Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Communicatie management Bedrijfscommunicatie voor de Manager

Dovnload 244.58 Kb.

Samenvatting Communicatie management Bedrijfscommunicatie voor de Manager



Pagina1/7
Datum28.07.2017
Grootte244.58 Kb.

Dovnload 244.58 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


Samenvatting Communicatie management

Bedrijfscommunicatie voor de Manager

Hoofdstuk 2 Basisbegrippen


Basissituatie 2 manieren

  • communiceren met middel

  • Communiceren zonder middel: gesprek tussen 2 mensen

    • Persoon die begint met comm (A)

    • Persoon die reageert op comm (B)

    • Gespreksonderwerp (X)

    • De onderlinge relatie

Dit is de communicatie driehoek: met iemand ergens over praten.
*Verklaringen voor waarom iemand begint met communiceren (A)

  1. Intentioneel handelen: bewust handelen met het oogmerk een bedoeld resultaat te halen.

  2. Zelfreflectie: (Descrates) Ik denk, dus ik ben. Innerlijke reflectie gaat altijd vooraf aan communicatie. Omdat comm intentioneel wordt opgevat hebben communicatie acties altijd het doel om iets aan een situatie te veranderen

  3. Innerlijk gesprek: (Habermans, Archer) dit vindt plaats binnen één persoon. Comm op basis hiervan mislukt vaak omdat de deelnemers van het comm proces het innerlijke gesprek van die ander verkeerd opvatten. Mensen maken inschattingen over het innerlijke gesprek van de ander: “ik denk dat hij zich nu boos maakt”.

  4. Behoeftepiramide (Maslow): 5 soorten behoeften:

    1. Primaire levensbehoefte (eten, drinken, slapen)

    2. Behoefte aan veiligheid en bescherming, kleding en vrede

    3. Behoefte aan een sociale groep waarbij je kan horen, liefde en genegenheid

    4. Behoefte aan ontplooiing

  5. Behoefte om te willen beïnvloeden: (Schutz) vergelijkbaar model als Maslow, hij voegt alleen behoefte om invloed uit te oefenen op anderen toe. Hij erkent dat mensen voor hun eigen ontwikkeling anderen nodig hebben.

  6. Streven naar in balans zijn met jezelf. (Festinger) Mensen streven naar een situatie waarin gedrag in overeenstemming is met wat men weet, voelt en verwacht (kennis, overtuiging, normen en waarden). Hij heeft ook de theorie cognitieve dissonantie bedacht. Ieder mens wil tegenstrijdige elementen vermijden.

  7. Theorie van beredeneerd gedrag (Fizbein en Ajzen). Mensen reageren niet alleen op prikkels en innerlijke factoren maar maken ook een inschatting van reacties die zij van anderen kunnen verachten.


Communicatieverwerkingsmodellen (hoe reageert iemand op communicatie) (B)

  • Elaboration Likelyhood Model (ELM) (Petti en Cacioppo) Hebben onderzocht dat mensen bewust en onbewust informatie verwerken. Bewust: Centrale route. Onbewust: perifere route. Belangrijk voor reclamemakers. Zij maken vaak gebruik van de perifere route.

  • AIDA Formule geven weer welke stadia een consument doorloopt voordat hij een koopbeslissing neemt. Attention (aandacht), Interest (interesse ), Desire (behoefte), Action (actie). 3-12 regel (Boenders) binnen 3 sec. het contact hebben gelegd en eerste “ja”binnen hebben. In de overige 12 sec krijg je de kans de klant verder te overtuigen van je aanbod. Als dat lukt dan volgt eeuwigheid.

Selectiemechanismen: communicatie wordt door een aantal mechanismen verwerkt. Het is fragmentarisch en komt zelden over zoals het door de zender is bedoeld.



Selectieve blootstelling: wel of niet een medium gebruiken (abonnementen, internetten etc.)

Selectieve perceptie: wel of niet kennis nemen van de mediuminhoud (scannen krantenkoppen, zappen)

Selectieve interpretatie: welke betekenis geeft de mediagebruiker aan de inhoud?

Selectieve acceptatie: accepteert of verwerpt de media gebruiker de inhoud

Selectieve retentie: wat onthoudt de mediagebruiker wel of niet?


Het onderwerp van de communicatie (X)

  • Kennis hebben van het onderwerp waarover gesproken wordt

  • Inzicht hebben in de achtergronden van iemands mening, standpunten en argumentaties over het onderwerp.

Hierbij wordt er gebruik gemaakt van het co-orientatiemodel.De gesprekspartners oriënteren zich op elkaar en verplaatsen zich zo goed mogelijk in elkaar (empatisch vermogen).


Communiceren op verschillende niveaus (Oomkes)

Inhoudelijk en betrekkingsniveau

Betrekkingsniveau: de onderlinge relatie van gesprekspartners. Dit wordt beïnvloedt door sympathie, dominantie. Mensen bouwen hiermee aan een onderlinge verstandhouding. Dit komt ook terug in de inrichting van de menselijke ruimten. Mensen tonen daarmee hun status, macht en ruimte. Hierbij speelt non-verbale communicatie een hele grote rol.
Non-verbale communicatie: 70% van alle communicatie bestaat uit non-verbale communicatie. Het heeft 6 functies.


  • Geeft aan of inhoud waar of gemeend is

  • Vult de inhoud aan

  • Benadrukt verbale communicatie

  • Kan het gesproken woord vervangen

  • Regelt het gesprek (gebaren geven tempo en onderbrekingen aan)

  • Kan als terugkoppeling fungeren waarbij reactie wordt gegeven of het verhaal van de ander (ja knikken, nee schudden)

Groepsdynamiek

De communicatie van een individu wordt niet allen beïnvloedt door zijn eigen waarden en normen maar ook door de sociale groepen waar hij deel van uitmaakt. Er is een voortdurende wisselwerking tussen individu, groep(en), (sub)culturen en de samenleving. De manier waarop mensen hun sociale vaardigheden en communicatiegedrag ontwikkelen, wordt in hoge mate bepaald door hun afkomst en de primaire en secundaire groepen waarvan zij deel uitmaken.
Communicatie dmv media of middelen

Comm d.m.v. medium: dit wordt geëxploiteerd door 3-den.

Middelen: hulpmiddel bij communicatie,


  • Interne ruis: Verstoringen die optreden bij de elementen van het communicatieproces. Dit zijn bijvoorbeeld bij

Zender: onverstaanbaar spreken, onderwerp niet beheersen

Boodschap: onduidelijk geformuleerd

Ontvanger: gelooft niet in de boodschap/zender, is onvoldoende gemotiveerd voor ontvangst verwerking en interpretatie van de boodschap.

Medium: krakende telefoonlijn, slechte kopie vertaling



  • Externe ruis: storingen van buitenaf, verkeerslawaai, overvloed aan ongevraagde informatie.

Feedback: reactie van de ontvanger op de communicatieve uiting. Het vergelijkt de bedoeling van de communicatie met de realisatie daarvan.

  • Redundantie: informatie die meer is dan het minimaal vereiste. Redundante informatie is erop gericht de effectiviteit van de communicatie te vergroten.

  • Boodschap: datgene dat iemand wil dat een ander gaat weten, voelen, denken, vinden of doen. De zender wil de ontvanger hiermee beïnvloeden. Volgens Schultz von Thun gebeurt dit a.d.h.v.

  • Semantische strategie: De taal en de informatie die wordt gebruikt om een boodschap onder woorden te brengen moet zo goed aansluiten bij de taal en de betekenis die een ontvanger eraan toekent dat de gevolgen van de communicatie aansluiten bij wat de zender daadwerkelijk beoogde.

Hierbij moet je volgens Schultz von Thun letten op vier zaken



  1. Zakelijk referentieel: wat is de werkelijke kern van elke boodschap of mededeling. Zender moet zijn boodschap afstemmen op kennis en begripsniveau van de ontvanger.

  2. Expressief: zelfonthullende aspecten van de zender die bewust of onbewust iets van zichzelf blootgeeft.

  3. Relationeel: hoe waardeert de zender de relatie met de ontvanger ( kom je bij me op kantoor komt bij de een anders over dan bij de ander)

  4. Appellerend: De zender doet een beroep op de ontvanger om iets te doen of te laten.

ZMBO model: zender, middel, bron en boodschap (vb blz 31 goed kunnen toepassen)

Encoderen de signalen worden door zender omgezet tot de te verzenden boodschap. decoderen; gebeurt bij ontvanger, zet de boodschap om.



Taal

Voor goede communicatie is kennis van taal nodig. Taal bestaat uit tekens, symbolen en codes. De codes zijn de sleutel om die een juiste interpretatie binnen een bepaalde (maatschappelijke) context mogelijk maken. Zijn cultuur gebonden.

Tekens en symbolen: elementaire dragers van informatie. tekens kunnen op basis van de menselijke zintuigen worden ingedeeld

Visueel: gedrukte en geschreven woorden

Auditief: gesproken woord, klanken, klanknabootsingm klankkleur, intonatie

Tactiel (tastzin) voelen, hard-zacht, warm-koud, braille

Olfactorisch:reukzin

Gustatorisch: smaakzin

Codesystemen: zender codeert en ontvanger decodeert in bepaalde betekenis

Informatie: een zender verstuurt data naar de ontvanger. Deze interpreteert de data als informatie en kent hieraan een betekenis toe. Dit kan op 3 niveaus



  • Syntactisch: grammaticale regels en spelling

  • Semantisch betekenis van woorden, begrippen en zinnen binnen een bepaalde context centraal. Dit kan in drie betekenissen.

    • Denotatie, vast omschreven betekenis van een woord. Een koe is een zwart wit dier dat melk geeft

    • Vaste connotatie: bijbetekenis; koe voor een dikke vrouw.

    • Variabele connotatie: een betekenis die 1 persoon aan een woord kan geven. Als iemand van een koe is geschrokken dan is het woord koe synoniem voor eng.

  • Pragmatisch het handelen in de praktijk. Mag ik het zout even. Syntactisch gezien een vraag zin waar semantisch gezien ja of nee op kan worden geantwoord. En het zout moet ook worden aangereikt.


Massacommunicatie grootschalige comm (kranten,tv) verschillende aandachtsgebieden te onderscheiden

  • Theorieën die uitgaan van invloed vanuit het medium (wat doen media met mensen)

  • Inzichten die uitgaan van invloed van de persoon (wat doen mensen met media)

  • De inzichten over de dynamiek op het niveau van media en samenleving.

Van Osch & Van Doorn hebben 10 massacommunicatie theorieën benoemt:




  1. One-step flow theorie (injectienaald, magic bullet, transportband theorie)

massa media oefenen in één stap grote invloed uit op de individuele lezer. De boodschappen worden in de mensen gespoten of geschoten. (tv reclames)

  1. Two- step- flow theorie media invloed loopt via actieve mediagebruikers =opinieleiders (krantenlezers, radio, internet, tv kijkers) De informatie komt eerst binnen bij de opinieleiders waarna deze ze gebruikt om invloed uit te oefenen op mensen die de media niet of nauwelijks gebruiken.

  2. Multi-step-flow theorie. Niet een enkele opinieleider speelt een centrale rol maar de boodschappen gaan via allerlei personen naar andere personen binnen een maatschappelijke context. (Twitter)

  3. Diffusie van innovaties (Rogers). Adoptiecycls van media dat in de marketing wordt gebruikt.

Innovators: trendsetters

Early adopters:

Early majority

Late majority



Laggards

  1. Selectiviteitprocessen (Klapper) heeft onderzocht dat massamedia vrijwel geen invloed hebben door:

  • Selectieve blootstelling dat lezen wat past bij bestaande opvattingen

  • Selectieve perceptie of selectief onthouden: mensen vervormen informatie zodanig dat het gaat passen bij hun eigen referentiekader. Informatie die daar niet bij past wordt sneller vergeten

  • Groepen of groepsnormen: consumptie van informatie die belangrijk is voor de groep waartoe ze horen.

  • Inter-persoonlijke verspreiding van boodschapcontent niet het oorspronkelijke medium heeft het doortellende vermogen, maar de doorvertellende persoon

  • Het commerciële karakter van massamedia: dit speelt een rol bij het selecteren en interpreteren van nieuws. Het gaat niet om het nieuws om de inhoud maar om het doel dat ermee bereikt moet worden (luisteraars etc)

  1. Agendasetting theorie gaat ervan uit dat massamedia grote invloed heeft de mate dat mensen over onderwerpen praten. Als massamedia langere tijd aan een onderwerp aandacht besteedt dan zullen mensen zich er meer bewust van worden en erover praten. Deze theorie toont aan dat de wijze waarop over het onderwerp wordt gesproken onvoorspelbaar is.

  2. User and gratifications (Wright): de actieve mediagebruiker: De mediagebruiker gebruikte de media om in verschillende behoeften te voorzien. Hij heeft de media 4 functies toegekend

  • Nieuws

  • Meningen

  • Kennis

  • Amusement

Dit gaat nog steeds uit van de relatie van de media en het individu. Deze gebruikt de media in een sociale omgeving. Komt in 3 functies tot uitdrukking:

  • Informerend (informatie, educatie, opinie en meningsvorming)

  • Socialiserende functie; behoefte om mee te kunnen praten en eenzaamheid te voorkomen.

  • Amuserende functie; afleiding, ontspanning, gezelligheid, tijdverdrijf

  1. Information Seeking approach: waarom en wanneer zoeken de mensen naar informatie. 3 motieven voor actief mediagebruik

  • Streven naar consistentie. Mensen streven naar passende samenhang en ordening van gedachten, overtuigingen, meningen etc. De behoefte aan informatie ontstaat als dit opgeheven moet worden.

  • Economisch voordeel; hierbij staat de rationele kosten en baten centraal

  • Sociale co-oriëntatie: hierbij wordt gezocht naar sociale bruikbaarheid van informatie

  1. Sense making approach (zingeving) het individu geeft zelf vorm aan haar of zijn bestaan en heeft daarvoor behoefte aan bepaalde informatie

  2. Kenniskloof: mensen met een hogere sociaaleconomische status verwerkt de vele informatie sneller dan lagere sociaaleconomische status.

  3. De zwijgspiraal; gaat ervan uit dat mensen minder in het openbaar voor hun mening durven uit te komen als die anders is dan de gangbare opinie.

Conclusie



  • Een enkele boodschap in een enkele medium zal op een enkele individu enig invloed hebben.

  • Een persoonlijk gesprek beïnvloedt veel meer dan media

  • In sommige opzichten hebben media grote invloed op onze samenleving als geheel

  • Massacomm heeft als voornaamste effect dat ze bestaande meningen en houdingen versterkt.

  • Radicale veranderingen in opinies en houdingen zijn uiterst zeldzaam

  • Massacomm is vrij effectief in het doen ontstaan van opinies over nieuwe gegevens

  • Massacomm heeft vrij belangrijke effecten op mensen die geen mening hebben

  • Massamedia en inhoudelijke media worden beter geraadpleegd door opinieleiders

  • De kans op effecten van massacommunicatie worden minder als filters zoals het gedachtesysteem (kennis, waarden en normen) of externe omstandigheden actief zijn.


Hoofdstuk 3 Middelen en Media
Owned media: organisatie bepaald zelf de inhoud en controleert

Paid media: media dat bij 3-den wordt ingekocht. Org kan hier ook zelf de content bepalen. Hoge kosten

Earned media: free publicity (artikelen door 3den, internet, social media)
Communicatiemiddelen

Mondeling, schriftelijk, audiovisueel, digitaal
Mondeling, zender en ontvanger wisselen van rollen. Kenmerken;

  • tweerichtingsverkeer, dialoog, symmetrisch

  • Persoonlijk contact, afstemming boodschap op en aanpassing ervan aan de doelgroep

  • Minder geschikt voor complexe onderwerpen

  • Achtergrond info geven is mogelijk

  • Bijstelling info direct mogelijk door feedback en terugkoppeling

  • Ruis is gering

  • Steun van non verbale elementen van communicatie

  • Zakelijk, expressief, relationeel, appellerend en emotioneel

  • Relatief eenvoudig om gedrag te beïnvloeden

  • Vertekening van boodschap is relatief gemakkelijk

  • Aan tijd gebonden

  • Traag in relatie tot het bereik van de totale groep

  • Duur en arbeidsintensief per bereikt persoon

  • Geschikt voor met name bottum up en horizontale communicatie

  • Niet na te slaan

  • Selectieve interpretatie door ontvangers

  • Motivatie voor kennisneming moet al aanwezig zijn


Schriftelijke communicatie, kan tussen 2 personen maar ook tussen een organisatie en groepen stakeholders.

  • Criteria aan de hand waarvan schriftelijke middelen kunnen worden ingezet;

verschijningsfrequentie, impact c.q. autoriteit ervan, strekking van de boodschap de belangen ervan voor zender en ontvanger.

  • Gebruik: brieven, e-mails, intern en externe communicatiemateriaal (brochures, flyers, nieuwsbrieven, jaarverslagen), buitenreclame, media, interne mededelingborden en bewegwijzering.

Kenmerken

  • Monoloog, eenrichtingsverkeer

  • Geen persoonlijk contact,

  • Moeizamere afstemming van boodschap aan doelgroep

  • Achtergrond info geven is mogelijk

  • Geschikt voor complexere onderwerpen

  • Geschikt voor tabellen, grafieken en schema's

  • Bevestiging en ondersteuning van mondelinge comm.

  • Bijstelling info en boodschap niet direct mogelijk

  • Beperkte mogelijkheid tot directe feedback

  • Kans op ruis is groter dan bij mondelinge comm

  • Meer creativiteit van degene die de boodschap moet formuleren

  • Steun van opmaak, foto's etc

  • Met name zakelijk en relationeel, minder appelerend en expressief

  • Vertekening van de boodschap is relatief makkelijk

  • Niet aan tijd gebonden

  • Snel (te produceren en te verspreiden)

  • Relatief goedkoop en weinig arbeidsintensief per bereikt persoon

  • Geschikt voor met name top-down comm

  • Te bewaren, na te slaan en te herlezen

  • Selectieve interpretatie door de ontvanger

  • Motivatie voor kennisneming moet al aanwezig zijn


Audiovisuele communicatie, door de combinatie van auditieve, visuele en audiovisuele middelen wordt de boodschap doorgaans beter onthouden

  • Monoloog, eenrichtingsverkeer

  • Geen persoonlijk contact,

  • Moeizamere afstemming van boodschap aan doelgroep

  • Achtergrond info geven is nauwelijks mogelijk

  • Geschikt voor tabellen, grafieken en schema's

  • Maken informatie aanschouwelijker en begrijpelijker

  • Bijstelling info en boodschap niet mogelijk

  • Geen directe feedback

  • Kans op ruis is aanwezig

  • Wekt belangstelling

  • Grote impact door combi beeld/ geluid

  • Inhoud is makkelijker te onthouden

  • Met name emotioneel en appelerend minder zakelijk en relationeel

  • Manipulatie van de boodschap is relatief makkelijk

  • aan tijd gebonden

  • traag (te produceren en te verspreiden)

  • Relatief kostbaar en arbeidsintensief per bereikt persoon

  • Geschikt voor top-down comm

  • Moeilijker na te slaan met uitzondering van vastgelegde en beschikbare films

  • Interpretatie in eigen tempo vaak niet mogelijk wegens lineaire karakter

  • Selectieve interpretatie door de ontvanger

  • Uitstekende demonstratie media


Digitale communicatiemiddelen

Internet: zoekmachine optimalisatie en zoekmachine marketing zijn middelen om de website te optimaliseren om zodoende beter vindbaar te zijn.
Mobiele websites: site dat is geoptimaliseerd voor gebruik op een klein scherm. Hoewel alle smartphones sites kunnen openen heeft een mobiele website toch voordelen. Het gebruikersgemak wordt vergroot doordat er minder gezoomed hoeft te worden. Snelheid kan hoger liggen door minder gebruik te maken van grafische mogelijkheden. In tegenstelling tot een app,kan een mobiele website door alle soorten telefoons worden geopend. Nadeel is dat er nog geen gebruik gemaakt kan worden van de functionaliteiten van de smartphones zoals GPS en camera.
Mogelijkheden op internet

  • Besloten sites voor bepaalde groepen stakeholders (intranet, extranet)

  • Publiceren van weblogs (blogs) of videoweblogs (vlogs) om een boodschap over te brengen.

  • Versturen van nieuwsbrieven

  • RSS-feed (abonnementen op wijzigingen op de website)

  • Het beschikbaar stellen van widgets (handige software programma's)

  • Het digitaal communiceren met stakeholders d.m.v. chatten, msn etc

  • User generates Content: de gebruiker voegt zelf content toe bv op wiki's. Ook in te zetten voor crowdsourcing

  • Het opzetten van communities en forums

  • Wiki's (intern en extern)




  • Mobiele telefonie: door de geavanceerde mogelijkheden en doordat het zich de afgelopen jaren sterk heeft ontwikkeld kunnen organisaties het inzetten om in contact te komen met de doelgroep.

  • APPS:is een modern middel om een relatie op te bouwen met de moderne, mobiele internettende steeds machtiger wordende informatieconsument.

Mobiele telefonie, grenzeloze toegang tot internet en apps dienen dan ook een serieuze plaats te krijgen binnen de totale communicatiemix van elke onderneming of org.




  • Gaming

Games bieden mogelijkheden voor marketing en communicatie. Daarnaast kan het ook een corporate boodschap of een voorlichtende boodschap overbrengen. Naast de ontwikkeling van games kan er ook op allerlei manieren worden geadverteerd in en rondom games (gamevertising, advergaming)

  • Social gaming: inzetten van sociale netwerken ingezet en gebruikt om games met elkaar te spelen.

5 aandachtspunten bij het inzetten van digitale communicatie



  1. Zelf aanwezig zijn in de digitale wereld. (Twitter, mobiele site, apps, sociale media)

  2. Informatie beschikbaar stellen waar consumenten behoefte aan hebben op plekken waar verwacht wordt deze aan te treffen.

  3. Stakeholders opzoeken op internet op relevante social media en andere platforms.

  4. Deelnemen aan discussie die daar worden gevoerd

  5. Zelf platform creëren met voldoende interessante content.


MEDIA

Wordt geëxploiteerd door een 3de partij en bedrijven hebben daar geen (directe) invloed op.


2 manieren om media in te zetten voor stakeholders

  1. betaalde communicatie: advertenties in gedrukte media of sociale media, radio/ tv commercials, sponsorschap omroep prog en bioscoopreclame

  2. Free publicity; onderhouden van perscontacten, interviews,persberichten


Soorten media

GEDRUKTE MEDIA

  1. Kranten

    • Dagbladen: landelijke , regionale, gespecialiseerde (Cobouw, fin dagblad), kopblad (HHW nieuwsblad), gratis dagbladen (metro, spits en dagblad de pers)

    • Nieuwsbladen: verschijnt 6 x per jaar in een kleiner geografisch gebied.

    • Huis aan huisbladen. Verschijnt meestal 1 of 2 x per week binnen een beperkt verzorgingsgebied. Gefinancierd uit advertentiekosten.

  1. Tijdschriften: verschijnt periodiek met een interval van minimaal een week. Het richt zich op een bepaald type inhoud met gevarieerde samenstelling voor een min of meer nauw omschreven doelgroep. (service journalistiek)

  • Publiekstijdschriften: familie tijdschriften, jongerenbladen, vrouwen- mannen bladen, special interestblad

  • Opinie tijdschrift, elsevier, vrij nederland

  • Omroepbladen

  • Vak- en beroepsbladen

Instanties kunnen ook tijdschriften uitgeven. Verenigingen (clubbladen en voorlichtingsbladen) Beroepsorganisaties (vakgerichte bladen), vakbonden en werkgeversorg (ledenbladen) bedrijven (personeelsblad, huisorganen en relatiemagazines.

OMROEP, bestaat uit radio en televisie. Omroep worden gereguleerd door de MEDIAWET
MEDIAWET maakt onderscheid tussen publieke en commerciële omroepen. Voor beiden gelden aparte regels. Verder kunnen omroepen nog worden ingedeeld naar het gebied dat zij met hun uitzending bestrijken in landelijke, regionale en lokale omroepland.


        1. Publieke omroep. 13 in totaal

  • Landelijke zendgemachtigden

  • NOS (ned omroep stichting). Biedt 24 uur per dag onafhankelijke en betrouwbare verslagleggingen op het gebied van nieuws, sport, evenementen via radio, tv, internet, teletekst en sociale netwerken.

  • NTR richt zich op informatie, cultuur en educatie met speciale aandacht voor jeugd en diversiteit.

  • Omroepen zijn omroepverenigingen die leden hebben, een specifieke levensbeschouwing of een doelgroep hebben.

  • Overige zendgemachtigden; educatieve omroepinstellingen, kerkgenootschappen, politieke partijen en geestelijke stromingen

STER (stichting Ether reclame) verzorgt de reclame inkomsten voor de publieke landelijke omroep. Drie inkomsten, rijk, STER inkomsten en de inkomsten van hun leden.


        1. Regionale omroepen: elke provincie heeft een regionale omroep. Alleen Brabant kent op historische gronden twee.. Regionale omroepen worden bekostigd door de provincie.

Stichting Roos behartigd de belangen van de 13 publieke regionale omroepen.

  • Lokale radio. Nederland kent ruim 400 lokale omroepen die radio-en of televisie uitzendingen verzorgen in bijna 90% van de ned gemeenten

  • OLON (org van lokale omroepen in Ned) is de belangenbehartiger van de publieke lokale omroepen.

        1. Digitaal digitale tv kanalen. Journaal 24 en Politiek 24

        2. Commerciële omroep kent ook landelijk, regionale en lokale zenders die televisie en of radio verzorgen. In deze zendtijd is er relatief veel reclame te zien. Dat komt omdat er veel meer mogelijk is dan bij de publieke omroepen.

  • Er mag alleen reclame worden uitgezonden als de omroep is aangesloten bij de St. Reclame Code.

  • De reclameboodschap moet herkenbaar zijn en zich duidelijk onderscheiden van de rest van het programma.

  • De hoeveelheid reclame mag niet meer bedragen dan 20% per uur met een maximum van 15% per dag t.o.v. de overige programma’s.

  • Reclameblok moet ten minste 2 minuten duren, geldt alleen voor tv

  • Een tv programma mag in principe eens per 20 minuten onderbroken worden voor reclames

  • Teleshopping mag max 1 uur per dag worden uitgezonden

  • Bij gesponsorde programma’s moet aan het begin en eind van het programma de naam of het beeldmerk van de sponsor vermeld worden. Nieuws en actualiteiten programma’s mogen niet gesponsord worden. Sluikreclame is verboden.

Digitale media er zijn inmiddels omroepen die uitsluitend op internet uitzenden. (TV Oranje) Nu.nl
SOCIALE MEDIA

Digitale platform waar mensen met elkaar tekst of film met elkaar kunnen communiceren. Van Dijk noemt het een reeks netwerkinternet toepassingen die mensen in staat stellen dingen te delen. Het gemeenschappelijk makende aspect van social media maakt het communicatief. Het wordt gevormd rondom een doelgroep, thema’s, hobby’s, discussie platforms en sites voor kennisoverdracht.


Kenmerken sociale media.

  • Gebruiker creëert de inhoud van het medium door de informatie die hij aanlevert.

  • Informatie is altijd actueel

  • Informatie is decentraal. Het onderscheid tussen zender en ontvanger vervaagt

  • Informatie kan snel en breed worden verspreidt onder de achterban of de doelgroep

  • Informatie kan snel worden gevonden, geraadpleegd, gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd.

  • Snelle reacties door iedereen mogelijk

  • Informatie is persoonsgebonden en subjectief

  • Sociale media zijn niet plaats- of tijdgebonden en overal beschikbaar.

  • Creëren een groepsgevoel

  • Relatief eenvoudig en goedkoop middel om informatie te vergaren en te verspreiden

  • Platforms voor zakelijke activiteiten

  • Kunnen overheden, organisaties, ondernemingen en personen positief of negatief beïnvloeden.

  • Staan hoog in de ranglijsten van zoekmachines


Overige Media

  • Teletekst met het tv signaal wordt extra informatie meegezonden. Is leesbaar te maken door decoder en extra afstandsbediening.

  • Kabelkrant kabelexploitant. Elektronisch programma dat in de vorm van diaprojectie reclame en nieuwsboodschappen door de tv via de kabel verzendt. Interessant medium voor lokale organisaties

  • Bioscoop trekt veel bezoekers die een betrokken publiek heeft die komt voor een belevenis. Door de reclameboodschap af te stemmen op de aarde van de film is een optimale afstemming op de doelgroep te realiseren. Omdat er geen afleiding is krijgt de reclame de volle aandacht. Reclameherinnering van bioscoop reclame blijkt tot 8x hoger te zijn dan tv. In combinatie met interactie via social media biedt de bioscoop een groot en effectief bereik van een specifieke doelgroep.


Hfstd 4 Reputatiemanagement

Strategische communicatiemanagement begint met reputatiemanagement waarvoor het identiteit (wat vindt de organisatie dat zij zelf is) en imagomodel (welk beeld heeft de buitenwereld van de org.) de basis vormt.


Van Riel Identiteits en imagomodel. Is gebaseerd op de visie dat reputatiemng voor het belangrijkste deel bestaat uit het opbouwen van een identiteit van een organisatie die invloed heeft op het daaruit voortvloeiende imago van de organisatie. Het imago is de innerlijke representatie van de organisatie in het geheugen van mensen. Communicatie volgens Van Riel : de verspreiding van informatie naar in-externe doelgroepen door een variëteit aan specialisten (org comm en markt. Comm) en generalisten (mng comm) in een org. Met als doel condities te schappen waardoor de organisatie in staat is de bedrijfscontinuïteit te behouden. (license to operate)
Gemeenschappelijke vertrekpunten (GVP) Is de basis van Corporate Identity Een strategie om identiteit te ontwikkelen begint hiermee. De GVP’s gelden voor alle communicatie van de organisatie. Iedereen communiceert vanuit deze GVP.

Kenmerken GVP’s



  • Vloeien voort uit de visie en missie (kernwaarden) en strategische doelstellingen (= kerndoelen)

  • Concreet gemaakt in eenvoudige formulering

GVP’s fungeren als centrale waarden van de communicatie. Het doorvertalen naar alle afdelingen vindt plaats in 3 stappen.

  1. Strategie vertalen in GVP’s

  2. Concretiseren van de GVP”s door aan te geven wat de organisatie aan de belangrijkste stakeholder wil beloven, hoe men dit wil bewijzen, en in welke toonzetting met dit wil communiceren ( BBT)

  3. Per organisatieonderdeel concretiseren voor de verschillende doelgroepen door aan te geven wat men wil dat deze doelgroepen weten (kennis), voelen (houding) en doen (gedrag). Het zogenaamde KHG-deel van de implementatie van de GVP’s.


Reputatie

  • Vergroot de motivatie bij medewerkers, het versterkt het “wij”gevoel

  • Vergroot de identificatie met de eigen org

  • Werkt vertrouwen bij de diverse externe doelgroepen van een org

  • Draagt bij aan de geloofwaardigheid; gedrag, communicatie en symboolgebruik dienen daarom helder, eenduidige en niet tegenstrijdig te zijn.

  • Vormt de basis voor een sterk, positief corporate image.

  • Vormt de basisvoorwaarde voor het aangaan van commerciële relaties

  • Is van groot strategisch belang voor elke org

  • Is een stimulans voor een zo positief mogelijke afzet van prod en dnst

  • Is een voorwaarde voor continuïteit en succes

  • Is de manier om in de evoked-set (top of mind) van de doelgroepen te komen

  • Geeft vertrouwen bij in-externe publieksgroepen

  • Vergroot de in-externe betrokkenheid van deze groepen

  • Geeft gezag

  • Creëert een emotionele meerwaarde (toegevoegde waarde) ten opzichte van de concurrent.

  • Maakt een org onderscheidend

  • Biedt kansen om blijvend succesvol met belanghebbenden te communiceren

  • Creëert meerwaarde t.o.v. concurrent

  • Vergemakkelijkt het informatieverwerkingsproces (scanning/ funneling bij consument/ afnemer

  • Vergemakkelijkt het zoek- en aankoopproces

  • Is doelmatig hulpmiddel bij de werving van medewerkers


Fundamenten reputatie: waaruit bestaat een beeld dat de buitenstaanders van de organisatie hebben. Fombrun en Van Riel onderscheiden 5 fundamenten

  1. Zichtbaarheid Reputaties zijn gebouwd op bekendheid bij het publiek. Hoe meer deze vertrouwd is met de org hoe groter het vertrouwen zal zijn. Factoren die de zichtbaarheid bepalen

  • Internationale zichtbaarheid in ranglijsten van internationale media (top10 100 lijsten)

  • Nationale zichtbaarheid. Bekend in eigen land

  • Negatieve zichtbaarheid, kritische berichten in de pers

  1. Onderscheidend vermogen. Org met goede reputaties onderscheiden zich t.o.v. concurrent. Het verhaal dat een org over zichzelf verteld dient over een langere periode herkenbaar te zijn (slogans). De communicatie uitingen zijn relevant, realistisch, gemakkelijk te herinneren en passen bij het karakter van het bedrijf.

  2. Authenticiteit. Geloofwaardigheid van het bedrijf. Begint bij het vaststellen van de bedrijfsidentiteit, wat is het bedrijf en waar staat het voor. 2de stap is dat de bedrijfsidentiteit breed gedragen moet worden door iedereen die ermee te maken heeft. 3de stap is het communiceren van de identiteit. Hier zijn de belangrijkste stakeholders ook de belangrijkste doelgroepen. De laatste stap is het trouw blijven aan de kerndoelstellingen en waarden en deze niet verwaarlozen.

  3. Transparantie: de informatie die door het bedrijf wordt verstrekt moet beknopt zijn waardoor deze voor de ontvanger overzichtelijk en zinvol is. Deze moet ook relevant en betrouwbaar zijn en op tijd worden gegeven.

  4. Consistentie. De verschillende vormen van communicatie moeten een consistente lijn, vorm en inhoud hebben


Meten reputatie

De reputatiequotiënt van Fobrum en Van Riel benoemen hierin 6 dimensies en 20 kenmerken die bijdragen aan een goede reputatie



  1. Producten en diensten; kenmerken: hoge kwaliteit, innovatief, goede prijs-kwaliteit verhouding, staat achter prod/dienst

  2. Arbeidsomgeving: kenmerken; prettige arbeidsomstandigheden, goede werknemers, goed beloningen.

  3. Financiële resultaten; kenmerken continue winstgevendheid, veilige investeringen, groei potentieel, sterke concurrentie positie.

  4. Visie en leiderschap. Kenmerken; goede marktkansen, uitstekende leiderschap, heldere toekomstvisie

  5. Maatschappelijke verantwoordelijkheid. Kenmerken; steun aan goede doelen, milieuvriendelijkheid, verantwoordelijkheid ten opzichte van de gemeenschap.

  6. Emotionele aantrekkingskracht, kenmerken sympathie, bewondering en respect, betrouwbaarheid.

Is heden verder uitgewerkt in de RepTrak
Accenten binnen reputatiemanagement

  • Een stevige integrale inbedding in organisatie strategie en bedrijfskundige inzichten

  • Handhaving van een zekere flexibiliteit van corporate communicatiestrategieën.

  • Het besef van helder geformuleerde GVP's als richtlijn die door iedereen moeten worden omschreven en onderschreven

  • De effectiviteit van alle communicatieve handelen die getoetst moeten worden.

  • Een integrale en consistente aansturing en controle op alle vormen van prof. org. comm.

  • Een duidelijke en in alle opzichten onderscheidende positionering van de organisatie.

  • Een wezenlijke bijdrage aan de reputatie van de org.


Naamsbekendheidonderzoek; in kaart gebracht a.d.h.v. spontane en geholpen bekendheid.

  • Spontaan: namen worden top of mind genoemd waarbij het niveau van bekendheid eveneens in kaart is te brengen. (TOMA top of mind awareness)

  • Geholpen: een lijst met namen wordt voorgelegd met de vraag of men de namen kent.


Verschillende identiteiten: hoe groter de org hoe groter de verschillen in perceptie van de org. Er ontstaan deelidentiteiten. Van Riel onderscheidt

  • multiple identities (voldoende verwantschap waardoor de corporate identity overeind blijft) en

  • hybrid identities (kloven tussen de identiteiten er is sprake van echt verschillende misschien wel tegenstrijdige percepties)


(Van Riel) 4 verschillende visies op identiteiten

  1. Gewenste identiteit: bevat de kenmerken die een org wil uitstralen

  2. Geprojecteerde identiteit: wat een org daadwerkelijk uitstraalt

  3. Gepercipieerde identiteit: percepties van de eigen medewerkers

  4. Toegepaste identiteit: feitelijke gedragingen van de individuele leden van de organisatie


Identiteitstructuren: hoe organiseert de org zichzelf dat bij stakeholders een imago gaat ontstaan dat door de org gewenst wordt. Dit kan op 2 manieren

  • Het visueel uitwerken van de identiteiten in identiteitsstructuren (model van Olins)

  • Vertellen van de corporate story.

Het vormgeven van de identiteit levert de minste problemen op als de producten/ onderdelen dezelfde naam draagt als de producent. Bij producten of onderdelen die een andere naam dragen moet de vraag gesteld worden in hoeverre de producent van het product zich bekend wil maken.


Model van Olins onderscheidt drie hoofdstructuren aan de hand waarvan de identiteit bepaald kan worden

  • Monolitisch: alle onderdelen en divisies dragen dezelfde naam en hanteren dezelfde stijl. Vergroot de algehele bekendheid van de org men kan meeliften op positieve imago's. (BV Philips)

  • Endorsed. Naam van moederbedrijf blijft zichtbaar terwijl de divisies of onderdelen hun eigen namen, huisstijl voeren. Ze liften wel mee op het imago van het moeder bedrijf.

  • Branded: Moeder bedrijf blijft volledig op achtergrond (YACHT, TT)

Parent visibility: in welke mate is de naam van het moederbedrijf zichtbaar bij haar dochters.

Minimale Parent visibility: Golf. Men zegt altijd ik rijd in een golf en niet in een 1.

Maximale Parent visibility: Aviko. Heeft vele verschillende soorten aard, maar alles is Aviko.


Corporate storytelling
Sustainable corporate storytelling (SCS) (Van Riel) Een duurzame mission statement. SCS dient als inspiratiebron en als input voor briefings, speeches. Het is een instrument om meer begrip te creëren tussen org en stakeholder. Het mag groeien, veranderen, interpretatie verschillen hebben als het maar als een soort lijm alle gelederen binnen en buiten de organisatie aan elkaar bindt. Het bevat de kernwaarden (beliefs) maar omschrijft deze niet letterlijk.

Scs voorwaarden:



  • In de ogen van de stakeholders relevant zijn

  • Moet realistisch zijn voor alle stakeholders

  • In dialoog met stakeholders zijn opgesteld

  • Duurzaam zijn (rekening houden met de soms tegengestelde belangen van alle stakeholders)

Onderdelen Scs



  • laten zien wie je was (verleden)

  • laten zien wie je bent (heden)

  • laten zien wat je als org wilt (toekomst)


CORPORATE IDENTITY MIX (CI) (BIRGIT en Stadler) Zij gaan ervan uit dat de identiteit wordt opgebouwd door componenten die rondom een centrale maar niet waarneembare kern, de CI, functioneren.

  • Gedrag: org worden door het publiek beoordeeld op hun sociaal (in-en extern) en commercieel (extern) handelen. Dit is het meest in het oog springende element en daardoor de meest belangrijke.(imago opgebouwd van snelle reactie, maar dit niet daadwerkelijk doen)

  • Communicatie: totale verbale/ visuele boodschappen van een org waarbij zowel concrete als abstracte begrippen op flexibele wijze ten opzichte van elkaar kunnen worden overgebracht (geadverteerde korting ook daadwerkelijke geven)

  • Symboliek of huisstijl: symbolen vergroten de attentiewaarden van allerlei uiteenlopende boodschappen die organisaties willen overbrengen en geven org autoriteitswaarde. Om identiteit eenvoudig, herkenbaar en onderscheidend te kunnen weergeven maken we gebruik van woordmerk, beeldmerk en logo.

  • Woordmerk: grafisch ontwerp van de naam. Moet onder andere voldoen aan de vragen:

Is het helder, duidelijk, populair, klinkt het actief, eenvoudig te herkennen, familienaam of verzonnen, roept het verwantschap op met andere organisaties, is het makkelijk in andere talen te vertalen.

  • Beeldmerk: visueel, symbolisch herkenningsteken, beantwoorden van heeft de organisatie al een merkbeeld, zo ja is dit een woord- of een beeldmerk, heeft dit merk een traditie, ligt de voorkeur bij een combi of niet, is het voeren van een beeld noodzakelijk, biedt het een grotere herkenbaarheid.

Huisstijl

Functies; herkenbaarheid, bekendheid, vorming van beeld/ imago, draagt bij aan het zelfbewust zijn van de org., bevordert samenhang.
Voordelen; bevordert het wij gevoel (identiteitsvestiging) bij medewerkers, vergroot herkenbaarheid en uniformiteit van org, verduidelijkt het gewenste imago, verkoopbevordering, basis voor documentatiesysteem.
Ontwikkeling, implementatie en bewaking: huisstijl verandering zal vaak door specialistisch bureau uitgevoerd worden in nauw overleg met directie. Aanleiding van verandering kunnen zijn:

Reorganisatie, verandering van missie visie strategie, verzelfstandiging of privatisering, uitbreiding activiteiten,belangrijke jaartallen of grote evenementen (inhaken)


Huisstijldragers;

  • gebouwen, Producten

  • bedrijfskleding Drukwerk

  • Digitale uitingen Wagenpark

  • Gebruiksvoorwerpen Reclame en promotiemateriaal

Hoofdstuk 5 Relatiemanagement/PR wordt in de beroepspraktijk public relations (PR) genoemd. De org. onderhoudt relaties met stakeholders. Dit zijn belanghebbenden van de organisatie. Zorgt voor een beter functioneren van de organisatie in een omgeving met stakeholders (license to operate of legitimeringsfunctie = acceptatie door de samenleving)
Grunig; zegt als een org. de relatie met al haar stakeholders optimaal vorm geeft is het bezig met excellent communicatiemanagement. Hij onderscheidt 3 concepten voor het functioneren van organisaties.

  • Volledig zelfstandige org; handelt vanuit gesloten systeemdenken (intern gericht). Kiest voor asymmetrische communicatie. Hiermee wordt de autonomie van de org veilig gesteld. Heden achterhaald.

  • Org hebben wederzijdse afhankelijkheid; zijn voor succes afhankelijk van “boundaryspanners”, zoals de communicatie afdeling. Stakeholders worden benoemd en top wordt sneller politiek beïnvloedt, directie functioneert rationeel en economisch. Er kan gebrek aan vertrouwen ontstaan omdat de macht alleen bij de directie ligt en niet verspreidt is door de org.

  • Org onderhouden goede relaties; goede relaties zijn effectiever omdat ze een grotere vrijheid van handelen opleveren. Grunig zegt onderhouden van goede relaties kost autonomie, maar maximaliseert deze ook.


Strategisch samenwerkingsperspectief; volgens Grunig moet een org een prioriteitenlijst maken van kritische stakeholders. Door het aangaan van de dialoog met deze groep wordt de verschillen in perceptie duidelijk. Dit bevordert de duidelijkheid in communicatie, voorkomt misverstanden, vergroot het vertrouwen, geloofwaardigheid etc.
Stakeholdersmanagement; het in kaart brengen van de stakeholders, welke is in welke fase een primaire of een secundaire. Dit wisselt per situatie of gebeurtenis. Een stakeholder ontstaat door de bedrijfsactiviteiten. Bij nieuwe activiteiten komen er nieuwe stakeholders. Dit zijn dus alle huidige en toekomstige doelgroepen, publieksgroepen en personen. Klanten aandeelhouders, studenten, media, kapitaalverschaffers, toeleveranciers, medewerkers, familie, vakbonden, consumenten org, brancheverenigingen, overheid, eigenaren, media etc
Stakeholderbenadering; dit zijn stakeholdersgroepen die zich opwerpen als behartiger van de belangen van dieren en dingen zonder stem
Relaties; Grunig maakt onderscheidt tussen goede en slechte relaties. Goede beperken de vrijheid van de org minder dan slechte. Als een organisatie zichzelf ziet als een centrum van hoeveelheid relaties dan krijgt het een andere kijk op de samenleving.
Strategisch relatiemanagement: Grunig gericht op lange termijn, georiënteerd op externe omgeving en gericht op aanpassen van gedrag van eigen org en van de meest relevante stakeholders. De communicatieafdeling heeft hierin een boundaryspannersfunctie (contactfunctie).
Soorten stakeholders

  • Enabling; verlenen vergunningen, maken het de org mogelijk om aan bepaalde voorwaarden te voldoen (aandeelhouders, politici, ambtenaren) Biedt de org de mogelijkheid te bestaan.

  • Normative; ziet toe op de kwaliteit van de org. Controle of de org voldoet aan de eisen die de samenleving stelt (inspecties, media, vakbonden, politieke groepen en gezaghebbende instituten).

  • Input-output; toeleveranciers die het de org mogelijk maken dat een onderneming haar producten kan produceren en verkopen. Input: toeleveranciers, personeel, vakbonden. Output: consumenten, B2B klanten, gebruikers.

  • Diffused; overige, actie- belangengroepen, studenten, kiezers, minderheden, vrouwen en anderen.

Linkage model


Stakeholderscontinuüm
Ferguson hanteert een schaal die dat naarmate de betrokkenheid van de stakeholder groter wordt, hun invloed toeneemt en de beheersing over de besluitvorming door het management afneemt. Zij onderscheidt 4 fasen in het stakeholdersmanagement

  1. Fase 1; het management neemt zelfstandig beslissingen en handelt naar eigen inzicht. Stakeholders zijn bv gepensioneerden en concurrenten

  2. Fase 2; management vraagt informatie aan stakeholders maar neemt zelf beslissingen naar eigen inzicht. Stakeholders ; adviseurs, deskundigen, medewerkers, toezichthouders.

  3. Fase 3; management raadpleegt stakeholders en handelt vanuit een gezamenlijk genomen beslissing. Stakeholders zijn bv partners, vakbonden, belangrijke klanten, inspecties

  4. Fase 4; management zoekt informatie over te ondernemen acties van stakeholders en handelt vervolgens naar eigen inzicht. Stakeholders aandeelhouders, financiers en eigenaren.


Keuzes in stakeholdersmng; er moeten keuzes worden gemaakt t.a.v. de vorm van de communicatie en de doelstelling. Interactief of lineair:

  • Interactief; de org moet in de praktijk laten zien dat de zender en ontvanger gelijkwaardige partners zijn in een gezamenlijk dialoog, waarbij beiden inbreng kunnen en mogen hebben. Bij beleidsbeslissingen wordt vooraf overleg gevoerd om zodoende te kwaliteit van het besluit te verhogen.

  • Lineair: eenrichtingsverkeer, eenzijdige doelen, de org wenst bij de ontvanger een verandering in kennis houding of gedrag. Dit zie je bijvoorbeeld in de reclame en marketingcommunicatie.


Keuze van de doelstelling van de communicatie; symmetrisch of asymmetrisch;

  • Symmetrisch; een zo gelijkwaardig mogelijke overlegsituatie. Communicatie is gericht op dialoog. Doel realistisch wederzijds begrip opbrengen, evenwicht tussen zender en ontvanger. Er wordt onderhandeld over een win-win situatie met de communicatiemng als intermediair. Vertrouwen, wederkerigheid, geloofwaardigheid, wederzijdse erkenning, openheid, wederzijds begrip.

  • Asymmetrisch; eenzijdig doel, communicatie heeft het doel inzicht te verkrijgen in hoe het doel gerealiseerd kan worden.


Communicatiekruispunt (Van Ruler) laat de org kiezen uit 4 strategieën afhankelijk van de wens en de situatie.

Van Door en Van Osch leggen het uit als:

  1. Wil de org iets bekendmaken of invloed uitoefenen

  2. Wil de org eenzijdig of tweezijdig communiceren

Het doel is:

Informatie bekendmaken

Doelgroep beïnvloeden

Alleen zenden

Informering

Overreding

Zenden en ontvangen

Dialogisering

Formering
  1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 244.58 Kb.