huis gaan. Hij wordt vervangen door een poortwachter die de deuren wagenwijd openzet.
Kom maar binnen, mensen. Kijk uw ogen uit. Hier heeft de dood op een verschrikkelijke manier huisgehouden. Adam de tweede, de Zoon van God, was in zijn greep. Wat een toestand! ‘Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen?’ (Ps. 89:19m ber.). Geen Adamskind, dat vlees is, buiten het paradijs geboren, onder de vloek. Dus ook Jezus niet. Maar op Hem heeft de dood zich dan nu een keer grondig verkeken. Want het kan niet gebeuren, dat het enige Adamskind dat zondeloos is geweest, in de macht van het graf en van de dood bleef. Hij is de dood de baas ge­worden. Hij heeft de laatste vijand overmeesterd en gekneveld. Hij heeft de dood zijn prikkel ontnomen. Want Hij heeft die afschuwelijke rebellie van Adam en de zijnen voor Zijn re­kening genomen en de strafwaardigheid ervan naar ziel en lichaam doorleefd.
Kom maar binnen. Het graf is leeg. Geef uw ogen goed de kost. De engel is een poortwachter die vriendelijk nodigt om binnen te komen. Het graf is de poort En als u goed kijkt, ziet u het, dat het dezelfde poort is waar eenmaal de engel des verderfs voor stond, de poort van het paradijs.
‘Hoe is dat mogelijk’, zegt u. ‘Jezus’ open graf een poort naar het paradijs?’ De Bijbel zegt, dat Jezus opgewekt is om onze rechtvaardigmaking. Wat dat betekent? Wel, toen Jezus in Zijn graf was, was Hij daar niet alleen! Hij had daar al Zijn uitver­korenen in Zijn hart. Hij had ze meegenomen naar het hart van de dood. Maar toen Jezus uit Zijn graf kwam, kwam Hij er ook niet alleen uit. Hij kwam er uit met al de Zijnen bij Zich. Wat aan Hem voltrokken werd, werd aan hen voltrokken.
Voor Bunyan was er geen heerlijker dag dan de zondag. Want dan dacht hij er altijd aan, dat Jezus Christus in Zijn opstanding voor eeuwig de rechtvaardigmaking van John Bunyan bewerkt had. Jezus werd ontslagen van verdere rechtsvervolging. God zette Zijn handtekening onder het werk van de Zoon. Pasen is de garantieverklaring van Goede Vrijdag. Daarom is het ook, dat de engel uit de hemel de steen voor het graf wegrolt. Jezus had dat natuurlijk Zelf ook wel gekund. Maar hier moest duidelijk worden, dat de Vader in de hemel door middel van een van Zijn gedienstige geesten de gevangenisdeuren opent en aan het werk van de Zoon fiat verleent.5
Nu, in deze levende Christus ligt de grond voor de zaligheid. Wie zich als een gevloekt Adamskind aan Hem uitlevert, wie heeft leren treuren bij de dichtgeslagen deur van het paradijs over de breuk tussen God en zijn ziel, die mag in deze Zaligmaker zijn gerechtigheid voor God vinden, volmaakt genoeg om eeuwig mee voor God te bestaan.
Maar als dat zo is, dan is de poortwachter van Jezus’ lege graf tegelijk ook de paradijswachter die roept: ‘Kom maar binnen’. Er is hier voor de dood niets meer te halen. Dat is voorbij. Het graf is een doorgang naar het eeuwige leven geworden. Het staat open naar de hemel toe. Of is dat geen zaligheid, als u mag weten, dat uw strijd hier op aarde voorgoed gestreden is. Als de laatste zondige gedachte is ge­dacht, als de laatste traan uit uw ogen is gevloeid. Het graf mag zijn een poort naar de hemel, een ingang naar het paradijs. Nooit meer zondigen. Nooit meer angstig zijn. Nooit meer pijnlijden. Altijd bij de Heere zijn. Eeuwig God loven. Het graf staat open naar het hemelse paradijs toe.
*
Maar het graf staat ook open naar de aarde toe. De trilling die de aarde beweegt, is als het beven van de moederschoot, vol weeën, bezig om het nieuwe leven te baren. Het is als het breken van een eierschaal in een vogelnest, als het jonge ontluikende leven geboren wordt.
Het graf is de baarmoeder, de kapotte eierschaal van een nieuw paradijselijk leven. Nee, we moeten de zaak niet overhaasten. Nu is het zover nog niet. De dood houdt nog huis, ook in ons midden en in ons leven. Het graf doet zijn verslindend werk. Het leed ligt in duizenden zie­kenhuizen hoog opgestapeld. De ellende die mensen elkaar aandoen in de gezinnen en in het maatschappelijk leven, is onvoorstelbaar groot. Het loopt op een eind met deze bedeling. Wij redden het hier niet, al ontketenen we duizend re­voluties.
Maar Paasfeest is het begin van het eind. Jezus’ lege graf is een poort naar het paradijs. Ook de aarde deelt daarin. Een nieuwe aarde wordt het. Alles paradijs. ‘Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken (Jes. 11:9). De dood zal niet meer zijn. En al Gods kinderen zullen als koningen heersen.
Een stervende zei onlangs: ‘Naakt ben ik op de wereld ge­komen, naakt moet ik er af; en het plafond boven mijn hoofd staat volgeschreven met mijn zonden’. Zo is het. Maar als Jezus het van ons overneemt, dan gaat het de goede kant op. Luther schreef op zijn bureau : ‘Hij leeft’. Naar die woorden keek hij, als het helemaal niet meer ging.
Zo is het goed. Jezus’ graf is de poort van het paradijs. En de verdervende engel moet plaatsmaken voor een poortwachter, die zegt: ‘Kom binnen’.
Dit is, dit is de poort des Heeren:

daar zal ‘t rechtvaardig volk door treên.



(Ps.118:10a ber.)
*

2. Hij verkondigt een boodschap van gericht en genade
Tot nu toe hebben we gelet op de engel, zittend op de afgerolde steen als een poortwachter. Nu willen we echter tenslotte nog een ogenblik aandacht geven aan deze engel als een boodschapper van het Paasevangelie.
Hij is maar niet een stomme wachter. Hij is ook een sprekende getuige. Engelen brengen boodschappen van God over naar de aarde. Een boodschappenjongen zijn lijkt iets minderwaardigs. Maar voor een engel is dat liefdewerk.
Welnu, de boodschap die de verschijning van deze engel met zich meebrengt, is tweeërlei. En die tweevoudige boodschap wil u persoonlijk raken.
Daar zijn aan de ene kant de soldaten die hier een enkele dag en nacht op wacht hebben gestaan. Voor hen is het meer dan verschrik­kelijk, wat er gebeurt, wanneer de engel als een Simson de poorten van de dood op zijn schouders neemt. Zij hollen als paarden met de oogkleppen op naar huis. Zij worden heen en weer geschud en door de lucht­druk van het gebeurde haast tegen de vlakte geslagen.
Voor hen is de boodschap van de hemel die de engel brengt, een geweldige streep door de rekening. Voor hen was dood dood. Zij verdienden er alleen maar geld aan, dat Jezus in Zijn graf lag. En straks verdienden ze een extraatje door te liegen en overal het gerucht te verspreiden, dat de discipelen Jezus’ lichaam gestolen hadden, terwijl zij sliepen. Schep vreugde in ‘t leven. Een beetje geld, wat genot, een leugentje om bestwil.
Maar zullen ze het ooit vergeten zijn? Een engelverschijning betekent in de Bijbel altijd, dat God gaat ingrijpen. De bood­schap van deze engelverschijning betekent voor de grafwach­ters een vonnis over hun goddeloze bestaan. Zij werden nu nog slechts als doden. Zij zouden het straks eeuwig besterven, als God hen voor Zijn rechterstoel zou dagen.
Zo kan het ook met ons gaan. Het is mogelijk, dat het u vergaat zo­als de wachters bij Jezus’ graf. Dan hoeft u nog niet altijd een mens te zijn, die leeft bij een wijntje en een trijntje. U kunt een oppassend en godsdienstig mens zijn en toch leven alsof dood dood is. Dan hebt u zich nooit wezenlijk zorg gemaakt over de grote vraag: ‘Waar zal ik zijn in de eeuwigheid?’ Uw enige houvast is wat u te genieten krijgt in dit leven. En verder tobt u maar niet te zeer over zonden. Die heeft ieder mens nu eenmaal.
U hebt – meent u - een goed Paasfeest, als het lentezonnetje schijnt. En u hebt een paar dagen vrij. U ontkent misschien niet, dat Jezus lichamelijk is opgestaan uit de doden. Maar u bent toch ‘alleenlijk in dit leven op Christus hopende’ (1 Kor.15:19a). Dat wil zeggen, dat u nooit meer van Hem gevraagd hebt dan wat u nodig had om zonder al te veel zorg door het leven te gaan. En zo bent u de ellendigste van alle mensen.
Gelijken ook wij van huis uit niet sprekend op de Romeinse soldaten? Vlak bij de waarheid, maar inmiddels een vijand er­van? Wel een geweten, dat u zo nu en dan nog wel eens waar­schuwt. U ligt er zelfs wel eens van wakker. Maar het leven gaat door. En wat leven we snel!
U ziet het aan de wachters bij Jezus’ graf, hoe hard een mensenhart is. Zelfs ‘al zou er iemand uit de doden opstaan, men laat het zich niet gezeggen’ (Luk.16:31b). ‘We wachten maar af’, zegt men, ‘er is nog nooit iemand teruggekomen’. Maar als er één zou te­rugkomen, wij zouden het ons niet laten gezeggen. Wij hebben ‘een verbond gemaakt met de dood, een voorzichtig verdrag met de hel’ (Jes. 28:15a).
Nu, de boodschap van de engel is voor de wachters het begin van Gods oordeel. En voor u? Bent u vooralsnog zo hard, zo aan het stof verkleefd, zo gericht op uzelf en het geluk van de aarde? Bedenk dan, dat de engel, die op de steen van Jezus’ graf zit, u verkondigt: ‘God komt ten gerichte’.

*
De wachters vluchtten weg van het graf. Dat is de ene kant. Maar er is gelukkig ook een andere kant. Want wie komen daar over het grindpad aan­gewandeld in de richting van Jezus’ graf? Vrouwen die Jezus zoeken in Zijn graf. Zij worden gedreven door een sterke liefde. Daarom gaan ze bij het horen van de aardbeving niet terug. Maar ze hebben tegelijkertijd maar een zwak geloof. Ze zoeken de levende bij de doden: een Jezus der herinnering. Ze worden voortgejaagd door gemis. Haar hart is gesloten voor het Woord, dat Jezus gesproken heeft: ‘en ten derde dage zal Ik weer opstaan’. En wie heeft er een sleutel om dat hart te openen?
Zo loopt u er misschien ook bij. U draagt een herinnering met u mee aan wat Jezus deed in uw leven. U kunt niet ontkennen, dat Hij u trok met koorden van Zijn goedertierenheid, zodat u ge­noeg kreeg van uw zondige leven en leerde hunkeren naar Gods genade. Liefde gaf u voeten om Jezus te gaan zoeken. Maar geloven, dat Hij voor u overwonnen heeft en dat Hij uw le­vende Zaligmaker is Die in u een gestalte gekregen heeft, nee, dat kunt u niet. De Bijbel staat vol met beloften. Maar uw hart zit op slot. En wie heeft er een sleutel om dat hart te openen?
Let dan nog één keer op de engel. Hij is een poortwachter. Maar hij is ook een boodschapper van Gods heil. ‘Vreest gijlieden niet . . . !’ ‘Gij die God zoekt, ulieder hart zal vrolijk leven’ (Ps. 69:13m ber.).

De hemel weet het, waar het u ondanks alles om gaat. God kent het trekken van uw hart. Hij heeft het er Zelf ingelegd. ‘Ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.’


‘Ja’, zegt u, ‘kon ik nog maar eens in zo’n geestelijke toestand komen van vroeger, van zoveel jaren geleden. Ik heb tijden ge­kend dat ik zo goed gesteld was.’ Ja en wat doet dan zo’n mens die Jezus zoekt? Hij zoekt Hem in zijn eigen hart. Daar is Hij niet. Hij zoekt Hem bij het volk van God, dat ervaringen uitwisselt. Maar helaas, hoe vaak komt hij teleurgesteld thuis. Hij is daar niet.
Hoor, wat de engel zegt: ‘Hij is hier niet; Hij is opgestaan’. En deze levende Christus is vlak in de buurt. Zoek Hem in het Woord. Let erop, dat het eerste wat de vrouwen van de Paasboodschap te horen en te beleven krijgen, niet bestaat in een levende ont­moeting met de opgestane Christus. Zij moeten het met het Woord doen (Matth.12:40; 16:21; 17:23 en 20:19). Straks komt Christus Zelf om Zich aan haar te vertonen.
Zoek Christus in het Woord. Dat is het gewaad waarin Hij ook nu nog aan de Zijnen verschijnt. Dan, als Hij door Zijn Geest de Schriften opent. Dan, als Hij Zijn beloften laat indruppelen in onze ziel. Dan, als Hij Zelf de sleutel van buitenaf omdraait. Dan vloeit het leven weer in ons hart. Dan treedt Hij binnen met Zijn gunst en liefde en overstemt alle ongeloofsgedachten. Dan worden ook wij door Hem opgewekt. Neem het letterlijk: opgewekt uit onze geestelijke duisternis. Opgewekt uit onze ingezonken­heid. Opgewekt uit ons ongeloof. Opgewekt ook tot een nieuw leven.
Want als Christus in ons leeft, dan moet het aan ons te zien zijn. Dan wordt heel ons bestaan overstraald door een rust en vrede die alle verstand te boven gaat. Dan hoeven we niet meer zo krampachtig voor onszelf te zorgen. Dan kan een ander het aan ons zien, dat er een levende Zaligmaker is, Die ons koninklijk, profetisch en priesterlijk doet leven.
Dat is een gezegend Paasfeest. Niet ik leef, maar Christus leeft in mij.

Of om het te zeggen met een gedicht van de hand van Janny Vos (Bennekom), getiteld: Op pasen: bij het graf.


‘t Was 's morgens vroeg, de vrouwen gingen naar het graf:

‘Wat vreemd, nu is de steen er ook nog af!’

De twee Maria’s zagen tot verdriet:

Het lichaam van de Meester is er niet.


En angstig zijnde, zien zij in blinkende kledij

twee mannen, staande aan hun zij.

Zij wisten ‘t niet, maar ‘t waren hemelboden:

‘Wat zoekt gij nu de Levende bij de doden?’


‘Hij is hier niet, want Hij is opgestaan!’

Deez’ profetie had Jezus Zelf gedaan.

Discipelen bukten en keken in het graf:

‘t Was leeg, de linnen doeken waren af.


‘Komt, ziet, waar de Heere heeft gelegen,

gaat haastig heen op uwe wegen.

Gij zult Hem zien, Hij gaat u voor,

Geef deze boodschap maar aan ieder door.’


Zo komt bij ons het blij bericht:

de dood is dood. Er is weer licht:

er is behoud, door Hem gewrocht;

dat toch dié Zaligmaker wordt gezocht!


Is deze Borg op onze weg gekomen...…,

dan wordt de doodsangst weggenomen

en komt er rust: Hij nam mijn schuld:

Ik word met grote blijdschap dan vervuld.


Dank, lieve Heere, voor troost die U mij geeft,

omdat ik weet, dat mijn VERLOSSER LEEFT.



Amen.


1 M.Henri schrijft: ‘Hij werd begraven aan den avond van den zesden dag der week, en Hij stond op aan den morgen van den eersten dag der daarop volgende week, zodat Hij ongeveer zes en dertig of acht en dertig uren in het graf heeft gelegen.’ Matth.28:1 begint met de Griekse woorden ‘opse de sabbatoon’ = laat na de sabbat of zoals de Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: ‘Grieks, laat der sabbaten; dat is, gelijk verklaard wordt Mark. 16:1, toen de sabbatdag voorbij was; want door het woord sabbatten in het getal van velen wordt ook de sabbatdag of zevende dag verstaan, Matth. 12:1; Hand. 13:14’. Dus kan ook vertaald worden: na de sabbat; het meervoud kan aanduiding zijn van de sabbat met alle verplichtingen van dien. In het vervolg van vs.1 wordt ook het woord sabbatten (meervoud) gebruikt; dit kan weergegeven worden met: tegen het ‘oplichten van de eesrste dag van de week.

2 ‘Zoals een”engel des Heeren” (angelos kurioe) aan het begin van het Mattheüsevangelie de zin van wat er gaat gebeuren duidelijk maakt aan Jozef (Matth. 1:20 en 24; 2:13 en 19), zo geschiedt ditzelfde aan het eind aan de beide Maria’s (de verzen 7 en 10). Aldus dr. J. T. Nielsen, Het evangelie naar Mattheüs III (serie De prediking van het Nieuwe Testament). Nijkerk 1974; blz. 179. NB: met ‘de andere Maria’ zal bedoeld zijn: de moeder van Jakobus en Joses (Matth.27:56); Salomé (Mark.16:1) wordt door Mattheüs niet genoemd.

3 Volgens dr. Jakob van Bruggen is dit niet een ‘aardbeving’ zoals die van Matth.27:51, maar meer ‘een geweldige trilling die van bovenaf lucht en aarde beweegt’. Zo Dr. Jakob van Bruggen, Matteüs, het evangelie voor Israël (Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie; afdeling Evangeliën. Kapen 1890; blz.468v.


4 De afbeelding stelt Michaël voor als poortwachter van het paradijs volgens een 13e eeuws email uit de schatkamer van de San Marco in Venetië.

5 J.Calvijn schrijft: ‘Thans zijn wij aan de ontknooping van de geschiedenis der verlossing genaderd. Hieruit toch spruit het blijvend vertrouwen van met God verzoend te zijn voort, dat Christus als overwinnaar des doods uit het graf opgestaan is, om te toonen, dat Hij de macht des nieuwen levens in zich droeg….Want toen eerst is onze gerechtigheid in het leven getreden, de toegang tot den hemel ons opengesteld, en de aanneming tot kinderen bezegeld, als Christus, uit zijn graf opgerezen om de kracht zijns Geestes te openbaren, het bewijs geleverd heeft, dat Hij de Zoon van God was.’ Aldus: De Evangeliën van Mattheüs. Markus en Lukas in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard door Johannes Kalvijn (opnieuw uit het Latijn vertaald, onder toezicht van wijlen Prof. A. Brummelkamp. Derde deel. Goudriaan 3e dr. 1979; blz. 565.




Dovnload 68 Kb.