Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Methoden van Onderzoek a onderzoek

Dovnload 168.87 Kb.

Samenvatting Methoden van Onderzoek a onderzoek



Datum13.11.2017
Grootte168.87 Kb.

Dovnload 168.87 Kb.

Gemaakt door: Laura Schaap

Samenvatting Methoden van Onderzoek A
Onderzoek:

  • Geldig (validiteit)  op juiste manier vragen gesteld?

  • Betrouwbaar  bij herhaling zelfde resultaat?

  • Bruikbaar  onderzoek zowel geldig als betrouwbaar?

Onderzoeksplan:



  1. Probleemstelling

Kennisprobleem  fundamenteel onderzoek

Praktisch probleem  praktijkgericht onderzoek



    1. Doelstelling  waartoe  type onderzoek, stand van zaken, voor wie, wetenschappelijke/maatschappelijke relevantie, eigen waarden

      1. Explorerend onderzoek  weinig beschikbare kennis  theorie-ontwikkeling

      2. Toetsend onderzoek  veel beschikbare kennis  theorie-toetsing

    2. Vraagstelling  wat  wat gaat onderzocht worden (aangeven in begrippen die operationaliseerbaar zijn)

      1. Beschrijvende vragen

        1. Cross-sectioneel  nu

        2. Trend  toen/nu

        3. Vergelijkend/comparatief  hier/daar

      2. Causale vragen

        1. Verklarende vragen

        2. Voorspellende vragen

  1. Onderzoeksopzet

    1. Methoden  hoe?

      1. Grootschalig veldonderzoek

      2. Systematische observaties

      3. Etnografisch veldonderzoek

      4. Inhoudsanalyse

    2. Eenheden  wie?

      1. Individuen

      2. Groepen (soortgelijke mensen)

      3. (Groepen van) organisaties meer abstract

      4. Processen door de tijd

      5. Maatschappijen

    3. Plaats  waar?

      1. Veld: vele individuen  complex + bestaand

      2. Praktijksituatie  complex + gecreëerd

      3. Individuele gesprekken  vereenvoudigd + bestaand

      4. Laboratorium  vereenvoudigd + gecreëerd

    4. Tijd  wanneer?

      1. Eenmalig  cross-sectioneel onderzoek

      2. Herhaling  longitudinaal of panel onderzoek

      3. Heden of verleden  retrospectief

      4. Toekomst  prospectief

Kwalitatief onderzoek  je probeert zoveel mogelijk dingen te weten te komen over de objecten omdat je denkt dat achtergrond informatie er ook toe doet

Kwantitatief onderzoek  vele objecten worden onderzocht en je laat dingen uit het onderzoek van te voren weg waarvan je denkt dat ze er niet toe doen (grootschalig)
Voorafgaand aan onderzoeksplan eerst nagaan wat, hoe, waar en wanneer al is onderzocht over het te onderzoeken onderwerp.

Typen onderzoek:



  • Fundamenteel onderzoek  ontwikkelen + toetsen theorieën

    • Empirische cyclus

      • Kennisprobleem: wat?  (onderzoeksopzet)  inductie hypothesen  theorie  deductie hypothesen  (gegevensverzameling)  toetsing  (gegevens-analyse)  evaluatie  kennisprobleem etc.

    • Vooral beschrijvend  beperkte, relatief kleine selectie van individuen of situaties  complexe veldsituaties


    • Empirische cyclus

      Regulatieve Cyclus

      Kennisprobleem

      Praktijkprobleem

      Inductie hypothesen

      Diagnose

      Theorie

      Planvorming

      Deductie hypothesen

      Plan- en besluitvorming

      Toetsing

      Ingreep of interventie

      Evaluatie

      Verandering
      Kleinschalig veldonderzoek/etnografisch onderzoek

  • Praktijkonderzoek  ontwikkelen + toetsen praktijkoplossingen

    • Regulatieve cyclus

      • Praktijkprobleem  diagnose (inductie)  planvorming (theorie)  plan- en besluitvorming (deductie, probleemoplossing)  ingreep of interventie (toetsing)  verandering (evaluatie)

    • Vooral verklarend  willekeurige, relatief grote selectie van individuen of situaties voor generalisaties naar velen  vereenvoudigde situaties (veelvuldige gesprekken)

    • Grootschalig veldonderzoek

Soorten onderzoek:



  • Empirisch-analytisch onderzoek  vooral toetsend

    • Nomothetisch  wettenstellend (algemene regelmatigheden)

    • Reductionistisch  van eenheden naar variabelen en waarden

    • Streven naar intersubjectiviteit  subjectieve overeenstemming

    • Streven naar repliceerbaarheid  herhaalbaarheid

    • Grootschalig + kwantitatief onderzoek

  • Interpretatief onderzoek  vooral exploratief

    • Idiografisch  het eigene beschrijven (terwijl kijkend naar het unieke)

    • Hermeneutiek  mensen van binnenuit begrijpen in hun context

    • Fenomenologie  achtergronden naar voren halen (van verschijnselen)

    • Holisme  eenheden in hun geheel bestuderen





    • Ontologie

      Vragen

      Doel

      Kennis

      Hoe

      Empirisch-analytisch

      - reductionistisch beeld = je beperkt je tot de kenmerken die er toe doen (niet te meten kenmerken doen niet ter zake)

      - waarden gebaseerd op variabelen (datamatrix)



      vooral verklarend


      - toetsend

      - deductie



      nomothetisch

      (nomos = wet, je bent op zoek naar wetmatighe-den, wetten stellen)



      - kwantitatief

      - grootschalig

      - enquête

      - experiment



      Interpreta-tief

      - holistisch

      - gehelen: begrip binnen de context



      vooral beschrijvend

      - exploratief onderzoek

      - het gaat om theorie ont-wikkeling

      - inductie


      ideografisch (het eigene beschrijven, zo goed mogelijk het object dat je onderzoekt beschrijven)

      - kwalitatief

      - kleinschalig

      - interviews

      - observatie


      Kleinschalig + kwalitatief onderzoek

Deductief-nomologisch model = syllogisme

Explanans:


  • Algemene uitspraken

  • Nomos (empirische regelmatigheden)

  • Premissen (aannames) Deductie

Explanandum:

  • Hypothese (specifieke uitspraak)

Relaties tussen begrippen = proposities

Elementen van uitspraken:



  1. Eenheden  alle onderwerpen waarover iets gezegd wordt

  2. Variabelen  eigenschappen van eenheden

  3. Waarden  categorieën van variabelen

    1. Nominaal  ongeordende waarden verschillen in naam

    2. Ordinaal  geordende waarden verschillen in naam

    3. Interval  waarden verschillen in naam en volgorde (afstand is gelijk)

    4. Ratio  interval met vast nulpunt

Methodologische spelregels:



  • Eis van toetsbaarheid

    • Verificatie  streven naar bevestiging uitspraak

    • Falsificatie  streven naar weerlegging uitspraak

    • Voorwaarden  plaats, tijd, eenheden, variabelen en waarden

    • Niet toetsbare uitspraken:

      • Normatieve uitspraken

      • Speculatieve uitspraken

      • Definities

      • Uitspraak met slechte plaats- of tijdsaanduiding

  • Eis van maximale informativiteit

    • Uitspraken over zo specifiek mogelijk kenmerken van zo algemeen mogelijke eenheden

  • Eis van expliciete methodologische uitspraken

    • Elke stap in onderzoek rapporteren en beargumenteren (vanwege:)

      • Herhaalbaarheid

      • Openbaarheid

      • Intersubjectiviteit

Operationaliseren:



  1. Definiëren begrippen  eenheden, variabelen en waarden

  2. Operationaliseren  concreet waarneembaar maken van omschreven begrippen uit vraagstellingen en hypotheses naar systematische waarnemingen

    • Parallelle operationalisatie  meerdere variabelen (vragen) met dezelfde (gelijke) waarden vormen schalen

  3. Kwaliteitscriteria

    • Betrouwbaarheid  waarnemingen vrij van toevallige fouten (overeenstemming)

      • Steeds dezelfde aspecten op dezelfde wijze meten

      • Test – hertest = herhaalde meting

      • Intercodeurstest = meerdere metingen of waarnemingen

      • Test – paralleltest = parallelle operationaliseringen

    • Validiteit  waarnemingen vrij van systematische fouten

      • Steeds de juiste aspecten meten

      • Interne validiteit  logica van het onderzoek

        1. - Inhoudsvaliditeit  experts zijn het met elkaar eens

        2. - Soortgenootvaliditeit  zelfde soorten onderzoek leveren zelfde soort resultaten

        3. - Convergente validiteit  via verschillende soorten instrumenten/meettechnieken zelfde resultaten verkrijgen

        4. - Construct- of begripsvaliditeit  samenhang van resultaten met resultaten uit voorgaand onderzoek

        5. - Predictieve validiteit  via voorspellingen

      • Externe validiteit

        1. - Populatie en ecologische validiteit  bevindingen generaliseren naar hele populatie (en naar andere plaatsen)

      • Face validity  op het eerste gezicht validiteit vragen invullen

    • Bruikbaarheid  kennis is bruikbaar voor beslissingen


Grootschalig veldonderzoek  beschrijven/verklaren sociale verschijnselen via ondervraging van relatief groot aantal respondent/kenmerken

  • Enquête = survey

    • Grootschalig  steekproeven uit populatie

    • Standaardisatie  vragenlijsten gelijk voor alle ondervraagden

    • Doorgaans gesloten vragen

    • Statistische verwerking van de gegevens

Verschillende keuzemomenten voor enquête:



1. Varianten kiezen:

  • persoonlijk interview  face-to-face  doorgaans bezoek aan huis

    • beste unit response

    • beste kwaliteit

    • meer hulpmiddelen

    • minder item-non-response (ook bij gevoelige onderwerpen)

      • bij face-to-face gesprek kan wel makkelijker over gevoelige onderwerpen worden gesproken

    • duur en tijdrovend

  • telefonisch interview  mondeling interview per telefoon

    • minder unit response

    • snel en relatief goedkoop

    • alleen voor korte en relatief eenvoudige interviews

    • zonder hulpmiddelen

  • zelf invullen  tijdens persoonlijk interview (face-to-face), postenquête, schoolonderzoek, klassikaal invullen, via internetadres

    • langzaam  het duurt heel lang voordat mensen de vragenlijst gaan invullen

    • geen controle op kwaliteit en unit response

    • veel item-non-response  mensen vullen vragenlijst slordig in waardoor er veel onzin wordt opgeschreven en niet volledige informatie wordt verkregen

    • geen interviewer nodig

    • zeer goedkoop (goedkoopste methode)

    • Er zijn ook voordelen van computer gestuurd enquêteren:

      • hoge snelheid

      • vermijden (routing) fouten mogelijk

      • uitvoeren controles

    • CAPI CATI CASI CAWI  P = persoonlijk, T = telefonisch, S = zelf, W = internet (computer gestuurd interview afnemen)

2. Onderzoekseenheden selecteren:

  • Definitie populatie  operationalisering populatie  steekproefplan  selectie onderzoekseenheden  selectie respondenten

  • Steekproef

    • Kanssteekproef

      • Enkelvoudige, aselecte steekproef  simpel en random

      • Systematische steekproef  systematisch uit een lijst

      • Gestratificeerde steekproef  eerst deelpopulaties maken, vervolgens per deelpopulatie trekken

      • Clustersteekproef  eerst clusters trekken, vervolgens per cluster alle eenheden

      • Getrapte steekproef  aselecte steekproef binnen clusters

    • Niet-kanssteekproef (monster)  trekkingskansen zijn onbekend

      • Theoretische steekproef  alleen bepaalde relevant geachte mensen ondervragen

      • Quota steekproef  doorgaan tot voldoende elementen van ieder quotum

      • Sneeuwbal

  • Dekking  omvat het steekproefkader alle elementen uit de populatie  representativiteit = populatie validiteit

  • Non-response

    • Algehele non-respons  weigert of is niet in staat

    • Partiële non-respons  doet mee, maar haakt af

    • Item non-respons  beantwoordt niet alle vragen  groot probleem, want verstoord de willekeurigheid van het onderzoek

3. Vragenlijst opstellen:

  • Inventariseer welke soort informatie nodig is  vraagstellingen, onderzoeksvragen, omschrijving van begrippen en operationalisaties

  • Inventariseer bestaande geldige en betrouwbare vragen en bedenk aanvullende geldige en betrouwbare vragen

  • Vragen

    • Vraagvormen

      • Gesloten vragen (meerkeuzevragen)

      • Open vragen

      • Verzameling vragen met antwoordmogelijkheden die samen een schaal vormen

      • Aankruislijsten met stellingen met verschillende antwoordmogelijkheden

    • Logische opbouw

      • Perfecte routing  van leuke, makkelijke vragen naar minder leuke, moeilijke vragen en eindig weer met makkelijke vragen (plaats bij elkaar horende vragen bij elkaar)

      • Logische volgorde (voor de respondent)

      • Van algemeen naar specifieke vragen

      • Moeilijke en gevoelige vragen voorzichtig inleiden

    • Voorkom formuleringsfouten

      • Geen moeilijke woorden  rekening houden achtergrond respondenten

      • Geen dubbelzinnige vragen  niet te algemeen formuleren

      • Geen dubbele vragen  niet twee dingen tegelijk vragen

      • Geen vragen met feiten waarover discussie mogelijk is

      • Geen vragen die refereren aan mogelijk verschillende normen

      • Geen suggestieve vragen  niet de respondent al bepaalde kant op sturen

      • Geen dubbele ontkenningen

      • Geen antwoorden met verschillende interpretaties  geen puntvragen

    • Uittesten van de vragenlijst

      • Eerst proefenquête

      • Advies vragen aan collega en mogelijke gebruikers van resultaten

Relationele hypothesen  verbanden tussen variabelen

  • Aanwezigheid

  • Sterkte

  • Richting

  • Vorm  dichotome (nominale), trichotome (ordinale) of continue (interval, ratio) variabelen?

X = oorzaak  onafhankelijke variabele  in kolom

Y = gevolg  afhankelijke variabele  in rij

T = reden of verklaring
Disjunctieve hypothesen


  • Bevatten gegronde vermoedens over de factoren (X/T) die van invloed zijn op Y

  • Bevatten gegronde vermoedens over T als antwoord waarom er relatie is tussen X en Y

  • Elaboratie  kan OR (XY) worden geïnterpreteerd of verklaard door derde factor (T)

  • Verschillende soorten

    • Volledige interpretatie/verklaring: XTY, OR ≠ 0, PR = 0

    • Explanatie: XTY, OR ≠ 0, PR = 0

    • Gedeeltelijke interpretatie/verklaring: XTY en XY, OR ≠ 0, PR = zwakker dan OR

Conjunctieve hypothesen:



  • Bevatten gegronde vermoedens over vraag onder welke condities of binnen welke specifieke categorieën van een derde factor (T) de relatie tussen X en Y voorkomt

    • Interactie hypothese: T

X Y­

      • In ene categorie van T bestaat relatie XY wel, in andere niet

OR ≠ 0, PR T1 ≠ 0, PR T2 = 0

OR ≠ 0, PR T1 > 0, PR T2 > 0

      • Verschillen tussen categorieën van T in relatie XY, richting is ongelijk

OR ≠ 0, PR T1 > 0, PR T2 > 0
Etnografisch veldonderzoek  “volk beschrijven”  waargenomen verschijnselen beschrijven, interpreteren en eventueel verklaren door directe gegevensverzameling van onderzoekers die langdurig, lijfelijk aanwezig zijn op het veld (en het veld zo min mogelijk verstoren)

De verschijnselen:



  • Gedragingen  handelingen, interacties

  • Gebeurtenissen  activiteiten, situaties, processen

  • Opvattingen  meningen, perspectieven

  • Veldproducten  voorwerpen, documenten, objecten, artefacten, etnografica

Kenmerken:



  • Kwalitatief onderzoek

    • Betekenisgeving

    • Open onderzoeksprocedure  flexibel zijn, niet van te voren alles vaststellen, eventueel waar nodig wel bijstellen

    • Aard van de uitkomsten

  • Intercultureel perspectief

    • Onderzoeker is “professional stranger”  gaat op in de massa en valt niet te veel op als onderzoeker (ziet wel dingen die voor mensen gewoon zijn geworden)

    • Niets is vanzelfsprekend

  • Holistische benadering  wat is de invloed op bepaalde aspecten van het leven

  • Kleinschaligheid  beperkt aantal eenheden worden bestudeerd, maar daarvan wel heel veel aspecten

  • Langdurig en intensief

    • Noodzakelijk om emic view (wat mensen zelf voor beeld hebben) te achterhalen

    • Vertrouwen winnen (van de mensen die worden geobserveerd)

      • Als het onderzoek maar kort duurt, geven mensen vaak sociaal “gewenste” antwoorden (antwoorden waarvan zij denken dat het de goede antwoorden zijn) en dezen vertekenen het beeld

Verschillende dimensies van problemen:



    • Ruimtelijke dimensie  waar speelt het zich af

    • Historische dimensie  wanneer is de gebeurtenis/gedrag/opvatting begonnen/opgekomen?

    • Culturele dimensie  hoe wordt er mee omgegaan

    • Sociale dimensie

    • Politieke dimensie

    • Economische dimensie  wat betekent dit op economisch gebied

    • Psychologische dimensie  wat betekent dit voor een bepaald persoon

Methodologische principes:

  1. Holisme en contextualiteit  oog voor context, stukje geschiedenis meenemen

  2. Triangulatie  aan de hand van 3 metingen kijken waar de overeenkomsten liggen  verschillende bronnen vergelijken (niet zomaar iets aannemen als de werkelijkheid)

    1. Theoretische triangulatie

    2. Methodische triangulatie

    3. Data-triangulatie

    4. Onderzoekerstriangulatie

  3. Directe waarneming  observatie (is directer dan bijv. interviews)

Verschillende benaderingen:



  • Empirisch-analytisch  positivisme

    • Verbanden tussen variabelen

    • Verklaren  wat beïnvloedt wat

    • Intersubjectief

  • Interpretatief  naturalisme

    • Contextuele interpretatie van samenhang tussen variabelen

    • Begrijpen/verstehen  wat zijn verschillen/overeenkomsten (hoe zit het in elkaar  dus niet per se oorzaak en gevolg relatie leggen

    • Subjectief

Validiteit  een onderzoeksopzet is valide als daarin is vastgesteld wat de onderzoeker oorspronkelijk wilde weten:



  • Interne validiteit

    • Gegevens moeten zo verzameld en geanalyseerd worden dat een goede kwaliteit is gewaarborgd

      • Resultaten zitten dicht bij werkelijkheid

  • Externe validiteit

    • Verkregen resultaten kunnen gegeneraliseerd worden

    • Ecologische validiteit  vooral in kwalitatief onderzoek  conclusies kunnen gelden voor andere, niet onderzochte situaties

    • Inhoudelijke versus statistische generalisatie (beschrijving-analyse)

Betrouwbaarheid en interne validiteit worden gewaarborgd door:



  1. Systematisch(e):

    1. werkwijzen en expliciete verslaglegging (methodische verantwoording)

    2. ontwikkelen van theoretische begrippen en modellen

  2. Triangulatie

  3. Terugkoppeling naar informanten

  4. Reflectie op rol onderzoeker

Externe validiteit (geldigheid):

  1. Onderzoek slecht gericht op 1 situatie

  2. Afhankelijk van wetenschapsopvatting

    1. Idiografisch  generaliseren niet nodig (het unieke beschrijven)

    2. Nomothetisch  generaliseren gewenst (wetten stellend)

In kwalitatief onderzoek worden ook andere concepten gebruikt dan validiteit en betrouwbaarheid om de kwaliteit van onderzoek aan te geven.
Vier typen etnografische onderzoek:

  1. Exploratief onderzoek

  2. Descriptief en interpretatief onderzoek

  3. Verklarend onderzoek

  4. Beleids- of actie-onderzoek

Drie methoden van onderzoek:

  1. Participerende observatie

    1. Verschillen tussen ordinaire en professionele participatie

      • Tweeledige doelstelling

      • Expliciet bewustzijn

      • Groothoeklens

      • Insider/outsider-ervaring

      • Introspectie

      • Aantekeningen maken

  1. Drie principes:

  • Identificatie van de taal

  • Verbatim principe  (latijn: woord voor woord)

  • Principe van concreetheid

  1. Soorten aantekeningen:

  • Scratch notes/jottings

  • Chronologische aantekeningen

    • Veldaantekeningen  observaties, interviews

    • Dagboek

  • Verbatim transcripties

  • Notities

    • Thematische notities

    • Theoretische notities

    • Methodische notities

  1. Open en topic interview

  2. Gebruik van documenten

Model van een sociale situatie volgens Spradley: Spradley’s checklist:



- Plaats

- Actoren

Actoren Sociale Activiteiten - Fysieke objecten

Situatie - Handelingen

- Activiteiten

Plaats - Gebeurtenissen

- Tijd

- Doel van handelingen



- Sfeer

Vier rolfasen van onderzoeker:



  1. Onwetende nieuweling

  2. Voorlopig geaccepteerde

  3. Medeverantwoordelijke

  4. Ingewijde

Vier roldimensies:

  1. Participatie/observatie:

    1. Volledige deelnemer

    2. Deelnemer als onderzoeker

    3. Onderzoeker als deelnemer

    4. Volledige onderzoeker

  2. Open/verborgen

  3. Engagement/distantie

  4. Bestaand/gecreëerd

Dataverzameling:



  • Selecteren van een sociale situatie

    • Overzichtelijkheid, eenvoudigheid

    • Toegankelijkheid

    • Onopdringerigheid

    • Geoorloofdheid

    • Frequente activiteiten

    • Participatie

  • Selecteren van informanten (sampling)

    • Factoren die een rol spelen:

      • Tijd  hoeveel tijd heb je te besteden voor het onderzoek

      • Interesse in het onderzoek/belang bij onderzoek

      • Context  positie in samenleving

    • Methoden van sampling (varianten van niet-kanssteekproef):

      • Quota sampling/purposive sampling  voorbeeld: je wilt precies 50% man en 50% vrouw, dus je gaat hier bewust naar op zoek

      • Snowball sampling

      • Theoretical sampling  bewust mensen selecteren (niet gebaseerd op een random steekproef)  theoretische inzichten bepalen de selectie

      • Deviant cases  afwijkende cases (geven nieuwe inzichten)

  • Interview

    • Mate van structurering:

      • Inhoud

      • Volgorde

      • Formulering

      • Antwoordmogelijkheid

    • Ongestructureerd  vrij/diepte interview

    • Semigestructureerd  er staan wel wat vragen en subtopics vast, maar hier kan van af worden geweken en er kunnen vragen bij bedacht worden tijdens het afnemen van het interview

    • Gestructureerd interview  alle vragen en topics staan vasts

Analyse en verslaggeving:



  • Het proces van analyse  van empirie naar theorie

    • Grand tour observations  grote observatie, blik over gehele setting werpen  de context

    • Mini tour observations  kleine observatie  focus op slechts een paar

    • Beschrijvend  gefocust  selecterend

  • Rapporteren/etnografisch schrijven

    • Inleiding en vraagstelling

    • Omstandigheden, globaal overzicht

    • Gedetailleerde analyse

      • Plaats (grand tour, mini tour, positie)

      • Actoren

      • Handelingen

      • Patronen (verbanden)

    • Conclusies  inhoudelijk, antwoord vraagstelling, beperkingen en verbeteringen

    • Evaluatie  zelfreflectie en onderlinge vergelijking

    • Appendix  veldnotities

  • Methodologische principes

    • Analytische inductie of inductieve redenering  open procedure in analyse

      • Lezen en herlezen data

      • Coderen (labels toevoegen)

        • Open coderen

        • Selectief coderen  de categorieën zijn er al, maar je gaat nog een keer na of dezen wel volledig zijn

    • Vergelijkende methode  wat zijn verschillen

  • Kwaliteitscriteria en kritiek

    • Duidelijke probleemstelling

    • Heldere definiëring van theoretische concepten

    • Methodologische verantwoording van

      • Onderzoeksproces

      • Verschillende rollen van onderzoeker in veld

      • Sampling van informanten

      • Selectiecriteria observaties

    • Afwisseling concrete beschrijvingen en algemene beschouwingen

    • Gedetailleerde beschrijving ter ondersteuning van de validiteit van de analyse

Ethische vraagstukken



  • Informed consent  medisch-ethische commissie gaat na of de onderzoekers de deelnemers volledig informeren en duidelijk om toestemming vragen

  • Privacy

  • Schade voorkomen

  • Consequenties voor toekomstige onderzoekers

  • Exploitatie versus reciprociteit

Soorten analyse:



  • Domeinanalyse

  • Taxonomische analyse

  • Componentiële analyse

  • (Culturele thema’s analyse)


Inhoudsanalyse  beschrijven en analyseren van inhoud van communicatie via gestandaardiseerde vragen(lijsten) van een (steekproef van een) relatief groot aantal mediaproducten op een relatief groot aantal kenmerken op een:

  • Systematische manier  mediaproducten worden systematisch geselecteerd en geanalyseerd

  • Objectieve manier  intersubjectieve replicatie resulteert in soortgelijke bevindingen  is betrouwbaar

  • Kwantitatieve manier  accurate (numerieke) representatie van de kenmerken van mediaproducten

Inhoudsanalyse is:



  • Een systematische vorm van lezen om waarnemingen te doen

  • Een selectieve lezing van het materiaal vanuit een bepaalde vraagstelling

  • Waarbij het waarnemingsinstrument met zijn instructies de interpretatieruimte bepaalt. (bijv. vragenlijst, maar in dit geval haal je informatie uit artikelen, en stel je niet de vragen aan mensen)

Kenmerken mediaproducten (in tegenstelling tot respondenten):



  • Niet-reactief  artikelen reageren niet

  • Ongestructureerd  artikelen worden pas door het waarnemingsinstrument gestructureerd

  • Contextgeladen  je moet van te voren wel iets over de context weten (om er iets mee te kunnen doen)

  • Herhaalbaar, omvangrijk  andere mensen kunnen het onderzoek opnieuw doen (zolang ze bekend zijn met de regels)

Kenmerken inhoudsanalyse:



  • Grootschalig  doorgaans steekproeven van mediaproducten uit een groot bestand

  • Standaardisatie  vragenlijsten gelijk voor alle mediaproducten (vragen worden variabelen)

  • Doorgaans gesloten vragen  er wordt van te voren bepaald wat je wilt weten van de mediaproducten  voorgecodeerde anwoordmogelijkheden (antwoorden worden waarden), met slechts een enkele keer open vragen

  • Statistische verwerking van de gegevens

Soorten vraagstellingen:



  • Beschrijvende vraagstellingen  algemeen

  • Trendmatige vraagstellingen (of longitudinale)  over tijdsperiode

  • Maatschappij-vergelijkende vraagstellingen  tussen verschillende samenlevingen

Toepassingen vraagstelling inhoudsanalyse:



  • Beschrijving inhoud  patronen, trends, genre kenmerken

  • Testen van samenhang  zender en boodschap

  • Vergelijken mediaproducten met realiteit

  • Beeldvorming  minderheden, personen, organisaties  hoe komen deze groepen in de artikelen naar voren

  • Startpunt voor media-effecten  cultivatie-analyse

Waarnemingsmethoden:

1. Nieuw materiaal


  • Observatie  etnografisch veldonderzoek

    • Participerend

    • Systematisch

  • Ondervraging  grootschalig veldonderzoek

    • Persoonlijk

    • Telefonisch

    • Schriftelijk

2. Bestaand materiaal

  • Bewerkt  secundaire analyse

  • Onbewerkt  inhoudsanalyse

    • Documenten  tekstanalyse

    • Mediaproducten  inhoudsanalyse

Bronnenkritiek:

Uitspraken doen over historisch materiaal? Dan eerst vaststellen dat het ook daadwerkelijk authentiek is en dat het belang heeft voor analyse. Dus kijken naar:


  • Authenticiteit materiaal

  • Auteur

  • Documentkenmerken  bijv. formeel versus informeel

  • Tekstkenmerken  bijv. opbouw en illustraties

Soorten Bronnen:



  • Overblijfselen en artefacten

  • Documenten (uit bibliotheken, archieven, collecties, privécollecties en massamedia)

Gebruik computer:



  • Voordelen

    • Vermogen wat betreft omgaan met teksten

    • Snelheid

    • Rigiditeit  stijfheid/onbuigzaamheid

  • Nadelen

    • Betekenisverlening aan tekst

    • Computers zijn geen competente taalgebruikers

    • Kan alleen regels toepassen

Verschillen grootschalig onderzoek (survey) en inhoudsanalyse:



  • Survey gebruikt vragenlijst  inhoudsanalyse gebruikt waarnemingsinstrument

  • Survey definieert populatie  inhoudsanalyse bakent mediamateriaal af (context-unit)

  • Survey heeft respondenten inhoudsanalyse heeft recording-units

  • Survey hulpkrachten zijn interviewers  inhoudsanalyse hulpkrachten zijn codeurs

  • Survey neem vragenlijst af  inhoudsanalyse codeert inhoud mediaproducten

Recording-units  vergelijkbaar met respondenten in grootschalig onderzoek



  • Vormen basis voor beantwoording van vraagstelling

  • Vormen basis voor wijze van steekproeftrekking

  • Zijn eenheden waarvan kenmerken worden vastgesteld (variabelen met hun waarden)

  • Dienen als basis voor rapportage van bevindingen

Context-unit is grotere context waarbinnen de recording-unit staat
Recording-unit  eenheid bij grootschalig veldonderzoek

Kenmerken  variabelen bij grootschalig veldonderzoek

Categorieën  waarden bij grootschalig veldonderzoek
Onderdelen waarnemingsinstrument:


  • beschrijving recording-unit

  • kenmerken met categorieën  wederzijds uitsluitend, uitputtend en betrouwbaar

  • instructies om interpretatieruimte te verkleinen en betrouwbaarheid te vergroten

  • codeerformulier

Validiteit  relatie begrip en waarneming kenmerk

Betrouwbaarheid  test-retest en intercodeurstest




  • Reactiviteit  datgene wat wordt onderzocht verandert met het uitlokken van reacties via surveys  mensen die door een onbekende worden geïnterviewd gaan anders reageren dan wanneer ze gewoon met een bekende over hetzelfde onderwerp zouden praten (antwoorden worden verdraaid)

  • Unobtrusive or non-reactive data  onderzoekers gaan op zoek naar niet-uitgelokte gegevens

Gebruik van bestaande gegevens:

  • Neerslag van gedrag  unobtrusive measurements  onderzoekers zijn zich niet bewust van hun rol in later onderzoek

    • Verbaal gedrag

    • Non-verbaal gedrag  het ene volgt het ander op, dit is het imitatie-effect (het Werhtereffect)

  • Selectiviteit  als je niet weet of er selectiviteit is bij het onderzoek, weet je ook niet of je het kunt generaliseren en of het betrouwbaar is

    • Niet alle gegevens zijn beschikbaar

    • Slechts een selectie maar welke?

    • Niet of moeilijk generaliseerbaar

Primaire analyse = zelf gegevens verzamelen

Secundaire analyse = gebruik maken van bestaande gegevens

Extra
Tabel elaboratie:

Analyse:


1. Hypothese

2. Pijldiagram

3. Predicties (OR en/of PR)

4. Resultaten data analyse

5. Conclusie m.b.t. hypothese  vergelijk resultaten met predicties

6. Conclusie in woorden


Etnografisch onderzoek doen:

Opbouw:


  1. Inleiding

    1. Probleemstelling

    2. Gekozen sociale situatie

    3. Opzet verslag  hoe ga je het doen, hoe zit het in elkaar

  2. Dataverzameling

    1. Plaats

    2. Tijd

    3. Hoe

    4. Wie  wie heb je geobserveerd

      1. Algemeen

      2. Specifiek

    5. Wat

  3. Analyse

    1. Beschrijving van:

      1. Plaats

      2. Actoren

      3. Handelingen  welke handelingen worden uitgevoerd, hoe vaak, in welke mate

      4. Verbanden  plaats, actoren en handelingen met elkaar in verband brengen

  4. Conclusie

  5. Discussie (evaluatie)

    1. Reflectie op het onderzoek  is het onderzoek een geschikte methode om de vraagstelling te beantwoorden of zouden andere onderzoeken tot betere resultaten leiden (/geldigere resultaten leveren)

    2. Reflectie op jouw rol als onderzoeker  wat zou je anders doen als je het onderzoek nog een keer zou doen, wat betekent het dat je bekent bent met de situatie (heeft het invloed op de resultaten)

      1. Observatie  is het goed gegaan, wat zou er anders kunnen, was de manier van aanpak goed?

      2. Situatie  viel het op dat je aan het observeren was, was de situatie goed?

      3. Geldigheid + betrouwbaarheid  zo veel mogelijk weergeven van wat je ziet en later pas analyseren en conclusies trekken, systematische werkwijze, vergelijking maken met andere metingen

  6. Appendix  veldnotities en de uitgewerkte veldnotities


Inhoudsanalyse doen:

  1. Onderzoeksvraag formuleren

  2. Onderzoekspopulatie bepalen

  3. Steekproef trekken  alle artikelen coderen die er over het betreffende onderwerp gaan, is te veel werk

  4. Bepalen recording-unit of analysis

  5. Bepalen categorieën  exclusief, uitputtend, betrouwbaar

  6. vaststellen kwantificatiesysteem  nominaal, ordinaal, ratio, interval

  7. Trainen codeurs en pilot houden  van te voren word aangegeven hoe er gecodeerd moet worden, zodat er geen verschillen ontstaan tussen de codeurs (verschillen zijn slecht voor de betrouwbaarheid van de analyse)

  8. codeer de inhoud

  9. Analyseer de data  statistische analyse

  10. Interpreteer het resultaat

  • Empirische cyclus Regulatieve Cyclus
  • Ontologie Vragen Doel Kennis Hoe
  • Grootschalig veldonderzoek
  • Etnografisch veldonderzoek
  • Extra Tabel elaboratie
  • Etnografisch onderzoek doen

  • Dovnload 168.87 Kb.