Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Economic aspects of European Integration Hoofdstuk 3: Hoe gebeurt besluitvorming in de Europese unie?

Dovnload 123.24 Kb.

Samenvatting Economic aspects of European Integration Hoofdstuk 3: Hoe gebeurt besluitvorming in de Europese unie?



Pagina1/4
Datum31.07.2017
Grootte123.24 Kb.

Dovnload 123.24 Kb.
  1   2   3   4

Samenvatting Economic aspects of European Integration

Hoofdstuk 3: Hoe gebeurt besluitvorming in de Europese unie?

Landen hebben 3 niveaus van overheden: locaal, regionaal, en nationaal.


Voor landen van de Europese Unie komt hier dan nog een 4e niveau bij: Het niveau van de EU.

Men maakt een onderscheid tussen:



  • Community competences: Exclusief beslissingsrecht van de EU.

  • Shared competences: beslissingsrecht wordt gedeeld door de lidstaat en de EU.

  • National competences: beslissingsrecht is volledig in handen van de lidstaat zelf.

Artikel 5 van het verdrag van Rome:

  1. De Europese gemeenschap zal enkel handelingen stellen die binnen haar bevoegdheid liggen.

  2. Dingen die niet onder hun bevoegdheid liggen, blijven ze van af. Tenzij dat het land in kwestie problemen heeft met de uitvoering of wanneer de EU de handeling beter kan stellen. Dit noemt men het principe van subsidiariteit: Beslissingen moeten zo kort mogelijk bij de mensen worden genomen, de EU moet enkel tussen komen wanneer het de dingen effectiever kan uitvoeren dan acties op nationaal, locaal of regionaal niveau.

  3. De EU mag niet meer doen dan wat noodzakelijk is om hun doel te bereiken. =Proportionaliteit (wat minimaal noodzakelijk is)

De 3 pilaren van de EU:

De EU heeft een 3 pilaren structuur:



  1. = De Europese community: hier worden acties genomen op vlak van: de single market, het vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en kapitaal. Ook landbouw, handelsbeleid, competitie en monetair beleid vallen hier onder.

  2. Buitenlands beleid: Common Foreign and Security Policy.

  3. Justice and Home Affairs: Politie en criminaliteit

Alles onder de eerste pillar valt onder community competences. Landen dragen hier hun nationale soevereiniteit over aan de EU. Men moet alle beslissingen die de EU neemt volgen, ook al had men tegen het voorstel gestemd.

Op vlak van de 2 overige pilaren blijft de nationale soevereiniteit behouden. Indien men het niet eens is met een maatregel van de EU, voert men de aanpassing in dat land gewoon niet door.



Fiscaal federalisme en task allocation tussen overheidsniveaus:

Hier gaan we gewoon nadenken of of task allocation in een land wel zo evident is.

De optimale allocatie van taken is afhankelijk van trade-offs:


  1. Diversiviteit en locale informatievoordelen. (vb. van snelheidsbeperking)

Wanneer mensen verschillende voorkeuren hebben kan een centraal beleid inefficiënties creëren. Een centraal beleid zal typisch gezien een compromis zijn. Iets waar niemand 100% tevreden over is. Locale overheden verkrijgen het makkelijkst informatie over locale wensen en zijn het best geschikt om rekening te houden met de voorkeuren van de mensen en hun acties hier aan aan te passen.  beslissingsmacht op locaal niveau.

  1. Schaaleconomieën.

Door op grotere schaal te produceren kan je de gemiddelde kosten doen dalen, wat je welvaart ten goede komt. Stel bijvoorbeeld dat elke bus in parijs van een ander bedrijf was…=Niet echt praktisch.  beslissingsmacht gecentraliseerd.

  1. Spillovers (=side-effect, externaliteit)

Dit beslaat publieke goederen of diensten.

Positieve spillover: Het leger. Het Belgisch leger beschermt het hele land. Iedereen heeft er baat bij. Indien belastingen voor de financiering van het leger regionaal zouden worden geïnd dan zouden mensen het belang van het leger voor het land onderschatten. Dit is een positieve spillover aangezien een toename in uitgave in een regio aan ene publiek goed, heeft ook voordelen voor de rest van het land. Beslissingsmacht centraal op nationaal niveau.

Negatieve spillover: BTW. Indien btw op regionaal niveau kon worden gezet, dan zou elke regio zijn btw zo laag mogelijk zetten om klanten te lokken. Dit leidt tot een ‘race to the bottom’ tussen de verschillende regio’s. Uiteindelijk zijn de btw-levels lager dan de regio’s zouden willen zonder dat er klanten bijkomen. Cross-border shopping is in europa niet echt een probleem, waardoor het harmoniseren van de btw door Europa niet noodzakelijk is. Ze geeft echter wel richtlijnen aan waartussen uw btw-level mag fluctueren.  beslissingsmacht centraal op nationaal niveau.


  1. Democratie als controle mechanisme.

Eenmaal verkozen, kunnen de belangen van de politici verschillen van de belangen van de kiezers. Dit agency probleem kan worden tegengegaan door de democratie. Politici worden nu eenmaal niet voor altijd verkozen. Indien ze niet doen wat ze beloofden te doen, zullen ze niet herverkozen worden in de volgende verkiezingen. Indien er enkel nationale verkiezingen zouden zijn, elke 4 jaar, moet hun ‘promise package’ een hele reeks dingen omvatten. Dit geeft hen de ruimte om er ook dingen in te steken die niet ‘in the best interest’ zijn van de kiezers. Hun promise package moet gewoon goed genoeg zijn om verkozen te worden. Als het beleid in handen is van locaal verkozen mensen, dan heeft de mens die stemt meer controle over wat de politiekers nu gaan doen, hun ‘promise package’ zal zeer specifiek zijn. Dit verhindert de agency theorie. beslissingen best op regionaal niveau (subsidiariteit).

  1. Jurisdieke competitie.

Kiezers kunnen hun overheid op 2 manieren beïnvloeden.

  • Voice: Dit is wat we hierboven net hebben besproken. De mogelijkheid om politici te controleren door hun mening te uiten. Dit gebeurt via het stemhokje.

  • Exit: Mogelijkheid om druk uit te oefenen op het lokale bestuur door te verhuizen naar een andere regio indien het beleid je niet aanstaat. Op nationaal niveau is deze strategie niet echt handig, hier verkiest men dan ‘Voice’.

  • Voorstander van decentralisatie.

Samenvatting: subsidiariteit is het beste: Wanneer je twijfelt, wijs de taak toe aan het laagst mogelijke overheidsorgaan aangezien beslissingen op hoger niveau minder onderworpen zijn aan democratische controle: via voice of exit.

De eerste pilaar is vrij gecentraliseerd, dit is omdat hier belangrijke spillovers zijn, er niet al te veel nationale voorkeuren zijn voor een specifiek beleid en er schaalvoordelen mogelijk zijn.


Tweede pilaar: ook schaalvoordelen mogelijk, maar er zijn verschillen in nationale voorkeuzen. (vb. troepen naar oorlogsgebieden sturen: UK <-> Zweden)
Derde pilaar ligt ergens tussen de eerste 2 in.

Effectieve besluitvorming in de EU

Enkel de Europese commissie kan nieuwe wetsvoorstellen indienen. Deze worden dan goedgekeurd door de Europese ministerraad en het Europees Parlement.


De goedkeuring door de Europese ministerraad gebeurt via ‘qualified majority voting’ (QMV). Die in het Europees Parlement via gewone 50% meerderheid.

Onder QMV hebben de verschillende landen van de EU een verschillend aantal stemmen. Deze hangen af van het bevolkingsaantal in een land. In de Europese ministerraad moet een wetsvoorstel 74% van de stemmen halen, goedgekeurd worden door minstens 50% van de landen met een gezamelijke bevolking die minstens 62% van de EU vormt om aanvaard te worden.

Efficiëntie in besluitvorming binnen de EU betekent = ability to act.

Slaagkansen van een wetsvoorstel worden beïnvloed door:



  • Het aantal stemmen per land, indien dit oneven is: moeilijker

  • Hoe hoger de meerderheidsgrens is hoe moeilijker.

De uitbreiding van de EU in beginjaren 2000 verminderde de efficiëntie in de besluitvorming.
Zonder aanpassingen aan het verdrag van Nice zouden we dikke problemen hebben. daarom kwam er het Verdrag van Lissabon, met de dubbele besluitvormingsregel: 55% van de lidstaten + 65% van de totale bevolking in de EU. (double majority rule)  verhoogde efficiëntie in de besluitvorming.

De machtsdistributie tussen de verschillende lidstaten

We definiëren macht als de invloed dat een land kan uitoefenen om een winnende coalitie te vormen/breken in de Europese ministerraad. Niemand heeft absolute macht, dus we leggen ons toe op de kans dat ze de beslissing kunnen beïnvloeden.

Hervormingen in het Europees parlement beïnvloeden de nationale macht van een land niet. Elk land in de Europese ministerraad kreeg een vast aantal stemmen, gelinkt aan hun bevolkingsaantal. Doch dat het aantal zetels van een land in het Europees Parlement niet vooraf bepaald is, is het vrij goed gelinkt aan het stemrecht van een land in de ministerraad. Dit betekent dat wanneer een voorstel wordt goedgekeurd in de ministerraad, ze ook zal worden goedgekeurd in het Europees parlement aangezien in de ministerraad 74% vereist zijn en in het parlement slechts 50. Indien vertegenwoordigers van een land (in de ministerraad en in het Parlement) aan het zelfde touw trekken, wat we veronderstellen, hebben de stemmen in het Europees parlement geen invloed op de beslissing.

Empirisch bewijs van macht van een land kunnen we halen uit het deel van het budget dat het krijgt toegewezen door de EU.

Backscratching: De Europese ministerraad beslist vele dingen over een jaar. Vaak kan een onderwerp het een land in kwestie niet veel schelen. Hier gaan ze dan onderhandelen met landen die hier wel mee begaan zijn. “I’ll help you in this matter if you help me in another matter later on.”

Een andere manier om de macht van een land te meten is aan de hand van de ‘cadeautjes/gifts’ dat het krijgt van lidstaten. Wanneer een land namelijk een cruciale rol speelt in een beslissing, kan het zijn dat ze cadeautjes krijgen van andere landen om hun een duwtje in de rug te geven. In de data zullen deze giften worden aangegeven als ‘EU-spending’.



Power to break a winning coalition: The normalized Banzhaf Index.

NBI meet hoe waarschijnlijk het is dat een land zich in een situatie zal bevinden waarin het een winnende coalitie zal breken op een willekeurig gekozen onderwerp. Het vertelt dus hoe machtig een land in het algemeen is.

Als in 20 situaties, land A 13 keer cruciaal is in de beslissing om het project door te voeren en land B is 7 keer cruciaal, dan is A machtiger als B.

Verdrag van Lissabon

het verdrag van Lissabon heeft de manier van besluitvorming aangepast in de Eurpese ministerraad (zie boven). Maar het heeft meer gedaan dan dat. Overigens heeft het de kleine landen zoals Luxemburg en Litouwen enzo wat meer macht. Ook Duitsland wordt machtiger. Het machiger worden van deze landen betekent dat andere landen wat macht verliezen. Spanje en Polen zijn de grote verliezers. (Luxemburg had tussen 1958 en 1973 slechts 1 stem in de EEC6. Dit hield in dat de stem van Luxemburg nooit doorslaggevend kon zijn. Ze zaten er voor spek en bonen bij)



Legitimiteit in EU-besluitvorming

Om iedere burger in de EU een even grote macht te geven, is het aangeraden om het aantal leden in de Europese ministerraad (Council) proportioneel te verdelen volgende de vierkantswortel van het aantal inwoners per land.



Hoofdstuk 4.: Essential microeconomic tools

Dit hoofdstuk geeft gewoon economische begrippen en technieken weer die we verder in de cursus gaan nodig hebben.

Onderstellingen:


  • Perfecte competiviteit: Bedrijven denken dat ze individueel geen invloed kunnen uitoefenen op de prijs.

  • We laten schaaleconomieën buiten beschouwing.

Marginaal nut = de ‘blijheid’, gemeten in euro. Marginaal nut kan je afleiden van de vraag-curve. Consumenten blijven kopen totdat het marginaal nut = de prijs.

Marginale kost = de kost van het maken van 1 extra eenheid, gemeten in euro. Marginale kost kan worden afgeleid uit de aanbodcurve. Producenten blijven produceren tot de prijs zakt onder de marginale kost.

Consumentensurplus = voordeel voor de consument.
Producentensurplus = voordeel voor de producent.

Open economie: Vraag- en aanbodanalyse

Home supply = Wat men zelf kan produceren

Home demand = De vraag naar goederen in een land

De vraag naar geïmporteerde goederen word weergegeven door de MDH-curve.


Deze geeft het verschil weer tussen Home demand en Home supply. Het geeft het marginaal nut van import voor het thuisland weer. Dit is logisch aangezien een extra eenheid import, zal leiden tot een hogere consumptie en lagere productie in het thuisland, wat leidt tot een hoger nut en lager cost. Een land blijft importeren tot het marginale nut van importeren = de marginale kost ervan.

Stel, als import is toegestaan en de prijs in het buitenland lager is dan die in het binnenland, dan zal de prijs in het thuisland dalen (we veronderstellen geen tarieven). Dit komt omdat de consument rationeel is en door gewoon goederen te importeren, geld kan besparen.


Hoe lager de prijs in het buitenland; hoe meer er zal worden geïmporteerd.

De Foreign export curve wordt gevormt door het verschil tussen Foreign supply en Foreign demand en wordt weergegeven door de MSH-curve =import supply curve.

De free-trade prijs voor geïmporteerde goederen wordt gevormd door het snijpunt van curve van de vraag naar geïmporteerde goederen en de Foreign export curve.
= het MD-MS diagram.

Most favoured nation (MFN) Tariff analysis

Een handelsbarrière = een trade barrier

Een tarief dat niet discrimineert tussen de verschillende landen is een MFN-tarief.

Het invoeren van een tarief heeft geen enkel effect op de MD-curve aangezien de MD-curve weergeeft hoeveel men wel importeren, gegeven een bepaalde prijs in het binnenland.


Het invoeren van een tarief verhoogt echter wel de MS-curve (met T). Door het invoeren van een tarief zal de winst die de buitenlandse onderneming maakt bij een gegeven prijs lager zijn. Dit verstoort competitie tussen markten.

Een tarief doet de prijs in het thuisland toenemen en verlaagt de hoeveelheid geïmporteerde goederen. Dit is logisch aangezien een tarief een belasting op import is.
De prijs op de ‘domestic market’ wordt bepaalt door het nieuwe snijpunt gevormd door MS+T en MD.

Samenvattend zijn er 5 effecten van een tarief:



  1. De prijs in Home country stijgt van PFT naar P’.

  2. De border price daalt.

  3. De import de Home market daalt door de hogere prijs.

  4. De productie in de Home country stijgt vanwege de hogere prijs.

  5. De consumptie in de Home country daalt vanwege de hogere prijs.

Welvaartseffecten:

Het welvaartseffect van het invoeren van een tarief in de Home country kan worden nagegaan door enkel te kijken naar de MD-curve. Het welvaartseffect in de Foreign country kan worden nagegaan door te kijken naar de MS-curve.

Intuïtief kunnen we stellen dat het invoeren van een tarief T de buitenlanders zal schaden. Ze krijgen immers een lagere prijs (P’-T) en ze exporteren minder.

Het welvaartseffect in het Home country is vooraf niet te bepalen. De consumenten verliezen vanwege de hogere prijs. De producenten maken wat winst vanwege de hogere prijs. Maar algemeen zal het verlies groter zijn dan de winst aangezien Home consumptie normaal groter is dan Home productie. Maar er moet echter ook rekening worden gehouden met de opbrengsten van de overheid die voortvloeien uit het zetten van het tarief. Echter een overheid gaat een tarief een goed idee vinden omdat ze zo ‘domestic producers’ helpen. Ze hechten meer belang aan de producenten dan aan de consumenten aangezien de producenten beter politiek georganiseerd zijn.

Hoeveel van de T wordt gedragen door de eindconsument in de Home country?  P’-PFT.


Een deel van het tarief wordt dus gedragen door de consumenten in de Home country. Een ander deel wordt gedragen door de buitenlanders. Hiernaast zorgt een tarief ook voor een efficiëntieverlies. Zolang de exploitatie van de buitenlanders een grotere opbrengst oplevert dan verlies vanwege inefficiëntie, kan een land winnen van het invoeren van een tarief.

Als ieder land een tarief invoert, dan zullen er overal inefficiëntieverliezen ontstaan, waardoor we slechter af zijn dan bij een zero-sum game waar niemand een tarief invoert.


Europese integratie probeert dus zo veel mogelijk van deze barrières te verwijderen.

Types op protection: an economic classification

  1. Domestic Captured Rent (DCR) barriers: Dit zijn handelsbarrières waarbij de opbrengst gaat naar de Home country. Of dit nu de overheid, de bedrijven of de consumenten zijn, maakt niet uit. Een voorbeeld van de DCR barrière is een tarief.

Een quota, waarbij de licenties worden uitgekeerd aan mensen uit de Home country = DCR
Een quota, waarbij de licenties worden uitgekeerd aan mensen uit de Foreign country = FCR

  1. Foreign Captured Rent (FCR) barriers: Dit zijn handelsbarrières waarbij de opbrengst gaat naar de Foreign country. Dit was het geval toen de EU met Oost-Europese landen die toen nog niet tot de EU behoorden had afgesproken om niets te verkopen onder een bepaalde prijs. Merk op! Een FCR barrier is altijd schadelijk voor de nationale welvaart, terwijl het effect niet echt duidelijk is bij DCR.


  2. Frictional Barriers (=cost creating barriers): Dit zijn gewoon barriers die de handel belemmeren en kosten creëren. Hier krijgt niemand de ‘economic rents’. Er is wel welvaartsverlies in de Home country. Waarom bestaan ze dan? lees in boek gewoon is p.158. (Landen willen import verhinderen in de hoop dat dan technologie ofzo in eigen land gaat verbeteren door meer investeringen in R&D = schadelijk voor de consument in Home country, maar beschermt de producent in Home country)

Hoofdstuk 5.: The essential economics of preferential liberalization

In dit hoofdstuk gaan we ‘preferential liberalization’ (voorkeursbehandelingen in de liberalisatie) analyseren. Oftewel PTA’s: preferential trade agreements.



Customs Union

Het Verdrag van Rome uit 1957 stelde dat dat alle leden van de EU hun tarieven en quota’s die ze hadden op elkaar moesten elimineren en dat ze 1 en hetzelfde tarief telkens moesten opleggen aan partners buiten de EU (harmonisatie). Dit was de vorming van de Customs Union. Een Customs Union is een free trade agreement (geen tarief op elkaars export) men een gemeenschappelijk extern tarief voor landen die niet tot de Customs Union behoren (=common external tarrif, CET).

Indien er geen geharmoniseerd tarief was (dus gewoon een FTA), kon er ‘trade deflection’ ontstaan. Dit hield in dat de landen van de FTA incentieven hadden om vals te spelen. Stel; A en B behoren tot de FTA en C niet. A legde een extern tarief op aan C van 10% en B gaf een extern tarief van 5%. Mensen uit A die goederen wouden uit B, gingen goederen eerst laten importeren vanuit B aan het lagere tarief en dan gratis laten transporteren vanuit B naar A.
Men kan dit vermijden op2 manieren:


  • Overstappen naar een CU.

  • Rules of origin toepassen op de goederen die verscheept worden binnen de FTA. (enkel tax-free verschepen binnen land van FTA indien er een aanpassing aan de goederen is gebeurd sinds ze vanbuiten de FTA zijn gekomen).
    Het probleem met rules of origin is dat het moeilijk te controleren is met de steeds meer geïntegreerde wereld. Overigens worden rules of orgin meer en meer gebruikt als beschermde maatregel wat kan leiden tot protectionisme. Het probleem van de rules of origin heb je niet in de CU, hier binnen kunnen goederen vrij worden verhandeld zonder tax.

Wereldwijd zijn er meer FTA’s dan CU’s. Dit is logisch aangezien politieke integratie moeilijk is. Het stellen van 1 extern tarief voor verschillende landen is een politiek zeer delicaat iets. Weinig landen staan graag hun souvereiniteit (beslissingsmacht op vlak van het zetten van tarieven) af.

Het oorspronkelijke doel van de CU was om een stap te zetten in de richting van ‘free trade’. Men dacht dus dat dit een maatregel was die de welvaart verhoogde (voor 1950). Dit is echt niet altijd waar! Soms is een CU welvaartverhogend, soms welvaartvernietigend. Dit vloeit voort uit het feit dat CU kan zorgen voor ‘trade creation’, maar ook voor ‘trade diversion’.


Vroege ervaring met de CU was dat er in 30% ‘trade creation’ was en in 15% ‘trade diversion’.

Het effect van de CU is afhankelijk van: (denk niet zo belangrijk)



  1. De productie structuur: complementair of substitutief

  2. De grootte van de Union

  3. Het initiële tarief-niveau

  4. Initiële kostenverschillen

  5. Transport en transportkosten

  6. De flexibiliteit van aanpassing van CU members.

Analysis of unilateral discriminatory liberalization

In dit hoofdstuk houden we ook weer rekening met de volgende veronderstellingen:



  • Perfecte competiviteit: Bedrijven denken dat ze individueel geen invloed kunnen uitoefenen op de prijs.

  • We laten schaaleconomieën buiten beschouwing. (geen toenemende schaalopbrengsten)


Dit stukje doen in slides en boek!

De World Trade Organization (WTO)

De wereldhandel is onderworpen aan een hele reeks regels: De GATT = the General Agreement on Tarrifs and Trade. En er is ook een overkoepelende organisatie, namelijk de WTO.

Het belangrijkste principe van de WTO is dat landen niet mogen discrimineren in hun handelsbeleid, dit komt neer op het principe van most-favoured nation (MFN). Tarieven tussen landen mogen niet discriminerend zijn.

Een CU en FTA doet dit echter wel! De WTO maakt voor hen een uitzondering. Deze moeten van de WTO voldoen aan enkele voorwaarden.



  • FTA en CU moeten tarieven elimineren op ‘substantially all the trade’ tussen de leden. Met ‘substantially all the trade’ bedoelt men minstens 80% van de goederen.

  • Het verdwijnen van de tarieven moet binnen een redelijke periode gebeuren (minder als 10 jaar).

  • Bij een CU mag het externe tarief algemeen gezien niet hoger zijn dat het tarief dat de leden vroeger individueel oplegden. (Dit betekende een verhoging van het tarief voor de Benelux en een verlaging voor Frankrijk en Italië).

Hoofdstuk 6.: Market size and scale effects

Dit hoofdstuk geeft de logica weer van hoe Europese integratie leidt tot minder en grotere ondernemingen die meer efficiënt zullen functioneren, in een meer competitieve omgeving.



Liberalization, defragmentation and industrial restructuring: logic and facts

  1. Algemeen

Ondanks dat intra-EU trade belastingsvrij is, is de handel tussen Europese landen niet altijd even vrij als handel in eigen land. Er zijn nog steeds veel technische, fysische en fiscale barrières die het voor bedrijven handiger maakt om in hun locale markt te opereren dan in andere EU-landen. Vele van deze barrières zijn kleine dingen en lijken triviaal, maar hun gezamenlijk effect is wel degelijk merkbaar. Ze beperken de handel tussen EU-landen.
Dit leidt er toe dat bedrijven grote spelers kunnen zijn in hun Home country, maar slechts een marginale rol vervullen in het buitenland. = marktfragmentatie. Dit heeft een negatief effect op de competitiedrang, wat prijzen hoog houdt en vele bedrijven in de markt toelaat. Kleine inefficiënte bedrijven kunnen immers leefbaar blijven door de hogere prijzen. Indien de prijzen zouden zakken, zouden vele inefficiënte bedrijven uit de markt verdwijnen.

Door deze barrières te verwijderen, zou de competitie harder worden op de markt. Prijzen zouden dalen en inefficiënte bedrijven zouden verdwijnen. De reactie van de markt op de extra druk op de winst is M&A’s! Grote efficiënte ondernemingen gaan kleinere, minder efficiënte ondernemingen overnemen.



  • Minder, grotere, efficiëntere ondernemingen die meer met elkaar gaan concurreren.

In sommige industrieën zullen M&A’s jobs kosten, in andere industrieën zullen er meer jobs ontstaan. Merk op dat het competitiever worden voordelig is voor de consument aangezien prijzen dalen.

  1. Enkele cijfergegevens




  • Het aantal M&A’s is gestaag toegenomen. Van 10000 in 1997 naar 12557 in 2000.

  • De waarde van de M&A’s is echter enorm toegenomen: van €100 miljard in 1991 naar €2400 miljard in 2000.

  • Meeste van de M&A’s gebeurden in eigen land (55%). 45% was in het buitenland, waarvan 15% in een andere EU-lidstaat.

  • Meeste M&A’s gebeurden in grote lidstaten zoals Frankrijk, UK, Duitsland en Italië.

We kunnen besluiten dat de M&A-golf het hardst aankwam voor kleine landjes met hun beperkte markt.

Overigens zijn de regels voor M&A’s in de EU nog niet geharmoniseerd. Sommige landen hebben zeer restrictieve regels die M&A’s zeer moeilijk maken. Hier staan dan landen zoals de UK tegen over met heel liberale maatregelen voor M&A’s.



Theoretical preliminaries: Monopoly, duopoly and oligopoly

Om de impact van Europese integratie op schaalvoordelen en competitie te meten, maken we gebruik van een bepaald kader: het BE-COMP diagram.



  1. Monopolie (niet realistisch)

Een monopolist bepaalt zelf hoeveel hij produceert en welke prijs hij er voor vraagt. Het enige wat hij niet kan controleren, is de vraagcurve. Hij moet dus rekening houden met de trade-off tussen price and sales.
Hier gaat men dan kijken naar de marginale opbrengst van een extra eenheid verkopen en vergelijken met de marginale kost die hier aan verbonden is. Het aantal eenheden dat men moet verkopen om de winst te maximaliseren is het aantal eenheden waarvoor de MO van een extra eenheid, gelijk is aan de MK.

Opmerking: consumenten zijn hier: prijsnemers. Monopolisten denken dat de trade-off tussen prijzen en verkopen enkel afhangt van de vraagcurve.

Hier is er sprake van imperfecte competitie. De monopolist kan individueel de marktprijzen beïnvloeden.


  1. Duopolie

Hier hebben we 2 aanbieders in een markt. Deze spelers gaan verwachtingen hebben rond elkaars output. We spreken van een Nash-evenwicht wanneer de verwachtingen omtrent elkaars output ook werkelijkheid zijn.

Hier werken we met een ‘residual demand curve’. Deze curve wordt afgeleid uit de algemene vraagcurve. Men gaat van de algemene vraag, de verwachte sales van de andere onderneming aftrekken. Zo bekom je een vraagcurve die volledig kan voldaan worden door jou onderneming alleen. Op basis hiervan kan je effectieve output bepalen (de output waar MO=MK). Enkel wanneer de effectieve output overeenstemt met de verwachte output, spreken we van een Nash-evenwicht.



  1. Oligopolie: Nash-evenwicht voor een arbitrair bepaald aantal bedrijven

Hier zijn er meerdere aanbieders op de markt.
Je werkt hier opnieuw met een ‘residual demand curve’. Het is dezelfde werkwijze als voor een duopolie.

The BE-COMP diagram in a closed economy

BE-COMP kan worden gebruikt om de impact van Europese integratie na te gaan.



  1. De COMP-curve

Deze geeft de relatie weer tussen de mark-up die bedrijven vragen en het aantal concurrenten in de markt. De mark-up is gelijk aan de prijs min de MK. Deze daalt naarmate het aantal bedrijven in de markt toeneemt. Deze curve noemen we dus de COMP-curve aangezien de mark-up aantoont hoe competitief de markt is.

Bedrijven zullen altijd op de COMP-curve liggen.



  1. De BE-curve

Door toenemende schaalopbrengsten is er slechts ruimte voor een beperkt aantal bedrijven in de markt. De break-even curve geeft weer hoeveel bedrijven er kunnen overleven bij een bepaalde mark-up. Hoe hoger de mark-up, hoe meer bedrijven er kunnen overleven. Met overleven bedoelen we: hun mark-up is hoog genoeg om hun vaste kosten te dekken.

Op korte termijn kan het zijn dat een bedrijf niet gelegen is op de BE-curve, maar op lange termijn zal ze er wel op liggen.



De evenwichtssituatie doet zich voor waar beide curven snijden.

(algemene opmerking: wanneer de gemiddelde kosten van een onderneming = de prijs, dan is de winst van de onderneming = 0)



The impact of European liberalization (ook lezen in de cursus)

We veronderstellen hier een open economie, met 2 identieke landen.

Door landsgrenzen open te stellen, zal de te bespelen markt toenemen. Echter, het aantal concurrenten zal ook toenemen! (van n’ n’’ en niet naar 2n’, wegens industry shakeout). Dit leidt tot meer competitie op de markt, waardoor bedrijven efficiënter gaan worden. Dit betekent dat de gemiddelde kosten gaan dalen. Dit is het gevolg van het feit dat de vaste kosten gespreid zullen worden over meer sales.
Er zal een verschuiving op de COMP-curve zijn naar rechts. Wat gepaard gaat met een lagere mark-up.
Een grotere markt betekent ook dat meer bedrijven kunnen overleven op de markt (n’’). De BE-curve verschuift naar rechts. Dit is logisch aangezien de sales per firm toenemen, wat leidt tot een hogere winst, waardoor ze een lagere mark-up nodig hebben om te kunnen overleven. (Dit betekent dan ook dat de prijs daalt).
De prijsdaling = de efficiency gain.

Welvaartseffecten: Er ontstaat een consumentensurplus. De consumenten betalen een lagere prijs en kopen meer. Voor de producenten verandert er niets: Er was geen winst voor de verandering, er is geen winst voor de producenten na de verandering. (prijs = gemiddelde kost). Eigenlijk zijn er nog kosten waar rekening mee moet worden gehouden: aanpassingskosten van de bedrijven aan de veranderende omstandigheden. Merk op, dit voorbeeld is ene hypothetische situatie. Bedrijven maken natuurlijk wel winst.



Voorbeeld van een industry shakeout of consolidatie:

Vroeger waren luchtvaartmaatschappijen terughoudend op vlak van M&A’s. Dit kwam omdat vele maatschappijen eigendom waren van de overheid. Tegenwoordig is men rationeler geworden en worden er coöperatieve allianties gevormd. Dit is kostenbesparend. Het aantal ondernemingen is niet gedaald, maar het aantal vliegtuigen op een bepaalde route wel. (vb. 1 vliegtuig voor 2 maatschappijen: Brussels Airlines en Swiss Air). Dit zorgde voor de creatie van schaalvoordelen, zonder her verdwijnen van maatschappijen.



Hoofdstuk 7.: Growth effects and factor market integration

Dit hoofdstuk gaat over het nastreven van groei in de EU. Groei bepaalt het tempo waarop nieuwe productiemiddelen, vooral kapitaal, worden geaccumuleerd.



The logic of growth and the facts

Een land kan enkel groeien indien het zijn werknemers, arbeiders voorziet met meer middelen. Met middelen bedoelen we hier kapitaal. We onderscheiden 3 soorten kapitaal:



  • Fysisch kapitaal: machines

  • Menselijk kapitaal: vaardigheden, ervaring, training

  • Kenniskapitaal: technologie

Groei is dus volledig gekoppeld aan de accumulatie van deze vormen van kapitaal. Europese integratie heeft effect op de groei via investeringen in de verschillende vormen van kapitaal. Europese integratie verbetert de efficiëntie van de productiemiddelen, wat de output doet stijgen. Dit zorgt dan voor meer investeringen, wat verdere verbeteringen qua efficiëntie teweeg brengt, wat dan weer leidt tot verdere groei.

Groei op middellange termijn: investeringen doen tot de winst van een extra eenheid = MK.


Groei op lange termijn: Hier zijn er permanente aanpassingen de accumulatie van kenniskapitaal.
  1   2   3   4


Dovnload 123.24 Kb.