Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Productie: Architectuurcentrum Aorta Binnenstad

Dovnload 136.51 Kb.

Productie: Architectuurcentrum Aorta Binnenstad



Pagina1/5
Datum13.11.2017
Grootte136.51 Kb.

Dovnload 136.51 Kb.
  1   2   3   4   5

Karakteristieken van Utrecht


door drs. Catja Edens

productie: Architectuurcentrum Aorta

Binnenstad


De geschiedenis van de Utrechtse binnenstad is lang en veelbewogen. De groei en ontwikkeling die plaats vond vanaf de Romeinse tijd tot op heden en de verschillende visies die daaraan ten grondslag lagen, hebben hun sporen nagelaten en bijgedragen aan het ontstaan van het huidige Utrechtse stadshart. Na de roekeloze ontwikkelingen van de jaren zestig en zeventig, kenmerkten de jaren tachtig zich door kleinschaligheid en renovatie. In de jaren negentig groeide de interesse voor de openbare ruimte en de ontwikkeling van hoogwaardige, hedendaagse architectuur in de context van de binnenstad.
Vanaf het jaar 20 tot 270 waren in Utrecht Romeinen gevestigd. Ze bouwden een castellum op de locatie van het tegenwoordige Domplein en bewaakten op die positie de Rijn, noordgrens van het Romeinse Rijk. Over de daaropvolgende eeuwen is weinig bekend maar in 690 vestigde zich hier de Ierse monnik Willibrord die later zendingsbisschop werd. Rond 950 werd Utrecht het centrum van bisschoppelijk bestuur en ontving het muntrecht. Handel en religie bloeiden op en de bevolking groeide. In 1048 stichtte Bisschop Bernhold in Utrecht een prestigieus kruis van kerken met de Dom als middelpunt

In 1122 kreeg Utrecht stadsrechten en werd begonnen met de aanleg van een omwalling. Vanzelfsprekend maakten het Romeinse castellum en de immuniteiten van St. Salvator en Dom hier deel vanuit. Ook is de handelswijk Stathe opgenomen, gelegen ten westen van het castellum, en werden diverse andere handelsnederzettingen en kerkelijke immuniteiten deel van de ommuurde stad. De Rijn, die door de stad stroomde, werd in de twaalfde eeuw rechtgetrokken en later verbonden met de Vecht in het noorden en werd de tegenwoordige Oude Gracht. In de daarop volgende eeuwen vond geleidelijk aan binnenstedelijke verkaveling plaats op basis van bestaande land- en waterwegen.

Aan de noordzijde van Utrecht lag in de Middeleeuwen al de Bemuurde Weerd. Deze voorstad met enige bedrijfsbebouwing was van bijzonder belang vanwege de sluis die hier was aangelegd om het verschil in waterpeil tussen Rijn en Vecht te overbruggen. Deze werd in 1609 vernieuwd zodat schepen met grotere diepgang Utrecht aan konden doen en in 1822 gebeurde dit nogmaals.
De stedenbouwkundige situatie in de binnenstad bleef eeuwenlang vrijwel ongewijzigd. Wel was er sprake van een steeds verdergaande verdichting waarbij zijsteegjes van Oudegracht, Nieuwegracht en Springweg werden volgebouwd met arbeidershuisjes. Ook ontstonden stelsels van stegen en sloppen in tuinen en op erven en werden grote woningen tot kleinere opgesplitst. De stad groeide langzaam uit haar voegen.

In 1826 onderzocht een speciale commissie in opdracht van burgemeester Van Asch van Wijk mogelijkheden ter bevordering van de Utrechtse handel en mogelijkheden tot stadsuitbreiding. Ook werd nagedacht over de sloop van de stadswallen die, doordat Utrecht deel was gaan uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, geen functie meer hadden. Dit resulteerde in het plan Zocher dat voorzag in een stadsuitbreiding die door geldgebrek nooit is uitgevoerd en een wandelpark over de vestingwerken dat nog altijd het beeld van de singels bepaalt. Bij de uitvoering tussen 1830 en 1874 bleek dat met het slechten van de wallen soms minder fraaie plekken in het zicht kwamen te liggen. Zocher ontwierp hiervoor de zogenaamde ‘schermblokken’ zoals die aan de Van Asch van Wijkkade, waar zo de eerste en tweede achterstraat aan het zicht werden onttrokken.

Nadat de vestingwerken hun functie hadden verloren, was de stad niet langer naar binnen gekeerd maar werd ze het centrum van een groter geheel. Nieuwe toegangsroutes vanuit de omliggende (uitbreidings)gebieden waren daarom noodzakelijk. Ook was er sprake van een toenemende specialisatie van het stadshart. Er kwamen steeds meer kantoren, administratieve gebouwen, bankinstellingen, culturele gebouwen en warenhuizen in de binnenstad te liggen. De winkels namen het bovendien steeds meer over van de markten en dit had in de binnenstad een transformatie van woongebied tot winkelgebied tot gevolg.

In de twintigste eeuw nam het aantal mensen dat gebruik maakte van binnenstedelijke voorzieningen hand over hand toe. Om de verkeersstromen in de juiste banen te leiden werden er diverse doorbraken en verbredingen doorgevoerd. Het belangrijkste oost-west traject werd de route Vredenburg, Lange Viestraat, Potterstraat, Lange Jansstraat, Janskerkhof, Nobelstraat, Lucasbolwerk en verder over burgemeester Reigerstraat. In de jaren dertig werd bovendien vanaf het Vredenburg een route in noordelijke richting over de St. Jacobsstraat gerealiseerd.

Toch bleken deze voorzieningen in de jaren vijftig niet meer voldoende. Verkeersdeskundige Feuchtinger maakte in 1956 een ingrijpend verkeersplan voor de binnenstad van Utrecht. Het voorzag in een verkeersring rondom de stadsbuitengracht met aftakkingen naar een grote ring om de stad. Ook waren in de stad enkele grootschalige verkeerswegen gepland over de Lange Nieuwstraat en de Springweg. De plannen stuitten gelukkig op fel protest van de inwoners van de binnenstad zodat uiteindelijk slechts enkele onderdelen werden uitgevoerd waaronder de Catharijnebaan. Wel zijn de voorbereidingen voor de verbredingen nog altijd af te lezen aan de nieuwere bebouwing aan Springweg en Lange Nieuwstraat. Door de weerstand die dit plan en de realisatie van Hoog Catharijne teweeg bracht, ontstond een mentaliteitsverandering bij bestuurders. Ze raakten meer gericht op renovatie, restauratie en stadsherstel. In 1976 werd de oude stad met singels aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het verkeer zou nooit meer de overhand krijgen. Enkele jaren geleden werd het centrum met de introductie van een nieuwe verkeersstructuur zelfs autoluw gemaakt.

Renovatie


Wijk C was in de negentiende eeuw een sterk verdichte binnenstedelijke volkswijk met veel verkrotting en onhygiënische toestanden. In 1883 werd het Oranjepark aangelegd om lucht te geven aan de wijk en vanaf 1920 begon de gemeente panden aan te kopen met het oog op de aanleg van de brede St. Jacobsstraat. Het duurde lang voordat de plannen werden gerealiseerd en in de jaren zeventig ontstond daardoor een situatie met leegstand en verval. De sanering van de wijk verliep in deze jaren zeer traag en door rentederving stegen bovendien de kosten zodat de gemeente zich genoodzaakt zag grootschalige kantoorbebouwing en een politiebureau met garage aan te leggen. Het betekende de genadeslag voor de Wijk C.

Ook de Springhaverbuurt was in de jaren zeventig verpauperd want ook hier heerste onzekerheid over de toekomst van de wijk. In de jaren negentig gaven echter twee projecten een belangrijke impuls aan dit gebied. Aan de Mariaplaats realiseerde Bob van Reeth een binnenstedelijke woonwijk met hoge dichtheid op grond van de historische structuur van claustrale huizen op dit terrein.

Het Duitse Huis, een middeleeuws complex dat onder andere dienst had gedaan als militair hospitaal, stond in de jaren negentig al tijden leeg en werd deels gekraakt. Na een uitvoerige restauratie opende hier het vijfsterrenhotel Karel V haar deuren.

  1   2   3   4   5

  • Renovatie

  • Dovnload 136.51 Kb.