Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Reeks samenleving en toekomst

Dovnload 1.65 Mb.

Reeks samenleving en toekomst



Pagina1/51
Datum08.07.2017
Grootte1.65 Mb.

Dovnload 1.65 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   51


REEKS SAMENLEVING EN TOEKOMST

Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie

Een multilevel studie van de digitale kloof

Stefaan Walgrave, Marc Hooghe,

Lance Bennett en Dietlind Stolle

Met medewerking van

Jeroen Van Laer, Sara Vissers, Ruud Wouters,

Valérie-Anne Mahéo en Christian Breunig





Deze publicatie is het resultaat van het onderzoeksproject “Intermob: Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie: een multilevel studie van de digital divide” gefinancierd door Federaal Wetenschapsbeleid in het kader van het programma "Samenleving en Toekomst".

Programmaverantwoordelijken: M. Freire, , Z. Khattabi, A. Naji, L. Van Daele, S. Vrielinck

Het project werd uitgevoerd o.l.v. prof. S. Walgrave, Universiteit Antwerpen en M. Hooghe, Katholieke Universiteit Leuven.

De inhoud van de teksten valt onder de verantwoordelijkheid van de auteurs.

In de reeksen “Wetenschap en Maatschappij” en “Sociale Cohesie” van Academia Press verscheen ondermeer:



  • WHO elected the WTO ?’ De politieke legitimiteit van internationale organisaties (EU en WHO). 2004

  • Europeanisering en conflictoplossing: case-studies uit de europese periferie. 2004

  • Tussen aanvaarding en weerstand: een sociologisch onderzoek naar houdingen tegenover asiel, opvang en migratie. 2004

  • Van balen tot onthalen: de geografische en discursieve dimensie van attitudes tegenover asielzoekers: Casestudies uit Vlaanderen en Brussel.2004

  • Le vote électronique en Belgique : un choix légitime ? 2004

  • Politieke-agendasetting in België (1991-2000): de moeilijke dialoog tussen publieke opinie, media en het politieke systeem. 2005

  • Mise à l’agenda politique en Belgique (1991-2000): le dialogue difficile entre l’opinion publique, les medias et le système politique. 2005

  • (G)een blad voor de mond: spanningsvelden bij de participatie van armoedeverenigingen aan het armoedebeleid 2005

  • Mouvements religieux contestés: psychologie, droit et politiques de précaution. 2005.

Inhoudstafel
Inleiding: van de ene digitale kloof naar de andere? 1

Marc Hooghe & Stefaan Walgrave



Ongelijkheden in het internetgebruik in België 11

Marc Hooghe & Sara Vissers



Netwerken tussen activisten, diverse engagementen en de rol van het internet 29

Stefaan Walgrave, Lance Bennett, Jeroen Van Laer & Christian Breunig



De impact van ICT op het interne functioneren van een netwerk van organisaties 51

Ruud Wouters



Politiek internetgebruik tijdens de verkiezingscampagnes van 2006 in België 75

Sara Vissers & Marc Hooghe



Het potentieel van politieke mobilisatie: een experiment over internet en face-to-face mobilisatie 95

Marc Hooghe, Sara Vissers, Valérie-Anne Maheo & Dietlind Stolle



Internationale coördinatie van wereldwijd protest en de impact van veranderende communicatietechnologieën 119

Jeroen Van Laer



E-democratie in België en Canada 165

Ruud Wouters & Dietlind Stolle



Algemeen besluit: meer maar zwakkere netwerken 194

Stefaan Walgrave & Marc Hooghe



Referenties 210

Appendix 205

1

Inleiding: Van de ene digitale kloof naar de andere?

Marc Hooghe

Stefaan Walgrave

De introductie van elke nieuwe communicatietechnologie zorgt telkens opnieuw voor hooggespannen verwachtingen. Men gaat er vaak van uit dat de toegenomen communicatiemogelijkheden zullen leiden tot meer informatie-uitwisseling, wat ook een effect zal hebben op het functioneren van samenleving en politiek systeem. Die verwachting is niet helemaal ongegrond, zo blijkt uit diverse historische voorbeelden. Op het einde van de 18de eeuw zorgden de boekdrukkunst en de literaire kringen er voor dat het pre-revolutionaire gedachtegoed zich in een mum van tijd doorheen Frankrijk verspreidde (Darnton 1982). Vanaf het midden van de 20ste eeuw zorgde de opkomst van de televisie voor een revolutionaire verschuiving op het vlak van politieke communicatie. De fundamentele vraag die we hier proberen te beantwoorden, is of de ICT-revolutie, zoals we die het afgelopen decennium hebben meegemaakt, op een gelijkaardige manier een effect heeft of zal hebben op de aard van de politieke participatie en mobilisatie?

Als we de internationale theoretische literatuur overlopen, dan zien we twee grote stromingen in de studie van de politieke en maatschappelijke gevolgen van Internet. Aan de ene kant hebben we de ‘Internet-optimisten’. Zeker in de tweede helft van de jaren negentig was de verwachting dat Internet zou zorgen voor een grotere democratisering van de samenleving. Internet kan immers als gevolg hebben dat iedereen met elkaar in contact kan komen, en dat er veel meer mogelijkheden tot interactie worden geboden. Ook gewone burgers kunnen zonder veel omwegen hun mening laten weten aan een president of een andere gezagsdrager. Discussiefora kunnen leiden tot vrije uitwisselingen van ideeën en opvattingen, zonder enige politieke of maatschappelijke barrière. Fysieke belemmeringen voor vrije politieke communicatie worden zonder meer opgeheven door het nieuwe medium: iedereen kan op gelijk welk moment toegang krijgen tot alle mogelijke informatie. Over de hele wereld zijn er nog slechts enkele dictatoriale stelsels die het Internet proberen te censureren, maar het overgrote deel van de wereldbevolking heeft – in principe – vrije toegang alle mogelijke informatie.

Tegenover deze optimistische visie werden al dadelijk verschillende empirische argumenten ingebracht. Om te beginnen blijft er het feit dat niet iedereen toegang heeft tot de nieuwe technologieën: tegelijk met het Internet werd ook de bezorgdheid over de digital divide of de digitale kloof geboren. Zeker in de aanvangsjaren ging de aandacht daarbij vooral uit naar de fysieke toegang tot het Internet: niet iedereen had immers de middelen om zich toegang te verschaffen tot het Internet. In een bijzonder snel tempo zijn die barrières echter weggevallen, en de verspreiding van het nieuwe medium is buitengewoon snel gegaan. In het begin van de 20ste eeuw gingen er nog enkele decennia overheen voordat de meerderheid van de gezinnen een radiotoestel in huis had; tussen 1953 en 1970 waren er bijna twee decennia nodig om een gelijkaardige evolutie te bewerkstelligen voor het televisietoestel. Tegenwoordig zien we dat het minder dan een decennium heeft geduurd voordat het Internet beschikbaar is geworden voor een meerderheid van de Belgische gezinnen. Dat betekent niet dat het concept van de digital divide volledig overboord kan worden gegooid. Op wereldschaal blijft er wel degelijk een grote digitale kloof bestaan. Recente schattingen gaan er van uit dat ook nu nog niet meer dan vijf procent van de bevolking van Afrika toegang heeft tot het Internet. Op het ogenblik dat steeds meer internationale organisaties hun documenten enkel nog via Internet verspreiden, blijft dat een prangend maatschappelijk probleem.

Maar ook binnen de industrielanden is er nog sprake van een digitale kloof: de meerderheid van de bevolking mag er dan al toegang hebben tot Internet, de manier waarop het nieuwe medium wordt gebruikt, kan drastisch verschillen. Voor sommige bevolkingsgroepen is het nieuwe medium niet meer dan een speeltje, waarlangs muziekbestanden of videogames worden uitgewisseld. Andere maatschappelijke groepen gebruiken ICT daarentegen voor het opzoeken van informatie, het verrichten van bankzaken, het bestellen van boeken of het afhandelen van transacties met de overheid. In de literatuur heeft men het dan over een deepening divide (Van Dijk 2005): ook al zou iedereen toegang hebben tot het Internet, dan nog zullen sommige groepen de ICT-toepassingen gebruiken om meer informatie op te doen, terwijl anderen het medium vooral omwille van de ontspanningsfunctie zullen gebruiken.

De afgelopen jaren is het debat over de mogelijke maatschappelijke gevolgen van de ICT-revolutie met een ongehoorde felheid verlopen, met scherpe confrontaties tussen de optimistische en de meer pessimistische auteurs. Men zou het in dit verband zelfs kunnen hebben over een strijd tussen de believers en de disbelievers in de democratische mogelijkheden van het Internet. Het was de bedoeling van dit onderzoeksproject om op basis van zorgvuldig empirisch onderzoek meer gegronde uitspraken te kunnen doen over het vermeende democratiserend potentiëel van Internet. Daarbij hebben we vooral gekeken naar de effecten van ICT op diverse vormen van politieke participatie. We doen dat, omdat participatie beschouwd kan worden als de hoeksteen van een democratische samenleving. Burgers hebben het recht hun mening te geven over het te voeren beleid en ze beschikken over allerlei instrumenten om die mening ook kracht bij te zetten. Een fundamenteel kenmerk van democratische samenlevingen is dat burgers ook volop gebruik maken van die mogelijkheid. Een hoog niveau van politieke participatie zorgt er voor dat politici gedwongen worden te reageren op de verzuchtingen van de publieke opinie, en bovendien moeten ze zich ook steeds verantwoorden voor de beslissingen die ze genomen hebben. Een weinig alerte publieke opinie, daarentegen, kan beschouwd worden als een soort vrijbrief aan de politieke elite (Rosanvallon 2006). De normatieve assumptie die impliciet ten grondslag ligt van dit onderzoek is dat meer politieke participatie over het algemeen een nastrevenswaardig doel vormt in onze samenleving. Bovendien gaan we er van uit dat alle maatschappelijke groepen in principe toegang zouden moeten hebben tot de diverse mogelijkheden van politieke participatie, zonder structurele uitsluitingsmechanismen.

De kernvraag van ons onderzoek is dan ook na te gaan welke invloed de introductie van ICTs heeft op zowel het niveau als de verspreiding van politieke participatie in de Belgische samenleving. Ook voor deze specifieke onderzoeksvraag kunnen we een kamp van optimisten onderscheiden van een kamp van pessimistische auteurs (Uslaner 2004).

De meeste auteurs gingen daarbij uit van een optimistisch scenario: men ging er van uit dat er door het internet meer interactie tussen het politiek systeem en de bevolking zou mogelijk worden (Davis en Owen 1998). Sommige auteurs stelden zelfs dat het oude ideaal van de directe democratie nu eindelijk technologisch mogelijk gemaakt zou worden door de opkomst van nieuwe communicatiemiddelen. In de meer recente literatuur vinden we echter vooral twijfels terug over het democratische potentieel van internet (Margolis en Resnick 2000; Ward, Gibson en Lusoli 2003). Een aantal auteurs stellen nu dat Internet vooral zal leiden tot het versterken van reeds bestaande ongelijkheden, zowel met betrekking tot de toegang tot het medium, als met betrekking tot de mogelijkheden voor grote, geïnstitutionaliseerde actoren om de inhoud van websites en electronisch verkeer te domineren. Het wetenschappelijke debat is nu in volle gang: terwijl sommigen geloven dat Internet zal leiden tot de mobilisatie van nieuwe bevolkingsgroepen (“mobilisatie-these”), stellen anderen met evenveel zekerheid dat Internet enkel zal leiden tot het versterken van ongelijkheden (“versterkings-these”).

Een specifiek kenmerk van het huidige onderzoek is dat we er rekening mee houden dat participatie en mobilisatie altijd ingebed zijn in een specifieke context. Men kan onmogelijk participatie op een adequate wijze bestuderen indien men uitgaat van een atomaire visie op het individu, dat op eigen houtje zou beslissen zijn mening te kennen te geven aan de politieke besluitvormers. Er bestaat een lange traditie binnen het politiek-sociologisch onderzoek dat er op wijst dat meso- en macro-determinanten van politieke participatie van cruciaal belang zijn. Participatie is vaak een gevolg van mobilisatie: organisatie roepen individuele burgers op deel te nemen aan concrete acties en campagnes. De rol van sociale bewegingen is dan ook cruciaal als we het voorkomen van politieke participatie willen nagaan (Walgrave 1994). Bovendien zullen de mobilisatie- en participatiekansen in sterke mate afhangen van de globale politieke en maatschappelijke contexten: politieke participatie is gemakkelijker in een open politieke context met veel mogelijkheden tot interactie dan in een gesloten politieke context (Hooghe 1994). Als we iets zinvols willen zeggen over politieke participatie, dan zullen we het dus ook over het meso-niveau (organisaties) en het macro-niveau (politieke context) moeten hebben, en daarom hebben we in dit onderzoek resoluut gekozen voor een multi-level benadering van de studie van de impact van ICTs op politieke participatie.

Op het micro-niveau blijft de vraag daarbij wie er specifiek gebruik maakt van ICT-toepassingen. Op het meso-niveau wordt de vraag of organisaties die over minder middelen beschikken, meer mobilisatiemogelijkheden kunnen ontwikkelen als gevolg van de relatief lage kostprijs van ICT-aanwezigheid. De tegenovergestelde hypothese is hier dat het uitbouwen van een attractieve en afwisselende website juist wel een belangrijke inspanning vergt, zodat de rijkere organisaties hier een competitief voordeel genieten. Ook op het niveau van de organisaties kunnen we met andere woorden zowel met een versterkings- als met een mobilisatietrend te maken hebben.

Ook op het macro-niveau kan het democratische potentieel van Internet problematisch zijn. In de meeste studies wordt er, al dan niet impliciet, van uitgegaan dat het medium waarlangs burgers hun voorkeuren uiten, geen invloed heeft op de uiteindelijke effectiviteit van het participatiegedrag. Men zou echter van de veronderstelling kunnen uitgaan dat beleidsverantwoordelijken minder aandacht zullen besteden aan boodschappen die relatief weinig inspanning kosten aan de verzender, zoals bijvoorbeeld het doorsturen van een internet-petitie. Daarom is het belangrijk om ook aandacht te besteden aan de manier waarop overheden en overheidsinstanties omgaan met de informatie die hen door burgers wordt bezorgd via het gebruik van ICT. De centrale doelstelling van dit project is tot een meeromvattende inschatting te komen van het democratische potentieel van Internet, door zowel micro- (individuele gebruiker), meso- (organisaties), als macro- (politiek systeem) perspectieven in het onderzoek op te nemen.

Dit onderzoek vertrekt vanuit de Belgische context, maar het leek ons belangrijk de Belgische ervaring – waar mogelijk en relevant – te vergelijken met internationale voorbeelden. Een dergelijke comparatieve benadering versterkt immers de validiteit van de waarneming. Daarbij richten we ons specifiek op de situatie in de Verenigde Staten en in Canada. Onderzoeksteams uit beide landen (resp. prof. Lance Bennett van Washington University in Seattle en prof. Dietlind Stolle van McGill University in Montreal) hebben trouwens ook bijgedragen aan dit onderzoeksproject. De Verenigde Staten vormen een bijzonder interessante vergelijkingsbasis, omdat het gebruik van ICT voor politieke communicatie daar bijzonder ver gevorderd is. We kunnen hier bijvoorbeeld verwijzen naar de manier waarop president Barack Obama in 2008 alle mogelijke Internet-toepassingen heeft aangewend in zijn verkiezingscampagne. Zelfs zijn campagne-financiering berustte voor een flink stuk op kleine donaties die via het Internet werden verzameld. Ook theoretisch is de samenwerking met de Verenigde Staten veelbelovend, omdat met name Lance Bennett de afgelopen jaren baanbrekend onderzoek heeft verricht naar de integratie van nieuwe communicatiemiddelen in het algemene participatie-onderzoek. Canada vormt dan weer een goede vergelijkingsbasis omdat dit land een zeer goede reputatie geniet of het vlak van e-government, en daardoor als een benchmark kan functioneren. Diverse internationale rankings geven aan dat de Canadese overheid bijzonder goed scoort op het vlak van het uitbouwen van diverse e-government-initiatieven. Als we ons enkel tot de Belgische case zouden beperken, dan zouden we het verwijt kunnen krijgen dat onze conclusies mede berusten op het feit dat de Belgische overheid op een aantal vlakken achterop loopt met het implementeren van e-government-toepassingen. De vergelijking met Canada maakt het voor ons mogelijk meer algemeen geldende uitspraken te doen, die ook geldig zijn voor een context waar een sterke e-government-infrastructuur aanwezig is.

Het huidige onderzoek is dus innoverend, zowel omwille van zijn multilevel-benadering, als omwille van dit comparatieve aspect. Dit onderzoeksdesign laat ons toe drie deelvragen te beantwoorden:

1) (micro-niveau): versterkt ICT de bestaande ongelijkheden wat betreft politieke participatie?

2) (meso-niveau): krijgen kleinere organisaties minder of meer kansen voor mobilisatie door de introductie van ICT?

3) (macro-niveau): welke impact heeft ICT op het uiteindelijke resultaat van politieke participatie?

De eerste vraag peilt vooral naar de mate waarin alle bevolkingsgroepen in gelijke mate gebruik (kunnen) maken van ICT-toepassingen. Het onderzoek naar de “digital divide” wijst er op dat vooral vrouwen, ouderen en lagergeschoolden hierin ondervertegenwoordigd zijn (Norris 2001). De meest recente data wijzen er bovendien op dat met name oudere bevolkingsgroepen slechts zeer langzaam hun eerste stappen zetten in het Internet-tijdperk.Latere studies tonen aan dat deze kloof weliswaar verkleind is, maar zeker niet verdwenen, in elk geval niet als we de intensiteit van het gebruik mee in de analyse betrekken (Mossberger, Tolbert en Stansbury 2003). Gebruik van ICT-toepassingen voor politieke participatie zou daardoor juist kunnen leiden tot een versterking van de ongelijkheden, eerder dan tot een reductie van deze ongelijkheid.

De tweede vraag is ontleend aan het onderzoek over de gevolgen van ICT voor sociale bewegingen (van de Donk, Loader, Nixon en Rucht 2004). In sommige gevallen kan het gebruik van ICT inderdaad leiden tot een lagere financiële drempel voor organisaties die een ruim publiek wensen te bereiken. De introductie van ICT zal echter niet dezelfde impact hebben voor alle soorten bewegingen en organisaties. Zeker voor sociale bewegingen, die over het algemeen een sterk netwerk-karakter hebben (Diani en McAdam 2003), lijkt het gebruik van ICT daarom bijzonder aanlokkelijk. In het bijzonder allerlei vormen van internationale coördinatie en mobilisatie zouden in principe gemakkelijker moeten worden door het gebruik van ICT (Norris, Walgrave en Van Aelst 2005; Van Aelst en Walgrave 2004). Terug rijst hier echter de vraag in hoeverre kleine organisaties over de nodige middelen beschikken om nog een volwaardige rol te kunnen spelen in deze technologische netwerkvorming.

De derde vraag behandelt de uiteindelijke politieke impact van politieke participatie en mobilisatie. Krijgen participatie-boodschappen die met behulp van ICT worden doorgezonden, evenveel aandacht en weerklank als boodschappen die via traditionele weg worden overgemaakt? Overheden worden uiteraard bestookt door allerlei vormen van communicatie en belangenaggregatie. Ze ontwikkelen echter ook procedures om deze informatie te stroomlijnen en de vraag is daarbij op welke manier wordt omgegaan met informatie die gebruik maakt van ICT. We stellen hier met andere woorden de vraag hoe democratisch het ‘back office’ van allerlei vormen van e-government in de praktijk functioneert.

De drie deelvragen van het onderzoek komen aan bod in de diverse hoofdstukken van dit boek. Marc Hooghe en Sara Vissers beginnen met een blik op de individuele gebruiker in het hoofdstuk over ongelijkheden in het politieke Internetgebruik in België. Op basis van surveydata schetsen ze een beeld van de snelle verspreiding van het nieuwe medium in de Belgische samenleving. Het onderzoek gaat echter nog een stap verder door niet alleen na te gaan of mensen toegang hebben tot het internet, maar ook de vraag te stellen wat ze precies doen op het Internet. Op die manier kan nagegaan worden of de deepening divide-these inderdaad klopt: ook al zou iedereen volop toegang krijgen tot het Internet, dan nog gaan sommige groepen binnen de samenleving daar op een meer effectieve wijze gebruik van maken dan andere groepen, waardoor bestaande ongelijkheden nog kunnen versterkt worden. Het Belgisch cijfermateriaal wordt daarbij in een bredere context geplaatst door een vergelijking te maken met andere Europese landen die deelnamen aan de European Social Survey (ESS). In dit hoofdstuk wordt ook specifiek aandacht besteed aan het Internetgebruik bij Belgische jongeren (zowel Franstalig and Nederlandstalig), omdat we er kunnen van uitgaan dat in het bijzonder deze jonge leeftijdsgroep volop gebruik zal maken van het medium.

In een volgend hoofdstuk zetten Stefaan Walgrave, Lance Bennett, Jeroen Van Laer en Christian Breunig de stap naar het mesoniveau. De centrale vraag in dit hoofdstuk is in hoeverre deelnemers aan protestactiviteiten ingebed zijn in mobiliserende netwerken. Ze bouwen hiermee voort op een eerdere theoretische benadering in het werk van Lance Bennett, die stelt dat het Internet participanten in staat stelt diverse mobiliseerbare politieke identiteiten te construeren. Door de nieuwe communicatietechnologie wordt het immers mogelijk verschillende thema’s tegelijk op de voet te volgen, en indien nodig in een van deze campagnes te participeren. De auteurs maken gebruik van surveymateriaal bij deelnemers aan een aantal protestdemonstraties om na te gaan of het inderdaad zo is dat de ICT-gebruikers meer politieke thema’s volgen dan diegenen die op meer traditionele netwerken een beroep doen. Hoewel dit onderzoek nog steeds uitgaat van individuele surveydata, komen hier ook de organisaties nadrukkelijk in beeld: op welke manier kunnen zij het Internet gebruiken om potentiële deelnemers te bereiken? En vooral: zijn organisaties nog steeds onnmisbaar als mobilisatie-instrumenten, of kan die rol overgenomen worden door (electronische) netwerken van individuen?

Ruud Wouters gaat in zijn hoofdstuk door op het niveau van de organisaties. Grote campagnes berusten immers vaak op een samenwerkingsverband tussen verschillende sociale bewegingsorganisaties. Dat was in het verleden al zo, en dit verschijnsel is de afgelopen jaren steeds intensiever geworden. De vraag is echter in hoeverre ICT-toepassingen dit soort campagnes gemakkelijk maken. Het is niet langer noodzakelijk dat campagne-organisatoren elkaar face-to-face zien en brieven worden er allicht ook niet meer geschreven. Maar betekent dit dat grote en rijke organisaties, die zich een goede ICT-infrastructuur kunnen veroorloven, meer mobilizatiekansen krijgen dan kleine organisaties? Bovendien kan men de vraag ook omkeren: welke invloed heeft de introductie van ICT op de organisatiestructuur zelf? Internet-technologie laat immers een heel open en interactieve vorm van communicatie toe, die in principe haaks staat op het gesloten en hiërarchische organisatiestructuur. Aan de hand van de case van de ‘Schone Kleren Campagne’, die ijvert voor betere arbeidsvoorwaarden in de internationale textielindustrie, gaat Wouters na of het gebruik van ICT inderdaad heeft bijgedragen tot andere organisatie- en mobilisatiestructuren. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de rol van de grote, klassieke sociale bewegingen en de kleinere actiegroepen die deel uitmaken van deze campagne.

Sara Vissers en Marc Hooghe gaan vervolgens in op een heel specifiek thema: het gebruik van Internet tijdens verkiezingscampagnes. Niet alleen in België, maar in zowat de hele westerse wereld, doen politici in toenemende mate een beroep op het Internet in het kader van hun electorale campagnes. Diverse onderzoekers gingen reeds eerder na welk soort informatie daarbij wordt verspreid en welke technologie daarbij wordt gebruikt. Maar we weten minder over de gebruikers van die campagne-websites. Zijn dit vooral overtuigde partijleden die verdere informatie opzoeken over hun eigen partij, of zijn dit onbesliste kiezers die rondkijken om na te gaan welke partij het best aansluit bij hun eigen voorkeuren? In het eerste geval kunnen we stellen dat het Internet enkel zou bijdragen tot segregatie (men komt immers enkel in contact met de informatie van de partij waarvoor men toch al zal gaan stemmen), in het tweede geval leidt Internet tot een meer open vorm van communicatie (men gaat de informatie raadplegen van alle partijen, ook van kleine organisaties). Vissers en Hooghe hebben hiervoor een enquête uitgevoerd bij bezoekers van partijwebsites, zowel in Franstalig als in Nederlandstalig België en de resultaten hiervan worden in dit hoofdstuk samengevat.

Een aantal auteurs hebben zich in het verleden eerder sceptisch uitgelaten over de mogelijkheden van Internet. Hun stelling is dat het nieuwe medium uiteraard wel leidt tot allerlei nieuwe vormen van communicatie, maar dat die netwerken in de praktijk niet zo veel voorstellen. Het gaat volgens hen om een zeer oppervlakkige vorm van communicatie en informatie-uitwisseling die geen blijvende gevolgen heeft. In een reeks experimenten gaan Marc Hooghe, Sara Vissers, Valérie-Anne Mahéo en Dietlind Stolle na of dit argument correct is. Proefpersonen in zowel België als Canada kregen informatie over de opwarming van het klimaat op aarde en over concrete stappen die men kan zetten om die opwarming te voorkomen. Een gedeelte van de proefpersonen kreeg deze informatie aangereikt via een website, een deel via meer traditionele mobilisatiekanalen (een face-to-face voordracht of een rollenspel). De onderzoekers gingen vervolgens na in hoeverre het gebruik van de verschillende communicatie-instrumenten een effect had op de kennis, de attitudes en de participatiebereidheid van de proefpersonen. Uiteraard wordt bij deze experimenten ook telkens gebruik gemaakt van een controlegroep die helemaal andere informatie kreeg die geen verband hield met het thema.

Ook Jeroen van Laer maakt in het volgende hoofdstuk een heel expliciete vergelijking tussen Internet en andere media. De afgelopen jaren is er steeds meer sprake van globale vormen van protest, die tegelijk worden georganiseerd in verschillende landen. Uiteraard vergt een dergelijke campagne een doorgedreven vorm van communicatie tussen de verschillende nationale organisaties. Van Laer maakt een vergelijking tussen het vredesprotest in de jaren tachtig van de vorige eeuw (toen nog zonder Internet) en het protest in 2003 tegen het begin van de oorlog in Irak. Meer specifiek is de vraag daarbij of internationale coördinatie van protest nu gemakkelijker verloopt dan twintig jaar geleden. Ook hier is de ongelijkheidsvraag echter nadrukkelijk aanwezig. Laagdrempelige vormen van internationale netwerk-vorming maken het in principe gemakkelijker dat ook kleine organisaties kunnen deelnemen aan internationale campagnes. Meer technologische vormen van coördinatie zouden kunnen functioneren als een uitsluitingsmechanisme, als kleinere groepen niet de middelen hebben om hieraan volop deel te nemen. De vergelijking met het eerdere protest uit de jaren tachtig maakt het hier mogelijk adequaat de invloed van Internet op te sporen: de internationale vredesbeweging heeft immers altijd al heel intensief samengewerkt, en de belangrijkste innovatie van het afgelopen decennium is effectief de inbreng van ICT-middelen in dit internationale coördinatieproces.

Ruud Wouters en Dietlind Stolle, ten slotte, belichten het macro-perspectief in hun vergelijking van e-government praktijken in Canada en België. Zij gaan meer specifiek na welke rol e-government speelt in de beleidscyclus en op welke manier de Canadese en de Belgische overheid omgaan met de informatie die hen via e-government en andere electronische communicatie-vormen bereikt. De democratiseringsvraag staat ook in dit hoofdstuk centraal: in hoeverre laten ICTs toe dat burgers meer inspraak krijgen in het te voeren beleid, of betekent dit gewoon een extra-methode om het beleid van overheidsorganisaties te implementeren? De vergelijking met Canada in dit hoofdstuk laat ook toe de Belgische praktijk te toetsen aan de ervaring van een land met een gevorderd beleid inzake e-government.

In het slothoofdstuk verbinden Stefaan Walgrave en Marc Hooghe de draden van de verschillende hoofdstukken opnieuw met elkaar. Centraal daarbij staan uiteraard de drie vragen die we in deze inleiding hebben opgeworpen: in hoeverre draagt Internet bij tot een democratisering van de politieke participatie, zowel op het niveau van het individu, de organisatie als het politieke systeem in het algemeen.

Dit boek vormt het eindverslag van een driejarig onderzoeksproject (2006-2008) dat werd opgezet door het Federaal Wetenschapsbeleid, in het kader van het programma ‘Samenleving en Toekomst’. We danken uiteraard het Federaal Wetenschapsbeleid, dat dit onderzoek heeft mogelijk gemaakt en in het bijzonder Sven Vrielinck en Zakia Khattabi die dit onderzoek op een efficiënte en aangename manier hebben begeleid. De leden van het begeleidingscomité gaven ons zeer waardevolle input en hielpen ons ook bij het preciseren van de onderzoeksvragen. Onderzoek als dit is enkel mogelijk dankzij de medewerking van een groot aantal personen, en we willen dan ook een woord van dank uitspreken aan alle respondenten, verantwoordelijken van sociale bewegingen en politieke partijen, beleidsverantwoordelijken en de proefpersonen in de experimenten die mee hebben gewerkt aan dit onderzoek.

Antwerpen/Leuven, 1 maart 2009

2

Ongelijkheden in het internetgebruik in België

Marc Hooghe

Sara Vissers

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   51

  • Inhoudstafel Inleiding: van de ene digitale kloof naar de andere 1
  • De impact van ICT op het interne functioneren van een netwerk van organisaties 51
  • Internationale coördinatie van wereldwijd protest en de impact van veranderende communicatietechnologieën 119
  • Inleiding: Van de ene digitale kloof naar de andere

  • Dovnload 1.65 Mb.