Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting Pedagogische Wetenschappen 3

Dovnload 122.41 Kb.

Samenvatting Pedagogische Wetenschappen 3



Datum04.04.2017
Grootte122.41 Kb.

Dovnload 122.41 Kb.

Samenvatting Pedagogische Wetenschappen 3

1. Onderwijs in Vlaanderen

Inleiding


1830  België zeer liberale grondwet, nl. ALLE BELGEN GELIJK!!

Ook fundamenteel, want geen wetten goedkeuren in tegenstrijd met grondwet.



30 jaar geleden: België is unitaire / eenheidsstaat

= België bestuurd door 1 nationale overheid



Nu: Als Vlaming zowel Vlaamse als federale overheid

=> elk heeft eigen bevoegdheid, parlement en regering = veel ingewikkelder!!



Grondwetsherzieningen => bevoegdheden naar nieuwe deelstaten

=> leiding van ons land door verschillende partners die

onafhankelijk hun bevoegdheden uitoefenen in hun domeinen

Lokaal beleid ook beïnvloed door Europese regelgeving en internationale verdragen.


1) Staatsstructuur:


3 beleidsniveaus  federale staat = federaal parlement

= federale regering

 Gemeenschappen (3): Vlaamse, Franse, Duitstalige

= culturele & persoonsgebonden aangelegenheden

(taal, onderwijs, cultuur, welzijn en gezondheidszorg)

= 4 taalgebieden: Nederlandstalig (Vlaamse gem.)

Franstalig (Franse gem.)

Duitstalig

Tweetalig (Brussels Hoofdst. Gew.)

 Gewesten (3): Vlaamse, Waalse, Brussels Hoofdstedelijk Gewest

= alle materies geheel of gedeeltelijk over grondgebied

Vb. economie, werkgelegenheid en landbouw, …


Elk gewest en elke gemeenschap heeft zijn eigen bevoegdheden en beschikken over een eigen wetgevende (=parlement) en uitvoerende (=regering) organen.

MAAR regeringen van en parlementen van het Vlaams gewest en de Vlaamse gemeen-schap zijn verenigd tot 1 Vlaamse regering en 1 Vlaams parlement.



2) Gevolgen van de federalisering voor het onderwijs


1989: onmiddellijke overdracht gehele bevoegdheid in zake onderwijs naar

gemeenschappen => ontstaan van verschillen in onderwijsstructuren van Vl. en Wallonië

Vb. Wallonië richting kiezen in 1e jaar ASO, in Vl. pas later.

Niet alles door gemeenschappen, ook nog federaal geregeld:

- bepalingen van begin en einde van de leerplicht

- minimale voorwaarden voor het uitreiken van diploma’s

- pensioenregeling ivm onderwijs = DECRETEN

Beslissingen van de gemeenschappen bindend vanaf het moment v. opname v. decreten

=> regelgeving door gemeenschappen = DECREET

Tot stand komen ve decreet:

1. Vlaams vertegenwoordiger = VOORSTEL VAN DECREET

of minister van Vlaamse regering neemt initiatief = ONTWERP VAN DECREET

2. VOORBEREIDINGSFASE: adviesinstanties raadplegen (= vakorganisaties of

inspecteurs v. financiën)

Voorzitter van Vlaams Parlement beslist of het voorstel / ontwerp ontvankelijk is.

3. Voorontwerp voorgelegd aan Vlaamse Regering en na goedkeuring naar Vl. Parlement

Nadien naar commissies (Commissie v. onderwijs, vorming en wetenschapsbeleid)

van Vlaams Parlement. => moeten ontwerpen en voorstellen v. decreet klaarmaken

voor behandeling VL. Parlement

4. Plenaire vergadering vh Vlaams Parlement: bespreking en eindstemming.


Indien goedgekeurd => decreet bekrachtigd en afgekondigd door VL. Parlement

10 dagen na de bekendmaking in VL. Staatsblad wordt het decreet bindend!


3) Invloed van Europa op ons onderwijs


Verhoogde samenwerking binnen EU  onderwijsbeleid gestuurd dr Europese richtlijnen

Raad van ministers van Onderwijs en Raad van Europa nemen initiatieven ivm onderwijs

Vbn.: BAMA (Bologna akkoorden): Hoger onderwijs in Europa hetzelfde georganiseerd

Actiepunten bij hulp voor algemene doelstellingen van de EU


1. Participeren aan Europese projecten:


1995: start van Europese projecten = programma’s gericht op uitwisseling v. info en leerervaring over de grenzen.

 Leonardo Da Vinci: beroepsopleiding = lln kunnen stages lopen in het buitenland

Via taal- en proefprojecten gewerkt aan leermateriaal en methodieken

 Socrates: de Gemeenschap draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte, door acties die in nauwe samenwerking met de lidstaten dient uitgevoerd w.

Vb. Lingua = wil onderwijs van vreemde talen verbeteren binnen EU (aandacht naar

gebruikte en onderwezen talen binnen EU) = 5 componenten: taalassistenschappen, gem. Europese projecten, Europese

samenwerkingsprogramma’s voor taallkrn., nascholingscurcussen voor lkrn. vreemde talen, ontwikkeling van taal- en evaluatiemateriaal voor het talenonderwijs.

2. Lerarenvereniging op Europees niveau:

Vakbonden en vakverenigingen op Europees niveau voor lkrn. Deze contacten met andere lidstaten kunnen basis vormen voor verdere projecten en uitwisselingen.

4) Invloed vanuit de Verenigde Naties op ons onderwijs


1989: recht op onderwijs voor elk kind vastgelegd in Verdrag inzake de Rechten vh Kind

2000: VN stelt doel om voor 2015 de grootste armoedeproblemen aan te pakken

 Onderwijs is één van die sleutels:

- In 2015 moeten alle kinderen in alle landen basisonderwijs volgen.

- Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen moet worden gerealiseerd,

ondermeer door gelijke participatie van jongens en meisjes te realiseren voor 2015.


2. Onderwijs in de grondwet

1) Vrijheid van onderwijs


7 februari 1831: Belgische grondwet= zeer liberaal voor zijn tijd

= vrijheid van taal, eredienst, meningsuiting, drukpers, vergaderingen én onderwijs

Vrijheid van onderwijs -> 2 zaken:

1. Vrijheid van inrichting: elke particulier, ongeacht het een groep of individu

betrof, had het recht in België onderwijs te verschaffen.

2. Vriijheid van schoolkeuze: zelf bepalen in welke school inschrijven

 confessioneel onderwijs: georganiseerd door clerus

 officieel onderwijs: georganiseerd door overheid

Grondwettelijke bepalingen waren zeer algemeen en vaag => dubbelzinnige interpretatie
=> aanzet tot schoolstrijden in 2e helft 19e E en 1e helft 20e E.

= katholieken wouden meer financiële middelen voor organisatie kwaliteitsvol ond.


= liberalen & socialisten wouden meer officiële scholen kunnen oprichten.

=> 1958: M. Eyskens: sloot schoolpact af met voornaamste politieke partijen

- alle onderwijs onder 18 is gratis; de staat komt financieel tussen;

- de vrije keuze vd ouders is gewaarborgd;

- rijksond., provinciaal en gemeentelijk onderwijs mag overal kleuter- en lagere

scholen oprichten en zorgen voor lln.vervoer.

- privé en rijksonderwijs worden gesubsidieerd mits voldaan w. aan enkele vwn.

( minimumleerplan, lessenrooster, voldoende didactische materiaal, … )

- elk onderwijsnet krijgt gelijkheid van behandeling

MAAR: nog steeds discriminaties:

- massale inplanting van rijksscholen op kosten van belastingsbetaler, terwijl de staat niet tussenkwam wanneer een vrije school werd opgericht.

- alle onkosten in het rijksonderwijs werden door de staat betaald

- gratis lln.vervoer voor het rijksonderwijs

- priesters en religieuzen in het lager onderwijs kregen slechts 60% van hun loon uitbetaald.


2) De verschillende onderwijsnetten


Onderwijsnetten = term gebruikt om scholen aan te duiden volgens inrichtende macht

1500 inrichtende machten verstreken erkend onderwijs in 3 netten ( in Vlaanderen ):

 gemeenschaponderwijs

 vrij gesubsidieerd onderwijs

 officieel gesubsidieerd onderwijs

Klein aantal scholen niet erkend door overheid = privéscholen die overheid niet subsidieert of financiert.


1. Het gemeenschapsonderwijs

= alle scholen waarvan de Vlaamse Gemeenschap

=> Raad van het GO! Onderwijs = centrale inrichtende macht

= verplicht tot neutraliteit: iedereen moet er terecht kunnen, respect voor religieuze,

filosofische en ideologische overtuigingen v. ouders. Verlicht om zowel een van de

erkende godsdiensten als niet-confessionele zedenleer aan te bieden.

1998: reorganisatie GO! => nu bestuurd op 3 niveaus:

 centrale niveau: Raad van het GO! (externe communicatie, kwaliteitszorg,

ondersteuning scholen en scholengroepen)

 niveau vd scholengroepen

 lokale niveau: de school met directeur als bestuurder en schoolraad als advies-

en overlegorgaan.

- Scholengroep: groepeert scholen (max. 50) van verschillende niveaus, in eenzelfde

streek/stad. => 29 die max 50 scholen samenbrengen tot 1 bestuurlijk

geheel (Bestuurd door Raad van bestuur)
- Scholengemeenschap (72): verzameling van verschillende scholen met eenzelfde

onderwijsniveau die samenwerken op diverse vlakken. Scholen kunnen tot eenzelfde of verschillende inrichtende macht behoren en tot eenzelfde of verschillend onderwijsnet.


2. Het vrij gesubsidieerd onderwijs:

= Privé-initiatief van een persoon of instantie, inrichtende macht is vaak een vzw.

Zowel confessioneel als niet-confessioneel onderwijs
Vrij confessioneel onderwijs: gebonden aan bep. Godsdienst, meeste zijn katholiek

Protestantse, orthodoxe, joodse, islamitische scholen = minderheid

- Inrichtende macht = bisdom, orde, congregatie of vzw. (>1000 katholieke IM)

- koepelorganisaties voor gesprek met overheid

=> VSKO / Guimardstraat: - vertegenwoordiger van katholieke IM

- advies over reglementeringen

- zorgt voor leerplannen.

= enkele algemene diensten (= pedagogische begeleiginsdienst)

en verbonden (= VVKSO of VVBuO)

(elk verbond verzorgt eigen taken voor zijn niveau en sector)


Vrij niet-confessioneel onderwijs: nt gebonden aan godsdienst, maar zedenleer

OKO (Overleg Kleine Onderwijsverstrekkers) is samenwerkingsverband tss.:

- FOPEM (Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische

Methodescholen);

- de Federatie van Steinerscholen;

- VOOP (Vlaams Onderwijs Overlegplatform)

Tegenwoordig steeds meer methodescholen in GO!, het officieel gesubsidieerd onderwijs en zelfs het vrij gesubsidieerd onderwijs.
3. Het officieel gesubsidieerd onderwijs:

= provinciale en gemeentelijke scholen met provincies en gemeenten als IM

Provincie- of gemeenteraad verantwoordelijk voor oprichten/opheffen scholen, stelt

personeel aan en benoemt het.

IM bepaalt binnen zekere grenzen leerplannen, lessenroosters en gehanteerde methodes

= zowel confessionele (godsdienst) als niet-confessionele (vrije filosofie) scholen

= centraal coördinerend beleidsorgaan

= 2 organisaties die de verschillende IM vertegenwoordigt en dienstverlenende,

coördinerende functies vervullen.
Provinciaal onderwijs Vlaanderen: vzw van 5 Vlaamse provincies

= permanent secretariaat: - spreekbuis voor het Vlaams Provinciaal onderwijs bij de

overheid

- eigen pedagogische begeleidingsdienst en coördineert

nascholingsactiviteiten
Stedelijk en gemeentelijk onderwijs: vereniging van gemeenten in vzw OVSG

= elk onderwijsniveau heeft een aparte dienst

= vertegenwoordigd in alle adviesorganen voor het onderwijs

= centrale beleidsvoering wordt mee bepaald dr afgevaardigden vh gesubsidieerd

officieel onderwijs
Officieel onderwijs = gemeenschaponderwijs en officieel gesubsidieerd onderwijs

4. Financiering/subsidiëring van de netten
- Discussie: verdeling van werkingsmiddelen

De financiële behandeling van de 3 onderwijsnetten verschilt:

- financiering: gemeenschapsonderwijs (= krijgt beduidend meer middelen)

- subsidiëring: vrij en gesubsidieerd onderwijs

- Voorwaarden:

= de school moet erkend zijn door de overheid: hiervoor moet het voldoen aan bep.

voorwaarden op vlak van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, …

- “Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn

gelijk voor de wet of het decreet.” (

= scholen gelijk behandelen

= eventuele verschillen objectief kunnen verantwoorden

=> nieuwe schoolstrijd: overheid maakt inhaalbeweging, verhouding werd 20% kleiner

- Frank Vandenbroucke: (sinds schooljaar 2008-2009)

= historisch akkoord in 2007 rond financiering leerplichtonderwijs

 lat tussen de netten wordt gelijk gelegd.

 leerlingenkenmerken worden mede bepalend voor de verdeling


5. Verdeling van de leerlingen over 3 onderwijsnetten

= de meeste leerlingen gaan naar gesubsidieerd (vrij) onderwijs



VGO=68,3% _ OGO=16,52% _ GO=15,18%

3) De leerplicht


In België geldt leerplicht maar geen schoolplicht. => huisonderwijs mogelijk

= alle kinderen op Belgisch grondgebied, ook jongeren met vreemde nationaliteit



1. Wettelijke bepalingen

< 1914-1983: leerplicht tot 14 jaar, voordien vrijheid in keuze van onderwijs volgen.

Sinds 1983: leerplicht tot 18 jaar in Vlaanderen = elk kind moet gedurende 12 volle schooljaren onderwijs volgen. Start= 1 september in het jaar dat het kind 6 jaar wordt

Stop= de dag dat de jongere 18jaar wordt /
30 juni van het jaar waarin de jongere 18 wordt.

Leerplicht is voltijds tot 15 jaar: lln. heeft LO en minstens 1e graad SO gedaan

lln. die de 1e gr. niet beëindigd start mag pas op 16!

Deeltijds leerplicht begint na voltijdse en eindigt als lln. 18jaar is of op 30 juni dat jaar.

Mogelijkheden: - voortzetten van SO met volledig leerplan

- voorzetten van DBSO met beperkt leerplan, deeltijds vorming of leertijd

Enkele afwijkingen in LO toegestaan door CLB:

- 1e lj. Van LO volgen vanaf 5-jarige leeftijd

- 1e lj. leerplicht doorbrengen in KO,met verplichting regelmatig school te lopen

- 8 jaar in het LO doorbrengen, tijdens 8e jaar in het zesde studiejaar volgen!

Leeftijdsgrenzen?

= vervroeging van de leerplicht? Want nt alle kinderen volgen regelmatig KO (kansarme)

=> verplicht 3e kleuterklas moet ontw.achterstand zo klein mogelijk houden.

= verlagen? Want bedoeling in ’83 was tijdelijk het werkloosheidscijfer te verkleinen.

Naleving vd leerplicht gecontroleerd door gemeenschappen

Afwezigheden: wettige en tijdens examens => bewijsstuk

Ziektes van 1 à 2 dagen mogen 4x verantwoord worden door ouders
3 dagen afwezigheid voor culturele of sportieve manifestaties, pers redenen

Langere afwezigheden moet directeur vragen aan bij Departement Onderwijs

=> wettige afwezigheidsduur = max. 91 effectieve lesdagen.

2. Vrijstelling van de leerplicht

= verkrijgbaar door de rechter

= voor kinderen die wegens ernstige fysieke of psychische handicap geen onderwijs meer

 Commissie voor Advies van het Buitengewoon Onderwijs

Nadien toegestaan door jeugdrechter, dossier wordt dr commissie overgeleverd

De ouders moeten niet naar de rechtbank

 geen andere geldige redenen
3. Vluchtelingen en zieke kinderen

Vluchtelingen: alle verplichten van leerplicht vanaf 60e dag van inschrijving in register

Vreemdelingen- of bevolkingsregister, naargelang situatie, in hun gemeente

Zieke kinderen: (vanaf 3 weken) lagere school verplichte organisatie van onderwijs

aan huis, ouders moeten ingelicht worden over dit recht.

Uit onderzoek moet blijken dat het kind zich niet kan verplaatsen of

niet vervoerd kan worden => aanvraag bij CLB.

Departement Onderwijs financiert of subsidieert 4 bijkomende

lestijden per leerling, per week en vergoedt vervoerskosten leerkracht.

= slechts tientallen kinderen per jaar!


4. Huisonderwijs

Enkel mogelijk als ouders aan onderwijsinspectie kunnen tonen dat ze zelf hun kinderen van onderwijs kunnen voorzien.

 mogelijkheden: 1 van de ouders zelf een pedagogisch diploma

=> ook mogelijk huisonderwijs geven zonder dit diploma.

Ouders nemen privéleraar onder de arm

In praktijk: weinig ouders, want vraagt veel discipline en inzet

Ook collectieve organisatie = meerdere ouders bekostigen dit samen => privé-school

 motivaties: - soms een keuze

- soms vaak enige manier op geschikt onderwijs (tijdelijk naar buitenland)

Ouders moeten het zelf organiseren en bekostigen => gecontroleerd door inspectie

Geen diploma of getuigschrift => behalen in een van de 10 examenscholen (vanaf 9jaar)

deze baseren zich op eindetermen en ontw.doelen

=> diploma SO: Examencommissie van Vlaams Gem.

= Middenjury

Examens voor iedereen die geen diploma behaalt in het gewone onderwijssysteem. Kandidaten moeten leerstof zelf of met hulp van andere instuderen.

3. Onderwijsbeleid


< bevoegdheid in gemeenschappen;

Vlaams Parlement (wetgevende) en Vlaamse Regering en Minister van Onderwijs en Vorming (uitvoerende) beslissen over onderwijsaangelegenheden.


1) Beleidsvoering:


1. De minister en zijn kabinet:

voor grote beslissingen en beleidsopties

Kabinet= groep persoonlijke medewerkers, vaak partijgebonden adviseurs

Kabinetsmedewerkers = geen ambtenaren en wisselen meestal met minister

Kabinet bestaat uit: kabinetschef, kabinetssecretaris en stafmedewerkers

=> stafleden krijgen een bepaalde sector toegewezen en bereiden

beleidsbeslissingen voor ivm hun specifieke sector.

=> elk staflid heeft medewerkers die een uitvoerende taak hebben.

Kabinet heeft vooraanstaande rol in het ontwerpen van decreten

= informatie-uitwisseling met departement.

Stafmedewerkers = contacten met verschillende betrokken groeperingen en instanties, voeren gespreksrondes en onderhandelen om beleid degelijk voor te bereiden.
2. Het Departement Onderwijs:

< Ministerie van Vlaamse Gemeenschap

= grote groep vaste medewerkers, ambtenaren die blijven, ook als minister verandert.

= bevoegd voor alle onderwijsniveaus en llnvervoer, studietoelage en llnbegeleiding

= 5 administraties en 2 specifieke diensten: onderwijsinspectie en Entiteit Curriculum

(= de wetenschappelijke stafdienst van de inspectie. Stellen ontwikkelingsdoelen en eindtermen op, geven instructies aan IMen bij opstellen leerplannen en lessenroosters en ontwikkelt instrumenten voor de inspectieleden)

Functies: - beleidsvoorbereiding: visieteksten opmaken, nieuwe projecten, denkpistes, …

- beleidsuitvoering: ondersteunen van scholen, dossiers bijhouden, …

- beleidsevaluatie


3.De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR):

geeft advies over alle onderwijsitems (< 1990)

= afgevaardigden van IM, van onderwijspersoneel, CLB centra, ouderverenigingen, …

= brengt advies uit Vlaamse Regering over alle onderwijsmateries

=> op vraag van minister

=> op eigen initiatief

Minister moet verplicht advies van VLOR in te winnen voor hij een decreet in het Vlaams Parlement indient. Moet het niet volgen, maar doet het meestal wel (draagkracht).

2) Beleidsbewaking en ondersteuning


1. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen:

Eindtermen: minimumdoelstellingen voor kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de overheid noodzakelijk acht voor het merendeel van de lln.

 voor LO (leergebiedgebonden) en SO (vakgebonden: per graad, per ond.vorm)



Ontwikkelingsdoelen voor KO, BuSO, SO 1e lj B, beroepsvoorbereidend jaar.

Soorten:

 leergebonden of vakgebonden eindtermen moeten bereikt w. (Kennis, inzicht, vaard.)

 leergebonden of vakgebonden eindtermen moeten nagestreefd w. (attitudes)

 vakgebonden en vakoverschr. ontw.doelen moeten nagestreefd worden (/graad)

 ontwikkelingsdoelen in het buitengewoon onderwijs: per type, onderwijsvorm en lln.

 Vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen (school heeft inspanningsplicht)

 specifieke eindtermen ontwikkeld op basis van studieprofielen -> vervolgonderwijs



2. Beroepsprofielen en basiscompetenties: (DECREET)

= drukken uit welke eisen overheid en maatschappij stellen aan respectievelijk ervaren

en beginnende leerkrachten.

= uitspraken over de wijze waarop leraren dienen te functioneren

Beroepsprofiel: omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes vd leraar bij

zijn beroepsuitvoering.

Geeft de kern van het beroep weer en omschrijft de beroepsactiviteiten zoals die plaatsvinden in de praktijk van een ervaren leraar.

Basiscompetenties: omschrijving van kennis, vaardigheden en attitudes waarover

iedere afgestudeerde moet beschikken om een volwaardige beginnende leraar te zijn.

Stellen de leraar in staat om te groeien naar het beroepsprofiel en zijn er rechtstreeks van afgeleid.

Lerarenopleiding is verantwoordelijk om een opleidingsprogramma uit te werken zodat de student de basiscompetenties verwerft.
3. De doorlichting en inspectie:

= opdracht van de overheid om de kwaliteit vh onderwijs te controleren.

= moet kwaliteit in kaart brengen en bewaken.

Taken: - controle van minimumlessenroosters en goedgekeurde leerplannen

- nagaan of eindtermen w. bereikt en of de ontw.doelen w. nagestreefd.

- toezicht houden op hygiëne en bewoonbaarheid vd lokalen, het didactisch

materiaal en de schooluitrusting.

Inspectie kan zich niet uitspreken over de gebruikte pedagogische methodes en is niet bevoegd het vak godsdienst te inspecteren


Nu is er schooldoorlichting ipv controle van de lrkn.

Inspectie bestaat uit ene helft leden van gemeenschapsonderwijs, gemeentelijk en provinciaal onderwijs en voor de andere helft uit gesubsidieerd vrij onderwijs.



  • alle scholen worden gelijk doorgelicht.

  • Elke school weet op voorhand wanneer de doorlichting plaatsvindt.

Om deze doorlichting voor te bereiden ontvangen zij een uitvoerige vragenlijst, het voorbereidend informatiedossier ( gebaseerd op het CIPO-model)

= mogelijkheid om de eigenheid van de school in kaart te brengen

= zet de bakens uit waarbinnen de feitelijke doorlichting zal plaatsvinden

Daarna gaat het inspectieteam de school doorlichten en geeft het doorlichtingverslag door aan de IM en de directeur, wordt besproken met de personeelsleden en worden eventuele actiepunten vastgelegd.

Er is ook altijd advies aan gekoppeld:

- positief advies: geen noemenswaardige tekorten of aanbevelingen

- positief advies onder voorbehoud: tekorten w. beschreven en termijn

vastgelegd waarbinnen een nieuw onderzoek zal plaatsvinden voor tekorten

- negatief advies: er komt een nieuwe doorlichting binnen het jaar.

2 negatieve adviezen kunnen de financiering/subsidiëring stopzetten

Doorlichting geeft ook beleidsadviezen aan onze minister van Onderwijs.
4. Pedagogische begeleidingsdiensten:

OPDRACHT: - eigen pedagogisch project ivm betrokken net uitbouwen en realiseren.

- onderwijskwaliteit van de scholen verhogen

- beroepsbekwaamheid van het personeel versterken

Begeleiding van leraars in hun vakgebied is toevertrouwd aan vakbegeleiders.

Een begeleider beschikbaar voor bijna alle algemene vakken, voor technische en praktijkvakken is er een begeleider per studiegebied (bij de meest voorkomende)

Ook begeleiding voor IM , directie een lkrn. (voor doorlichting, Team GOK begeleiden, …)

Het team werkt vraaggestuurd en school- of klasbezoek wordt eerst aangekondigd.

=> kunnen er vragen of problemen voorbereid worden.

Andere doelgroep= beginnende lkrn. (organisatie van bijscholingsdagen)



5. Centra voor leerlingenbegeleiding (CLB):

= door Vlaamse Gemeenschap gefinancierde dienst, regionaal en per net georganiseerd.

Informatie, hulp en begeleiding voor ouders, leerlingen, leerkrachten en schooldirecties

= bewaakt het welbevinden van de leerling

= gratig en steunt op 4 belangrijke pijlers: - het leren en studeren

- de schoolloopbaan

- de preventieve gezondheidszorg

- de sociaal-emotionele ontwikkeling

De leerling staat centraal en alles gebeurt binnen een sfeer van dialoog en vertrouwen.

Gaat enkel uit van de vraagsteller = pas nadat de leerling of ouder initiatief neemt.

Altijd eerst toestemming vragen aan de ouders of lln zelf (indien ouder dan 14 jaar)

Begeleiding is multidisciplinair: - vooral gericht op lln die leerbedreigd zijn door hun

sociale achtergrond of leefsituatie.

- enkel verplicht bij spijbelgedrag en medische onderzoeken

- preventief jeugdgezondheidszorg: gezondheidszorg v. lln

bewaken, bevorderen en behouden.


3) Gelijke Onderwijskansenbeleid (GOK)


= inclusief (=integrale aanpak op verschillende beleidsdomeinen tegelijkertijd) en

gecoördineerd beleid

Beleidsmaatregelen die de kern van het onderwijssysteem raakten en aanleiding gaven

tot structurele onderwijsvernieuwing.

Jaren ’90: scholen kregen reeds middelen, begeleiding en ondersteuning voor gelijke onderwijskansen voor alle kinderen. => projecten rond onderwijsvooruitgang, …

MAAR slechts tijdelijk

2002: één geïntegreerd ondersteuningsaanbod met speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus. => GELIJKE ONDERWIJSKANSENBEID

=> alle kinderen krijgen de beste kansen om te leren en zich te ontwikkelen en wordt de uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengegaan.

3 belangrijke krachtlijnen:

1. Elke lln heeft het recht zich in te schrijven in een school naar zijn/haar keuze.

School kan lln normaal niet weigeren, tenzij schriftelijke motivatie van IM of

Schoolbestuur. De school moet studierichtingen die volzet zijn aangeven op de

website van het LOP.

2. oprichting van Lokale OverlegPlatvorms in met driedelige opdracht: waken over

inschrijvingsrecht, bemiddelen bij conflicten en werken mee aan realisatie van

een lokaal GOK; alle scholen en centra zijn verplicht aan het lokaal

overlegplatform constructief mee te werken.

= FINANCIERING- EN SUBSIDIERINGSVOORWAARDE !!

3. Ondersteuning aan scholen (die vrij veel lln tellen) in ontwikkeling van

zorgverbredende werking voor kansarme kinderen. = extra lestijden of

extra-uren leerkracht.

Overheid zorgt voor bijkomende personeelsleden bij begeleidingsdiensten die scholen moeten ondersteunen bij GOK.

Pedagogische begeleidingsdiensten en centrale organisaties met vertegenwoordigers in de LOP ontvangen extra personeelsleden en werkingsmiddelen om scholen de lokale mandatarissen aan te sturen en te begeleiden bij het functioneren in het LOP.

De opdracht van de steunpunten Nederlands Tweede taal en Intercultureel Onderwijs en van het expertisecentrum Ervaringsgericht onderwijs zijn inhoudelijk verbonden met GOK

= doen aan onderzoek, vorming en maatregelontw. in opdracht v. onderwijsoverheid.

= trachten ook hun verdere expertiseontw. In zeer nauwe en rechtstreekse samenwerking met scholen te ontplooien.

Ook maatregel ivm GOK in hoger onderwijs => buitenlandse diploma’s en elders anders verworven competenties erkennen via afwijkende toelatingsvoorwaarden en studieverkorting.

Toegankelijkheid voor studenten uit andere bevolkingsgroepen waarborgen in materiële en immateriële zin. 4. Basis- en secundair onderwijs

3 onderwijsniveaus in Vlaanderen: basisonderwijs, secundair en hoger onderwijs

Bij eerste 2 ook buitengewoon onderwijs mogelijk.



1) Basisonderwijs


Voor kinderen van 2.5 tot 12 jaar => continue en totale ontwikkeling van de persoonlijkheid van de leerling.

Aandacht besteed aan overgang van kleuter- naar basisonderwijs

Is gratis omdat het binnen de leerplicht valt.
Kleuteronderwijs:

- doelgroep: 2.5 tot 6 jaar

- 6 instapmomenten: na zomervakantie, na herfstvakantie, na vakantie van Hemelvaart,

na kerstvakantie, na krokusvakantie en na paasvakantie (soms extra klas opgericht)

- doelen: de ontplooiing van de gehele persoonlijkheid van het kind

= ontwikkelingsdoelen die moeten nagestreefd worden



  • ontwikkeling van exploratie- en expressiemogelijkheden van kleuter

  • nastreven van motorische, creatieve, intellectuele, taal- en contactvaardigheden

  • SPEL gehanteerd als belangrijkste hulpmiddel + stimulerend milieu en specifieke materialen om belangstelling op te wekken en exploreren en handelen uitlokken.

- EGKO (Ervaringsgericht kleuteronderwijs)

3 principes voor welbevinden (hoe het kind zich in zijn sas voelt) en betrokkenheid

(mate waarin het kind gefocust bezig is):


  • vrij kleuterinitiatief: rekening houden met eigen belangstelling en werktempo

kleuter

  • verrijking vh milieu: zo ruim mogelijk aanbod aan materiaal en evenwichtige

indeling van de beschikbare ruimtes. (uitnodigend en afwisselend, …)

  • ervaringsgerichte dialoog: persoonlijk contact tss begeleid(st)er en kleuter.

Het lager onderwijs


- doelgroep: 6 tot 12 jaar

- 6 aaneensluitende studiejaren

- organisatie = jaarklassensysteem (al dan niet verplicht)

- eindtermen: de doelen van het lager onderwijs.



  • op vlak van kennis, vaardigheden en inzicht (voor fr, ndls, wisk, wo, Mo, Lo)

  • leergebiedoverschrijdende eindtermen (soc. vaardigheden, leren leren, ICT)

  • leergebiedgebonden eindtermen: op vlak van attitudes

- 4 beklemtoonde principes van eindtermen:

  • brede vorming of ruime basisvorming met persoonlijkheid kind centraal

(cognitieve ontwikkeling + belang aan houdingen en waarden)

  • actief leren met aansluiting tot leefwereld (samen met lrk en medestudenten kennis verwerven, vaardigheden oefenen, attitudes ontplooien)

  • zorg voor elke leerling (nodige basisbekwaamheden + verschillens tussen lln.)

  • zowel horizontale (leergebieden onderling) als verticale (kl & sec) samenhang

- getuigschrift: voor lln die het lager onderwijs met succes beëindigd hebben  1e lj A so

lln die niet slagen stromen door naar 1e lj B van het sec. onderwijs.

- methodescholen: privéscholen met typische filosofische en ideologische achtergrond en

waarin een uitgesproken mens- en maatschappijbeeld wordt nagestreefd.

Uniek aangezien ze door groep mensen gestart werd die kozen voor een

bestaande pedagogie of hun maatsch.beeld als fundament kozen.

=> moeilijk om basisprincipes aan te halen voor deze scholen toch sommige:


  • leren is ‘samen’ werken

  • open blik naar de omgeving (van de school)

  • kindgerichtheid: gevoelens, behoeften en ervaringen van kind centraal

  • ‘totale’ kind aan bod: aandacht tot ontwikkeling v. denken, lichaam, expressie

  • Actieve en ontdekkende rol voor het kind

  • Medebeheer en zelfbeheer staan centraal

Vbn. Freinet- en Steinerscholen die steunen op principes van Freinet en Steiner

= grotendeels vrije, niet-confessionele scholen; al dan niet gesubsidieerd



2) Secundair Onderwijs (12 tot 18 jaar)


Voor velen de laatste vorm van institutioneel onderwijs.

Na afloop klaar voor:  de arbeidsmarkt: jobfinaliteit

 studies aan het hoger onderwijs: maturiteitsfinaliteit

=> het secundair onderwijs vervult de rol inzake latere studie- en/of beroepskeuze.

Taak lkr.: verantwoordelijk voor het ondersteunen van het keuzeproces van de lln. m.b.t.

hoger studies of beroepskeuze.


 Structuur van Secundair Onderwijs

1. schematisch: zie nota’s

2. basisstructuur: drie graden waarin de 6 leerjaren zijn in opgedeeld.


  • 1e graad: de eerste 2 leerjaren = OBSERVATIEGRAAD

  • 2e graad: 3e en 4e leerjaar: meer keuzemogelijkheden, kunnen zich oriënteren

= ORIËNTATIEGRAAD

  • 3e graad: 5e en 6e leerjaar: voorbereiding op hoger onderwijs of zevende jaar

+ behalen van diploma secundair onderwijs.

= DETERMINATIEGRAAD



  • 4e graad voor 3 BSO-studierichtingen

    • verpleegkunde (3 jaar)

    • plastische kunsten (2 jaar)

    • modevormgeving (2 jaar)

veel belang aan een brede algemene basisvorming:

 het gemeenschappelijk gedeelte = deel van studierichting identiek voor alle lln.

 keuzegedeelte = waar lln een verschillende keuze kunnen maken (vanaf 1e graad)


  • 1é graad: lln. kiezen voor 1e leerjaar A of B en in het tweede voor het tweede

leerjaar of het beroepsvoorbereidend jaar; einde 1egr= getuigschrift

    • lln van 6e leerjaar kiezen meestal voor A en hebben een gem.sch. gedeelte en een keuzegedeelte (afhankelijk van school)

de gem. vakken (wisk en talen) 27/28 lesuren van de 32 (50 min.)

=> nadruk ligt op gemeenschappelijke start = niet te veel verschil!!

lln kunnen na 1e lj naar 2e of beroepsvoorbereidend jaar gaan


    • lln met leerachterstand in lager onderwijs of minder aanleg voor theorie => eerste leerjaar B (zelfde lessentabel als A + TO)

vooral praktisch en keuzegedeelte is afhankelijk van school (mode, …)

lln gaan erna naar het beroepsvoorbereidend jaar of overstappen nr A.

toelatingsvoorwaarden voor A en B: zie curcus p. 56


    • tweede leerjaar: 24/26 lestijden gemeenschappelijke basisvorming

men kiest voor één van de 18 basisopties, voor het

gem.sch. gedeelte wordt dezelfde leerstof gegeven,

moeilijkheidsgraag en uitdieping hangen af van

gekozen basis optie (praktisch of theoretisch gericht).



    • Beroepsvoorbereidend jaar: voor lln die het 1e leerjaar B volgde of A.

Je kan naar het 2e lj van de 1e graad overstappen als

dit gaat met oriënteringsattest.

15 beroepsvelden (niet allemaal in 1 school)

14 tot 18 uren gemeenschappelijke basisvorming


 de verschillende onderwijsvormen: (4 met elk eigen specificiteit; vanaf 1e jaar kiezen)

1. ASO (algemeen vormend secundair onderwijs):

= brede theoretische vorming en niet rechtstreeks afgestemd op een beroep

= geen handenarbeid

= hoofddoel: lln voorbereiden op hoger onderwijs (enkel algemene vakken)

2. TSO (technisch secundair onderwijs):

= algemene vorming + technische vakken + praktijkvakken

= ruim aanbod aan studierichtingen (verschillend qua inhoud en bedoeling)

= meer praktijkuren  gericht op voorbereiding op beroep: JOPFINALITEIT

= meer algemene vakken en theorie  hogere studies: MATURITEITSFINALITEIT

3. BSO (Beroepssecundair onderwijs):

= vooral praktische beroepskennis

= weinig algemene vakken, sterk praktijkgericht

= accent op het doen, niet op theorie

= bereidt voor op uitvoerende beroepen, niet op hoger onderwijs

= doorstroming naar hoger onderwijs kan na het behalen van diploma sec. onderwijs

4. KSO (kunstsecundair onderwijs):

= artistiek karakter

= brede algemene vorming + actieve kunstbeoefening

= theorie kunsttechnieken, praktische kunstbeoefening, kunst begrijpen en aanvoelen

= voorbereiding tot hoger onderwijs of beoefenen van een beroep
=> deze onderwijsvormen zijn onderverdeeld in studiegebieden waarbinnen nog eens de verschillende studierichtingen zitten. Een studiegebied groepeert elke studierichting met een verwante inhoud.

=> nu 29 studiegebieden: 1 in ASO, 3 in KSO, 1 in ASO & TSO, 24 in BSO en TSO

Aantal studierichtingen is hier een veelvoud van en wijzigt voortdurend
Belangrijk dat leerlingen zich goed oriënteren voor de tweede graad zodat ze geen foutieve keuze maken => leerkracht speelt hierin een belangrijke rol door eerlijke en correctie info te verschaffen aan de leerling. Als ze fout georiënteerd zijn bestaat de kans dat ze afhaken en ze in het watervalsysteem terechtkomen.

 Modulair onderwijs

Modularisering = opleiding in kleinere pakketten aanbieden, elke module wordt bekrachtigd door een deelcertificaat, erkend door de bedrijfswereld. Zo kan een leerling toch naar de arbeidsmarkt met de behaalde deelcertificaten als hij niet zou slagen.

DOELSTELLINGEN: => succesbeleving voor jongeren (van glijbaan naar successtory)

=> onderwijsaanbod doorzichtiger maken(geen verschil tss A1 en A2)

=> relatie onderwijs-arbeidsmarkt en vervolgonderwijs soepeler!!

=> de uitstroom van ongekwalificeerde jongeren tegengaan

 De geïntegreerde proef

In BSO, TSO en KSO aan het einde van de opleiding

Voorbereiding duurt bijna een jaar en is een soort van persoonlijk project waarin de leerlingen bewijzen dat ze de in hun vakgebied ongedane kennis in een ruimere maatschappelijke en economische context kunnen plaatsen.

Tussentijdse evaluaties maken bijtsturing mogelijk.

GIP toetst de kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes.  3 aspecten beoordeeld:

1. het leerproces: alle productiestappen om het werkstuk te creëren (documentatiemap,)

2. de leerhouding: manier waarop lln het werkstuk aanpakt (samenwerking, …)

3. het uiteindelijk product: het afgewerkt werkstuk
 Invullingen van de deeltijdse leerplicht:

Bedoeld om de ongekwalificeerde uitstroom te verminderen en deze mogelijkheden worden in het algemeen gekenmerkt door een minder schoolse aanpak t.o.v. de jongeren


1. DBSO (deeltijds beroeps-secundair onderwijs):

* Het totale lessenpakket bevat 15u per week = 2 dagen in praktijk en

wordt gevolg in één van de CDO’s (centra voor deeltijds onderwijs) verbonden aan

technische en beroepsscholen.

* Een CDO kan gecombineerd worden met een werksituatie (van verschillende vormen)

en wordt uiteraard vergoed. (hangt af van de aard van werksituatie maar hoger dan

leertijd)

* Aantal jongeren stijgt nog steeds.

* De nabije oriëntatie binnen de school ligt vaak voor de hand.

* CDO’s kunnen beroep door op financiële en pedagogische ondersteuning

* problematisch: relatief grote groep van lln binnen het systeem kiezen ervoor niet te

werken in de rest van de week.

=> deze lln krijgen hetzelfde attest als zij die de tweede graad van het beroepsonderwijs met vrucht beëindigen als ze slagen. Men kan ook een attest voor bedrijfsbeheer behalen om een eigen zaak op te starten.
2. Leertijd

*Jongeren zitten gedurende 2 à 3 jaar 1 dag in de week op school en krijgen en

maatschappijgerichte en beroepsgerichte vorming (theorie).

*De resterende 4 dagen krijgen de jongeren werkend aan opleiding van een

baas/partoon.

*Deze opleiding wordt aangeboden in 25 erkende opleidingscentra van Syntra

Vlaanderen.

=> technisch-uitvoerende beroepen (restauranthouder, kapper, daklegger,…)

=> beroepen die van vader op zoon worden doorgegeven o.w.v. de complexiteit

(pianotemmer, vioolbouwer, …)

=> beroepen die aansluiten bij de huidige ervaringswereld van jongeren:

(schoonheidsspecialiste, decorbouwer, …)

lln ontvangen beperkte vergoeding: 265-450 euro
Factoren van daling aantal jongeren die leertijd volgen:

* middelen zijn beperkt omdat het niet financieel en pedagogisch ondersteund wordt

* het behaalde getuigschrift is een referentie voor wie zelfstandig of in dienstverband aan de slag wil maar zonder betekenis voor wie wil verder studeren.
PLUSPUNTEN: - leerlingen zijn verplicht van werken en leren te combineren

= wanneer lln hun werk verliezen en geen nieuw vinden binnen 3

maanden mogen zij de lessen niet meer bijwonen.

- Syntra levert inspanningen voor meer pedagogische invulling

= aanwezigheid CLB-medewerkers
3. Deeltijdse vorming

* een paar honderd leerlingen

* zijn regelmatig aanwezig in het centrum voor deeltijdse vorming

* jongeren die niet kunnen werken of leren o.w.v. persoonlijke redenen

* totaalconcept van levensvorming van leerlingen met aandacht voor het individu staat

Centraal


VBN: LEJO, Aura, de Foyer en De Werf

 Diploma

= schriftelijk en officieel bewijs dat men de opleiding in het secundair met goed resultaat heeft gevolgd en geslaagd is voor het eindexamen.

* wordt gegeven aan lln die een getuigschrift hebben van de tweede graad en:

 tweede jaar van de 3e graad ASO,TSO of KSO met vrucht beëindigen

 derde leerjaar van de derde graad in het BSO

 eerste jaar van de vierde graad van het BSO

* men krijgt een diploma als men het getuigschrift van de eerste en de tweede graad

verkregen heeft. lln kunnen ook een getuigschrift ontvangen van het lager onderwijs

als zij van het lager onderwijs doorstromen naar het secundair. Als zij in 1B slagen dan

bekomen zij een getuigschrift van het lager onderwijs en de eerste graad secundair.

* lln die niet in het bezit zijn van een getuigschrift van een eerste graad kunnen slechts

een studiegetuigschrift behalen als zij wel slagen in de tweede graag. Deze kunnen

enkel een diploma secundair onderwijs halen als zij slagen voor de centrale

examencommissie.
 Oriënteringsattesten (3 soorten)

1. A-attest: voor regelmatige lln die ene bepaald leerjaar met vrucht beëindigen en

worden rechtstreeks toegelaten tot een volgend jaar.

2. B-attest: identiek aan A, maar beperkt toelating tot bepaalde onderwijsvormen en/of

onderverdelingen. Iemand ‘clausuleren’= men laat de leerling wel overgaan naar het

volgend jaar, maar let uitsluiting van 1 of meerdere studierichtingen en

onderwijsvormen

3. C-attest: deze leerlingen zijn niet geslaagd en moeten hun jaar overzitten. Ofwel in

dezelfde richting ofwel overstappen naar een andere studierichting of onderwijsvorm

 Watervalsysteem

= men begint in de ‘zwaardere’ richtingen en zakt vervolgens naar een ‘lichtere’

= kan zowel binnen als onderwijsvorm als tussen

Er wordt automatisch een rangorde opgesteld volgens ‘abstract denken’ ASO  BSO

Ouders proberen dan altijd zo hoog mogelijk te mikken


OORZAKEN:geringe waardering en onterechte vooroordelen voor technische en

technologische opleidingen en beroepen vanuit onze samenleving.

GEVOLGEN: => ongebruikte talenten

=> verkeerde studiekeuzes

=> grote schoolse vertraging

OPLOSSINGEN: de school moet te talenten van de leerlingen erkennen en

verdere studiekeuzes stimuleren die aansluiten bij deze talenten.

Het is noodzakelijk dat leerkrachten de studierichtingen en

onderwijsnormen als evenwaardig beschouwen en behandelen.
 OKAN (Onthaalklas Anderstalige Nieuwkomers)

- door onderwijsplicht is het onthaal voor anderstalige een noodzaak in het SO

- er zijn onthaalklassen in scholen vanaf 25 nieuwkomers min.

= de lln volgen 28u per week een taalbad gedurende één schooljaar en nadien kunnen ze

doorstromen naar het reguliere onderwijs.
TOELATINGSVOORWAARDEN: - niet Belgische nationaliteit

- niet het Nederlands als moedertaal

- geen volledig schooljaar in een nldst. Onderwijsinstelling

- de onderwijstaal onvoldoende beheersen

- op 31 december minimum 12 en geen 18 jaar zijn

DOEL: lln zo snel mogelijk de nodige taalvaardigheid brengen om de leerboodschappen

te begrijpen en deel te nemen aan het sociaal verkeer in de klas.

Actieve integratie van de nieuwkomer in de school en maatschappelijk leven


Na OKAN-jaar:  inschrijven voor vervolgschool in het reguliere onderwijs

 vakantieklas om Nederlandse taal op te frissen

 opvolgcoach

 extra lessen buiten de schooluren


Men moet zorgen voor een optimaal school- en klasklimaat gericht op welbevinden en betrokkenheid van de lln. = eerste voorwaarde om van leren te kunnen spreken


5. Buitengewoon onderwijs


= het aanbod realiseren dat aangepast is aan de opvoedings- en onderwijsbehoeften van leerlingen met de handicap, ze hebben tijdelijke of permanente hulp nodig.

Doel: lln integreren in het onderwijsmilieu enerzijds en de maatschappij anderzijds.


Onderscheid in huidige structuur:

 BuKO voor 2,5-6 jaar

 BuLO voor 6-13 jaar

 BuSO voor 13-21 jaar


1980: start van Geïntegreerd onderwijs = lln met een handicap, leer- of ontwikkelings-beperkingen de mogelijkheid geven tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig in het gewone onderwijs terecht kunnen.

 de school krijgt hiervoor hulp van BuO school

 Basisgedachte: Kind met handicap of leerstoornis met extra ondersteuning voldoende

te kunnen helpen (gedeelte van) doelstellingen te halen van de ‘gewone’ leerling.


Jaren ’90: Inclusief onderwijs = idee dat zoveel mogelijk kinderen en jongeren kwaliteitsvol onderwijs moeten kunnen volgen in een gewone school.
Verschil tussen GON en Inclusief onderwijs: bij GON past het kind zich aan, aan de gewone schoolomgeving en bij inclusief onderwijs wordt de nadruk gelegd op het aanvaarden van verscheidenheid = school past zich aan ad lln en zijn mogelijkheden.

Doelstellingen v. kind moeten ook niet noodzakelijk dezelfde zijn als voor anderen.


Leerzorg: de komende jaren invoeren door Frank Vandenbroucke = strakke grens tss gewoon en buitengewoon onderwijs => vlottere overgang voor beiden.

7. Volwassenenonderwijs


Volwassenen volgen opleidingen voor hun professionele of culturele leven, uit interesse of voor carrière. = LEVENSLANG EN LEVENSBREED LEREN

= het leren beperkt zich niet tot één bepaalde periode of levensfase, iedereen gaat voortdurend (bij)leren in functie van zichzelf en in functie van zijn/haar werk en positie in de maatschappij. => Methodiek en voorwerp van het leren

Leren mag niet verengd worden tot activiteiten met een professionele en economische finaliteit.

Bedrijfsopleidingen, VDAB-beroepsopleidingen, middenstandsopleidingen en sociaal-cultureel vormingswerk vallen niet onder het Departement Onderwijs.

Belangrijkste aanbieders: DIVA vzw = maken opleidingsaanbod overzichtelijker en toegankelijker om zo de opleidingen beter te laten renderen

Verschillende centra:


1) Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO)


Vroeger= onderwijs voor sociale promotie of avondonderwijs

= geeft de kans aan wie opleiding niet afmaakte om diploma nog te behalen.

OF om- of bijscholing indien diploma niet langer gevalideerd wordt op arbeidsmarkt

SO of HO: SO enkel voor volwassenen of jongeren na voltijdse leerplicht

Voor HO: ouders dan 21, diploma SO en slagen voor toelatingsproef

Lineaire opleidingen: lessen gespreid over 32 à 40 weken van september tot juni

Modulaire opleidingen: leerstof opgedeeld in modules waarin theorie en praktijk

geïntegreerd gegeven worden.

Mogelijkheid tot algemene vorming = tweedekansonderwijs (kans op diploma SO)

Richten examens zelf in en delen zelf diploma’s uit


2) Centra voor Basiseducatie (CBE)


Laaggeschoolde volwassenen = volwassenen die het moeite hebben om meet te kunnen in de maatschappij (15%)

Opleidingen om vaardigheden te verwerven (taal, ICT, wisk. en maatsch. oriëntatie)

Alle volwassenen voor wie basisvorming noodzakelijk is om maatschappelijk beter te functioneren of om een verdere opleiding te volgen, worden toegelaten tot curcussen.

2003: modulaire structuur voor meer succeservaringen in te bouwen


3) Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)


= bedoeld voor werkzoekenden en is kosteloos voor hen

Werknemersopleiding op verzoek van werkgever of eigen verzoek => vergoeding betalen

Willen veel beroepsrealiteit => veel samenwerking met bedrijfswereld

4 mogelijkheden: Groepsleren = opleiding in groep volgen olv instructeur, vaste

tijdstippen en zelfde leertraject voor iedereen.

Open leren = cursist neemt totaal lessenpakket zelf door, instructeur

ondersteunt en alle leermiddelen zijn beschikbaar.

Afstandsleren = cursusmateriaal aan VDAB- centrum en werkwijze

bespreken met instructeur, zelf thuis leren, e-mail

voor vragen.

Webleren = leren via PC met internetaansluiting, cursusmateriaal 24 u

op 24 beschikbaar, ook begeleiding met instructeurs voorzien.


4) Vlaams Centrum voor Ondernemersopleiding – Syntra Vlaanderen (VLAO)


3 diensten: - leertijd, vooral voor jongeren vanaf 15, maar ook voor volwassenen

= soort van deeltijdse leerplicht

- ondernemingsopleiding: volwassenen die zich zelfstandig willen vestigen

= bovenbouw en is meestal ‘s avonds



- voortgezette vorming: voor wie ‘bij’ wil blijven in zijn vak.

5) Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)


Les volgen in vrije tijd in algemene muzikale vorming, algemene muziekcultuur, zang, instrument, dans, tekenen, toneel, …

= een lagere(4 leerjaren voor jongeren vanaf 8 jaar en 3 leerjaren voor jongeren vanaf 15 jaar), middelbare en hogere graad (elk 3 leerjaren).

  • 2) Gevolgen van de federalisering voor het onderwijs
  • 3) Invloed van Europa op ons onderwijs
  • 1. Participeren aan Europese projecten
  • 4) Invloed vanuit de Verenigde Naties op ons onderwijs
  • 2. Onderwijs in de grondwet
  • 2) De verschillende onderwijsnetten
  • 2) Beleidsbewaking en ondersteuning
  • 3) Gelijke Onderwijskansenbeleid (GOK)
  •  Het lager onderwijs
  • 2) Secundair Onderwijs (12 tot 18 jaar)
  • 5. Buitengewoon onderwijs
  • 1) Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO)
  • 2) Centra voor Basiseducatie (CBE)
  • 3) Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB)
  • 4) Vlaams Centrum voor Ondernemersopleiding – Syntra Vlaanderen (VLAO)
  • 5) Deeltijds Kunstonderwijs (DKO)

  • Dovnload 122.41 Kb.