Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Geschiedenis

Dovnload 66.53 Kb.

Samenvatting Geschiedenis



Datum31.07.2017
Grootte66.53 Kb.

Dovnload 66.53 Kb.

Samenvatting Geschiedenis


  1. Inleiding

  1. Probleem van historische ‘kennis’

 geen absolute waarheid, alleen interpretaties en meningen

  1. Doel van historische vorming

 Geschiedenisles MAG geen nut hebben!

Bv: nazi-Duitsland: historici moesten de superioriteit van Duitsland benadrukken.

In België is er een gelijkaardige wet.

 Geschiedenisles met nut = propaganda

 Daarom: 3 pijlers


    • Attitude: soort bewustzijn, kritisch denken

    • Reflectie: heden begrijpen, ongeveer de toekomst voorzien, door het verleden te kennen

    • Kennis: het zgn. papegaaienwerk

  1. Waarom net de 19e-20e eeuw?

 19e-20e eeuw = de gekende wereld. Vanaf de 19e eeuw is het politiek en economische kader ongeveer zoals nu.

 Voorheen: Algemeen menselijk patroon, vanaf de 19e eeuw Europees menselijk patroon.



AMP

EMP

Dictatuur

Macht komt +/- van onderop en wordt gelegitimeerd (=gerechtvaardigd)

Micro-economie

Macro-economie

Enkel voorzien in eigen behoeften

Meer dan eigen behoeften  overschot  handel

OVERLEVEN

CONSUMEREN

 EMP is eigenlijk een uitzondering, maar wordt de norm

    • uitbreidende olievlek

    • evolutie naar EMP = doel van de lessen

  1. Specifieke problemen rond hedendaagse geschiedenis

  1. te veel bronnen

  2. moeilijk om grote lijnen te zien

  3. verleden/actualiteit worden vaak gebruikt

  1. Tekst: De scherven maken de vaas niet

Men kan geen echte lessen trekken uit het verleden

 redenering ivm holocaust, normen en waarden is een drogredenering

 Men komt altijd tot ‘een’ geschiedenis, niet tot ‘de’ geschiedenis
Deel 1: Ideologieën


  1. Begripsomschrijving

Defenitie: Een ideologie is een samenhangend normen-en waardenstelsel mbt mens en samenleving waaruit opties of programma’s voor politiek handelen en voor de inrichting van de samenleving resulteren.

 IDEOLOGIE

-link met politiek

-Ideëengoed

-21e eeuw: ideologie minder belangrijk, ‘uitgehold’, MAAR sinds 9/11: godsdienst weer belangrijker (denk aan Al Qaida)

-Ontstaan: eind 18e-19e eeuw

voorheen: dictatuur geen verantwoording van de macht

vanaf dan: macht door de publieke opinie: nood aan IDEOLOGIE om de publieke opinie te overhalen.

-Voor 18e-19e eeuw: religie als ideologie

-Ideologie lijkt op religie, MAAR: typisch aspect zet zich af TEGEN religie, is SECULIER

 Levensloop van een ideologie

levensloopideologie


  1. Het liberalisme

  1. De wortels v/h liberalisme

  1. Maatschappelijke context

 19e Eeuw, West-Europa

Christenen (katholiek)

Liberalen

Zowat iedereen (later gaan we zien dat er bij de katholieken uiteindelijk geen versplintering is)

= Iedereen die geen katholiek is/anti-katholiek is.

! NIET zoals de VLD van nu!

In België: vb KUL vs. VUB

Concreet: willen bv seculier huwelijk



Descending theory of Power (van bovenaf –God- naar beneden)

Ascending theory of power (van onderop naar boven)

 Wortels: verlichting

-Rede


-Vooruitgang

-Juridische vrijheid (! economische vrijheid)




  1. Pioniers/ Auteurs

 Locke, 17e Eeuw

-Two Treatises of Government

-Politiek contract BASIS van alle liberale ideologieën

 Geen martelingen, bv Habeas Corpus

 Montesquieu, begin 18e Eeuw

-Scheiding der Machten

Uitvoerende macht, Rechterlijke macht en Wetgevende macht

 Praktijk: scheiding niet zo strikt, bv in België: rechters hebben politieke overtuigingen


 Rousseau, 18e Eeuw

-niet meer politiek contract  sociaal contract

-Volonté générale: volkssoevereiniteit

- Zowel liberaal als socialistisch gedachtengoed




  1. Liberale revoluties

 Amerikaanse revolutie (eind 18e eeuw)

= GESLAAGDE evolutie



    • tegen de Engelse centralisatiepolitiek/ pro de liberalen

    • Had niets te maken met slavernij/armoede

 Franse revolutie (1789)

(denk aan het secundair onderwijs: uitgebreid gezien)



    • Mislukt: Napoleon

NU is eigenlijk IEDEREEN liberaal!

-Verkiezingen, scheiding der machten, …




  1. De progressieve stroming

 begin 19e eeuw: val van Napoleon

-compromis: Liberalisme : tegen geweld, tegen restauratieve krachten (conservatisme)

 Ancien Régime: standenmaatschappij

-Adel


-Clerus

(derde stand)

-rest: boeren en arbeiders  socialisme

VS!!


-3e stand: burgerij  liberalisme

Liberalisme

Socialisme

Juridische gelijkheid

Reëele gelijkheid

Individu

Groep/collectief

Feitelijke economische ongelijkheid

Staat moet herverdelen

Kapitalisme

communisme




  1. Liberalisme wordt behoudender

Liberalen  4e stand

    • meer samenwerken met 1e en 2e stand

    • nog grotere afkeer geweld (want: socialisten wel ‘pro’ geweld)

    • groter belang prestatiebeginsel (gelijkheid: gelijke kansen, wie meer doet heeft ook recht op meer)

 Probleem van een ideologie=

  • Ideologie heeft idee A

  • Opkomst  macht

  • A wordt verwezenlijkt

    • En nu?

2 opties:  stoppen

 aanpassen: idee A+ idee B

Bv liberalisme: A= politieke vrijheid.

B= economische vrijheid

A+B = neo-liberalisme


  1. Neo-liberalisme

 Wie? Bedrijfsleven en economisch sterke kringen

 Vooral in de VSA

 groot belang vrije markt, minder inmening overheid


  1. Het socialisme

  1. Wortels van het socialisme

 Verlichting

 Christelijke broederschapsgedachte (!bizar: socialisme is anti-christendom)

 Franse revolutie: égalité op politiek, economisch en sociaal vlak


  1. Vroeg-socialisme

  1. vroeg-communisme

 Geweld om bezitsverhoudingen te veranderen

Dictatuur collectief bezit




  1. Anarchisme

 Tegen elke vorm van gezag

 Sterk INDIVIDUALISTISCH (nadeel: geen georganiseerde samenwerking)

 Liquidatie van de top van de piramide (= moordaanslagen op politieke figuren)


  1. Saint-Simonisme

 Combinatie van verschillende stromingen door de Saint Simon.

 Staat werd overbodig door industrialisatie, ongelijk inkomen op basis van prestatie mag, …




  1. Karl Marx

  1. Historisch materialisme

 Geschiedenis =

these  antithese

(syn)these  antithese

(syn)these  antithese

etc.

 Bovenbouw: de maatschappelijke orde



 Onderbouw: de economische orde

 De onderbouw bepaalde de bovenbouw = De economische orde bepaalt de maatschappelijke orde = de productieverhoudingen bepalen het karakter van elk historisch tijdvak

Christendom
Prehistorie (A) Antieke Oudheid (B) Middeleeuwen (C) Nieuwe Tijd (D)
 A: oergemeenschap

 B: antieke slavernij

 C: feodaliteit Altijd 2 klassen: de uitgebuiten en de uitbuiters

 D: kapitalisme




  1. Das Kapital

 kapitalisme: 2 klassen

    • De kapitalisten: uitbuiters, bezitten het kapitaal

    • Het proletariaat: de uitgebuiten, bezitten arbeid

 Kapitalisme vernietigt zichzelf, want:

  • Door concurrentie: Er zijn heel veel proletariërs, en maar weinig kapitalisten

  • Door revolutie: 1) Geweld, revolutie

2) dictatuur van het proletariaat

3) Klasseloze maatschappij



  1. Betekenis en Kritiek

 Heel veel invloed gehaad

(noot: nazisme was zo sterk tegen het communisme mede omdat Marx een jood was)

 Maar: Marx was niet perfect


    1. zijn ideologie was op veel vlakken onduidelijk: hoe moet een klasseloze maatschappij eruitzien?

    2. Hij had het proletariaat overschat en het kapitalisme onderschat, daarom kwamen zijn voorspellingen niet uit.

 Na WOI: splitsing

      1. Revisionisme, socialisme, sociaal-democratie  integratie in het socialisme

      2. (orthodox) communisme: Leninisme, Maoisme  Extremer

 opdeling socialisme


Vroeg socialisme:
-Vroeg-comm.

-anarchisme

-Saint-simonisme

Lenisme


Communisme Stalinisme
Kommunistisch Manifest Maoisme

Das Kapital Socialisme

(sociaal-democratie)



  1. De christelijke leerstelsels

  1. Ultramontanisme

 Montanisme : bergen, over de Alpen  In Rome, op de paus gericht

 ‘fundamentalisten’



  • Tegen scheiding kerk en staat

  • Willen paus als wereldlijke leider

  • God belangrijker dan mens

 Stond oorspronkelijk het sterkst, maar geleidelijk aan nam hun invloed af. (wel een heropleving in 1930)


  1. Liberaal-katholicisme doorkruist:

 Enkel in België en Frankrijk bestaat nu

 Katholieken met liberale ideëen. niet meer!

Bv: scheiding kerk en staat, Belgische grondwet

 1832: veroordeling door Vaticaan

gevolg: Men werd liberaal

Men werd ultramontanist (ultramontaan?)




  1. Christelijk socialisme

 LINKS

 Christelijk, maar socialistische ideëen

Marginaal verschijnsel

 Door de slechte ‘invloed’ van de Koude oorlog (het rode gevaar) op het socialisme sterft deze strekking zo goed als uit




  1. Sociaal-katholicisme

 Opportunisten!

    • Stemstelsel wordt 1 stem per man

-Logica: grote stijging socialisme

DUS: stemmen winnen voor christendom!

Door: sociaal-katholicisme!

 Aanleiding: Rerum Novarum (encycliek van de paus, dwz openbare brief van de paus)

 Tendensen:

-Neo-scholastiek: De maatschappij is een piramide, mensen zijn fundamenteel ongelijk

-Neo-corporatisme: De mens heeft zijn lichaam volledig nodig de maatschappij heeft ook al zijn ‘leden’ nodig, SAMENWERKING

Zie ook link met de gilden in de middeleeuwen

-Solidariteit: Arbeid en kapitaal zouden beter samenwerken

 De huidige CD&V is eigenlijk sociaal-katholiek, maar noemt haar ideologie zelf personalisme, dit zit tussen het liberalisme en het socialisme in.




  1. Christendemocratie

Eigenlijk maar klein: Aalst Daens (maar één verkozene in het parlement!)

? Wat is het verschil met sociaal-katholicisme?

- radicaler

-voor het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht (=elke man, niet meer dan één stem per man)

-Wil met socialisten en liberalen samenwerken

 Na dood van Daens sterft dit uit

 MAAR: CVP (CD&V) adopteren dit Niet zelfde inhoud, wel dezelfde naam


  1. Samenvatting

Christelijk Socialisme: marginaal verschijnsel

Sociaal-katholicisme: blijft, verandert van naam

Christendemocratie: sterft uit

liberaal katholicisme wordt opgesplitst  Ultramontanisme

Ultramontanisme: sterft uit, wordt door sociaal-katholicisme opgeslokt
 Conclusie: geen versnippering, enkel CHRISTENDEMOCRATIE als één blok


  1. Nationalisme

 Door WOI en WOII wordt nationalisme ‘scheef’ bekeken,

MAAR: in de 19e eeuw waren veel liberalen nationalisten!

 Onafhankelijkheidsgolf

 Nationalisme werd als progressief en positief gezien

 NATIE?  Een groep die van zichzelf zegt dat ze dat zijn

 Zelfverklaarde identiteit

 Staat = land (ong. 190)

België


 Natie = volk (ong. 5000)

Vlamingen

België
Walen

 Probleem: natie wil eigen staat

5000/200  versnippering

Daarom: landsgrenzen ongeveer VAST

 Er zijn twee soorten nationalisme: volksnationalisme en staatsnationalisme


  1. Fascisme

  1. Begripsomschrijving

 fasces: symbool voor macht, werd gedragen door de ‘bodyguards’ van rechters in de Romeinse tijd

symboolgeweld is een onderdeel van politiek

geweld is een manier om aan politiek te doen

 Geweld mag geen monopolie van de staat zijn

 privé-milities (bv: VMO = de privé-militie van de Volksunie, later deel van Vlaams Belang)

 Algemene kenmerken:



  • Extreem nationalistisch

  • Totalitair (= streven naar een maximale controle op het dagelijks leven)

  • Anti-communistisch (! Paus niet tegen fascisme: Hitler was anti-communistisch, en dus ‘positief’)

  • Anti-liberaal (vooral tegen vrije markt)

  • Arbeid en kapitaal MOETEN samenwerken

  • Solidariteit

  • Traditie (dus ook christendom)

  • Organische ongelijkheid (herstel christelijke standenstaat)

Nazisme

-Ras centraal

want: duitsland: klein

Ariers: breder begrip

Lebensraum

-Hitler is contra christendom

B) Fascisme in Italië

 opportunist: tijdens WOI overgestapt naar de ‘winnende’ kant, maar toch bij verdrag van versailles ‘slecht’ behandeld

 Daarom na sterke stijging van nationalisme

 Benito Mussolini

-1922: staatsgreep

‘il duce’

installeert geleidelijk aan een dictatuur met een totalitair regime

Corporatieve staat, waarbij de corporaties een economisch en politiek belang hebben

 Economische sucessen en veroveringen (Ethiopië en Albanië  Reinstallatia Romeins Rijk, maar eigenlijk niet zo indrukwekkend)

Verbond met Hitler

 Benito werd in de pers afgemaakt (bananenrepubliek) in tegenstelling tot Hitler (die werd oorspronkelijk gezien als een positieve wending voor Duitsland)
C) Nationaal-socialisme in Duitsland

a) Begripsomschrijving

(…)



  1. De Verendigde Staten van Amerika

  1. Algemeen

  1. “The American Dream”

 Het grondrecht van de Amerikanen = recht op dromen

 Amerika=land van immigranten:

300 jaar geleden: VSA=leeg (300000 inwoners)

nu: 300 000 000 inwoners!

 In de VSA is er ‘echt’ veel vrijheid

 uitgestrekt land

 Grote sociale mobiliteit (denk aan Hearst en Jimmy Carter)

 Geen diepgewortelde tradities

 immigratiesyndroom


  1. Amerikaanse Cultuur

 Probleem: door de immigratie zijn er is de VSA veel verschillende culturen

 Toch nationalisme?

 Onderwijs: houdt de amerikaanse cultuur in stand

 patriottisme: dienstbaarheid aan het land, groeten van de vlag, verheerlijken van Lincoln etc, veel sport (samenhorigheid), …

 Creatie van een vaderlandsgevoel


  1. Regionale verschillen

 Progressief, verstedelijkt Noorden, agrarisch en conservatief Zuiden


  1. De koloniale periode

  1. Algemeen

 Fransen, “Duitsers”, Spanjaarden, Britten  Mix, maar wel Europees

 Oorspronkelijk vooral omwille van godsdienstvervolgingen

 VSA: godsdienstvrijheid en tolerantie


  1. Kenmerken van een koloniale maatschappij

 Men leefde naast elkaar, soms spanningen

 Voornamelijk agrarisch

 Home Rule: min of meer autonoom, maar de wetgeving was in handen van het Brits Parlement


  1. De Amerikaanse revolutie

  1. Oorzaken

 Men werd niet echt zwaar onderdrukt, maar moest wel zware belastingen betalen.

‘no taxation without presentation’

 Men was economisch volledig afhankelijk van het Britse Rijk.

 Boycot en smokkel

bv: Boston Tea Party


  1. De onafhankelijkheidsoorlog

 De Britten werkten met huurlingen, de kolonisten vochten zelf en waren bereid te sterven voor hun land.  Meer vechtlust

 De kolonisten kregen steun van Frankrijk, de Verenigde Provinciën en Spanje

 Declaration of Independence

 Alle mensen gelijk

 Schepper = God

 democratie: contracttheorie

 Verschil EU: Washington word president ipv koning


  1. De constitution

 13 kolonies worden 13 staten

 oorspronkelijk: 13 aparte landjes met hun eigen wetten  Dit was te instabiel

 Founding Fathers: Unie, dertien landen worden één land met één grondwet

 Confederatie! (federatie—> vaste structuur, sterk centraal gezag, zwak lokaal gezag)

 1 leger, 1 munt, 1 post

 losse structuur

 zwak centraal gezag, sterk lokaal gezag

 scheiding der machten




Scheiding der Machten in VSA

Wetgevende Macht

1) House of Representatives

Impeachment

 2/3 meerderheid tegen veto

2) Senate

 bicameralisme, want:

zowel kleine als grote staten hebben evenveel te zegen


Uitvoerende Macht

1) President

 staatshoofd

 regeringshoofd

 opperbevelhebber van het leger

 heeft vetorecht

2) regering

 minister legt verantwoordelijkheid af aan de president



Rechterlijke macht

Supreme Court

 9 opperrechters, voor het leven benoemd door president, bekrachtid door de Senate.

 Angelsaksisch recht: weinig wetten, precedentenrecht


 Checks and balances: de controle van de onderlinge machten

 WM

 Op UM: impeachment van de president



2/3 regel bij veto

 Op RM: UM stelt de rechter voor, maar de WM moet akkoord gaan

 UM

 Op WM: vetorecht



 Op RM: president benoemt rechters

 RM


 Op UM: president heeft veel macht, maar zijn beslissingen kunnen teruggefloten worden door de RM

 Op WM: toetsing Grondwet


 De grondwet van de VSA is nooit veranderd, maar er zijn wel toevoegingen gedaan

 10 Amandementen die de grondrechten vastleggen




  1. Betekenis van de Amerikaanse Revolutie

 AFSCHAFFEN

 erfelijke monarchie

 Standenmaatschappij

 Vervlechting kerk en staat

 unitaire stat

 Absolute soevereiniteit van het parlement


 INNOVATIES

 eerste onafhankelijke kolonie

 eerste grondwet

 scheiding der machten

federaal statuut

 Democratisering vd instellingen

 Emancipatie van achtergestelde groepen
 maar: slavernij blijft bestaan, en de bezitsverhoudingen werden niet ingrijpend veranderd (liberalisme)


  1. Partijen en verkiezingen

a) Partijen

 Totaal anders dan in Europa

 vaag programma

 partijmachines: vooral op verkiezingscampagnes gericht

 figuur en imago van kandidaat van groter belang dan zijn programma

 2 parijen: Democraten en Republikeinen

 WASP: White Anglo-Saksen Protestants

 conservatief/progressief: vaag. Zowel de Democraten als Republikeinen hebben een progr. En cons. Kant.

 GEMATIGDHEID is het sleutelwoord.


  1. Verkiezingen

 Worden door elke staat apart geregeld

 Winner takes it all

 De verkiezingen zijn altijd nipt

 caucus: besloten verkiezingsbijeenkomst

 directe democratie

 Primary: voorverkiezing

meer traditioneel

 Zie ook tekst voor het verloop van de verkiezingen




  1. Amerikaanse Burgeroorlog

 Oorlog tss Noord en Zuid

  1. Oorzaken

Tegenstelling Noord/Zuid

Noorden

Zuiden

Overwegend republikeins

Pro sterk federaal gezag



Overwegend democraat

Pro zelfbestuur van de staten



Kleine farmers, industrie+ protectionisme

Grootgrondbezitters, plantages + vrijhandel

Abolitionists

1/3 vd bevolking is zwart (slaaf)

Pg 69-93 vat ik niet samen, omdat dit in de cursus al een samenvatting is.


Deel 5: De Noord-Zuid tegenstelling: de dekolonisatie

    1. Achtergronden

  1. Voorbereidingsfase

 Volgens de koloniale mogendheden mag kolonisatie, want:

 de derde wereld is rijk aan grondstoffen die door de lokale bevolking worden verwaarloos, daarom moeten de ontwikkelde landen ze gaan ontginnen

 De blanke heerschappij zorgt voor rust en zekerheid, men is dar zelf niet toe in staat.
 Communisten en socialisten zijn tegen kolonisme omdat dit het kapitalisme versterkt

 De kolonies zelf zijn er tegen

 Aziatisme: oppositie vs het westen oiv Japan en China

 Afrikanisme: door radicale intellectuelen

 Islamitisch reveil


  1. Drang naar onafhankelijkheid in Azië en Afrika na WOII

 Azië: Tijdens WOII voor een groot deel bezet door Japan, dat er de koloniale structuren afbrak en anti-westerse propaganda voerde.

 Afrika: onder invloed van WOII eiste men een geleidelijke wijziging van het koloniaal statuut.




  1. Externe stimulerende factoren

  1. gewijzigde machtsverhoudingen na WOII

 Europa was zwakker, en de nieuwe grootmachten waren vs. Kolonies

VSA: vroeger zelf een kolonie, dus logischerwijze tegen kolonies

USSR: Communistisch en daarom tegen kapitalisme en dus kolonisme


  1. Actie van de VN

 waren van belang voor de dekolonisatie, de kolonies werden bij hen onder toezicht geplaatst voor ze onafhankelijk werden
Besluit: de internationalisering van de wereldpolitiek kwam de dekolonisatie ten goede


  1. Verloop

2 voorbeelden: Brits-Indië en Congo.


  1. Brits-Indië

 Probleem: tegenstelling tussen hindoes en moslims.

 Na WOI: Gandhi als leider van de nationalisten

 geweldloos verzet

hindoes met moslims verzoenen

 mislukt

 1947: Opsplitsing: hindoestaat India en moslimstaat Pakistan.

 Oost-Pakistan: nu Bangladesh

 probleem India: grote nationale verscheidenheid

 Jaren ’90: grotere spanningen tussen hindoes en moslims

 India vs. Pakistan

 kernwapens, moslimextremisme (moord op Benazir Buttho)


  1. Belgisch Congo

 Koloniale conferentie van Berlijn: Leopold II verwerft Congo als persoonlijk (!) bezit.

 uitbuiting en genocide, 10 miljoen doden!

 Amnesty International ontwikkeld omwille van uitbuiting van Congo!

Daarom: Leopold II draagt zijn bezit over aan België.

 Normaal koloniaal regime

 Administratie

 Kerk

 maatschappijen (economisch)



 ’50: omwenteling in Afrika. Nationalistische partij in Congo wint  snelle evolutie in dekolonisatie Congo

 ’59: Congo onafhankelijk.

 Lumumba erg streng voor de vroegere kolonisator

 Burgeroorlog Katanga  rest van Congo

 bemiddeling mislukt door omstreden vlieguitgongeluk

’65: staatsgreep door Mobutu.

 zaïrisering

 Chaos, ook onder invloed van de hutu-tutsi genocide

 ’97: Kabila verovert Zaïre en maakt er opnieuw Congo van.

 Rwanda en Uganda keren zich weer tegen Kabila: oorlog (de 1e afrikaanse Wereldoorlog)



 wordt bizar genoeg zowat genegeerd.
Deel 6: Het Midden-Oosten

 Ik heb deze lessen gemist en ga dus ook maar uit van wat er in de cursus staat :D


Dovnload 66.53 Kb.