Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Rik Coolsaet

Dovnload 99.49 Kb.

Rik Coolsaet



Pagina1/2
Datum14.11.2017
Grootte99.49 Kb.

Dovnload 99.49 Kb.
  1   2



Al-Qaeda tussen mythen en realiteit


Rik Coolsaet

‘Opinies over feiten zijn dikwijls belangrijker dan de feiten zelf, want op opinies baseren mensen hun gedrag en geven zij vorm aan de wereld.’ Deze relativerende woorden van de legendarische Nobelprijswinnaar voor de Vrede Norman Angell in zijn autobiografie uit 1951 vormen een nuttige richtingwijzer bij de schier eindeloze reeks nieuwsberichten over terreuraanslagen sinds elf september.


Terrorisme is zo oud als de mensheid. Het is van alle tijden, van alle continenten en van alle gezindten. Maar de angst voor het terrorisme en de obsessie met veiligheid, die zijn er niet altijd. Het gevoel bedreigd te worden door een ongrijpbare en schijnbaar alomtegenwoordige terroristische vijand, komt en gaat, in golven. Tussen twee angst- en terreurgolven zit dikwijls een generatie. Daardoor ontstaat bij elke nieuwe golf aanslagen waarachter de hand van een internationaal terreurnetwerk wordt vermoed, telkens weer de neiging om zich bedreigd te voelen door een vijand van mythische proporties. Mythe en realiteit vermengen zich gemakkelijk als het over al-Qaeda en Osama bin Laden gaat – net zoals bij soortgelijke terreurgolven in het verleden.

Terreurarme realiteit
Walter Laqueur, auteur van het standaardwerk Terrorism (1977), merkte in 1985 op dat wie het internationale terrorisme in een historisch perspectief plaatst, tot onverwachte vaststellingen komt. Hij noteerde – in het midden van een soortgelijke paniekgolf als vandaag – dat feiten en perceptie in een curieuze verhouding tot elkaar staan:
“[Historians] will note that presidents and other leaders frequently referred to terrorism as one of the greatest dangers facing mankind. For days and weeks on end, television networks devoted most of their prime-time news to covering terrorist operations. Publicists referred to terrorism as the cancer of the world, growing inexorably until it poisoned and engulfed the society on which it fed. […] In countless articles and books, our historian will read about the constantly rising number of terrorist attacks. Being a conscientious researcher he will analyse the statistics, which are bound to increase his confusion, for he will find that more American civilians were killed in 1974 (22) than in 1984 (16).”1
In welke mate geldt deze bemerking ook voor vandaag ? Om de recente golf aanslagen in perspectief te plaatsen, kan de onderzoeker vandaag een beroep doen op twee gezaghebbende gegevensbanken. Op verzoek van het Congres publiceert het State Department jaarlijks een rapport over het internationale terrorisme, Patterns of Global Terrorism.2 Dit rapport biedt een gedetailleerd overzicht van allerlei relevante informatie op het gebied van het internationale terrorisme, waaronder statistische gegevens over het aantal aanslagen.
Sinds het gijzelingsdrama op de Olympische Spelen van München in 1972 doet ook de RAND Corporation iets soortgelijks. De RAND-databanken zijn gebaseerd op ruim 30 jaar onderzoek en bestaan uit drie verschillende datasets. De terroristische aanslagen tussen 1968 en 1997 zijn terug te vinden in de RAND Terrorism Chronology. Deze verschaft enkel informatie over internationaal terrorisme. De meer recente databank, Terrorism incident database (1998-heden) daarentegen omvat zowel binnenlandse als internationale terreuraanslagen. De onlangs geactiveerde MIPT Knowledge Database integreert beide databanken.3
Een methodologische opmerking is hier echter noodzakelijk. Elke definitie van ‘terrorisme’ is arbitrair. Wat sommigen als terrorisme zullen bestempelen, wordt door anderen niet als dusdanig erkend. Het State Department en de RAND Corporation hanteren verschillende definities en criteria betreffende het internationale terrorisme. Dat resulteert in soms zeer uiteenlopende schattingen van het absolute aantal aanslagen. Wat ons hier echter interesseert, is niet op de eerste plaats het aantal aanslagen op zich, maar de trend op langere termijn die uit deze cijfers blijkt. Niet precieze cijfers zijn hier dus van belang, wel de relatieve evolutie ervan, m.a.w. binnen de gehanteerde definities in beide datasets.


Bron: Rik Coolsaet, Teun Van de Voorde, Het internationale terrorisme. Een longitudinale statistische analyse. Universiteit Gent, Vakgroep Politieke Wetenschappen, juli 2004



Ondanks de verschillende definities van terrorisme indiceren het State Department en de RAND Corporation (RAND) dus eenzelfde neerwaartse curve van een afnemend aantal aanslagen. Indien we een rechte zouden trekken, dan zou de systematische vermindering van het aantal internationale terroristische aanslagen op middellange termijn, d.i. van 1977 tot 2003, nog meer in het oog springen.
In het geval van de cijfers uit de Patterns blijkt het aantal aanslagen in 2002 en 2003 het laagste ooit te zijn sinds 1977, met resp. 205 en 208. Uit Patterns 2003 blijkt zelfs dat niet 1977, maar 1969 gehanteerd kan worden als het historische ijkpunt. Dit betekent met andere woorden dat de jaren 2002 en 2003 de terreurarmste waren van de afgelopen 32 jaar. De RAND-cijfers geven eenzelfde dalende trend aan. In absolute aantallen geldt de periode 1997-2000 hier als de terreurarmste, met een groei tussen 2000 en 2002, maar eindigend met een daling in 2003 tot het – relatief lage – niveau van de periode 1977-1980.
Het is uiteraard niet voor het eerst dat deze dalende trend wordt genoteerd. Een aantal experts merkt echter een gelijktijdige trend op van een hoger aantal slachtoffers per terroristische aanslag. De RAND datasets maken het ook hier mogelijk cijfers van perceptie te scheiden. In Figuur 2 werden zowel het absolute aantal dodelijke slachtoffers (‘Slachtoffers’) uitgetekend als de best passende rechte (‘Lineair’) voor de periode 1977-2003.
Op het eerste gezicht is er inderdaad sprake van een toenemend aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van internationale terroristische aanslagen. Bij nadere analyse blijkt dit echter het gevolg te zijn van het dramatische dodental op elf september. Daarnaast vallen de grote jaarlijkse variaties op. Deze zijn het gevolg van een al dan niet geslaagd aantal bijzonder spectaculaire aanslagen met een groot aantal dodelijke slachtoffers: de bommenreeks in Libanon tegen Amerikaanse doelwitten in 1983 die telkens tientallen slachtoffers eisten; de 329 doden op het door Sikhs gekaapte vliegtuig tussen Montreal en London in 1985; de 270 doden op de PanAm 103 vlucht boven Lockerbie in 1988; de bomauto’s in Bombay in 1993 met 317 tot gevolg; een aanslag als die in Colombo (Sri Lanka) door de Tamil Tijgers in 1996; en uiteraard 11 september 2001.


In de publieke opinie, de pers en onder beleidsverantwoordelijken leeft het gevoel dat we vandaag geconfronteerd zijn met een historisch hoog dodental. Gezien de menselijke tol op elf september is dit gevoel uiteraard perfect te begrijpen. Terroristische aanslagen zoals die van 11 september 2001 zijn echter een ‘low probability, high consequence event’. Gelet op de grote variaties in het aantal opgemeten slachtoffers is het dan ook problematisch om over een trend te spreken
Deze cijfers bevestigen het aanvoelen van Walter Laqueur uit 1985. In tegenstelling tot de wijdverspreide perceptie blijkt het internationale terrorisme tussen 1977 en 2003 als politiek instrument geleidelijk maar duurzaam aan belang in te boeten.

De ultieme nachtmerrie
Het dramatisch en volstrekt onverwachte karakter van de aanslagen van elf september, de miltvuurbrieven en verontrustende (maar fragmentaire) indicaties dat al-Qaeda en sommige extremistische moslimactivisten, zoals José Padilla, plannen smeedden om een ‘vuile bom’ aan te maken, heeft de internationale ongerustheid over het mogelijke gebruik van massavernietigingswapens door terroristische groepen onmiskenbaar doen groeien. Die werd verder in de hand gewerkt door de publieke rechtvaardiging van de Irakoorlog waarin de suggesties dat Saddam Hoessein zulke wapens wel eens ter beschikking van terreurgroepen zou kunnen stellen, een centrale plaats innam.
Nieuw is zulke vrees niet. Een eeuw geleden al vreesden politieambtenaren dat terroristen de meest verschrikkelijke wapens die de mensheid had ontwikkeld, in handen zouden kunnen krijgen en nooit eerder verwoestingen zouden kunnen aanrichten. Ook tijdens de Koude Oorlog deden doemscenario’s over terroristische aanslagen met kernwapens de ronde. Maar het is pas recent dat zulke nachtmerries acute vormen hebben aangenomen.
In zeker opzicht is de bedreiging vandaag nochtans kleiner dan onder de Koude Oorlog, toen de steun van diverse staten aan terreurorganisaties nog een courant verschijnsel was. Vandaag is het aantal landen dat terreurgroepen als al-Qaeda steunt, zo goed als onbestaande. Daardoor ontbreekt het deze groepen aan de noodzakelijke infrastructuur en technische middelen om zich met een redelijke kans op slagen toe te leggen op de snelle ontwikkeling van inzetbare massavernietigingswapens. Zo waren de Al-Qaeda-installaties waar geëxperimenteerd werd met chemische bestanddelen, zeer rudimentair en eerder geschikt voor de aanmaak van kleine hoeveelheden gif met beperkt bereik dan van chemische of biologische massavernietigingswapens.
De Amerikaanse RAND-expert Bruce Hoffman is van oordeel dat steeds een neiging heeft bestaan om de waarschijnlijkheid van zulk catastrofaal terrorisme te overdrijven. Terreurgroepen hebben in het verleden immers getoond liefst beproefde methodes te gebruiken met vertrouwde wapens, eerder dan een onzeker pad in te slaan met onbeproefde wapensystemen. De meeste experts lijken het er vandaag over eens te zijn dat de waarschijnlijkheid van een chemische of een biologische terreuraanslag vandaag veel kleiner is dan een vergelijkbare aanslag met conventionele wapens,4 terwijl de aanmaak van een nucleair wapen momenteel helemaal buiten het bereik van terreurgroepen ligt.
In minder dan 100 van de meer dan 9000 terroristische incidenten opgenomen in de RAND Chronology (1968-heden) waren er aanwijzingen dat de terroristen overwogen gebruik te maken van zulke wapens en in nog veel minder gevallen werden zulke wapens ook daadwerkelijk aangewend – en dit enkel op beperkte schaal. Becijfering leert dat tussen 1977 en 2003 bomaanslagen en explosieven de geprefereerde terroristische methoden waren. De hedendaagse terroristen hanteren dus nog grotendeels dezelfde tactieken en middelen als hun voorgangers sinds de 19de eeuw.5
Deze relativerende bemerkingen mogen echter niet doen concluderen dat de vrees voor het mogelijke gebruik van massavernietigingswapens helemaal ongegrond is. Zulk een risico kan nooit tot nul herleid worden. Het contraterrorismebeleid moet met deze eventualiteit wel degelijk rekening houden, zeker met het oog op een versterkte nationale en internationale controle op de bestanddelen voor zulke wapens. Maar de cijfers helpen wel de dreiging in een iets minder dramatisch perspectief te plaatsen.
  1   2

  • Terreurarme realiteit
  • De ultieme nachtmerrie

  • Dovnload 99.49 Kb.