Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Metabolisme en Toxicologie Esmee Castermans College 1 (23 feb)

Dovnload 277.62 Kb.

Samenvatting Metabolisme en Toxicologie Esmee Castermans College 1 (23 feb)



Pagina5/6
Datum13.11.2017
Grootte277.62 Kb.

Dovnload 277.62 Kb.
1   2   3   4   5   6

College 5 (27 feb)
Ongeveer 50% van de medicijnen die afgekeurd worden wordt afgekeurd wegens levertoxiciteit.
Menselijke lever: 2 lobes. In het midden komen de poortader en de leverarterie uit. Dit bloed komt samen in de holle ader, die bovenop de lever ligt. Bij de poortader en de leverarterie ontspringt ook de galbuis. Deze komt uit in de galblaas, die onder de lever hangt.

Leverlobje: hexogene (6-hoekige) structuur. Om elke hoek liggen aderen van de poortader heen en deze hebben allemaal uitlopers naar het midden van het lobje, waar een uitloper van de holle ader is. Het bloed stroomt van buiten naar het midden van het leverlobje. Ook zuurstofrijk bloed uit de leverarterie wordt van buiten naar binnen getransporteerd. Ook wordt er gal gemaakt. Die wordt juist in het midden gemaakt en gaat naar de buitenkant, waar het afgevoerd wordt. In de bloedvaten van de leverlobjes bevinden zich Kupffercellen.


Venestrae: poriën in de sinusoïden (bloedvaten) zodat stoffen uit de bloedbaan kunnen treden en de hepatocyten kunnen bereiken. Ze komen dan in de D-laag terecht
De hepatic artery, portal vein en bile duct liggen altijd als een drie-eenheid bij elkaar tussen de hepatocyten. De portale ader is het grootst.
De lobuli zijn opgedeeld in zones. Er zijn in totaal 3 zones die samen de acinus (functionele eenheid) vormen. De acinus ligt half in het ene lobje en half in het andere lobje. De binnenkant van de acinus is zone 1 en ligt het dichtst bij de portale triade. Zone 2 ligt hiernaast en zone 3 (centrilobilaire zone) ligt het dichtst bij de centrale vene aan de buitenkant van de acinus.
Er is heterogeniteit tussen de leverzones. Dit is zowel door de ligging (dingen die door zone 1 al gedaan zijn, kan zone 3 niet meer doen omdat het al gedaan is) en door verschillende eigenschappen (de zones zijn functioneel verschillend)
Functies van de verschillende zones

Zone 1: sulfotransferase, alcohol dehydrogenase en GSH

Zone 2: overgangszone, dus die heeft van alles een beetje

Zone 3: cytochrome P450 (!) en vet-synthese


De lever bevat meerdere celtypes.

  • Kupffercellen (macrofagen van de lever, tussen de endotheelcellen): cytokines, ontsteking, antigen presentatie en ROS productie

  • Hepatocyten: bioactivatie en metabolisme van vet, glucose, albumine, etc.

  • Endotheelcellen van de bloedvaten: ontsteking

  • Stellate cellen (tussen de endotheelcellen en de hepatocyten): fibrose (extracellulaire matrix synthese) en vitamine A opslag.

In het geval van chemische of ischemische stress kan een hepatocyt beschadigd raken en Kupffercellen activeren. Deze heeft NADPH oxidase en zorgt daarmee voor ROS productie. Ook worden er neutrofielen geactiveerd, die op dezelfde manier ROS maken en ook proteases maken. Deze versterken dus het effect. De Kupffercellen trekken de neutrofielen aan met TNF-alfa. TNF-alfa speelt een centrale rol bij deze immuunrespons.


Functies van de lever:

  • Intermediair metabolisme – koolhydraten, aminozuren, cholesterol, vet en eiwitten

  • Biotransformatie (metabolisme) van xenobiotica

  • Secretie – gal, galzuren, galzouten

  • Excretie – bilirubine, drugs, toxines

  • Synthese – albumine, bloedstollingsfactoren

  • Opslag – vitamines, koolhydraten, etc.


Levertoxiciteit
Waarom is de lever een belangrijk doelorgaan voor toxiciteit? (!)

  • Hoge metabole capaciteit (toxificatie en detoxificatie)

  • Grote blootstelling, vooral na po (=oraal, hoge concentratie in het poortaderbloed)

  • Hoge doorbloeding

  • Transporters (dus toxines komen makkelijk de lever in)

  • Veel essentiële functies

  • Gal secretie (hoge concentraties in de gal, dus cellen rond de gal hebben een extreem hoge blootstelling)

Er is een zeer groot aantal oorzaken voor levertoxiciteit, maar er is slechts een beperkt aantal reacties:



  • degeneratie

    • Steatose en andere ophopingen

    • Ballooning

    • Celdood (necrose en apoptose)

  • fibrose/cirrhose

  • ontsteking (hepatitis)

  • tumoren

  • cholestetase

  • vaatbeschadiging

De schade is vaak selectief in 1 van de zones. (!)
Celdood:

  • Zonaal

    • Vaak periveneus (zone 3), want daar zit CYT P450!  CCl4, paracetamol

    • Soms periportaal (zone 1)  N-OH-AAF, cocaïne

  • Grote reservecapaciteit: acuut leverfalen ontstaat pas bij uitval van meer dan 80% van de hepatocyten.

  • Groot regeneratievermogen. Als je er wat afhaalt, groeit het weer aan.

Paracetamol:



  • Metabolisme (CYP 1A1, 1A2, 2E1, 3A4)

    • Inductie door alcohol

    • Species verschillen

    • Inhibitie (cimetidine, ethanol)

  • Covalente binding van een reactieve metaboliet (NAPQI) aan specifiek eiwit van 58kDA.

  • Afhankelijk van de GSH status in de lever, omdat dat de stof conjugeert. (antidote = N-acetylcysteine)

  • Ca2+ concentratie verhoging  necrose. Te veel paracetamol maakt je lever dus kapot.

Zonering van de levertoxiciteit (globaal kennen):



  • Zone 1 hepatocyten  toxicanten = (teveel) Fe en Allyl alcohol

  • Zone 3 hepatocyten  toxicanten = CCl4, acetaminophen en ethanol

  • Galbuiscellen  toxicanten = Methylenedianiline en sporidesmin

  • Sinusoidal epitheel  toxicanten = Cyclophosphamine en monocrotaline

  • Kupffer cellen  toxicanten = Endotoxine (!) en GdCl3

  • Stellate cellen  toxicanten = Vitamine A en ethanol (chronisch)


Fibrose/cirrose:

  • Oorzaken

    • Chronische ontsteking

    • Chronische cel schade (alcohol, geneesmiddelen)

    • Virale infectie (HBV, HCV)

    • Obesitas en NAFLD (vette lever)

    • cholestase

  • mechanisme : activering van de stellate cellen tot myofibroblasten (onder invloed van o.a. TGF-beta) en rekrutering van immuuncellen uit de rest van het lichaam, met als gevolg overproductie van bindweefsel (collageen). Er ontstaat dus fibrose. Dit vordert tot cirrose, primaire levercelcarcinoom.

Wanneer dit gebeurt, wordt er dus extracellulaire matrix gevormd en wordt de lever heel erg stijf. De leverfunctie gaat hierdoor snel achteruit. Vervolgens ontstaat er bridging fibrose, waarbij het bindweefsel zich over de lever uit gaat spreiden. De Kupffercellen zijn geactiveerd en de poriën tussen de endotheelcellen sluiten zich.
Steatose (vette lever):

  • remming van de uitscheiding van vetten

    • remming van de synthese van eiwitten die de vetten de lever uit moeten transporteren. (VLDL)

    • ATP gebrek  minder beta-peroxidatie (wat nodig is voor vetafbraak)

  • toename van de synthese van vetten

  • toename van de aanvoer van vetten

  • afname van de afbraak van vetten

Vet in de lever is zichtbaar te maken met oil red O. Vet zit vooral in zone 1.

Een vette lever is op zichzelf niet erg, maar het is vaak wel een teken dat er iets aan de hand is in de lever. Alcohol is vaak verantwoordelijk voor en vette lever. Het zorgt namelijk voor minder FFA beta-oxidatie in de lever en meer FFA synthese in de lever.


Wanneer je een lever coupe maakt, komen er gaten op de plekken waar vet zat. Het vet wordt dus weggewassen.

Cholestase:



  • Verminderde galproductie

  • Verhoogde galzoutconcentratie in de lever en het bloed. Het komt dus niet in het gal terecht, maar het blijft rondcirculeren. Naast galzouten blijven ook bilirubine, metalen en medicijnen/xenobiotica/hormonen in het bloed en de lever.

Gal-synthese; de betrokken transporters (!)



  • MDR1,3 transporteert organische cations, drugs en phospholipiden de gal in.

  • MRP2 transporteert conjugaten van glutatathion, glutathion zelf, glucuronide, sulfaat en bilirubine de gal in.

  • BSEP transporteert galzouten de gal in

  • Metalen gaan zonder transporter de gal in.

Er zijn er nog veel meer, maar deze 3 zijn het belangrijkst.
Oorzaken en van cholestase:

  • Remming van de excretie van galzouten (BSEP)

  • Remming van de excretie via MRP2 (anionen, GSH en bilirubine)

  • Beschadiging van het galgang-epitheel

  • Neerslag en blokkade in de galgang

  • Beschadiging van de hepatocyten.

Door de ophoping van bilirubine kleurt de lever een beetje groen.
Bilirubine wordt door UGT geconjugeerd en bilirubine wordt bilirubine gluc. Dit wordt door de MRP2 transporters de gal in getransporteerd.
Ethinylestradiol (EE) is een component van de pil. Door UGT wordt het omgezet in EE17G. Dit blokkeert BSEP en voorkomt zo dat galzouten uitgescheiden kunnen worden in de gal.
Hepatitis:

  • Door een geneesmiddel

    • Intrinsiek = voorspelbaar

    • Idiosyncratisch = komt zelden voor en is dus niet voorspelbaar. Ook hangt het weinig samen met de dosis. Het lijkt dus meer met kenmerken van de patiënt dan met kenmerken van de drug te maken te hebben.

  • Door alcohol

  • Door virussen

  • Auto-immuun

Halotaan kan hepatitis veroorzaken door een immuunrespons:

Het wordt door CYP omgezet en wordt reactief. Dit bindt vervolgens aan de N van een eiwit. Dit eiwit ziet er dan een beetje anders uit en dat wordt herkend door het immuunsysteem. Er treedt een immuunrespons op.
Ook kan diclofenac immunologische levertoxiciteit veroorzaken.
Detectie van leverschade in vivo


  • Levergewicht/grootte (niet erg specifiek)

  • Bloed

    • Bilirubine

    • Galzouten

    • Enzymen als LDH, ALAT (GPT), AST (GOT). Deze zitten normaal gesproken in het cytosol van hepatocyten. Als de hepatocyten kapot zijn, komt dit dus in het bloed.

    • Albumine. Dit wordt gemaakt door de lever, dus als er minder is dan normaal, kan de lever beschadigd zijn.

    • Bloedstollingsfactoren. Dit wordt ook gemaakt door de lever, dus als er minder is dan normaal, kan de lever beschadigd zijn.

  • Biopt (LM en EM)

  • Klaring van BSP en ICG. Deze stoffen worden specifiek door de lever geklaard, dus het zegt wat over de leverfunctie.

Het maken van lichtmicroscopische preparaten



  1. Blokje weefsel invriezen. Je maakt een coupe (4-10 micrometer). Met cryostaat fixeren (bijv. formaline, aceton of alcohol)

  2. Blokje weefsel fixeren (formaline, alcohol) water wordt vervangen door xyleen. Inbedden in paraffine. Coupes maken (4-10 micrometer) met microtoom.

Oil red O kleuring kun je alleen bij de eerste methode gebruiken, want de tweede methode spoelt alle vet weg met xyleen.
Kleuringen van microscopische preparaten:

  • Haematoxiline en eosine (HE kleuring)

  • Vetkleuring: Oil red O

  • Glycogeen: PAS

  • Apoptose: TUNEL

  • Specifieke eiwitten: gelabelde antilichamen (= immunohistochemische kleuring)

Bij de metabolisatie van N-OH-AAF:

HE kleuring kleurt zone 1 rood.

Glycogeenkleuring kleurt glycogeen. Bij leverschade is het preparaat witter.

Oil red O kleurt vet in zone 1.
Wanneer carbon tetracholoride (CCl4) wordt gemetaboliseerd, ontstaat er een radicaal die vervolgens covalent kan binden aan een eiwit of lipide. Ook kan het chloroform of phosgenen vormen en kan het leiden tot lipide peroxidatie. Dit gebeurt allemaal vooral in zone 3 bij zowel HE kleuring als oil red O.
Bij hepatitis C zijn er lymfoïde follikels en random verdeelde vetdruppeltjes in de lever.


Detectie van leverschade in vitro
Methoden voor MET en TOX testen:


  • In vivo (een nadeel van in vivo is dat proefdieren niet hetzelfde zijn als mensen).

  • Precies gesneden plakjes (slices). Met slices kun je de immuunrespons meten. Je kan bijvoorbeeld TNF-alfa meten en kijken wat de Kupffercellen doen. Je kan echter geen invloed van neutrofielen meten, want die moeten uit het bloed komen. Bij een hepatocyt kun je geen immuunrespons meten. Fibrose kun je heel goed meten in een slice door hem te beschadigen. Het maken van de slice leidt tot de eerste collageenvorming.

  • Geïsoleerde levercellen.

  • Microsomen (alleen voor bepaling van het metabolisme van SER-gebonden enzymen). Met microsomen kun heel beperkt toxiciteit bepalen. Alleen uitschakeling van een CYP kan je ermee bepalen.

De liver slice techniek:

Je haalt een lever uit een rat en haalt daar met een hole boor een core uit. Deze core gaat door een soort worstsnijder die er hele dunne plakjes van snijdt. (100 tot 300 micrometer dik). De slices moeten klaargemaakt en geïncubeerd worden om te kunnen worden gebruikt.
Slices zijn eigenlijk een soort mini-organen, omdat ze alle cellen van de lever bevatten. Slicing is makkelijk en snel te doen en sommige slices kunnen wel 5 dagen in leven blijven. De weefselstructuur en eigenschappen van het orgaan blijven behouden en er is interactie tussen verschillende cellen mogelijk.
Met slices kun je goed species verschillen meten. Dit kan bijvoorbeeld bij paracetamol (mensen zijn gevoeliger), gliotoxine (mensen zijn gevoeliger) en iproniazide (ratten zijn gevoeliger)
Nier toxiciteit:
De nier is gevoelig voor toxiciteit omdat er hier veel metabolisme plaatsvindt en omdat er een hoge doorbloeding is.
De nieren zitten achter in de buikholte.

De buitenkant van de nier is de cortex. De binnenkant is de medulla.

Het bloed komt door de glomerulus en wordt hier gefiltreerd. Het deel dat niet gefiltreerd wordt, gaat door en voorziet de nier van doorbloeding en zuurstof. In de nieren kunnen er dingen opgenomen worden richting dit bloed. Uiteindelijk verlaat zuurstofarm bloed de nieren.
In de glomerulus zitten kleine poriën. Deze zijn een stuk kleiner dan de poriën in de lever. Alleen hele kleine eiwitten kunnen erdoor.
Nefron:

Proximale tubulus – lis van Henle – distale tubulus – verzamelbuis.

We hebben per nier 104 - 106 nefronen. De glomeruli zitten in de cortex (al zitten ze niet allemaal op dezelfde hoogte in de glomerulus) en de lis van Henle zit in de medulla, ook op verschillende hoogten. Als je een coupe maakt op de grens van cortex en medulla, zie je alle vaten en structuren van de nefronen.

Wanneer je een coupe van de nier maakt, krijg je een heel complex plaatje. De glomerulus is goed te herkennen. Het zit er uit als de doorsnede van een granaatappel.


In iedere plek van het nefron vindt een ander proces plaats. Er zijn zoutpompen nodig om tegen de gradiënt in zouten weg te pompen voor de resorptie. De zoutconcentratie is onder in de lis van Henle namelijk heel hoog. Het pompen is ATP afhankelijk. De mitochondriën zijn dus een heel cruciaal onderdeel van de niercellen!
Functies van het nefron:

  • Glomerulus: filtreren van het bloed.

    • 15-20% van de plasmastroom (700 ml/min) wordt gefiltreerd. Het ultrafiltraat is 125 ml/min.

    • Alles kleiner dan 7,5-10 nm en eiwitten kleiner dan 50 kD worden doorgelaten.

  • Tubulus + lis van Henle: concentreren, resorberen en uitscheiden.

    • Proximale tubulus: resorptie van 50-60% van het water uit het ultrafiltraat. Lis van Henle: 15-20%, distale tubulus: de rest tot 99% van het filtraat.

    • Resorptie en uitscheiding naar het bloed van ionen, suiker, etc. (alles wat nuttig is)

    • Resorptie van kleine eiwitten

    • Uitscheiding van afvalproducten vanuit het bloed naar de urine.


Niertoxiciteit:

  • Hoge blootstelling door grote bloedtoevoer  25% van de cardiac output = 1,2 L/min voor de nier, die zelf maar 0,5% van het lichaamsgewicht is. Ook is er actieve opname.

  • Essentiele functies

  • Gevoelig voor veranderingen in de doorbloeding (vasoconstrictie/dilatatie). Medicijnen die de doorbloeding beïnvloeden hebben dus veel effect op de nieren. Te weinig doorbloeding leidt tot zuurstoftekort en dus tot necrose van de niercellen.

  • De proximale tubulus is het belangrijkste target voor toxische stoffen

    • Concentrerend (want water reabsorptie)

    • Actieve opname (door carriers in de tubuluscel vanuit het bloed en de primaire urine)

    • Metabole activiteit

      • CYT P450, UGT, etc.  vorming reactieve metabolieten en ROS.

      • C-S lyases  breekt GSH-conjugaat verkeerd af en maakt hem toxisch.

      • Prostaglandine synthetase  epoxide vorming en oxidatie.

Belangrijke mechanismen van niertoxiciteit:



  1. GFR (glomerulary filtration rate) daling: de glomerulus is gevoelig voor vasoconstrictie/dilatatie

  2. Celdood van de tubulus cellen door schade aan

    1. Membranen (lipideperoxidatie)

    2. Mitochondria (!)  te weinig ATP

    3. Blokkade van de tubuli door dode tubulus cellen

    4. Terug lekken van ultrafiltraat van het lumen naar het bloed

  3. Kanker

Verlaagde GFR = nierschade. (!) Er kunnen heel veel redenen zijn voor een verlaagde GFR, waaronder inflammatie, intrarenale vasoconstrictie en nierblokkades. GFR wordt altijd gemeten bij een vermoeden van nierschade.


Cellen van het tubulaire epitheel zitten vast aan het membraan en aan elkaar met een integrine-cytoskelet. Bij nierschade kunnen de cellen loslaten. Ze kunnen dan in apoptose gaan, maar ze kunnen ook blijven leven en samen gaan klonteren in de tubulus. Het gevolg is een verstopping en het terug lekken van het filtraat door de gaten in het epitheel.
Niercellen kunnen elkaar vervangen. Een niet-beschadigde cel kan zich aanpassen door de capaciteit van functie te verhogen zodat ze de functie van de beschadigde cellen kunnen opvangen. Ze reguleren hiervoor een aantal eiwitten, ze worden groter, en ze kunnen delen. Zo kunnen ze de beschadigde cel, wanneer deze dood gaat, vervangen.
De mogelijke mechanismen van nierschade kunnen dus zijn: prerenaal, vasoconstrictie, crystalluria, tubulaire toxiciteit, endotheelschade, glomerulopathy en interstitiële nephritis.
Er zijn specifieke markers voor de verschillende onderdelen van de nefronen. Hiermee kun je kijken waar het probleem zit.
Paracetamol wordt afgebroken. In de urine zijn de afbraakproducten te vinden.
Glutathion kan in de lever een medicijn conjugeren en zo de toxiciteit verminderen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij NAPQI, dat onder invloed van gluathion wordt omgezet in APSP-SG en APAP-Cys. Dit glutathionconjugaat kan vervolgens in de nier omgezet worden tot het toxische APAP-SH (mercaptuurzuur) door het enzym C-S-lyase. In de nier kan het gedetoxificeerde paracetamol dus weer toxisch worden!
Cisplatine is een platinum atoom met 2 NH3 en 2 Cl groepen.

Het is een medicijn dat werkt tegen testiculus-, ovarium-, hoofd- en nekkanker. Het is echter niet effectief tegen borst- en darmkanker (omdat verschillende kankertypen verschillende transporters hebben).

Het heeft veel bijwerkingen, omdat hij ook niet-kankercellen binnengaat. Vooral de niertubulicellen zijn hier gevoelig voor.

Cisplatine kan binden aan 2 G’s van het DNA (ten koste van de 2 Cl groepen) en laat het DNA buigen. Deze buiging is schadelijk voor het DNA.


Cisplatine geïnduceerde niertoxiciteit:

  • Een koper-transporter in de nier kan de platinum van cisplatin herkennen

  • De OCT2 transporter kan hem opnemen.

  • Eenmaal opgenomen worden de Cl groepen geoxideerd en kan cisplatine binden aan het DNA, oxidatieve stress veroorzaken of de mitochondriën beschadigen.

Detoxificatie door reacties met thiolen:



  • Glutathion (GSH)

  • Cysteinylglycine (Cys)

  • Metallothionines (MTs)

Cisplatine activeert het apoptose pathway in de niercellen.

OCT2 en Ctr1 zijn betrokken bij de opname van cisplatine in de niercel. In de cel activeert cisplatine het intrinsieke mitochondriële pathway van apoptose en het extrinsieke death receptor pathway van apoptose. Daarnaast stimuleert het het ER tot caspase 12 activatie. Via deze 3 pathways zorgt cisplatine voor apoptose.
NSAID’s


  • Remming van het prostaglandine synthese  verlaagde vasodilatatie  verhoogde vasoconstrictie  verlaagde bloedflow en GFR  ischemie. (vooral oudere mensen zijn hier gevoelig voor)

  • Necrose met nefritis door een reactieve metaboliet

  • Interstitiële nefritis

Cyclosporine:



  • Immunosuppressivum, peptide van 11 aminozuren

  • Acute en chronische effecten (incl. Fibrose), maar de mechanismen zijn nog niet helemaal bekend.

  • Beschadiging van de endotheelcellen in de glomerulus

  • Opname door transporters (OATPs) in de proximale tubulus

  • Remming van de mitochondriële functie

  • Nier-bloedflow verlaagd door vasoconstrictie door verlaging van de synthese van thromboxanen en prostaglandines en afname van de vasodilatatie (verlaging van NO en prostacycline)

Aminoglycosiden:



  • binden aan de fosfolipiden in de villi van de tubulus cel.

  • Er vindt endocytose plaats

  • Er is ophoping van aminoglycosiden in de lysosomen

    • Remmen fosfolipide degradatie: myeloid

    • De lysosomen breken  celschade, LPO en ROS

  • De lysosomen in de mitochondria raken heel erg vol en knappen

  • In de lysosomen zitten enzymen die onderdelen van de cel af breken

  • Aminoglycosiden remmen ook Na/K ATPase, transporters, mitochondriële ademhaling en eiwitsynthese.

Lactam antibiotica (neg. geladen) (bijv. caphaloridine)

  • Ophoping in de tubulus cel door anion-transporters (OAT1, OAT2 en OAT3)

  • De toxiciteit is te remmen met een opnameremmer (probenecide). Er wordt bij dit antibioticum dus altijd probenecide gegeven.

  • Metabole activatie  redox cycling  ROS  GSH uitputting + covalente binding aan eiwitten.


Klinische parameters (biomarkers) voor nierschade:

  • Urine volume, pH en osmolariteit

  • Creatine klaring (bloed vs. urine meting)(er is GFR + beetje tubulaire secretie, dus je geeft een kleine overschatting. Het kan ook met inuline, dat nauwkeuriger is, maar dat moet geïnjecteerd worden en is dus invasiever. Creatine komt al gewoon in je lichaam voor.)

De klaring is normaal ongeveer 125 ml/min

  • BUN (bloed-urine-stikstof meting)

  • Inuline klaring (GFR)

  • Para-aminohippuurzuur (PAH) (GFR + tubulaire excretie, ca. 700 ml/min = nierbloedflow)

  • Glucose in de urine. Als het aanwezig is, is er of schade aan de nier of verzadiging van de terugtransporters (zoals bij diabetes)

  • Eiwit in de urine

    • Albumine en IgG = proteïnurie. Grote eiwitten = glomerulus schade.

    • Kleine eiwitten = schade aan de re-uptake in de proximale tubulus

    • Lekkage uit dode cellen: biomarkers, cel-specifiek (GST en gamma-glutamyl transpeptidase (gammaGT), KIP-1 voor de proximale tubulus)

  • Endogene metabolieten in de urine (metabolomics)

  • Histologie van een nierbiopt

Modellen om renale functie te bestuderen:



  • In vivo:

    • Continuous microperfusion

    • Stopped-flow microperfusion

    • Free-flow micropuncture

    • Confocal microscopy

  • Ex vivo:

    • Isolated perfused kidney

    • Isolated perfused tubulus

  • In vitro:

    • Renal slices

    • Isolated and purified glomeruli

    • Isolated and purified tubular segments

    • Isolated and purified proximal tubular epithelial cells.

    • Primary cultures of renal cells (tubular epithelial cells, glomerular cells en fibroblasts)

    • Immortaliazed renal epithelial cell lines (LLC-PK1, MDCK, NRK-52E, OK, HK-2)
1   2   3   4   5   6


Dovnload 277.62 Kb.