Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen

Dovnload 138.44 Kb.

Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen



Pagina1/4
Datum05.12.2018
Grootte138.44 Kb.

Dovnload 138.44 Kb.
  1   2   3   4

Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition
Hoofdstuk 1 - introductie
Oorzaken van vooroordelen:

- Scapegoat theory: een theorie die zegt dat vooroordelen ontstaan door misplaatste agressie tegenover leden van een andere groep, omdat de groep die de frustratie veroorzaakt niet binnen bereik is.

- Autoritaire persoonlijkheid: leden van de groep voelen zich boven de andere groep staan, en kijken er daarom minachtend op neer.

- Realistic conflict theory: ontwikkeld door een Sherrif die vond dat conflict en competitie tussen groepen kunnen leiden tot vijandigheid en vooroordelen tussen beiden.


Minimal Group paradigm: een aantal experimentele procedures ontworpen om groepen te ontwikkelen gebaseerd op voornamelijk willekeurige criteria waarvan de leden discriminatie tonen.
Definitie sociale psychologie: de wetenschappelijke studie van de manier waarop gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloed door de werkelijke of voorgestelde aanwezigheid van andere mensen.
Sociale Psychologie ... kijkt naar de impact van een sociale situatie op het gedrag van het individu en de persoonlijkheidsvariabelen als moderatoren.

... gaat over alledaagse gedragingen


Twee soorten experimenten: 1. Veldexperimenten: onderzoek doen in de sociale situaties

2. Laboratoriumexperimenten: onderzoeken doen in geënsceneerde situaties in het lab


Methodologisch individualisme: de aanname dat collectieve actie verklaard moet worden door te tonen hoe het een gevolg is van individuele beslissingen en gedragingen. De individuen vormen het collectieve.
Crisis in de sociale psychologie: kritiek op laboratoriumexperimenten;

- onderzoek heeft geen betrekking op echte problemen in de maatschappij, het zijn alleen ‘leuke’ onderzoekjes.

- Het onderzoek is te kunstmatig, zegt niets over het gedrag. Verwachtingen van de experimentator beïnvloeden de resultaten.

- Kennis over sociaal psychologische fenomenen in de maatschappij beïnvloeden het gedrag.


Oplossingen voor de crisis:

- onderzoek moet ergens over gaan

- transparantie met betrekking tot onderzoeksgegevens

- meer bewustzijn van de consequenties van statistische procedures


Nieuwe richtingen:

- sociale cognitie

- evolutionaire sociale psychologie

- sociale neuro-wetenschap



Hoofdstuk 2 - onderzoeksmethoden
Methoden zijn instrumenten die onderzoekers gebruiken om hun theoretische ideeën te testen. Deze ideeën kunnen voortkomen uit een verzameling bronnen. De twee meest gebruikte zijn observaties van real-life events en inconsistenties tussen voorgaande onderzoeksresultaten.
Een theorie bestaat uit een aantal constructies die aan elkaar gelinkt zijn in een systeem, en wordt specifieker zodra een specifiek fenomeen ontstaat.
Een experiment heeft als doel te zien wat er gebeurt met een fenomeen als de onderzoeker bewust kenmerken van de omgeving, waarin het fenomeen plaats vindt, manipuleert. Deze kenmerken heten ook wel variabelen. (als ik variabele B aanpas, verandert variabele A dan mee?) Hierbij wordt gekeken naar de relatie tussen variabelen – causaal.
Variaties op het experiment:

  • Quasi-experiment: een experiment waar de deelnemers niet willekeurig worden toegewezen aan verschillende experimentele condities. (typisch omdat hier sprake is van factoren waarover de onderzoeker geen invloed heeft)

Dit experiment wordt uitgevoerd in een alledaagse, natuurlijke situatie.

  • True Randomized experiment: een experiment waar de deelnemers toegewezen worden aan de verschillende condities op willekeurige basis. Bij dit experiment is er controle over de kenmerken van de situatie. Een gevolg is dat het realistische gehalte van het onderzoek daalt.


Het verschil tussen beide variaties: In een TR-experiment is er controle over de onafhankelijke variabele én over wie blootgesteld wordt aan deze variabele. In een Q-experiment is er geen controle over wie blootgesteld wordt aan de onafhankelijke variabele. (hier worden deelnemers OF wel OF niet blootgesteld aan de variabele)
Een veldexperiment waar een TR-experiment uitgevoerd wordt, poogt een combinatie te maken tussen controle van een lab-experiment en het realisme van een quasi-experiment.
In quasi-experimenten is het gebruik van survey research een zinvolle strategie. Een survey research is een onderzoek strategie waar gebruik wordt gemaakt van interviews met een deel van de respondenten (die deel zijn van de populatie waarnaar onderzoek gedaan wordt).
Het verschil tussen survey onderzoek en (quasi-)experimenten is dat ze focussen op het meten van bestaande niveaus van variabelen. Hierbij wordt gekeken naar een oorzaak-gevolg relatie tussen variabelen.

Een nadeel van survey onderzoek is dat nooit met zekerheid gezegd kan worden wat de causale rol van de variabelen is.

Daarom meten surveys vooral variabelen waar rekening mee gehouden kan worden in statistische analyses –

Dus om alternatieve verklaringen van een relatie tussen variabelen uit te sluiten.


Twee soorten analyses:

1. Kwalitatief – traditioneel veel gebruikte manier om gegevens uit sociaal psychologisch onderzoek te verwerken.

2. Kwantitatief – een universele manier van analyseren binnen sociaal psychologisch onderzoek.

-> Kwalitatieve benadering levert extra en radicaal verschillende inzichten dan kwantitatief. Beperkingen: mogelijke mispresentatie en simplificering van fenomenen en perspectieven.


Begrippen met betrekking tot het experiment:

- Discourse analysis: een set van methoden om teksten en gesprekken te analyseren, met als doel te onthullen hoe mensen zin geven aan het leven.

- Triangulatie: het gebruik van meerdere methoden en meetmaterialen om een gegeven probleem te onderzoeken.

- Onafhankelijke variabele: de variabele die een onderzoeker manipuleert om het effect op een afhankelijke variabele te meten.

- Confederate: een assistent van de onderzoeker zich voordoet als een deelnemer van het onderzoek.

- Manipulation check: een meting van de effectiviteit van de onafhankelijke variabele.

- Afhankelijke variabele: de variabele die zou veranderen als reactie op manipulatie van de onafhankelijke variabele.

- Debriefing: een gesprek met de deelnemers naderhand om uit te leggen wat het doel van het onderzoek was, en welke rol zij daarin vervulde.

- One-shot case study: een onderzoek ontwerp waarin observaties gedaan worden op een groep vlak nadat er iets is gebeurd of gemanipuleerd.

- Post-test only control group design: hierbij is er een experimentele groep en een controle groep, zodat de resultaten met elkaar vergeleken kunnen worden.

- Factorial experiment: een experiment waarin twee of meer onafhankelijke variabelen gemanipuleerd zijn binnen hetzelfde ontwerp. Het stelt de onderzoeker in de gelegenheid om aparte (main effects) en gecombineerde (interaction effect) effecten op twee of meer onafhankelijke variabelen te onderzoeken.

- Mediating variabele: een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen bemiddeld.


Validiteit: Een meting is valide zolang het datgene met was het oorspronkelijk moet meten. Drie soorten validiteit in sociale psychologie:

  1. Internal validity (mogelijk probleem: experimental cofound*)

  2. Construct validity (mogelijke problemen: social desirability, demand characteristics, post-experimental inquiry, unobtrusive measures and the experimental expectancy effect)

  3. External validity

* wanneer een variabele uit twee afzonderlijke componenten bestaat.
Voordelen internetexperiment

- Grote hoeveelheden data kunnen makkelijk in een relatief korte periode worden verzameld.

- Participanten komen uit verschillende landen, uit verschillende leeftijdsgroepen en uit verschillende sociaaleconomische achtergronden.

Nadelen

- De onderzoeker verliest een deel van de controle over het experiment

- Respondenten nemen deel in verschillende settingen, op verschillende ` tijden en waarschijnlijk met verschillende mate van motivatie en serieusheid.

3 issues:

- De representativiteit van degene die kiezen deel te nemen aan een internet onderzoek.

- Niet iedereen spreekt/leest goed Engels, wat een slechte invloed kan hebben op de validiteit van de antwoorden.

- De respondenten zijn vrijwilligers, waardoor het kan zijn dat ze niet generaliseerbaar zijn naar de populatie.


Problemen met experimenteren:

  • Culturele verankering: Een lab-experiment demonstratie dat onafhankelijke variabele X een impact heeft op afhankelijke variabele O, moet gekwalificeerd worden door de bredere sociale situatie waarin X is gemanipuleerd die wellicht een rol speelt in de productie van effecten op O.

  • Hoewel het doel van sociale psychologie is om wetenschappelijke kennis te verbreden, is er reden om te betwijfelen of experimenteren in staat is om de basis te vormen van nieuwe wetten.

  • Sommige critici suggereren dat een onderzoeker nooit volledig objectief kan zijn. Daarbij worden alle fases van het onderzoek gevormd door de waarden van de onderzoeker.


Meta-analyse: een set van technieken om resultaten van onafhankelijke onderzoeken naar een fenomeen statistisch te integreren. Hierbij wordt gekeken naar of de resultaten een patroon laten zien dat betrouwbaar of toepasbaar is in meerdere onderzoeken.
Fundamentele attribute-fout: je ziet iemand veel eerder in termen van langdurige trekken dan trekken op een bepaald moment. Hoe collectivistischer de cultuur, hoe belangrijker de rollen worden: ‘hij doet dat nu wel, maar dat hoort bij zijn rol’. Wij verliezen dat soort dingen uit het oog. Onze discipline is veel afhankelijker van cultuur omdat je interacties tussen mensen bestudeert. We hebben er dus niet altijd oog voor dat iets niet universeel is.
Dataverzamelingstechnieken:

Vormen van validiteit en bedreigingen



  1. Interne validiteit

Impact van cofounding variabelen: het enige dat mag/moet variëren in een zuiver-experimentele opzet is de onafhankelijke variabele.

  1. Construct validiteit

Slecht meetinstrument, sociale wenselijkheid, demand characteristics,

experimenter expectancy -> zorgen dat de proefleider van tevoren NIET weet wat de hypothese is.



  1. Externe validiteit

Homogene groep proefpersonen (bv. Alleen studenten)
Om de validiteit te vergroten gebruikt de onderzoeker vaak een van de volgende metingen:

1.Observational measures

- Participerend observeren (Leon Festinger, Louis Theroux)

- Nadeel: reactiviteit – anders doordat ze geobserveerd worden

- Voorkomen door: observatie schema maken (turven welke gedragingen je ziet) zoals: wie zegt wat tegen wie

- Observatie van gedrag, geen gevoelens, gedachten.



Reactivity: een meetmethode is reactief als het de natuur van dat wat gemeten wordt beïnvloed. Daarbij is het algemeen bekend dat men zich anders kan gedragen zodra hij/zij geobserveerd wordt.

Ten opzichte van de andere twee punten heeft observational measures twee voordelen:

- ze kunnen vaak ‘unobtrusive’ gemaakt worden.

- Zelfs als de deelnemer zich ervan bewust is dat hij/haar gedrag geobserveerd wordt, is het dispositieve gedrag vaak erg boeiend. Hieruit kan blijken dat deelnemers hun gedrag minder makkelijk kunnen aanpassen dan ze zouden willen.


2. Self-report measures

Om te voorkomen dat respondenten niet geheel eerlijk antwoorden, kan men duidelijk vermelden dat de antwoorden anoniem zijn en dat er geen goede of foute antwoorden zijn. Ook is het mogelijk de motivatie van de respondenten te verhogen door ze te behandelen als onderzoeksmedewerkers in plaats van proefkonijnen.


3. Implicit measures: wanneer mensen niet doorhebben dat je ze meet.

- Onopvallend

- Niet-reactief

- Kunnen constructen en processen aantonen waar proefpersonen zich niet van

bewust zijn.

- Worden gebruikt met andere maten (observatie) om validiteit verhogen


Hoofdstuk 3 – sociale perceptie en attributie

Zelfs wanneer je iemand voor het eerst ontmoet, weet je meestal al iets van wat je er van kunt verwachten. Als je nog nooit van de persoon gehoord hebt, vertelt de omgeving je wat over de persoon (bibliotheek, bar enz..).

De categorie informatie geeft al voldoende bewijs voor je verwachting.

Echter deze eerste indruk klop niet altijd. Soms lijkt iemand heel aardig, maar blijkt dit achteraf niet waar en andersom geldt hetzelfde. Iemand die je niet aardig lijkt, kan uiteindelijk wel heel aardig zijn.

Dit hoofdstuk gaat over de gevoelens die we hebben bij andere mensen.
Het is belangrijk om te begrijpen hoe we andere mensen zien, maar het is ook belangrijk hoe we hun gedrag verklaren. Deze twee dingen zijn namelijk van invloed op de manier waarop men zelf handelt.
Sociale perceptie
Sociale perceptie: het proces van het verzamelen en het interpreteren van informatie over de karaktereigenschappen van andere personen.
Onderzoek van Asch heeft aangetoond dat de omschrijving van een persoon uitmaakt voor de vooroordelen die men heeft bij een persoon.

Als het gaat over een warm, intelligent enz.. persoon, omschrijven mensen deze persoon al snel als gul en goed –aardig.

Wanneer het gaat over een koud, minder intelligent persoon, omschrijven mensen deze persoon eerder als onsympathiek.

‘Warmte’ wordt daardoor ook wel gezien als een centraal kenmerk (een dispositionele eigenschap bekeken door sociale waarnemers als een integraal onderdeel van de organisatie van de persoonlijkheid)

Een eigenschap als ‘beleefdheid’ wordt gezien als een perifere kenmerk (een eigenschap waarvan de vermeende aanwezigheid niet de algemene interpretatie van de persoonlijkheid van een persoon significant verandert).
Primacy effect= de neiging dat eerdere informatie meer invloed heeft in de sociale perceptie en interpretatie. Dit primacy effect kan groter zijn wanneer men onder tijdsdruk staat en snel tot een conclusie moet komen.
Mensen tellen dus niet gewon de stukjes informatie die zij ontvangen over een doel bij elkaar op (summation / sommering), maar in plaats daarvan gaat men actief een betekenis construeren op basis van hun ideeën over hoe de verschillende persoonlijkheidskenmerken aan elkaar hangen.

Deze ideeën zijn vormen samen de impliciete persoonlijkheids- theorie.



Impliciete pesoonlijkheids theorie= een geïntegreerde set van ideeën door een sociale waarnemer over hoe verschillende eigenschappen worden georganiseerd binnen een persoon.
Configural model= een holistische benadering van de indruk van informatie, hetgeen impliceert dat de sociale waarnemers actief diepere betekenissen van de stukjes informatie die zij ontvangen over andere mensen construeren.
Het alternatieve cognitieve algebra suggereert dat verschillende stukjes informatie gemiddeld genomen zijn (averaged). bijvoorbeeld wanneer een persoon wordt omschreven als warm en saai, dan zou de overall impressie minder positief zijn dan wanneer de persoon wordt omschreven als warm en interessant, maar weer positiever dan wanneer de persoon wordt omschreven als ‘koud’ en saai.
Het versturen van informatie over een persoon in woorden in plaats van in ruwe zintuigelijke date (de persoon zien, ruiken of horen) maakt een verschil over hoe je eerste indruk van de persoon is.
Onze indrukken van anderen kan leiden tot self- fulfilling prophecy.

Self – fulfilling prophecy: wanneer een oorspronkelijke valse verwachting leidt tot zijn eigen bevestiging. De sociale waarnemer heeft aanvankelijk een onjuiste opvattingen over een doel en handelt naar die opvatting, waardoor de overtuiging uiteindelijk bevestigd wordt.

Als je bijvoorbeeld weet dat iemand verkeerde gedachten over jou heeft, dan ga je je zo gedragen; dat je duidelijk maakt dat de persoon verkeerd zit.


Samenvatting sociale perceptie:

De studie naar sociale perceptie focust zich op hoe sociale waarnemers en indruk vormen van andere mensen en hoe ze deze informatie combineren in een samenhangend overall beeld van de persoon. Baanbrekende studies onthullen het belang van de aard en de volgorde van de aangeboden informatie, en hoe waarnemers actief een betekenis construeren, in plaats van simpelweg de informatie samen te voegen. Maar hoe specifieks de stukjes informatie worden gewogen, geïntegreerd en gebruikt, hangt af van een aantal factoren. (zoals de aard van de huidige situatie en de vorm waarin de informatie wordt gepresenteerd.
Attributie theorie

De attributie theorie biedt een set van ideeën over hoe conclusies over oorzaken van een actie worden geobserveerd in meer gebruikelijke situaties van hoorzitting over de acties van een mens.

Dit proces wordt ook wel de causale attributie genoemd

Causale attributie= het proces waarbij sociale waarnemers komen tot conclusies over de oorzaken van het gedrag van een andere persoon.
Zelf- attributie: wanneer de waarnemer en de actor dezelfde persoon zijn.

Attributie onderzoek kijkt naar wat waarnemers concluderen uit de het gedrag van de actoren.


Volgens Heider (1985) zijn mensen het meest bezig met het identificeren van de persoonlijke bepalingen die goed zijn voor het gedrag van anderen. Met andere woorden: de waarnemer wil weten wat het er voor zorgt dat actoren doen wat ze doen.

Aan de hand van deze conclusie kan de waarnemer bijvoorbeeld voorspellen hoe het gedrag van de actor in de toekomst zou zijn.


Correspondentie – gevolgtrekking theorie: (correspondent inference theory)

 stelt voor dat de waarnemers de correspondent intenties en bepalingen afleiden voor waargenomen opzettelijke gedrag onder bepaalde omstandigheden.

De correspondence inference theory stelt dat mensen proberen uit te werken hoe het de gekozen gedragslijn was dat maakte dat de huidige keuze beter was dan de alternatieve wijze van aanpak.

Jones & Davis noemen dit proces ook wel: analysis of non –common effects

De waarnemers concluderen dus intenties achter acties door het vergelijken van de gevolgen van de gedrags-opties voor de actor. (Bij het kiezen tussen twee universiteiten zet je ze tegen over elkaar en schrijf je de plus en minpunten op. Uiteindelijk zou er een factor zijn (Bijv. grote stad) die je zo belangrijk vindt, dat die de doorslag geeft voor je keuze).
Correspondentie bias= de veronderstelde neiging op een persoonlijke dispositie af te leiden die overeenkomt met het waargenomen gedrag, zelf wanneer het gedrag werd bepaald door de situatie.

Covariatie theorie: (Kelly)

Hoe kunnen we verschillende mogelijke oorzaken van gedrag afwegen?

De covariatie theorie zorgt voor een meer algemene manier van hoe mensen verschillende oorzaken van een waargenomen actie of ervaring afwegen.

De covariatie theorie stelt dat waarnemers de oorzaken van gedrag uitwerken door gegevens te verzamelen voer de vergelijking van de gevallen. Causaliteit is toegeschreven aan de persoon, entiteit of situatie, afhankelijk van welke van deze factoren co- varieert met het waargenomen effect.

Waarnemers oordelen aan de hand van co –variaties of correlaties tussen effecten en de mogelijke oorzaken.
Distinctiveness information (onderscheidende informatie)= bewijsmateriaal met betrekking tot hoe een actor reageert op verschillende objecten (of entiteiten) onder soortgelijke omstandigheden. (of iemand over soortgelijke dingen de zelfde mening heeft)  kan bijvoorbeeld hoog of laag zijn

Dit meet je door een sampel (steekproef) te nemen van je objecten.


Consistency information= bewijsmateriaal met betrekking tot het gedrag van een actor tegenover een object dat varieert in verschillende situaties en tijden. (of iemand hetzelfde praat over object in verschillende situaties)  hoog / laag

Dit meet je door een steekproef te trekken van de situaties.


Consencus information= bewijsmateriaal met betrekking tot hoe verschillende actoren zich gedragen tegenover hetzelfde object. (dus of anderen er hetzelfde over denken)  hoog / laag

Dit meet je door een steekproef te trekken tussen je actoren.


Met de data van de 3 bovengenoemde informatiebronnen (samen de co- variate informatie), kun je een attributie maken.

 voorbeeld bij deze 3 informatiebronnen: pagina 64 (voorbeeld over Hermelien en Ron)


Toegang tot co- variate informatie

Hoe maken we causele attributies wanneer volledig co –variate informatie niet beschikbaar is?

 we vullen de missende informatie in aan de hand van onze eigen bestaand ideeën over hoe effecten ontstaan  causale schema’s.
Waarnemers ontwikkelen alternatieve oorzaken wanneer ze al weten hoe factoren werken bij een waargenomen effect = het discounting principe.
Multiple sufficient causes schema: moedigt de waarnemer aan om verder te zoeken naar oorzaken, zelfs als ze er al een hebben gevonden.
Het tegenovergestelde van het discounting principe is het augmenting (vergrotende?) prinipe.

Bij dit principe werkt de kennis van factoren tegen een effect. Het leidt de waarnemer tot de conclusie dat aannemelijke oorzaken sterker dan anders moeten zijn.



Kennis, verwachting en co- variatie.

Hoe gebruiken we domein- specifieke kennis om onze attributies te leiden?

Mensen zijn in de staat om de co –variatie informatie te gebruiken wanneer het aan ze gepresenteerd wordt en het de enige aanwezige informatie is.
Er is weinig bewijs dat men spontaan co –variate informatie verzameld wanneer het gemakkelijk aanwezig is. Men verzameld eerder andere informatie. Het probleem met co – variate informatie is namelijk dat het alleen iets zegt over of de actor, het object of de situatie de gebeurtenis hebben veroorzaakt. De informatie vertelt niet welk deel van de actor, het object of de situatie dit heeft veroorzaakt.
Men kijkt eerder naar de oorzaken van de verschillen tussen de werkelijke en de verwachte gebeurtenis i.p.v. het uitputtend uitpluizen dan alle beschikbare gegevens. De waarnemers weten waar ze moeten zoeken voor relevante oorzaken. (de waarnemer gebruikt hiervoor algemene kennis, kijkt naar hoe is normaal verloopt in de sociale wereld)  je hebt cognitieve scripts in je hoofd die je inzet als je iets niet weet.

Bijvoorbeeld het cognitieve script in een restaurant: de ober wijst je een tafel en geeft je het menu, je bestelt eten, je eet je eten en na het eten vraag je de rekening. Je betaalt de rekening en verlaat dan het restaurant.


Leren over causaal gebruik van covariatie en causale macht

Hoe wordt causale kennis normaal verworven?

Het is niet mogelijk om nauwkeurige kennis over causale verbanden te verwerven door simpelweg het observeren van co- variaties tussen gebeurtenissen. Er is nog iets anders nodig.

Volgens Cheng (1997) is deze extra benodigdheid een aangeboren aanleg om de waargenomen effecten toe te schrijven aan de niet-waarneembare causale krachten bij objecten of gebeurtenissen.



Causale krachten: een intrinsieke eigenschap van een object of gebeurtenis die het in staat is invloed uit te oefenen op een ander object of gebeurtenis.

Om causale verbanden waar te nemen moet je dus verder ‘kijken’ dan alleen het waarnemen / observeren van objecten en gebeurtenissen.


Volgens Cheng identificeert men potentiële causaliteit aan de hand van basis kennis over de causle krachten. Daarna beoordeeld men de werkelijke causale invloed met behulp van een vorm van co –variate analyse genaamd: probabilistisch contrast
Probabilistisch contrast: De frequentie van een effect in de aanwezigheid van een potentiële oorzaak in vergelijking met de frequentie van een effect bij afwezigheid van die oorzaak.
Attributies en prestatie

Van zijn de gevolgen van verschillende attributies voor succes en falen?

Weiner (1979, 1985) stelde dat gevolgtrekkingen over de oorzaak van ons succes of falen direct van invloed zijn op onze verdere verwachtingen, motivaties en gevoelens.

Ook maakte Weinier onderscheid tussen causale factoren gezien als controleerbaar of als oncontroleerbaar.

Bijv. Je haalt een hoog cijfer als gevolg van interne, stabiele en oncontroleerbare factoren, dan heb je niet het gevoel dat je nog beter je best moet doen om je succes te herhalen. (vaste – denkwijze)

Haal je echter een hoog cijfer door controleerbare, variabele factoren (zoals inspanning), dan heb je het gevoel dat je gemotiveerd moet blijven om in de toekomst dezelfde successen te behalen. (groeiende – denkwijze).


Attributie en depressie

Kunnen verschillende vormen van attributie leiden tot klinische depressie?



Aangeleerde hulpeloosheid theorie: het idee dat deprimerende resultaten van het leren niet afhankelijk zijn van iemands gedrag.

Echter, er zijn ook veel oncontroleerbare situaties in het dagelijks leven die mensen niet depressief maken (bijv. gokken)


Hulpeloosheid alleen leidt dus niet tot depressie. Er komen ook andere factoren bij kijken.

Zo blijkt dat veel mensen met een klinische depressie een overdreven gevoel hebben voor persoonlijke verantwoordelijkheid bij negatieve uitkomsten.

Hulpeloosheid maakt mensen alleen chronisch depressief als ze geattribueerd zijn aan de intrinsieke eigenschappen van het zelf.
Mensen die oncontroleerbare gebeurtenissen toewijzen aan interne, stabiele en globale attributies, hebben een grotere kans om depressief te worden.

Bijv. Hij vindt mij niet aantrekkelijk, dan zou geen een man mij aantrekkelijk vinden (globaal maken)


Het depressieve realisme stelt dat depressieve mensen alles ‘zieliger maar wijzer’ opvatten. Depressieve mensen interpreteren de realiteit vaak nauwkeuriger dan niet – depressieve mensen.
Misattributie van opwinding

Hoe kunnen we vaststellen wat we voelen?

Schachter (1964) stelt dat emoties afhangen van de attributies die we maken over ons innerlijke gevoel en dat we deze gevoelens niet direct reflecteren op zichzelf.

Dus, opvattingen over de opwinding vertelt ons dat we een emotie ervaren, maar niet welke emotie dit is.


Experimenten hebben uitgewezen dat opwinding die wordt veroorzaakt door emotionele gebeurtenissen, kunnen ook mis geatrribueerd worden aan niet – emotionele bronnen.
Omdat onze toeschrijvingen over, en taxaties van, emotionele situaties meestal bepalend zijn voor onze autonome en emotionele reacties in de eerste plaats, moeten symptomen van opwinding meestal een eenduidige en kant-en-klare verklaring hebben.
Attributie vooroordelen

Wat zijn de meest voorkomende types van attributie vooroordelen, en hoe kunnen ze voorkomen worden?



Attributie bias: systematische verstoringen in de sample of de verwerking van informatie over de oorzaken van gedrag.
De correspondentie bias:

Waarom onderschatten mensen situationele invloeden?

Volgens Gilbert & Malone komt dit door een aantal processen.

Ten eerste kan het zijn dat situationele krachten zo klein zijn, dat ze niet worden opgemerkt. Als ze niet worden opgemerkt kan men er ook geen rekening mee houden in hun verwachtingen.

Ten tweede kunnen onze verwachtingen over het gedrag van anderen in strijd zijn met onze interpretaties.  false concencus bias (de veronderstelling dat andere mensen over het algemeen een eigen persoonlijke opvattingen en mening delen.)

Tot slot falen mensen er soms in om hun aanvankelijke conclusies over de oorzaken van bepaald gedrag te corrigeren. Dit is vooral wanneer de verwerkingseisen hoog zijn.


Saillantie: aandacht – trekkend eigendom van objecten of gebeurtenissen afhankelijk van perceptuele functies (zoals levendigheid, gevoeligheid van de waarnemer of een combinatie van deze twee)

The actor – observer difference (het actor – observeerder verschil): gestelde algemene neiging van mensen om hun eigen gedrag te verklaren in meer situationele termen, maar andermans gedrag verklaren in meer dispositionele termen.

Er zijn twee redenen gevonden voor dit verschil:

1. mensen hebben toegang tot een breder scala van informatie over de factoren die leiden tot het eigen handelen.

2. bij het observeren van het gedrag van iemand anders is men geneigd om zich te concentreren op de persoon in plaats van op hun situatie.


Zelf –dienende attributie bias:

De zelf- dienende attributie bias vertegenwoordigt een gemotiveerde vervorming van wat er is gebeurd om persoonlijke belangen te dienen.

gemotiveerde verstoringen van de attributie die functie geven aan het gevoel van eigenwaarde en die behouden of verhogen .
je trekt conclusies uit gebeurtenissen die je positieve zelf –beeld verhogen.

Bijv. wanneer je een goed cijfer voor een tentamen haalt, concludeer je dat je het goed hebt gedaan en er goed in bent  self –enhancing bias

Wanneer je een slecht cijfer hebt, concludeer je echter dat de vragen te moeilijke waren of dat je bijvoorbeeld werd afgeleid door je buurman  self- protective bias
The naïve scientist model: een metafoor voor de manier waarop sociale informatie wordt verwerkt. Ook koppelt het sociale waarnemers aan wetenschappers die op hun beurt theorieën en het gebruik van gegevens testen en hypothesen formuleren om gedrag te voorspellen en controlen.
Sociale perceptie en sociale realiteit:

Er zijn 3 redenen waarom waarnemers niet zomaar een iets aan mogen nemen dat past bij hun huidige positie:

1. biologie en cultuur hebben de mensen niet uitgerust met oneindige flexibele cognitieve middelen voor het begrijpen van andere mensen.

2. andere mensen betwisten vaak enige formulering die niet past bij hun zelf

3. onderzoekers naar sociale perceptie hebben de neiging om zich vooral te richten op de interpretatie van mondeling vertegenwoordigde informatie of statische, zintuiglijke prikkels
Hoofdstuk 4 – sociale cognitie
Social cognition: is concerned with how we make sense of ourselves and others in our social world and how the processes involved impact upon our judgements and behaviour in social contexts.
Sociale cognitie bestaat uit 2 processen, automatisch en gecontroleerd. Wanneer we een oordeel vellen over anderen, denken we daar dan gecontroleerd over na of gaat het automatisch?

Vaak categoriseren we mensen eerst op basis van nationaliteit en ethische afkomst. Vervolgens activeren we de inhoud van deze schema’s. Op deze manier baseren we ons oordeel over een persoon. Dit doen we op basis van wat we weten van de groep waarin deze personen zich hebben gecategoriseerd.


Schema’s: onze verwachtingen van mensen die tot een bepaalde categorie horen en wat hun definieert.
Heuristiek: vuistregel om tot een oordeel te komen. Vaak effectief, maar niet in alle gevallen.

Stereotype: een cognitieve structuur die onze kennis en verwachtingen over een bepaalde menselijke sociale groep bevat. Deze worden vaak automatisch geactiveerd.

Automatisch: zonder intentie, inspanning of bewustzijn en niet verwacht te interfereren met andere cognitieve processen.
Categorisatie: de neiging om mensen of objecten in groepen te plaatsen gebaseerd op gemeenschappelijke karakteristieken.

Categorisatie is voor ons erg handig. Het zorgt voor een simpelere wereld die ordelijk, voorspelbaar en controleerbaar is.


Priming: als een construct wordt geactiveerd in het geheugen en tijdelijk toegankelijk wordt gemaakt. De stimulus dat tot dit construct dat geactiveerd wordt leidt wordt ‘the prime’ genoemd. Het is een soort bijna lege batterij, maar die kan in bepaalde situaties opgeladen worden.

Om toegankelijkheid te meten kan met gebruik maken van en lexical decision task. Hierbij krijgen deelnemers een woord te zien en moeten ze beoordelen of dit woord echt bestaat of niet. Hoe sneller ze reageren, des te groter is de toegankelijkheid. Een priming effect treed hier op als de deelnemer sneller zou reageren op het woord ‘vleugel’ als het net is geprimed met ‘vogel’, als dat ze niet geprimed zouden zijn.


Als een stereotype categorie geactiveerd is, wat gebeurd er dan vervolgens?
Encoding: de manier waarop we vertalen wat we zien in een format dat kan worden opgeslagen in ons hoofd. Bijvoorbeeld: we zien de skinhead, activeren het skinhead schema en komen tot de (verkeerde) conclusie dat hij waarschijnlijk agressief gaat reageren.

Hier zorgt het schema ervoor dat je veroordeelt bent in het beoordelen van het gedrag van de persoon. Een schema bevat veel verschillende soorten kennis over een bepaalde categorie. Met deze kennis kunnen we snel linken leggen.


Cognitieve Heuristieken

  1. Representativiteit heuristiek: een mentale ‘shortcut’ (vuistregel) die we gebruiken om iets of iemand in een hokje te plaatsen aan de hand van hoe gelijk of representatief iets is aan de categorie in zijn algemeen. We gebruiken dit omdat we simpel prefereren boven meer complexe beraadslagingen (cognitive miser)
    Base rate information: informatie die ons een idee geeft over hoe vaak een bepaalde categorie voorkomt in de gehele populatie.

  2. Beschikbaarheids heuristiek: je baseert je oordeel op hoe makkelijk het is om bepaalde informatie omhoog te halen. Zo bepaal je of iets vaak voor komt. Bijvoorbeeld: beroemde personen die plastische chirurgie hebben laten doen.

  3. Anchoring/adjustment heuristiek: als ons een anker gegeven wordt, baseren we ons oordeel daarop en blijven we in de buurt van die anker.

Priming effect wordt niet beperkt tot stereotype activatie. Het beïnvloed ook ‘trait’ activering (kenmerken, eigenschappen) en doel activering.


Tijdens een experiment van Hollander werd de geur van schoonmaakmiddelen verspreid. Daarna werd hen gevraagd wat ze wilden doen toen ze thuis waren gekomen. 36% was gaan poetsen. In de controlegroep maar 11%. De geur van het schoonmaakmiddel bevorderd het doel van schoonmaken. Waarom gebeurt dit? Volgens Dijksterhuis is het zo dat de geur van het schoonmaakmiddel de ‘input’ was en de ‘output’ motor programma’s (die ons willen laten poetsen). Tussen die twee zitten drie elementen: traits, goals en gedrag representaties. Het effect van traits en goals op ons gedrag wordt bemiddeld door gedrag representaties.
Welke factoren zorgen ervoor dat we wat meer overwogen oordelen maken?
Implicit goal operation: impliciete doelen (die gelinked zijn aan onze individuele motivatie om je op een bepaalde manier te gedragen) kunnen stereotype activering beïnvloeden.
Category activering lijkt goal dependent te zijn: een uitkomst is voorwaardelijk aan een specifiek doel dat er moet zijn.
Er is bewijs dat het soms mogelijk is om stereotype activering te voorkomen.

Theoretische benaderingen over de processen die zorgen dat stereotypen niet worden geactiveerd:



Impression formation

Als we een impressie vormen van een ander, vallen we meestal terug op twee informatiebronnen:



  1. Kennis van de categorie waar de persoon toe behoort

  2. Individuating information, details van de persoonlijke karakteristieken.

Fiske en Neuberg’s continuüm model of impression formation stelt voor dat ontvangers’ evaluaties van anderen ergens vallen langs een continuüm van impressie informatie, met category-based evaluaties aan het ene eind en individuated responses aan het andere eind. Het model neemt aan dat category-based responses prioriteit hebben en dat de beweging van category-based naar individuele kenmerken een functie is van interpretatieve, motiverende en aandacht factoren. Eerst categoriseer je iemand in een bepaalde groep. Dan bedenk je voor jezelf of diegene relevant is in de context van zorgen of doelen. Als de persoon van minimale relevantie is, begint de individuated impressie.


Onderzoek naar de motivatie van de ontvanger en de effecten op impression formation hebben geresulteerd in meerdere doelen die zich meer richten op individuated processing. The most important are:

  1. Outcome dependency: deelnemers geloven dat ze later een ‘target’ tegen zullen komen en samen zullen werken. Dit leidt tot minder stereotypen impressions.

  2. Accountability: als men denkt dat ze hun antwoorden moeten verantwoorden tegenover een derde partij. Dit leidt tot minder stereotypische impressies.

  3. Acccuracy-set instructions: waarnemer heeft de instructies gekregen om zo accuraat mogelijk te zijn.


Dissociatie Model

Dit model stelt voor dat automatische en gecontroleerde processen gedissocieerd zijn van elkaar. Dit betekent dat automatische activering van een stereotype niet meteen leidt tot stereotype reactie. Het is mogelijke om stereotype reacties te controleren als:

- we ons bewust zijn van de mogelijkheid van onbewuste vooroordelen

- we voldoende gemotiveerd zijn (om onveroordeeld over te komen)

- we genoeg tijd en aandacht hebben
Ironic process model van mentale controle

Stereotype suppression: proberen om stereotype activering niet te laten leiden tot veroordelingen over een persoon van een gestereotypeerde groep.

Ironisch omdat het juist het tegenovergestelde doet.

Als we proberen om ongewenste gedachten te onderdrukken resulteert dit in twee mentale processen:



  1. The intentional operating process (IOP): begint te zoeken naar gedachten die als afleiding kunnen dienen. Om zo niet aan dat ene ding te denken waar we niet aan willen denken. Dit vergt gecontroleerd denken en is cognitief veeleisend.

  2. Ironic monitoring process (IMP): zoekt voor bewijs van de ongewenste gedachten (als je bijvoorbeeld niet aan je ex wil denken gaat IMP je laten denken aan de etentjes, cadeautjes etc van je ex). Dit is een automatisch proces.

Het IMP moet juist die gedachten die we willen onderdrukken vasthouden. Dit zorgt voor een rebound effect: ongewenste gedachten worden geprimed en worden daardoor alleen maar toegankelijker. Onder bepaalde omstandigheden is het zo dat hoe meer mensen proberen stereotypen te onderdrukken, des te minder succesvol ze zullen zijn.


Gecontroleerd gedrag wordt gezien als een strijd tussen geactiveerde schema’s en verscheidene omgevingseigenschappen en innerlijke doelen. Dit zorgt voor oftewel ‘promoting’ of ‘inhibiting’ het voorkomen van bepaalde actiepatronen.

  1   2   3   4


Dovnload 138.44 Kb.