Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen

Dovnload 138.44 Kb.

Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen



Pagina2/4
Datum05.12.2018
Grootte138.44 Kb.

Dovnload 138.44 Kb.
1   2   3   4

Hoofdstuk 5 - Het zelf



THE SELF AND ITS SOCIAL NATURE
- What makes the self social?

Het zelf wordt gevormd door een actief sociaal proces, we interpreteren en creëren zelf. Je ontwikkelt jezelf door interactie met anderen, reacties van anderen etc.


Zelfconstructie = de kennis over jezelf wordt gevormd door een actief constructieproces dat zich uit in interactie met de sociale omgeving. Dit proces wordt gemotiveerd door hoe men zichzelf het liefst wil zien. Echter, deze constructie wordt beperkt door:
- Je biologie (je temperament)
- Je sociale ervaringen en de vaardigheden die je daardoor opdoet (je cultuur)

Het zelf ontwikkelt zich door:


- ‘Doing’  ook wel het agentic aspect van het zelf, het ‘I’. Het gaat om gedragen en interpreteren. Het actieve deel van het zelf.
- ‘Being’  het ‘me’. Dit deel van het zelf verwijst naar het beschrijvende deel van het zelf. Je overtuigingen en gevoelens over jezelf
Het zelf is een uitgebreide structuur van kennis en gevoelens. Een georganiseerd systeem van overtuigingen, waarden, gevoelens, verwachtingen en doelen.

WHERE SELF-KNOWLEDGE COMES FROM – How do we know ourselves?

Through our own observations: personal sources
Introspectie = het proces waarbij je je interne toestanden (zowel mentaal als emotioneel) observeert en onderzoekt om erachter te komen waarom je gedrag vertoond in een bepaalde situatie.
Vaak is de informatie die je hierdoor verkrijgt onnauwkeurig. Dit heeft verschillende redenen:
- Mensen verwerken constant informatie, vaak gaat dit automatisch. Meestal zijn we ons niet bewust van de meest directe redenen voor het vertoonde gedrag. Studies wijzen uit dat hoe meer mensen nadenken over hoe ze zich voelen, hoe minder hun attitudes overeenkomen met hun gedrag. Ook zijn mensen die meer impulsieve beslissingen maken, blijer met hun keuze dan mensen die heel erg nadenken.
- Mensen willen altijd ongewenste gedachten en ervaringen het liefst verdringen. Deze gedachten beïnvloeden toch ons gedrag, waardoor introspectie wordt beperkt.
- Mensen overschatten hun positieve aspecten, ze denken dat ze beter zijn dan gemiddeld. Deze illusies kunnen in de weg staan als een nauwkeurige zelfreflectie gewenst is.

Zelfperceptie theorie = wanneer de innerlijke gesteldheid dubbelzinnig is kan men dit afleiden door hun eigen gedrag te observeren. Het feit dat we rekening houden met situationele druk is heel belangrijk voor deze theorie als het gaat om motivatie. Je zal bijvoorbeeld niet toegeven dat je van schoonmaken houdt als je huisgenoot je verplicht om het te doen.


- Extrinsiek gemotiveerde activiteiten = dit doen we als we er een beloning voor krijgen of om straf te voorkomen (bijv. je kamer schoonmaken).
- Intrinsiek gemotiveerde activiteiten = activiteiten die we doen omdat het leuk is, zoals hobby’s.

De zelfperceptie theorie waarschuwt voor het overjustification effect = de intrinsieke motivatie vermindert omdat de activiteit wordt geassocieerd met een extrinsieke beloning. Je vond iets leuk om te doen, maar nu krijg je er een beloning voor, waardoor de intrinsieke motivatie daalt. Beloningen werken het beste als ze oprecht zijn en niet gedwongen.



Through the help of others: social sources
We leren veel over onszelf door reacties van anderen, wat ze ons vertellen en door te vergelijken.
De eerste ontwikkeling over wie we zijn begint als baby. Doordat er voor je gezorgd wordt ontwikkel je een positief zelfconcept. Als er niet goed voor je gezorgd wordt ontwikkel je een negatief zelfconcept. Dit is de basis van hoe we in ons verdere leven reageren op anderen en interpreteren.

Reflected appraisals = conclusies trekken door schattingen die anderen over ons maken. Die schattingen verkrijgen we door te observeren hoe anderen op ons reageren. We nemen dit mee in ons zelfconcept en het leidt toekomstig gedrag. Vaak is de kijk op onszelf anders dan de kijk die anderen op ons hebben, redenen:


- Anderen zijn niet altijd oprecht.
- We hebben een ‘confirmation bias’. We hebben meer aandacht voor mensen die het eens zijn met onze mening dan mensen met een andere mening.
- We zijn niet altijd vatbaar voor negatieve feedback.

Sociale vergelijking = een proces van vergelijking met anderen om zo eigen vaardigheden en meningen te evalueren. Je kan jezelf vergelijken met iemand die beter is als motivatie. Of met iemand die slechter is om jezelf beter te laten voelen.

Het behouden, reguleren en uitbereiden van het zelf in interpersoonlijke relaties. Wie we zijn wordt ook gevormd door voortdurende interactie met relatie partners. We bedenken wat zo’n persoon zal zeggen of doen in bepaalde situaties. Tijdens deze interactie ontwikkelen we relationele schema’s, mentale modellen die typische interactie en gevoelspatronen bevatten. Dus als je bijvoorbeeld iemand ontmoet die aan je vader doet denken, dan ga je gedragingen en gevoelens activeren die je ook bij je vader gebruikte.

Sociale identiteit van mensen is ook een uitbereiding van het relationele zelf. We verenigen ons in sociale groepen waar we onszelf mee identificeren.


- Mensen hebben behoefte aan een positieve sociale identiteit en zullen daarom hun ingroup gunstig contrasteren met de outgroup.
- Zelfcategorisatie theorie = verdeeld de wereld in ‘wij’ en ‘zij’. Dit is een automatisch proces. Het verschil met sociale identiteit theorie is dat er bij zelfcategorisatie ook rekening wordt gehouden met persoonlijke identiteit.

Experiencing a coherent self: autobiographical memories and the self as narrative
Er zijn verschillende mechanismen waardoor we een subjectief, eendrachtig zelf hebben:
- Autobiografische herinneringen. De herinneringen aan gebeurtenissen in ons leven en hoe we deze ervaren hebben zorgen voor een connectie tussen verleden en heden.
- Het zelf als verhaal. De autobiografische herinneringen worden verhalen die betekenis geven aan gebeurtenissen en die veranderingen verklaren bijvoorbeeld. Deze verhalen worden ook gevormd door de culturele normen waar individuen zich in bevinden.

THE ORGANIZATIONAL FUCNTION OF THE SELF: THE SELF AS MENTAL REPRESENTATION
- How is the self represented in the mind?


The nature of the self-concept
Zelfconcept = de cognitieve representatie van onze zelfkennis dat bestaat uit een som van alle overtuigingen die we over onszelf hebben. Het geeft betekenis en samenhang aan onze ervaringen inclusief relaties met anderen.

Zelfschema = mentale structuren die ons helpen om informatie over onszelf te organiseren. Zelfschema’s spelen ook een belangrijke rol bij het verwerken van informatie over anderen. We vergelijken hun gedrag namelijk met ons eigen gedrag.


Zelfreferentie effect = de neiging om informatie over jezelf beter te verwerken en onthouden dan andere informatie. Dit komt omdat informatie over onszelf grondiger en dieper wordt verwerkt.

Working zelfconcept = verzameling van relevante zelfkennis dat geactiveerd is en ons gedrag leidt in bepaalde situaties. Op een feestje wordt je ‘wilde’ kant geactiveerd, op de uni je intellectuele kant. Wat zorgt ervoor dat bepaalde aspecten van het zelf worden geactiveerd?


- Situationele context. In een kerk wordt je religieuze kant eerder geactiveerd dan in een pretpark.
- Individuele verschillen. Het ligt er per individu aan welke domeinen belangrijk zijn.

Desired selves = we hebben:


- potentiëlen (possible selves)  motiveert
- wensen en doelen (ideal self)  hoe je graag zou willen zijn
- plichten en verplichtingen (ought self)  motiveert om negatieve uitslagen te vermijden

Impliciete zelfkennis = hier zijn we ons niet van bewust. Deze zelfkennis komt automatisch en is dus moeilijk te controleren.


Expliciete zelfkennis = hier zijn we ons van bewust. Deze zelfkennis komt voort uit reflectie. Je kunt deze overtuigingen dus ook controleren.

The nature of self-esteem
Zelfwaardering = de totale evaluatie van onszelf op een schaal van positief naar negatief. Het gaat over wat we van onze kwaliteiten vinden. Iemand met een hoge zelfwaardering is meer zelfverzekerd dan iemand met een lage zelfwaardering. Onze zelfwaardering verandert met de tijd. Het is bijvoorbeeld hoog als je kind bent, maar veel lager als adolescent.

Omstandigheden van zelfwaarde = domeinen, intern en extern, waarin onze zelfwaardering zich bevindt. Je zelfwaardering zal zich bevinden in domeinen waarin je het meest investeert, bijvoorbeeld uiterlijk of familie.


- Hoe minder je zelfwaardering leunt op het bereiken van specifieke externe resultaten (cijfers)
- Hoe meer het leunt op interne bekrachtigers (belangen, autonomie)
 hoe meer authentiek je zelfwaarde is en hoe meer je beschermd wordt tegen tegenslagen.

Impliciete zelfwaardering = de positiviteit van iemands automatische of onbewuste evaluatie van hem of haarzelf. We hebben bewuste en onbewuste gevoelens van positiviteit en negativiteit over onszelf.


Mensen met een consistente expliciete en impliciete zelfwaardering zullen zekerder zijn en minder defensief. Dit in tegenstelling tot mensen met tegenstrijdige expliciete en impliciete zelfwaardering.

Cultural and gender influences on self-knowledge
Culturen verschillen in hoe gelijk of verschillend ze zijn in hun conceptualisering van het individu en zijn of haar rol in de maatschappij.

Onafhankelijke zelf = benadrukt autonomie, individualisme en uniekheid


versus onderling afhankelijke zelf = het zelf is fundamenteel gekoppeld aan anderen en ingebed in de maatschappij. Het benadrukt relaties en wat het zelf koppelt aan anderen en groepen.
Zelfverbetering = de motivatie om de positiviteit van zelfconcepten uit te breiden. Gaat vaak over iets wat objectief gegarandeerd is; bereikt door verschillende strategieën.

Geslacht. Vrouwen ontwikkelen meer onderling afhankelijke zelven en koppelen hun zelfwaardering aan onderling afhankelijke kwaliteiten. Bij mannen is het onafhankelijke zelf overheersend.

Ook in culturen is er sprake van individuele verschillen. Het ene individu is onafhankelijker dan een ander. Cultural frame switching = het veranderen van het zelf als reactie op situationele signalen.

The neural underpinnings of self-knowledge
Er is geen specifieke regio in het brein waar het zelf zit. Het bestaat uit een set van onderling onafhankelijke functionerende systemen die met elkaar samenwerken.

THE MOTIVATIONAL FUNCTIONS OF THE SELF
- To what extent are we motivated to find out the truth about ourselves versus preferring positive distortions?


Know thyself: the self-assessment motive
Zelfschatting motief = het streven naar een nauwkeurig en objectief beeld van het zelf. Mensen willen leren over hun wenselijke karaktertrekken,maar als het over hun zwakheden gaat zijn mensen minder gemotiveerd om te leren.

Bigger, better, faster, stronger: the self-enhancement motive
Het weigeren om over onze zwakheden te leren kan worden verklaard door het zelfverheffings motief = mensen willen de positiviteit van het zelfconcept verheffen en het zelf beschermen tegen negatieve informatie. Er bestaan echter illusies:
- Mensen hebben onrealistische positieve beelden van het zelf.
- Mensen beoordelen zichzelf gunstiger in vergelijking met objectieve standaarden.
- Mensen zijn soms onrealistisch optimistisch.
- False consensus effect = het idee dat onze mening meer overeenkomt met anderen dan dat het eigenlijk het geval is.

3 stappen van zelfverheffing informatie proces:


1. Bewijs verzamelen dat gunstig voor het zelf.
2. Overweging van het betrekken van zelfrelevante informatie. Heroverweging van bedreigende informatie voor het zelf.
3. Verzameling van alle informatie in een samenhangend verslag, waarin alles wat iemand goed doet zwaarder weegt.

We zijn ons vaak niet bewust van dit proces, dit komt door:


- Zelfdeceptie
- Deze motieven worden gedreven door affectieve processen
- Impliciete egotisme = onbewuste of automatische positieve evaluatie van objecten die we met onszelf associëren.

Tactieken die ervoor zorgen dat we ons een waardig persoon voelen:


- Zelfpresentatie = een reeks van strategieën die we gebruiken om te vormen wat anderen van ons denken  zie blz. 148 theory box 5.5 zelfpresentatie strategieën
- Zelfhandicapping = de neiging om te engageren in self-defeating gedrag om zo een excuus te hebben voor falen en het vergroten van het vermogen als je succes hebt.

Er zijn verschillen tussen culturen en hoe ze normen vormen voor zelfpresentatie en het soort kwaliteiten die mensen nastreven.



The puzzle of low self-regard: self-verification
Zelfverificatie = de motivatie om sterke zelfovertuigingen te bevestigen, dit ontstaat uit het verlangen voor een stabiele en samenhangende kijk op jezelf. Individuen met negatieve zelfbeelden hebben nog steeds zelfverheffings neigingen maar deze neigingen kunnen verworpen worden door streven naar zelfverificatie.

Why do we self-enhance?
Zelfverheffing wordt geassocieerd met mentale en fysieke gezondheid.

Sociometer theory = een theorie die stelt dat onze zelfwaardering functioneert als een signaal. Dit signaal geeft aan in hoeverre we ons geaccepteerd of afgewezen voelen door andere mensen.

Terror management theory = mensen bieden het hoofd aan de angst voor hun eigen dood door wereldbeelden te creëren die de zelfwaardering behouden.

The pros and cons of pursuing self-esteem
Mensen met een hoge zelfwaardering zijn beter bestand tegen stress, tegenslagen en depressies. Ze zijn optimistischer over de toekomst en hebben meer zelfvertrouwen. Maar deze mensen nemen ook vaak grote risico’s.
Narcisme = mensen met hele hoge mening over zichzelf en minachtende mening over anderen. Ze scheppen op en willen dat anderen tegen ze op kijken.

THE REGULATORY FUNCTIONS OF THE SELF: THE SELF IN CONTROL
- How does the self regulate our behavior so that we can plan effectively and pursue our goals and aspirations?

Een van de voordelen van een zelf is dat mensen hun acties effectiever gaan plannen.



Self-awareness theory
Een psychologische toestand waarin iemands aandacht direct op het zelf is gericht. Dit motiveert mensen om te schatten hoe goed ze normen en waarden naleven. Zelffocus kan toenemen in publieke situaties, als je je realiseert dat je acties door het publiek worden opgemerkt.

Self-regulation theory
Proces van het beheren en sturen van iemands gedrag om verlangde gedachten gevoelens en doelen te bereiken. Als we lijken te falen, ondernemen we actie om dichter bij onze doelen te komen. Zelfregulering bestaat uit een aantal stappen:
- Zelfregulerende standaarden. We adopteren standaarden, dit kunnen persoonlijke doelen zijn, sociale normen of bijvoorbeeld verwachtingen van anderen.
- Monitoring. We controleren ons gedrag.
- Het vertalen van zelfregulering in daadwerkelijk gedrag.
Ego depletion = een tijdelijke verlaging van zelfregulerende capaciteiten. Dit komt door beperkte energiebronnen na inspanningen van zelfcontrole. Onze zelfregulering breekt als we niet langer in staat zijn om aan veeleisende situaties te voldoen.

The dark side of self-regulation
Zelfregulatie wordt geassocieerd met een brede reeks aan gewenste resultaten. We kunnen echter ook te veel zelfregulatie hebben:
- De druk wordt te veel. Als je heel erg gefocust ben op jezelf ga je je gedrag controleren en in stappen denken. Dit verstoord de uitvoering van vaardigheden waar je eigenlijk heel goed in bent (bijv. penalty’s nemen tijdens een wk).
- Blijven hangen in negatieve emoties. Focus op onze tekortkomingen zorgt voor depressie.

Escaping the self
Soms willen we zelfbewustzijn ontwijken. Dit kan liggen aan zelfdestructieve gedragingen, bijvoorbeeld alcoholmisbruik. Dit zorgt voor namelijk voor minder zelfbewustzijn.

Autonomous self-regulation as a resource
Zelfregulering wordt in verband gebracht met zowel positieve (doelen bereiken) als negatieve (psychologische problemen) effecten.
Zelfdeterminatie theorie = verklaringen voor redenen om aan zelfregulering te doen. Als zelfregulering wordt gemotiveerd door externe druk dan kost het inspanning. Als er vrij wordt gekozen voor zelfregulering dan is het veel effectiever en minder uitputtend.

SELF STABILITY AND CHANGE
- To what degree can the self change, and through what process(es)?

Het zelf leidt al onze acties, het bepaalt hoe we de wereld interpreteren en hoe we ons zelf presenteren. Er is altijd een wederkerig interactie gaande tussen ‘doing’ en ‘being’. Daarnaast leven we in een sociale wereld en ontmoeten we veel mensen. Er is dus ruimte voor verandering.


Identity negotiation = een proces waarbij we schatten wie we zijn door onderlinge interacties met anderen.

Welke processen zorgen voor verandering?


- We moeten ons gedrag veranderen.
- Anderen mensen moeten consistent ander op ons reageren.
- We moeten geloven in onze nieuwe zelfbeelden.
Om grote veranderingen te laten gebeuren moet er een internalisatie proces plaatsvinden, er moet een oprechte verandering van jezelf plaatsvinden. Om deze verandering permanent te maken, moet het zelfbeeld in je zelfverhalen integreren. Ook moet de sociale omgeving zich aansluiten bij het nieuwe zelfbeeld.

Hoofdstuk 6: Attitudes
Attitude: an overall evaluation of an object that is based on cognitive, affective and behavioural information.

Attitudes kunnen verschillen in valentie (positief, negatief, neutraal) en in sterkte (zwak-sterk, zeker-onzeker).


Multicomponent model of attitude: attitudes zijn evaluaties van samenvattingen van een object die cognitieve, affectieve en gedrags voorlopers hebben. Onderzoekers hebben gekeken naar hoe deze drie aspecten bijdragen aan het uiten van attitudes.
- Het cognitive component of attitudes verwijst naar overtuigingen, gedachten en kenmerken die we associëren met een bepaald object.

Fishbein & Azjen’s expectancy-value approach

Beschrijft een attitude naar een object als de som van waarschijnlijkheid x evaluatie producten. Alleen saillante beliefs tellen mee voor de uiteindelijke attitude. Een waarde die ‘0’ is, telt niet mee en is dus niet saillant.
- Het affective component of attitudes verwijst naar gevoelens of emoties die geassocieerd worden met een attitude object.


  • Evaluative conditioning: koppelen van een attitude-object aan een plezierige of onplezierige stimulus.

  • Mere exposure effect: naarmate objecten vaker worden aangeboden worden ze positiever geëvalueerd.


Kracht van herhaling:

Polarisatie van de initiële reactie

- Eerste reactie positief: herhaling  meer positieve attitudes

- Eerste reactie negatief: herhaling  meer negatieve attitudes

Te vaak aangeboden: overexposure

Variatie bij herhaling voorkomt saaiheid.


Verklaring mere exposure effect:

- Herkenning



- Subliminale exposure?

Mere exposure effect treedt ook op (zelfs sterker) bij sumbliminale exposure (onbewuste blootstelling).

- Facilitatie van verwerking

Elke variabele die verwerking vereenvoudigt leidt tot positievere attitudes


- Het behavioural component of attitudes verwijst naar gedragingen in het verleden of de toekomst met betrekking tot een attitude object.

Self-perception theory: Bem zegt dat personen niet altijd toegang hebben tot hun meningen over verschillende objecten. Mensen kijken dan naar hun eerdere gedrag en de situatie waarin die werd uitgevoerd, en daar baseren ze hun attitude op. Bijvoorbeeld een petitie tekenen tegen nucleaire planten, kan leiden tot een negatieve attitude. Zelfperceptie speelt vooral een rol wanneer internet cues zwak, ambigu of moeilijk interpreteerbaar zijn.
Manieren om dissonantie te reduceren:

- beslissingen terugdraaien (gedrag veranderen)

- belang cognities veranderen (attitude veranderen)

- consonante elementen toevoegen (attitude behouden)

- drugs of alcohol (spanning wegnemen)

Meestal valt de keuze voor de weg van de minste weerstand


Facial feedbackhypothese: pen vasthouden met de tanden of de lippen: glimlach spieren aanspannen.

Physical feedback hypothese: direct, onbewust pad van spieren naar evaluatieve responsen. (rechtop vs ineengedoken zitten, ja vs nee schudden, armbewegingen approach & avoidance).
De structuur van attitudes

Het one-dimensional perspective on attitudes stelt dat je voor een bepaald object alleen positieve of negatieve gevoelens kan hebben en niet allebei.

Het two-dimensional perspective on attitudes stelt dat het wel mogelijk is om voor één ding zowel postieve en negatieve gevoelens kan hebben.
Attitudinal ambivalence: staat waarin de persoon een attitude object zowel leuk als niet leuk vindt.

Attitudeverandering is makkelijker bij onverschilligen. Relatie attitude-gedrag is zwak bij de onverschilligen: geen betrokkenheid.


Waarom hebben we attitudes?

5 Functies van attitudes:

  • Object appraisal function (kennisfunctie): helpt mensen om snel informatie te verwerken door negatieve en positieve elementen van objecten te samenvatten. Zo weet je ook welke cornflakes je moet kiezen in de supermarkt omdat je weet welk merk lekker is.

  • Utilitarian function (instrumentele functie): maximaliseert beloningen en minimaliseert straffen verkregen van attitude objecten. Doelen verwezenlijken en beslissen.

  • Social adjustment (sociale identiteitsfunctie): helpt ons te identificeren met mensen die we leuk vinden en te distantiëren van mensen die we niet leuk vinden. Erbij horen, identificatie met anderen.

  • Ego-defensive function: om onze zelfwaardering te beschermen. Bijvoorbeeld: slechte golfers kunnen negatieve attitudes tegenover golf krijgen omdat hun slechte performance hun eigenwaarde aantast.

  • Value-expressive function: helpen om waarden en overtuigingen uit te dragen, zelfpresentatie.


Self-monitoring: refereert aan verschillen in hoe mensen hun gedrag variëren over verschillende sociale situaties.

  • Hoge self-monitors zorgen voor oriëntatie op situationele kenmerken en passen hun gedrag aan de huidige situatie aan.

  • Lage self-monitors gedragen zich volgens hun eigen kernwaarden. Zijn niet geneigd zich aan de situatie waarin ze op dat moment verkeren aan te passen.

Vier tekenen van sterke attitudes: meer stabiel dan zwakke attitudes, meer resistent tegen verandering, meer invloed op informatieverwerking, voorspellen vaker gedrag.


Meting van attitudes

Explicit measures of attitude: op directe manier aan respondenten vragen wat hun attitude is.

Implicit measures of attitude: spontane evaluatieve associaties meten met een object zonder verbale informatie te vragen.
De meerderheid van de attitude metingen kan worden gezien als expliciete indicators. Twee expliciete metingen van attitudes:

  • Likert schaal: stelling, gevolgd door een 5 of 7-puntschaal; helemaal eens…helemaal oneens.

  • Semantische differentiaal schalen: men zet een kruisje ergens tussen goed-slecht (met het midden als neutrale punt). Meet attitudes ten opzichte van veel verschillende attitude-objecten op een gemeenschappelijke schaal.

De twee meest voorkomende meetinstrumenten voor impliciete metingen:



  • Evaluatieve priming: object wordt kort weergegeven, gevolgd door een woord als ‘geluk’ of ‘oorlog’. De participant moet dan zo snel mogelijk de valentie van het woord beoordelen. Hierbij wordt de snelheid van de reactie gemeten.

  • The Implicit Association Test: deelnemers moeten op een computer bijvoorbeeld de ‘s’ toets voor blanken gebruiken en de ‘k’ toets voor zwarten. Eerst moeten zij ook voor positieve dingen de s toets gebruiken en voor negatieve dingen de k toets. Later wordt dit omgedraaid. Als iemand zwarten benadeeld ten opzichte van blanken dan doet iemand er langer over om positieve dingen toe te wijzen aan een zwarte.

1   2   3   4

  • WHERE SELF-KNOWLEDGE COMES FROM – How do we know ourselves Through our own observations: personal sources
  • Through the help of others: social sources
  • Experiencing a coherent self: autobiographical memories and the self as narrative
  • THE ORGANIZATIONAL FUCNTION OF THE SELF: THE SELF AS MENTAL REPRESENTATION - How is the self represented in the mind The nature of the self-concept
  • The nature of self-esteem
  • Cultural and gender influences on self-knowledge
  • The neural underpinnings of self-knowledge
  • Know thyself: the self-assessment motive
  • The puzzle of low self-regard: self-verification
  • Why do we self-enhance
  • The pros and cons of pursuing self-esteem
  • THE REGULATORY FUNCTIONS OF THE SELF: THE SELF IN CONTROL - How does the self regulate our behavior so that we can plan effectively and pursue our goals and aspirations
  • The dark side of self-regulation
  • Escaping the self
  • SELF STABILITY AND CHANGE - To what degree can the self change, and through what process(es)
  • Multicomponent model of attitude
  • Verklaring mere exposure effect
  • Manieren om dissonantie te reduceren
  • Facial feedbackhypothese
  • 5 Functies van attitudes

  • Dovnload 138.44 Kb.