Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Preek over Psalm 130

Dovnload 0.62 Mb.

Preek over Psalm 130



Datum12.05.2019
Grootte0.62 Mb.

Dovnload 0.62 Mb.

Preek over Psalm 130

Orde van dienst

1. Votum en groet

2. Psalm 32:1 en 6

3. Wet des Heeren /Apost.gel.

4. Psalm 6:2 / 27:7

5. Schriftlezing Psalm 130 + Romeinen 11:25-36

6 .Gebed

7. Tekst Psalm 130


Verdeling van de preek:

  1. Uit diepten van ellenden

  2. Zo Gij in ’t recht wilt treden

  3. Maar neen, daar is vergeving

  4. Hoopt op de Heer’, gij vromen

8. Inzameling der gaven

9. Psalm 130: 1, 2 en 3

10. Prediking

11. Psalm: 103:2, 3

12. Dankgebed

13. Psalm 130:4

14. Zegenbede.



* * *

Psalm 130 is een pelgrimslied, een psalm uit de bundel liederen Hammaälôth (Ps.120-134). Uit alle delen van het land kwamen jaarlijks een of meerdere keren de Israëlieten naar Jeruzalem om daar een van de grote feesten te gaan meevieren. Die reis ging in de regel over bergen en door dalen. En als men dan steeds dichter het reisdoel naderde, steeg uit aller mond het ‘De profundis’ op: Uit de diepten. Op geen andere manier immers kwam en komt men in Jeruzalem dan door dalen. Van daaruit zag men ook tenslotte de heilige stad opeens voor zich verrijzen.1
Wie de dichter van Psalm 130 is, is onbekend. Maar nog steeds, gemeente is dit lied ons uit het hart gegrepen, als we ons een pelgrim weten op reis naar het hemels Jeruzalem. Inderdaad, daar zijn vele diepten waar de weg doorheen leidt, als wij door genade het heimwee van al Gods pelgrims hebben leren kennen. Is de reis door dit leven niet altijd een reis door diepten? Zeg het maar in het meervoud. 2

  1. Uit diepten van ellenden

Ik noem enkele dingen. Diepten van ellenden, zingt de berijmde psalm. Ja, want sinds de deuren van het paradijs op slot gingen, doordat de mens de band met God verbrak, zijn wij ‘uitlandig’ (= ellendig) geworden. Niet meer in ons vaderland. Het leven is vol moeite en verdriet, zelfs het uitnemendste ervan. Door hoeveel ziekten wordt een mens soms niet geplaagd, voordat hij voor het laatst de ogen sluit?! Hoeveel teleurstellingen bemoeilijken ons niet zelden het uitzicht op een betere toekomst?! Hoeveel golven van tegenspoed gaan vaak over ons heen?!


Diepten van ellende. Daar weet ieder Adamskind van. Maar is dat niet de grootste diepte, als wij de afgrond van ons bestaan buiten God hebben leren kennen? Er moet soms heel wat gebeuren, voordat we onze werkelijke nood leren kennen: dat wij zonder God en zonder hoop in de wereld zijn, ook al gaat alles vooreerst voorspoedig. Dan vindt een mens ‘bij zichzelf niets, waarop hij zijn gebed zou mogen gronden. Hij voelt, dat zijn zonden recht hebben, hem te beschuldigen, en dat God recht heeft, hem te verdoemen’. 3 Vaak gaat deze ervaring ook gepaard met een diepe geestelijke duisternis. ‘O, welk een hel is de zonde’. 4

Maar wat doet nu de dichter van Psalm 130. Slaat hij er zichzelf doorheen? Tanden op elkaar. Per ‘aspera ad astra’? (door de moeilijkheden tot de sterren). Nee, dat heeft deze pelgrim kennelijk afgeleerd. Hij trekt zichzelf niet aan de eigen haren uit de put. Hij roept tot God. Om het met een bekend Lutherlied te zeggen: ‘Aus tiefer Not schrei ich zu Dir.’

Dat is het beste wat wij doen kunnen, als we in nood zijn. Roepen tot God. ‘Tot U Die heil kan schenken…’. Soms gaat een dichter zo ver, dat hij zegt: ‘Heere, U bent toch niet doof? Merk op de stem van mijn smekingen (Ps.130:2). 5
2. Zo Gij in ’t recht wilt treden
Maar onmiddellijk laat de dichter er hier iets op volgen, dat in een rechtgeaard smeekgebed nooit ontbreken mag.

Stel, dat de Heere onze ongerechtigheden in gedachtenis zou houden. 6


En bedenk wel, dat dit hier niet aan de orde wordt gesteld als een soort ‘irrealis’ (‘zo Gij…, indien Gij..). Onze ongerechtigheden in gedachten houden. Dat doet de Heere natuurlijk niet. Want ’ vergeven is Gods beroep’, zei een spotter met het christendom (Voltaire). Nu, zo ligt het niet in deze psalm. En zo ligt het ook niet in het hart dat verbrijzeld is door schuldbesef. Dan blijft het wonder over. Alle vanzelfsprekendheid is weg. Daar is alleen nog over: een heilige God, voor Wiens aangezicht wij vergaan. Inderdaad, wie kan voor deze God overeind blijven en standhouden?! Vgl. Ezra 9:15; Nah.1:6; Mal.3:2.
De dichter spreek over ongerechtigheden.7 En dan heeft hij het niet over een toevallig iets in zijn leven, een noodlottige misstap. Nee, hij heeft het over welbewuste verkeerdheden van zijn hart; dingen die bedacht zijn door een boos hart. En die zijn er maar genoeg. Want ons hart is een spelonk vol moorddadigheden. Wij gunnen onze naasten het licht in de ogen niet. Om dat bij uzelf te ontdekken, behoeft u geen crimineel te zijn. Of liever: als u dit ontdekt, bent u niet beter dan een crimineel.

Dan ontdekt u het, dat ‘de hartstochten de mens overweldigen, hoezeer hij er ook tegen kampt. En ach, wat zou men dan ook hopen, wanneer men zichzelf vanwege zijn algehele melaatsheid niet eens meer zien wil, wanneer men een spot der duivelen wordt, en God zo hoog, zo ver van ons af is?’ (G. F. Kohlbrugge in genoemde preek).


Mag ik u vragen, of u deze nood van uw leven u ooit hebt ingeleefd? Zolang als u uzelf nog aardig redden kunt, hebt u in feite geen Redder nodig. Dan is het met u, zoals met een drenkeling die de moed niet opgeeft om op eigen kracht aan de verdrinkingsdood te ontkomen.
Ik denk aan het verhaal van Grote Jack. Hij was erom bekend al vele malen mensen die in de gevaarlijke Hudson Baai (Noord Amerika) waren gaan zwemmen, uit het water te hebben gehaald. Op een keer was daar weer iemand in het water van die Baai gaan zwemmen en deed vergeefse pogingen om aan de draaikolken te ontkomen. En wie stond daar op de oever toe te zien? Grote Jack. Maar hij deed vooreerst geen poging om de drenkeling te redden. Hij wachtte, totdat hij zag, dat de man na enkele keren boven water te zijn gekomen, de moed opgaf om zichzelf te redden. Toen kwam Grote Jack in actie. Toen kon die man in het water gered worden. Als zijn redder hem eerder te hulp was gekomen, zou hij zichzelf aan zijn redder hebben vastgegrepen en zouden ze beiden de diepte zijn ingegaan.
Ligt het zo ook niet in Psalm 130? Hier een man die niets meer vindt in zichzelf, die alleen maar roepen kan om hulp, om redding van een andere kant. ‘Het is ons belang en onze plicht om tot God te roepen, want dat is het beste middel om te voorkomen dat wij al dieper en dieper wegzinken, en om ons ‘uit de ruisenden kuil en het modderig slijk op te halen (Psalm 40: 2, 3).’ 8 En die redding van een andere, van Gods kant is er ook in deze Psalm met zijn roep uit de diepste nood. 9


  1. Maar neen, daar is vergeving

Let op de omslag in Psalm 130. Maar bij U is de vergeving (met het bepalend lidwoord; zo staat het in de grondtekst).10 Luther vertaalde: ‘Denn bij Dir ist die Vergebung, dasz man Dich fürchte.’ 11 En Calvijn schrijft in zijn commentaar op Psalm 130:4: ’Maar deze verfoeiing van zichzelf zal toch niet volstaan, tenzij er geloof mede gepaard gaat, waardoor het verslagen hart wederom moed vat en de vrijmoedigheid verkrijgt om om vergeving te vragen.’ (Zie cd-rom Calvijn Archief 1.0).


Blijkbaar staat de Heere bij de dichter bekend als een God Die van vergeven weet. Als u vraagt, waar deze man die kennis vandaan had, verwijs ik u naar de tempel. Daar liet de God van Israël Zijn genadige gezindheid zien in de verzoenende offers.
’Ik ken uit de tijd van vóór onze jaartelling geen boek, waarin zo scherp, zo eenvoudig en zo diep wordt gepeild wat zonde en wat genade is. Of beter: hoe zondig de mens en hoe genadig God is...Wie zijn zonde en zijn zonden belijdt, niet met de gemakkelijkheid van een zekere helaas mogelijke routine, doch in de geest der oude psalmisten ((Ps.32:5; 51:3-6, 12; 130:1,3) – wie zo belijdt, wie zich zo neerbuigt in het stof der aarde, voor hem geldt, zo verzekeren de oude psalmisten bij voortduring: Toen hebt Gij de ongerechtigheid mijner zonde vergeven (Ps.130:5).’ Zo Dr. Johannes de Groot, De Psalmen, a.w., blz. 142v.
Luther noemde Psalm 130 de meest Paulinische van heel het Oude Testament.12 Ooit bad Daniël: ’O, Heere! Bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Bij de Heere, onze God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben’ (Dan.9:8v). Wat een gebed, welk een bidder! Welk een genaderijke God, ‘dat Hij Christus’ gerechtigheid aan die mens toerekent, die geen gerechtigheid heeft, en dat Hij dus die de ongerechtigheid niet toerekent..’ ‘Uit mijn diepte riep ik tot mijn God, en o, nog dieper dan ik verloren lag, reikten de armen van zijn barmhartigheid, ging de macht van zijn genade. Hoe diep ik ook in het slijk verzonken lag. Ik hoopte op de Heere, en Hij neigde zich tot mij en hoorde mijn geroep’ (G. F. Kohlbrugge in de genoemde preek).
Nu,waar heeft de Heere het op het duidelijkst getoond, dat Hij van vergeven weet? Is dat niet op Golgotha? Daar heeft God verzoening door voldoening tot stand gebracht. Voldoening aan Zijn heilig recht. In de weg van plaatsvervanging. Op geen andere manier kon er van vergeving sprake zijn. Vergeving is onlosmakelijk verbonden aan Jerzus’ Persoon en werk. 13

Vergeven is niet hetzelfde als: zand erover; we praten nergens meer over. Reeds onder het Oude Verbond was daar het besef bij Israël, dat God alleen vergeeft, als er in de plaats van een zondaar een offer wordt gebracht; een offer dat uitzag op het offer van Gods eigen Zoon (met de verzoenende kracht van Zijn bloed) van Gods Zoon in de volheid van de tijd. Johannes de Doper heeft dat heerlijk onder woorden gebracht, toen hij riep: ’Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt!’ (Joh. 1:29b).


Als hier nu iemand is die met zijn schuld geen raad weet, omdat die te groot is om vergeven te worden, laat hij op het Lam van God zien. Als dit Lam van God een gestalte in ons krijgt, verdwijnt onze schuld als sneeuw voor de zon. Dan mag u weten, dat vergeven bij God ook vergeten is. Want als de Heere onze schuld uitdelgt, heeft hij die achter Zijn rug geworpen en kijkt Hij er heus niet meer naar om. Zie Ex. 34:6v; Jes.38:17; Micha 7:18v. En als de Heere uw schuld vergeeft, mag u die ook vergeten. Echt waar. Niet te begrijpen. Alleen te aanbidden.
‘Bij de Heere is de genade. Bij de Heere is de overvloed aan genade groter, dan bij de zondaar de veelheid der zonden is, en meer waarachtige drang en bereidwilligheid, om de volheid van zijn zaligheid aan een zondaar mede te delen, opdat hij eeuwig leven heeft, dan er bij de zondaar bereidwilligheid is, om zalig te worden.’ …’Wie het waagt, al mag hij ook denken, nu gewis te zullen omkomen, hij zal zich, midden in de diepte, begenadigd, getroost, geheiligd, gered en voor eeuwig verkwikt vinden en neerliggen in grote vrede.’ (G.F.Kohlbrugge in genoemde preek).
Overigens is het waar wat een verklaarder van het Psalmboek (dr. Joh.de Groot, a.w., blz.160) schrijft: ’Bijna in elke psalm klinkt de verzekering en de ervaring, dat God aan de verdrukten denkt, dat Hij hun angstgeroep hoort, dat Hij hun gebeden verhoort, dat Hij hen verlost, uithelpt en kracht geeft, dat Hij hun recht doet en hun toevlucht wil zijn.’
Daarom volgt er ook in vs.4 van Psalm 130: opdat Gij gevreesd wordt. Vergeving van zonden maakt, dat wij hoge achting krijgen voor de Heere. ’Door niemand wordt de Heere zo gevreesd als door hen, die Zijn vergevende liefde hebben ervaren’ (C. H. Spurgeon, a.w., blz.349). Welk een grote en heerlijke God is Hij toch. Hij is te eerbiedigen. Het is dus niet zo, dat wij eerst vrees voor God krijgen om daarna en daardoor vergeving van Hem te ontvangen. Juist de indrukwekkende rijkdom van Gods genade, doorleefd in een schuldbewust hart, maakt, dat wij God in kinderlijk ontzag verheerlijken. Opdat Gij gevreesd wordt. 14 Hij is onvergetelijk voor ons geworden. We weten ons voor heel het leven aan Hem verbonden. Hij krijgt het voor het zeggen. Zijn liefdesgebod gaat de boventoon in ons leven voeren. ‘Vergiffenis van schuld is geen toegeeflijkheid Gods, geen daad van de ‘goede God’ of ‘lieve Heer’, die een ander zou zijn dan de rechtvaardige, heilige God, Die oordeelt. Integendeel, Hij vergeeft, opdat Hij gevreesd wordt, opdat wij weer in de juiste verhouding tot Hem komen, opdat de godverlatenheid verandere in de godgebondenheid.’ 15
4. Hoopt op de Heer’, gij vromen
En dan volgen de verzen 6 tot 8 daar als het ware spontaan op. Al de snaren van ons hart zijn gespannen door dat Woord van vergeving. Daarom kunnen wij niet anders dan hopen op Gods Woord. En daar komen we nooit bedrogen mee uit. En laat heel Israël dat dan maar doen, zoals Jakob in zijn worsteling met God in Pniël: ‘Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent’ (Gen.32:26b).
In een schitterend beeld maakt de dichter van Psalm 130 dat duidelijk. Het is als met een wachter op de muur van een oud-oosterse stad. Hij moet goed opletten, of er geen gevaren dreigen. Elk moment van slaperigheid kan fataal worden. Maar waar ziet die wachter het meest naar uit? Ziet hij niet als eerste het morgenlicht? En wordt hij dan niet heel blij. De nacht is voorbijgegaan. Het wordt weer licht. Zie ook Ps.134:1 over de Knechten des Heeren (priesters/ levieten) die alle nachten in het huis des Heeren staan. Vgl. Jes. 21:11.

‘Boven in het poortgebouw (van een stad) was de plaats voor de wachter, die daar tot in de verte kon spieden.Bovendien waren er ook wel wachters op de muren. Die wachters waren nodig, niet alleen omdat de bevolking gewaarschuwd moest worden bij een aankomst van vijanden, maar ook bij brand en onheil…



Voor de wachters in de nacht vielen de uren lang, in de donkerheid, in de vochtigheid van de nachtmist – en met verlangen zagen zij uit naar het ochtendgloren: dan zouden zij bevrijd worden van hun moeiten van de nacht. Maar zij bleven waakzaam, zonder onderbreking. Zo moet men op God wachten: dat is voortdurend en zonder ophouden….’Als gij ermee begint op God te vertrouwen, houd dan niet weer op; laat avond en nacht voorbijgaan, blijf op uw wachtpost staan, tot het weer morgen wordt’ (Luther).’ Aldus Dr.A. van Deursen, De achtergrond der psalmen (BBB-serie); Baarn z.j.; blz.194v
Dat is geloven. Wachten op de Heere.16 Ook als het donker is geworden om ons heen en zelfs in onze ziel. Hopen op de Heere. Hij is een God van veel goedertierenheid, een God van innerlijke ontferming. 17 Dit woord herinnert aan een ooievaar. Geen vogel heeft zoveel op met zijn jongen als de ooievaar.
Kent u het, gemeente. Weet u zich ook opgeraapt door Gods eeuwige liefdesarmen uit al uw nood en dood, zoals dat kind (een beeld van het volk Israël) in de profetieën van Ezechiël (Ez.16:4vv). Pas geboren, maar onverzorgd. ‘Geen oog had medelijden over u’. Geworpen op het vlakke des velds. Maar toen de Heere voorbij kwam en dat kind zag, vertreden in zijn bloed, zei de Heere: ‘Leef; ja, leef!’ (vs.6). Hij kwam voorbij en dekte het met Zijn vleugelen (vs.8). Onvergetelijk.
‘Het is een machtige prediking, mijn geliefden: "De Heere zal Israël verlossen van alle zijn zonden". Volstrekt geen voorwaarde is daarbij gesteld. Er is ook geen zonde uitgesloten. Alle zonden worden op een hoop geworpen. Verleden-,tegenwoordige-,toekomende-,niet erkende en bekende, verborgen en openbare, geringe en ten hemel schreiende, eenmaal begane en dikwijls herhaalde zonden, in onbedachtzaamheid bedreven, en zonden met voorbedachten rade, ja, met opgeheven schild begaan ‘(G. F. Kohlbrugge in genoemde preek).
Geen wonder, dat de dichter verwonderd uitroept: Bij Hem is veel verlossing. Hij redt mij keer op keer (Ps.116:1vv). Een verklaarder van Psalm 130 schrijft: ‘Uit de veelheid van verlossing die er bij Jahwe is, vloeit voort, dat Hij ook thans zal verlossen..’.18
’Wie iets verstaat van wat het Nieuwe Testament ons voorhoudt m.b.t. het verlossingswerk van de Heere Jezus, mag het de dichter van Psalm 130 uit het diepst van zijn hart nazeggen: Veel verlossing. Bevrijding uit de slaafse dienst van zonde, duivel en wereld. De vervangings-waarde, het dierbaar bloed van de Heiland is betaald aan God. Geen duivel heeft ooit meer iets over mij te zeggen. Ik ben door Jezus Christus losgekocht om voortaan de God van mijn leven te dienen, voor eeuwig. Vgl. Matth.1:21; Tit.2:14. Terecht schrijft C. H. Spurgeon in zijn verklaring van Psalm 130: ‘In deze Psalm horen wij van de parel der verlossing; vers 7 en 8. De zanger zou dat kostelijke juweel wellicht nooit gevonden hebben, indien hij niet in de diepte ware geworpen. “Paarlen liggen diep”.’19
En dan het slot van Psalm 130, een geweldige belofte: Hij zal Israël vrijkopen van alle ongerechtigheden. ‘Dit is geen roepen meer uit de diepten, maar een koraal in de hoogten’ (C. H. Spurgeon,a.w., blz.353).
In dit laatste vers van Psalm 130 wordt weer hetzelfde woord voor ongerechtigheden gebruikt als in vers 3. Dat heeft eenmaal de apostel Paulus doen juichen. Lees het na in Romeinen 11:26v: ‘De Verlosser zal uit (tot) Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.’ Om nog eens met Calvijn te spreken: ‘Zo Israël slechts in alle ootmoed komt om vergeving te vragen, zal hun zonde God niet beletten hun Verlosser te zijn’ (cd-rom, Calvijn Archief 1.0; op Psalm 130).
Dat heeft Israël dan nu nog te goed. Welk een machtige toekomst. Israël als een God geheiligd volk, gewassen door het bloed van het Lam van God en geheiligd door Zijn Geest. En ‘eerst in de gemeenschap der heiligen wordt het heil vol ervaren’ (B. Gemser, a.w., blz.186)
Want het wonder is zo groot, als ook ik daarin mag delen, ingelijfd in Israël door het geloof. Laat ik het tenslotte mogen zeggen met de woorden van een vrije vertaling van Luthers lied ‘Aus tiefer Not schrei ich zo Dir.’20
Uit diepen nood roep ik tot U,

O God, ik ben verloren!

Ach, haast U tot mij, red mij nu;

wil naar mijn smeekstem horen.

Uw toorn, o God, doet ons vergaan;

zie mij niet in mijn zonden aan;

laat mij nog bij U blijven.
't Is uwe eer, o heilig God,

de schuld ons te vergeven;

'k heb tegen uw volmaakt gebod

gezondigd heel mijn leven.

Met roem kan niemand tot U gaan;

elk moet voor U vol schaamte staan

en smeken om genade
En duurde ’t ook tot middernacht

en weder tot de morgen,

ik wanhoop niet aan Uwe macht,

maar zal in al mijn zorgen

niet angstig zijn, want Gij, mijn God,

verzekert mij, dat ook mijn lot

bij U is vast en veilig.
Amen.

BIJLAGE



Aus tiefer Not
Aus tiefer Not schrei' ich zu dir

Johann Walther's Gesangbüchlein, - Wittenberg, 1524 - Martin Luther

1. Aus tiefer Not schrei' ich zu dir,

Herr Gott, erhoer' mein Rufen,

Dein gnädig' Ohren kehr zu mir,

und meiner Bitt' sie öffnen!

Denn so du willst das sehen an,

was Sünd' und Unrecht ist getan,

Wer kann, Herr, vor dir bleiben?

2. Bei dir gilt nichts denn Gnad' und Gunst

die Sünde zu vergeben;

Es ist doch unser Tun umsonst,

auch in dem besten Leben.

Vor dir Niemand sich rühmen kann,

des muß dich fürchten jedermann

Und deiner Gnade leben.

3. Darum auf Gott will hoffen ich,

auf mein Verdienst nicht bauen;

Auf ihn mein Herz soll laßen sich,

und seiner Güte trauen,

Die mir zusagt sein wertes Wort,

das ist mein Trost und treuer Hort,

Des will ich allzeit harren.

4. Und ob es währt bis in die Nacht

und wieder an den Morgen,

Doch soll mein Herz an Gottes Macht

verzweifeln nicht noch sorgen,

So thu' Israel rechter Art,

der aus dem Geist erzeuget ward,

Und seines Gott's erharre.

5. Ob bei uns ist der Sünden viel,

bei Gott ist viel mehr Gnade;

Sein' Hand zu helfen hat kein Ziel,

wie groß auch sei der Schade.

Er ist allein der gute Hirt,

der Israel erlösen wird

Aus seinen Sünden allen.
NB:

Bach componeerde de koraalcantate (Aus tiefer Not schrei ich zu Dir; BWV 38) voor de 19e oktober 1724 op basis van één van de oudste en populairste koralen die Martin Luther samen met zijn muzikale compaan Johann Walther in 1524 in het Geystlich Gesangk Buchleyn te Wittenberg had publiceerd. Aus tiefer Not schrei ich zu Dir is een berijmde paraphrase van Psalm 130, die we ook in zijn Latijnse versie als De Profundis clamavi kennen. Het lied werd tijdens Luthers begrafenis gezongen. Het ligt ook ten grondslag aan de oudste cantate die we van Bach kennen, BWV 131, Aus der Tiefen uit 1707. Dit lied uit de dageraad van de Reformatie behoorde standaard bij de 21e zondag na Trinitatis. (Ontleend aan Barokensemble De Swaen (Internet-site).


--------------------------------------------------

Vrije vertaling:
1. Uit diepen nood roep ik tot U,

O God, ik ben verloren!

Ach, haast U tot mij, red mij nu;

wil naar mijn smeekstem horen.

Uw toorn, o God, doet ons vergaan;

zie mij niet in mijn zonden aan;

laat mij nog bij U blijven.

2. 't Is uwe eer, o heilig God,

de schuld ons te vergeven;

'k heb tegen uw volmaakt gebod

gezondigd heel mijn leven.

Met roem kan niemand tot U gaan;

elk moet voor U vol schaamte staan

en smeken om genade.


3. Daarom op U hoop ik alleen

en wantrouw eigen deugden.

Gij hoort de stem van mijn geween

en spreekt van uwe vreugden.

Want Gij belooft mij in Uw Woord,

dat Gij mijn Troost zijt en mij hoort;

ik mag daarop vertrouwen.
4. Niet mijn verdienste is de grond,

waarop mijn ziel kan bouwen;

onwankelbaar is Uw verbond;

op U staat mijn betrouwen.

Gij zijt het, die vergeving schenkt

en onze zonden niet gedenkt;

Gij vraagt alleen geloven,
5, En duurde ’t ook tot middernacht

En weder tot de morgen,

Ik wanhoop niet aan Uwe macht,

Maar zal in al mijn zorgen

Niet angstig zijn, want Gij, mijn God,

Verzekert mij, dat ook mijn lot

Bij U is vast en veilig.


1 De afbeelding is een schilderij uit de 16e eeuw, in Perzië gevonden. Op de voorgrond de Messias en daarvoor de profeet Elia die op de trompet der verlossing blaast (uit Zev Vilnay, Israël, een moderne gids door het land van de Bijbel; 2e geheel herziene en uitgebreide druk. Jeruzalem/ Amsterdam 1966; blz.580. Zie Psalm 130:8.

2 Hebr. ‘maä’makki’m’ – diepten; vgl. Jes. 51:10; Ez. 37:34; Ps. 69:3, 15. Het woord houdt verband met het Hebr.’’eemèk’ = dal. ‘In een handschrift van het psalterium van Hieronymus staat er boven Ps.130, dat hij gelezen moet worden bij de perikoop van Jona de profeet’ ;aldus Dr. J.J. P. Valeton Jr., de Psalmen, derde deel Ps. 90-150). Nijmegen 1905, blz.278.

NB: In de noten vindt de lezer mijn verantwoording van de in deze preek geboden uitleg van de psalm. De tekst van de preek zelf wordt zo nu en dan ook onderbroken door citaten en/ of excursen die men evenwel bij het lezen van de preek desgewenst ook kan overslaan.



3 Aldus G. F. Kohlbrugge in een preek over Psalm 130:7,8. Deze preek is gehouden op 2 januari 1848 te Elberfeld en is opgenomen in de reeks Twaalf twaalftallen Leerredenen.’

4 Aldus De Psalmen Davids, door C. H. Spurgeon (uit het Engels vertaald door Elisabeth Freystadt); vijfde deel (van Psalm 99 tot 150); 2e druk; Amsterdam, z.j.; blz. 347; blz.354. J. Calvijn schrijft in zijn verklaring van Psalm 130:3: ‘Want hierdoor zal de mens tot de erkentenis moeten komen, dat alle menschen, zonder onderscheid, de eeuwige verdoemenis hebben verdiend, en iedereen zal voor zich erkennen, dat hij duizendmaal verloren is. En voorts leert ons deze Schriftuurplaats: daar dus niemand door zijne eigene werken bestaan kan, zijn allen, die gerekend worden rechtvaardig te zijn voor God, rechtvaardig vanwege de genade en de vergeving hunner zonden.’ Zie cd rom Calvijn Archief 1.0.

5 Hebr.: ‘kol tachanoen’ = stem van mijn smekingen. Vgl. 2 Kron. 6:40; 7:15; Neh.1:6. Spurgeon schrijft: ‘Het is voor ons gebed beter om gehoord dan om verhoord te worden…God zal onze begeerten slechts dan vervullen, indien Hij in Zijn oneindige wijsheid ziet, dat dit kan strekken tot ons nut en tot Zijn verheerlijking.’ Aldus De Psalmen Davids, door C. H. Spurgeon, a.w., blz. 347.

6 Het Hebr.werkwoord is ‘sjamar’ = bewaren, in gedachten houden; hier in de zin van: toerekenen. Vgl. Gen.37:11; Ps.32:2; Jes.42:20.

7 Het Hebr.woord ‘awoon’ (een van de vier belangrijkste woorden uit het OT voor zonde; 231 keer in het OT) kan het beste vertaald worden door ons woord ‘schuld’. Letterlijk: het kromme, afgebogen zijn van de rechte weg; misslag (uit verkeerde gezindheid, een boos hart); kwade trouw, boze opzet, vijandschap. Aldus F. J. Pop, Bijbelse woorden en hun geheim; Den Haag 1964; s.v. zonde (blz. 609vv).

Psalm 130 is een van de zeven boetpsalmen (6, 32, 38, 51, 102 en 130; ‘waarvan soms gebruik werd gemaakt door boetelingen bij hun wederopneming in de kerk’ (M.Henri).



Dr. Joh.de Groot, De Psalmen, verstaat gij wat gij leest (BBB-serie); Baarn 1941; blz.123v schrijft: (Deze psalmen) ‘getuigen alle van een innig zondebesef, dat men alleen zou verwachten aan de voet van Golgotha, en van een diep berouw…Deze smeekbeden gelden dikwijls niet slechts de dichter, maar het gehele volk (Ps.130:8).’

8 Aldus M.Henri in zijn Bijbelverklaring.

9 Het roepen van Psalm 130 is ‘als de kreet van de drenkeling, die dreigt weg te zinken.’ Zo De Groot in In de binnenkamer van het Oude Testament, blz.142; geciteerd door dr. B.Gemser (serie Tekst en Uitleg), De Psalmen III Groningen-Batavia 1949, blz.185.

10 Hebr. ‘haseli’chah’ = de vergeving.Vgl. Dan.9:9; Neh.9:17 (hier het woord in het meervoud). Het werkwoord is ‘slch’ (veelvuldig in het OT); zie o.a. Ex.34:9; Num.30:6, 9, 13; Ps.25:11; 103:3; Jes.55:7; Jer. 5:1, 7; 31:34; 50:20; Dan.9:19. Joh.de Groot vertaalt vs.4 van Ps.130 aldus: ‘Bij U is de vergeving thuis’, zoals een kind thuis is bij zijn vader. Zo Dr. Johannes de Groot, De Psalmen,a.w., blz.143. Vgl. ook Ex.34:6v; Ps.32:1v..

11 Het Hebr.woord ‘ci’ = want; hier: maar.

12 Psalm 130 is een van der vele individuele psalmen.Dr. Joh de Groot (a.w.., blz.104) schrijft van Psalm 130, dat het de meest geliefde psalm van Luther was. ‘Ook hieruit spreekt een zeldzame diepte van geestelijke ervaring en van geloof, dat wij zonder meer Paulinisch zouden kunnen noemen.’

13 Aldus F. J. Pop, a.w.., blz. 615. Jezus gaf Zijn leven tot een losprijs voor (in de plaats van) velen. Pop schrijft: ‘Jezus’ woorden en gedragingen tegenover de zonde hebben hun achtergrond in Jes.53:12 en Jer.31:34. Hij is de lijdende Knecht des Heeren, die de zonden draagt en wegdraagt door Zichzelf volkomen te offeren. In dat licht moet ook Matt.26:28 gelezen worden: het bloed, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden, is het bloed van Jezus Christus.’

14 Het Hebr. woord is ‘jaree’ = eerbiedigen. De Kanttekeningen van de Statenvertaling verklaren dit aldus: ‘Te weten, met een kinderlijke vreze. Allen, die vastelijk vertrouwen dat om Christus’ wil hunne zonden vergeven zijn, beminnen God; en als goede kinderen vrezen zij Hem te vertoornen; Luk. 7:47. G.F. Kohlbrugge schrijft in de meermalen geciteerde preek over Ps.130: ‘Slechts daar, waar Gij vergeeft, is heiligheid, is een wandelen in Uw geboden’. Vgl. Ps.79:9; 1 Petr.1:17v.. En Calvijn zegt hiervan (zie zijn verklaring van Psalm 130 in cd-rom Calvijn Archief 1.0): ‘Kortom, de bewustheid van Gods oordeel, als het niet gepaard gaat met de hoop van genade te zullen verkrijgen, brengt niets dan schrik en angst te weeg, waaruit dan noodzakelijkerwijs haat moet voortkomen. Wel zal de zondaar, die gekweld wordt onder de vrees voor Gods bedreigingen, God niet verachten, maar hij schuwt Hem, en dit schuwen is zeer stellig afval en opstand.’

15 Zo Dr. B. Gemser, a.w., blz.186.

16 Het Hebr.werkwoord is: ‘kwh’ (zo Brown-Driver-Briggs lexicon) – wachten; op God; vgl. Jes.8:17; 25:9; 33:2; 60:9; in de pi’eel + acc.: Jes. 26:8; Ps. 25:5, 21; 40:2. Letterlijk luidt vs.6: Ik wacht op de Heere; mijn ziel verwacht en ik wacht/ hoop (Hebr.werkwoord ‘jaachal’; ook in vs.7) op Zijn Woord.Vs.6 luidt (letterlijk): mijn ziel op de Heere, meer dan wachters (Hebr.’sjomerim’) op de morgen; wachters op de morgen (voor het wachten van wachters wordt nog weer een ander Hebr.woord gebruikt). Vgl. 2 Sam.12:13; Ps.32:5; Matth.9:2

17 Weer zo’n tweetal prachtige kernwoorden uit de Bijbel: Hebr. ‘chèsèd’ = verbondstrouw (innerlijke ontferming) en Hebr.’pedoet’ (van ww.’pdh’ – loskopen) = verlossing; vgl. Ex.18:19 (?); Ex.34:22v; Jes.50:2; Ps.111:9. De gedachte van het loskopen is diep verankerd in het OT; bijv.de eerstgeborene (Ex.13:13, 15). Er moet wel een ‘vervangingswaarde’ worden betaald. Zelfs een ter dood veroordeelde (als Jonathan) kan worden losgekocht (1 Sam.14:45).

18 Zo J. J. P. Valeton, a.w., blz.282. Valeton schrijft aan het eind van zijn commentaar op Psalm 130: ‘Deze psalm is een van Israëls optochtliederen. Laat ons er ook het onze van maken. Het gaat van beneden naar boven; van diepten van lijden, zonde en dood, naar de hoogten van Gods gemeenschap; want bij onze God is gunst, en bij Hem is veel verlossing’.

19 De Psalmen Davids, door C. H. Spurgeon, a.w, blz. 345. ‘Diepe plaatsen brengen diepe godsvrucht teweeg’ (blz.346).

20 1524 Wittenberg Johannes Walther (1496-1570); en Maarten Luther (1483-1546): ‘Aus tiefer Not schrei ich zu dir’. Zie de Bijlage bij deze preek





  • BIJLAGE

  • Dovnload 0.62 Mb.