Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen

Dovnload 138.44 Kb.

Samenvatting Introduction to Social Psychologie 5th edition Hoofdstuk 1 introductie Oorzaken van vooroordelen



Pagina3/4
Datum05.12.2018
Grootte138.44 Kb.

Dovnload 138.44 Kb.
1   2   3   4

Twee geheugensystemen (Smith & deCoster, 2000)

  • Fast learning system- reflectief systeem: snel systeem voor het leren van nieuwe informatie, intensief leren door eenmalige gebeurtenis, elementen zijn relatief makkelijk te veranderen.

  • Slow learning system- associatief systeem: betrouwbaar systeem, reflecteert vele observaties in omgeving. Leren door herhaling, zonder bewuste aandacht. Elementen zijn moeilijker te veranderen.


Voorspellen attitudes gedrag?

Attitude-behaviour relation: de mate waarin een attitude gedrag voorspelt.
Wanneer voorspellen attitudes gedrag? Factoren:

  • Als er correspondentie is tussen attitude en gedrags meting.

Ajzen & Fishbein stelden voor dat er hoge correspondentie plaats moest vinden tussen attitude en gedrag metingen. (In de brief had moeten staan of ze een goed gekleed, net chinees koppel wilden serveren die met een Amerikaanse man op pad waren. Zo was het in het echt gebeurd en niet alleen zeggen ‘van het chinese ras’). Zij stellen dat er correspondentie plaats moet vinden op 4 belangrijke punten: action (het gedrag dat wordt uitgevoerd), target (target van het gedrag), context (de omgeving waarin het gedrag wordt uitgevoerd) en time (de tijd waarin het gedrag plaats vindt, meteen of binnen een jaar bv). Een meting in attitude zal volgens hen gedrag het beste voorspellen als de metingen corresponderen op deze vier elementen.

  • Het hangt af van het domein van het gedrag.

De relatie tussen attitudes en gedrag verschillen wanneer we verschillende domeinen onderzoeken. Bijvoorbeeld stemgedrag (hoge correlatie) en bloed doneren (lage correlatie).

  • Het hangt af van de sterkte van de attitude.

Sterke attitudes voorspellen gedrag eerder dan zwakke attitudes. (zekerheid, toegankelijkheid, stabiliteit, directe ervaring: proefmonsters, proefritten etc.)

  • De rol van persoons variabelen

Onderzoekers hebben onderzocht hoe gevarieerde persoonlijkheden bepalen in welke maten meningen handelingen beïnvloeden. Hierbij is de mate van self-monitoring van belang, de need for cognition en het soort deelnemers die aan de studie meedoen.
Modellen om uit te leggen hoe attitudes gedrag voorspellen

  • The theory of reasoned action: een model dat is ontworpen om gepland (gecontroleerd) gedrag te voorspellen. Volgens dit model wordt gedrag bepaald door bewust gevormde intenties. Fishbein & Ajzen onderscheiden twee determinanten van intenties: attitude ten opzichte van gedrag en subjectieve normen. Volgens het model wordt de attitude van iemand bepaald door ‘the expectancy’ (het milieu helpen) te vermenigvuldigen met ‘the value’ (het is goed om het milieu te helpen) voor elke consequentie en deze waardes bij elkaar op te tellen. Subjectieve normen verwijzen naar hoe de individu denkt dat anderen het gedrag beoordelen. Subjectieve normen zijn hoog als je familie en vrienden positieve verwachtingen hebben tegenover het recyclen en als jij gemotiveerd bent om aan deze verwachtingen te voldoen. Maar de handelingen van een persoon werden ook beïnvloed door het gevoel dat ze hadden of ze het wel konden doen. Dit noemen we self-efficacy: de overtuiging of iemand het vermogen heeft om een bepaalde handeling uit te voeren en tot een specifiek doel te komen. Dit leidt tot perceived behavioural control: de notie dat voorspelling van gedrag wordt beïnvloed door het geloven van mensen of ze iets wel of niet kunnen doen. Dit leidde Fishbein & Ajzen tot verandering van de theorie:

  • The theory of planned behaviour: Volgens dit model is bepalen perceived behavioural control, en attitudes en subjectieve normen gedragsintenties. Perceived behavioural control beïnvloed gedrag op twee manieren.

- Indirect via intenties: idee van weinig controle verkleint de intentie om het gedrag uit te voeren (motivationeel)

- Direct: werkelijke controle


Implementation intentions: worden opgevat als if-then plans die een gedrag speciferen dat men nodig heeft om uit te voeren om zo een doel te bereiken en de omgeving waarin het gedrag zal voorkomen. Bijvoorbeeld: op de eerste dag van het nieuwe semester zal ik beginnen met leren voor mijn examens. Het vormen van zo’n implementation intention verhoogt de kans dat iemand een gewenst gedrag vertoont.
Soorten beliefs:

- beschrijvende beliefs: eigen ervaring

- inferentiële beliefs: afgeleide kennis

- informationele beliefs: externe informatie

Elementen van beliefs:

- Belief strength: subjectieve waarschijnlijkheid waarmee iemand het kenmker of de consequentie verbonden ziet aan het attitude object.

- Belief evaluation: evaluatie van het kenmerk of de consequentie.
Attitudes voorspellen meer gedrag dan subjectieve norm. De rol van subjectieve norm is belangrijker in collectivistische culturen. Nadenken over je attitude verandert de relatie attitude-gedrag (maakt de cognitieve basis saillanter dan de affectieve basis).


  • The MODE model: Mode staat voor motivation and opportunity as determinants of behaviour. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen beredeneerd gedrag en spontaan gedrag. Dit model stelt voor dat wanneer motivatie en gelegenheid om informatie te verwerken beide aanwezig zijn, men beredeneerd gedrag vertoont, gebaseerd op attitude. Als er geen motivatie/gelegenheid is:

- Toegankelijke attitude wordt geactiveerd: sterke relatie attitude-gedrag

- Niet of slecht toegankelijke attitude wordt niet geactiveerd: zwakke relatie attitude-gedrag

- Gedrag wordt in dat geval gestuurd door de situatie.


  • The RIM model: reflective-impulsive model. Dit model stelt voor dat gedrag wordt gecontroleerd door twee interacterende systemen:

- Reflectief: stuurt gedrag via een beredeneerde afweging van beschikbare informatie. Processen hebben overeenkomst met reacties van mensen op expliciete metingen van attitudes.

- Impulsief: stuur gedrag door meer automatische en associatieve verbindingen. Processen hebben overeenkomst met reacties van mensen op impliciete metingen van attitudes.


Spontaan gedrag hangt niet samen met attitude als de attitude niet toegankelij is (dus zwak). Gewoontes en automatisch gedrag leveren een unieke bijdrage aan de voorspelling van gedrag, onafhankelijk van attitudes, normen en intenties.
Hoofdstuk 7 – strategieën van attitude- en gedragsverandering

Dit hoofdstuk focust op de twee belangrijkste strategieën betreft het veranderen van attitudes en gedrag, namelijk (1) het gebruik van overtuiging en (2) het gebruik van prikkels en sancties.



PERSUASION
Onderzoek naar overtuigingskracht via communicatie kwam op rond de tweede wereldoorlog, met de ontwikkeling van propaganda. Voor 1980 werden de meeste theorieën over overtuiging en verandering van attitudes ondersteund door systematic processing. Het veranderen van attitudes wordt gemedieerd door het proces van verwerking van de overtuigende argumenten door de ontvanger en is afhankelijk van bekwaamheid en de moeite die de ontvanger doet om het te verwerken. De twee theorieën met de meeste invloed binnen systematic processing zijn the information processing model en the cognitive response model.
Het information processing model van McGuire bestaat uit een model met stappen die betrokken zijn bij het verwerken van overtuigende communicatie. De overtuigende impact van een boodschap is het product van 5 stappen: (1) aandacht; (2) begrip; (3) overgave/acceptatie; (4) vasthouden en (5) gedrag. Het gewenste gedrag vertoont men alleen wanneer alle stappen doorlopen zijn.
Het cognitive response model van Greenwald verklaart de ontbrekende correlatie tussen het herinneren van een argument en een veranderende attitude. De ontvangst van argumenten verandert attitudes niet, maar de gedachten (cognitieve reacties) die horen bij de argumenten en gestimuleerd worden bij de ontvanger. Het zijn dus niet de gegeven argumenten die je attitude veranderen, maar de voor- en tegenargumenten die je zelf als antwoord hierop verzint. De invloed van de boodschap op veranderende attitudes is dus niet afhankelijk van de mate waarin het ontvangen van een argument wordt vergemakkelijkt, maar van de mate waarin iemand gestimuleerd wordt om zelf voor- en tegenargumenten te ontwikkelen over de gepresenteerde argumenten.
Thought-listing is een maatstaf voor cognitieve reacties. Een respondent wordt dan gevraagd om alle gedachten op te schrijven die in hem opkomen wanneer hij blootgesteld wordt aan een overtuigende boodschap.
Afleiding kan er voor zorgen dat goede/sterke argumenten in overtuigende boodschappen minder effect hebben op een verandering in attitudes, terwijl afleiding in boodschappen met slechte/zwakke argumenten ervoor kan zorgen dat men minder tegenargumenten kan verzinnen.

Maar kunnen attitudes ook veranderen zonder systematische verwerking? Wat hebben conditionering en veelvuldige blootstelling (mere exposure) hiermee te maken? Dual-proces theories of persuasion bestaan uit theorieën van systematische verwerking en overtuigingsprocessen die niet gebaseerd zijn op systematische analyse van argumenten in boodschappen. Er zijn twee theorieën: the elaboration likelihood model (ELM) en the heuristic-systematic model. Het ELM van Petty en Cacioppo stelt dat attitudeverandering door overtuigende communicatie gemedieerd is door centrale of perifere verwerking. De kans dat een ontvanger de argumenten in de boodschap kritisch evalueert hangt af van de motivatie (vraagt tijd en inspanning) en bekwaamheid. Wanneer men gemotiveerd is en bekwaam genoeg om over de argumenten na te denken, wordt the central route to persuasion gevolgd, en wanneer attitudes gevormd worden door simpelweg de argumenten aan te horen en voor waar aan te nemen heeft men the peripheral route to persuasion gevolgd (hierbij is geen systematische verwerking aan te pas gekomen).


Het perifere proces dat het meest onderzocht is, is heurstic processing, waarbij men vertrouwt op simpele heuristieken om de geldigheid van de argumenten te beoordelen (de experts zullen het wel weten, statistieken wijzen het uit, dus het zal wel kloppen). Wanneer sterke argumenten vaker herhaald worden, zullen attitudes sneller veranderen, terwijl herhaling van zwakke argumenten er juist voor zorgt dat attitudes minder snel veranderen. Té vaak herhalen kan ook averechts werken. Wanneer het issue niet belangrijk is zijn mensen sneller geneigd om de perifere route te volgen.
Need for cognition = een individuele variabelen die mensen onderscheid volgens de mate waarin ze het leuk vinden om over argumenten in een boodschap na te denken
Need for cognitive closure = refereert aan het verlangen voor individuen om een definities antwoord te hebben op een vraag. Mensen die hier behoefte aan hebben vertrouwen eerder op heuristieken dan op de nauwkeurigheid van argumenten.
Vier beweringen over sterke attitudes:
- sterke attitudes zijn aanhoudend (op de lange termijn)
- sterke attitudes zijn beter bestand tegen tegenattitudes
- sterke attitudes beïnvloeden informatieverwerking in hogere mate
- sterke attitudes kunnen gedrag in hogere mate voorspellen
Defence motivation = bevestigen van de waarde van attitudes die bij je overtuigingen aansluiten en het ontkrachten van attitudes die niet bij je overtuigingen aansluiten
Impression motivation = het verlangen om attitudes te uiten die sociaal geaccepteerd zijn

Evaluatieve conditionering kan zowel expliciete als impliciete attitudes veranderen. De kwaliteit van de argumenten heeft een grotere impact op impliciete attitudes wanneer een kwestie persoonlijk relevant is. Volgens het MODE model zijn attitudes associaties tussen een attitude object en een samenvattende evaluatie van het object. Attitudes zijn een vorm van kennis, namelijk evaluatieve kennis en zijn gerepresenteerd in het geheugen (boter associëren we met brood). Onderzoek wijst uit dat impliciete attitudes veranderd kunnen worden door processen gebaseerd op uitgebreide afweging en processen die geen uitgebreide afweging vereisen (zoals evaluatieve conditionering, veelvoudige blootstelling).



Subliminal advertising = het presenteren van een boodschap op zo’n onopvallende manier, dat mensen zich er niet bewust van kunnen zijn dat het aanwezig is
Aannames over de effectiviteit van priming
- priming werkt alleen als iemand het product al leuk / lekker vind
- merk priming heeft alleen invloed als iemand dat product ook echt nodig heeft (ook als iemand cola lekker vindt heeft priming geen nut wanneer diegene geen dorst heeft)
- subliminal priming heeft geen effect wanneer een merk al wereldwijd bekend is
- subliminal priming voor bijvoorbeeld het merk coca-cola is effectiever wanneer iemand dorst heeft, én het merk niet vaak consumeert
- merk priming in een film werkt averechts wanneer de film negatieve emoties oproept
De drie belangrijkste elementen in reclames zijn argumenten, emoties en bevestiging. De effectiviteit van deze elementen is afhankelijk van 2 factoren, namelijk het type product (feeling product: drinken, of thinking product: wasmachine) en de betrokkenheid van het publiek. Feeling products spelen in op je gevoel, terwijl thinking products gekozen worden op mogelijkheden, betrouwbaarheid, kwaliteit etc. Producten die niet echt onder een van de twee typen vallen, kunnen het best gepromoot worden door bekende mensen of experts of zorgen dat ze inspelen op het gevoel (schuldgevoel aanpraten, angst aanwakkeren).

INCENTIVE-INDUCED ATTITUDE CHANGE
Machtige instituties (zoals de overheid) beïnvloeden gedrag direct door premies of sancties. Daarnaast kunnen ze belasting (accijns) inzetten om bepaald gedrag te verminderen, zoals de consumptie van alcohol en tabak. Wanneer het gedrag veranderd (iemand koopt minder vaak alcohol omdat het duurder is geworden) zal ook de attitude veranderen (negatievere attitude t.o.v. alcohol). Dit is overigens alleen effectief wanneer de regels worden gehandhaafd.
Counterattitudinal behaviour = gedrag dat inconsistent is met de attitude of overtuigingen van de actor
Een omstandigheid waaronder attitudes kunnen veranderen, is wanneer men bepaald gedrag onder dwang moet uitvoeren en het achteraf gezien minder erg vindt dan verwacht. Ze realiseren zich dat hun attitude onterecht was en vervolgens wordt het gedrag een gewoonte.
Cognitive dissonance theory (Festinger)= gaat er vanuit dat dissonantie een vervelende situatie is, waardoor het men motiveert om dit te verminderen. Mensen die gedwongen worden om een bepaald gedrag te vertonen dat tegenstrijdig is met hun ideeën hierover, ervaren dissonantie. Zij zullen dit proberen te verminderen door hun overtuigingen / ideeën aan te passen.
Wanneer het gedrag van een individu tegenstrijdig is met zijn attitude, maar dit doet om straf te vermijden, zal de mate van dissonantie hoger zijn wanneer de straf lager is.

Self-perception theory = mensen zijn zich zelf vaak niet bewust van hun eigen attitudes
Zelfperceptie theorie karakteriseert attitude verandering in de context van minder tegenstrijdig gedrag waar het individu streeft naar een positie die aansluit bij zijn/haar aanvankelijke attitude. Fazio noemt dit attitude-congruent, en definieert dit als een positie die iemand aanneemt die nog wel acceptabel is voor diegene, ook al sluit het niet volledig aan bij de aanvankelijke attitude.
Dissonantietheorie gaat er vanuit dat wanneer attitudes in strijd zijn met het gedrag, de attitude alleen veranderd wanneer de prikkel onvoldoende rechtvaardiging biedt voor de gedragsverandering. Mensen wijzen een verandering in hun gedrag niet toe aan de prikkel (dus minder alcohol drinken komt niet doordat de accijns is verhoogd… maar omdat het beter voor me is).
Er is ook bewijs dat sancties en prikkels paradoxale effecten hebben. Volgens de reactance theory van Brehm is zouden mensen bepaald gedrag gaan vertonen wanneer dit verboden is. Een andere vorm hiervan is intrinsic motivation. Gedrag zou intrinsiek motiverend zijn wanneer mensen dit vertonen omdat ze het gewoon leuk vinden om te doen: externe beloning (zoals geld) kan deze intrinsieke motivatie verminderen.
Over-justification effect = het bieden van een externe beloning voor het vertonen van een bepaald gedrag, wat men in de eerste instantie gewoon uit vrije wil deed, vermindert het vertonen van dit gedrag in het vervolg

Hoofdstuk 8 – Sociale invloed (Thomas)
Hoofdstuk 9 - Agressie ©Babs
Defenition and measurement of agressive behaviour

Definitie agressie (Baron / Richardson)

  • Elke vorm van gedrag met als bedoeling om een ander levend wezen pijn te doen / te verwonden die zo’n behandeling wil vermijden.

  • Agressie gekarakteriseerd door onderliggende motivatie  niet door de consequenties

    • Gedrag is agressief wanneer het geleid wordt door de intentie om pijn te doen (schade te verrichten)  zelfs als er helemaal geen schade aangericht werd richting de target-persoon

  • Vorm van sociaal gedrag: 1 persoon / groep naar andere persoon of groep


Geweld: gedrag met intentie om iemand flink pijn te doen. Er wordt gebruik gemaakt van of gedreigd met fysiek geweld. (schreeuwen naar iemand is dus agressie, maar niet geweld)
Verschillende soorten agressief gedrag: direct/ indirect, actief/passief, fysiek/verbaal.





Actief




Passief







Fysiek

Verbaal

Fysiek

Verbaal

Direct

Moord

Schelden

Negeren

Niet terug bellen

Indirect

Bomaanslag

Roddelen

Saboteren

Niet verdedigen tegen roddel


Instrumentele agressie: gedrag richt zich op het bereiken van een specifiek doel, bijv. iemand in gijzeling nemen om zo een som geld te ontvangen.

Vijandige agressie: gedrag dat wordt gemotiveerd door de wens om boosheid en vijandige gevoelens uit te drukken. Doel: persoon/groep schaden.
Het meten van agressie

  • Observatie: data verzameld door de onderzoeker in een kunstmatige experimentele situatie. Moeilijk om een échte situatie na te bootsen  gevolg: construct validiteit: geven resultaten van het onderzoek wel goed genoeg antwoord op de vraag die de onderzoeker heeft?

  • Rapporteren: data verkregen via andere bronnen. Verslag van onafhankelijke observatoren is beter dan verslag van deelnemers zelf vanwege sociaal wenselijke antwoorden.

    • Agression Questionnaire: self-report instrument om agressie te kunnen meten. Deelnemer vult dus zelf deze enquête in.

    • Peer nominations: agressie meten d.m.v. het ondervragen van andere mensen dan de persoon zelf (bijv. klasgenoten).

  • Archieven: gebruik maken van statistieken (bijv. criminaliteit) en onderzoek dat al eerder is gedaan. Onderzoekers worden hierin beperkt tot het materiaal dat beschikbaar is.


THEORIES OF AGRESSION

Biologische benadering (evolutionaire en genetische principes)

  • Ethologisch perspectief (Konrad Lorenz).

Agressie wordt gezien als iets dat gedreven wordt door een intern proces van energie dat vrijkomt bij agressie-gerelateerde stimuli.

    • Stoommachine model: agressie wordt continu opgebouwd, als deze agressie tussentijds niet wordt vrijgelaten door externe stimuli, wordt er te veel agressieve energie opgebouwd en kan de persoon op een onverwacht moment ‘barsten’.]

  • Genetische gedragsbenaderingen

Via adoptie- en tweelingenstudies onderzocht of agressief gedrag genetisch bepaald is. Je genen kunnen je agressieve intentie bepalen, maar uiteindelijk zorgen de omgevingsfactoren voor het uitvoeren van agressief gedrag.

  • Hormonen

Hoge testosteron gehalten en lage cortisol gehalten kunnen leiden tot agressie. Deze waarden gaan echter samen met omgevingskenmerken.
Psychologische benadering

  • Frustratie-agressie hypothese: Agressie gedreven door het willen afreageren van frustraties. Agressie kán een reactie zijn op de frustratie, hoeft niet. Vaak hebben ook andere variabelen nog invloed.

  • Displaced aggression: agressieve respons op frustratie die gericht is op een iets dat niets te maken heeft met de oorzaak van de frustratie. Er wordt een gemakkelijk toegankelijk / minder bedreigend doelwit gekozen.

  • Agressive cues: aspecten van een situatie die zorgen voor hogere toegankelijkheid van agressieve cognities. (geweer, vechtende mensen)

  • Weapons effect: bij het zien van een wapen worden bij mensen de agressieve cognities toegankelijker als ze al gefrustreerd zijn dan als zij geen wapen te zien krijgen.

  • Cognitive neo-associationism: Berkowitz zei dat niet alleen frustratie kan leiden tot agressie maar juist alle onprettige stimuli (harde geluiden/pijn). Deze zorgen voor specifieke emoties: angst en boosheid. En die zorgen dan weer voor een directe reactie: vechten (a.g.v. boosheid) en vluchten (a.g.v. angst). Agressief gedrag wordt dus gezien als resultaat van een negatieve invloed die wordt toegewezen aan cognitieve processen  activeert netwerk van agressie-gerelateerde gedachtes en gevoelens.

  • Exitation transfer theory: Het effect van frustratie als trigger voor agressief gedrag kan versterkt worden door een fysiologische arousal van een neutrale, non-agressieve bron. Bijvoorbeeld: voetballer sprint heel hard (fysiologische arousal, zorgt voor opwinding), maar wordt vlak voor de goal onderuit gehaald (anger-related arousal). De eerste arousal wordt dan ‘verplaatst’ van neutrale naar negatieve arousal en wordt vals toegeschreven aan boosheid. Gevolg: de kracht van de agressieve reactie op de anger-related arousal is groter.

  • Social learning theory (Bandura): gedrag kan veranderen door ervaring. 2 mechanismes hebben effect op de verwerving van agressief gedrag:

    • Direct reinforcement: agressief gedrag belonen waardoor de kans op agressief gedrag in de toekomst groter wordt

    • Observatorial learning (vicarious reinforcement): leren door imitatie

  • Sociale informatieverwerkingsmodellen: benadrukken de cognitieve representaties (scripts) in het voorspellen van agressief gedrag. Sociaal/ agressief gedrag wordt gevormd door agressieve scripts van gepaste gedragingen in verschillende sitiuationele contexten  scripts werken dus als richtlijnen

  • The general agression model (GAM): raamwerk waarin alle kennis over de oorzaken van agressief gedrag gebundeld zijn. Legt uit hoe persoonlijk een situationele variabelen leiden tot agressief gedrag via cognitieve beoordeling en negatieve arousal. Individuele en externe stimuli komen samen in een situatie en zorgen zo voor een interne situatie bij een persoon die wordt gekarakteriseerd door specifieke cognities, gevoelens en arousal symptomen. (Zie boek blz 286)


PERSONAL AND SITUATIONAL VARIABLES AFFECTING AGGRESIVE BEHAVIOUR

Individuele verschillen in agressie

  • Trait aggressiveness: agressiviteit als karaktertrek. Stabiele verschillen in de waarschijnlijkheid en de intensiteit van agressief gedrag.

  • Hostile attribution bias: neiging om vijandigheid aan een persoon toe te schrijven zonder te weten of de schade per ongeluk of opzettelijk was.

  • Gender differences: mannen zijn fysiek en verbaal agressiever (oa. te zien in statistieken van gewelddadige crimes). Vrouwen vertonen meer indirecte, relationele agressie (bijvoorbeeld manipulatie).

1   2   3   4

  • Wanneer voorspellen attitudes gedrag Factoren
  • Modellen om uit te leggen hoe attitudes gedrag voorspellen
  • Implementation intentions
  • Dual-proces theories of persuasion
  • Need for cognitive closure
  • INCENTIVE-INDUCED ATTITUDE CHANGE
  • Counterattitudinal behaviour
  • Cognitive dissonance theory
  • Over-justification effect
  • Defenition and measurement of agressive behaviour
  • Actief Passief
  • Instrumentele agressie
  • THEORIES OF AGRESSION Biologische benadering
  • Psychologische benadering Frustratie-agressie hypothese
  • PERSONAL AND SITUATIONAL VARIABLES AFFECTING AGGRESIVE BEHAVIOUR Individuele verschillen in agressie

  • Dovnload 138.44 Kb.