Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Samenvatting van Gerke Roorda Hoofdstuk 1

Dovnload 162.29 Kb.

Samenvatting van Gerke Roorda Hoofdstuk 1



Pagina1/4
Datum21.09.2017
Grootte162.29 Kb.

Dovnload 162.29 Kb.
  1   2   3   4

Samenvatting van Gerke Roorda
Hoofdstuk 1 – Inleiding

  • Verplichting aan de vaderen die stonden op dezelfde fundamenten: geloof, openbaring en gemeenschap. Niet tegen hen polemiseren, maar hen laten uitspreken, want wij kunnen wel van hen leren, zij niet meer van ons. Ook wij worden door hen aangesproken. Hun erfgoed houdt ons in toom, hun worsteling zetten wij voort.

  • Selecteren, bepaald door de subjectieve geëngageerdheid van het kennisnemende en schrijvende subject. Beiden zijn trouwens ook bepaald door hun eigen tijd. Subjectieve betrokkenheid geeft ook een blik in de toekomst. Heden is geen afsluiting, maar overgang.

  • Kerk is er om de wereld, heeft daarin een taak en verantwoordelijkheid. Hoe stond de Kerk t.o.v. de wereld?

Hoofdstuk 2 – De kerk tijdens revolutie en restauratie



§1. De Bataafse republiek (1795-1806)

Franse revolutie in 1789 brengt Verlichting tot politieke gestalte.



1795: de Fransen nemen Nederland in. Een fluwelen revolutie. De Bataafse Republiek wordt ingesteld. Eerder last: Franse belangen worden gediend.

Geïmporteerde vrijheid betekende geen radicale breuk met het christelijk geloof. Algemene christelijk getinte religiositeit van de Verlichting (`de Voorzienigheid', `het Opperwezen').

Direct werd een scheiding van kerk en staat afgekondigd. In het staatsbelang werd de christelijke godsdienst positief beoordeeld.

1805: Rutger Jan Schimmelpenninck. Onderwijswet: `tot alle maatschappelijke en christelijke deugden' (Schoolstrijd)
§2. Het Koninkrijk Holland

De staat boven de kerk.

Lodewijk Napoleon had oprechte en onpartijdige belangstelling voor alle kerken.

Alleen bestuurlijke ( geestelijke) regering van de kerk door het ministerie van eredienst, althans: dat pretendeerde men. Zie ook §5.


§3. Het bestuur van Napoleon

1810: inlijving in Frankrijk. Winst: bestuur, financiën en wetgeving gerealiseerd. Napoleons interesse voor kerkelijke zaken werd ingegeven door politiek doel: Godsdienst in handen van de regering. Hij poogde de recente kerkscheidingen (b.v. 1619, Dordt: de Remonstranten) ongedaan te maken.

Nederlandse houding tgor Napoleon gematigd en aanvaardend, soms lovend (onrust was voorbij, restauratie kwam). Financiële positie predikanten was miserabel.


§4. Restauratie

1813: terugkeer van de monarchie (voor 't eerst sinds 1581): Willem Frederik (Koning Willem I), z.v. Stadhouder Willem V.

De Restauratie werd een vorstenaangelegenheid. Niet altijd werd constitutie gewaarborgd (Verlichting!), in Nederland verliep het ook niet glad.

Kerkelijke zaken snel geregeld: traktement voor predikanten uit de staatskas.

De wet van 1815 was de wet waarop de intensieve bemoeienis van de koning met kerkelijke zaken in de komende jaren zou berusten. Geen staatskerk of bevoorrechte kerk, wel – Verlicht despotisme – intensieve bemoeienis van de vorst met kerkelijke zaken. Departement voor erediensten (o.l.v. J.D. Janssen). De RKK viel hierbuiten.


§5. Het Algemeen Reglement van 1816

Officieel begin van de Nederlandsche Hervormde Kerk.

Consulerende commissie of synode of geen overheidsbemoeienis met de kerk?

1815: Koning besluit tot consulerende commissie. Deze commissie (11 predikanten, o.m. Donker Curtius) moest beslissen over een ontwerp van het departement.

1816: na wat kleine wijzigingen in werking gesteld: Algemeen Reglement.

Van overheidswege ingevoerd. Niet uit het oog verliezen dat de kerk in die tijd slecht functioneerde door de oude structuren. Eenheid in staatsbestuur maakt eenheid in kerkbestuur noodzakelijk.

Opvallend: volgorde van kerkbesturen vanaf nu precies andersom; nu ging men uit van de synode. Hiërarchisch-bestuurlijk en niet meer presbyteriaans vertegenwoordigend. Koning was de hoogste hiërarch.

Bemoeienis van de koning strekte zich ook uit naar de andere godsdienstige gezindten, inzake financiën en kerkbestuur.

Op het departement ging het om uitwendig kerkbestuur en niet om `de godsdienst zelve'. Compromis in dezen was nodig, dus werd in artikel 9 opgenomen de zinsnede: `handhaving harer leere'. Dit concept werkte niet.

Het kerkelijk apparaat was uitstekend geregeld, maar voor handhaving van leer is geen procedure of nadere omschrijving gegeven.


§6. Bezwaren en aanvaarding

Bezwaren richtten zich op de overheidsbemoeienis. De kerken hadden liever gezien dat een nieuwe structuur zou zijn opgekomen vanuit de kerk.

Tegenzin kregen ze, angst om protestantse vrijheid te verliezen, verwachting van tweespalt en strijd.


Antwoord: o.m. `Synode wordt niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen'.

Algemeen Reglement toch ingevoerd op 1 april 1816.

Scheuring ontstond niet, men schikte zich. Wat meespeelde waren misschien de plotseling verbeterde levensomstandigheden van de predikanten.

Synode in 1816 herhaalde bovengenoemde, “handhaving van de leer” was een zorg voor predikantenopleidingen en godsdienstonderwijs.

Daarentegen lag er grote nadruk op het zedelijk leven van de predikanten. Maar met de leer wilde men zich niet bemoeien.
Hoofdstuk 3 – Theologie der Verlichting

§1. Oriëntatie

Kernwoorden: tolerantie en oecumenisch denken.

Men wil niet weten van zonde, ook niet in de rede. Eind xviii en xix was er sprake van `supranaturalisme met een sterk rationalistische inslag en een rationalisme dat voor excessen werd behoed door supranaturalistische elementen'.

Matte normen, rationeel en moraliserend, braaf en bedaard. `Gezond verstand'. Vooruitgangsgeloof.

Verhouding rede – openbaring (dat zijn elkaars correlaten geworden, niet geloof en openbaring) in de dogmatiek veel besproken. Openbaring als notitia, mededeling van een reeks waarheden. Mysteria zijn supra rationem, nooit contra rationem (H. Muntinghe, zie H. 4, §2).

Strenge geldigheid van inspiratie verviel. De bijbelschrijvers waren geloofwaardig. Axiopistie, een rationele grond.

Ook bij christologie een vermenselijking: intellectualistisch-moralistische denkwijze vestigde de aandacht op leer en voorschriften van Jezus, de summus doctor. Men dacht over Hem in Ariaanse zin. De dogmata van triniteit en eschatologie waren niet meer aan de orde.

Klassieke satisfactieleer paste ook niet in de optimistische antropologie van de Verlichting. Termen bleven inhoudsloos staan.

Theologisch denken behield de oude termen, maar dan wel uitgehold. Bijzondere openbaring als aanvulling op het menselijk licht, i.p.v. de lichtende lijn in het zwarte vlak van de zonde.

Exegese kwam primair boven het orthodoxe schema van de dogmatiek te staan.


§2. Apologetiek en herenigingspogingen

Teylers Genootschap (1778) en Haagsch Genootschap (1787). Vroegen aandacht voor de hot items van de theologie: voortreffelijkheid van de openbaring boven de rede. Drongen tevergeefs aan op studie over het Testimonium Spiritus Sancti, over inspiratie, enz.

Onderscheid tussen versch. kerkgenootschappen vervaagde, vanwege vermindering van de confessionele bepaaldheid. Herenigingspogingen:


  • kerkelijk: toenadering van Rem. Broederschap. Leverde heel weinig op. Herv. waren tegen. In de afwijzing klinkt opeens wel weer het oude Dordtse geluid;

  • overheid: evenmin erg succesvol, uitgezonderd in België en in de koloniën. Men probeerde zo rust te bewerken.


§3. Andere vormen van samenwerking

Niet bedoeld als vereniging, maar als teken van oecumenische verbondenheid.

De koning b.v.: met hulp van de paus tot een betere wereldorde komen.

Van meer realiteit en duurzaamheid getuigden de interkerkelijke en interconfessionele samenwerking op gebied van zending en bijbelversprijding. Vóór de scheiding van kerk en staat had de overheid zending als haar taak gezien. De Verlichting zwakte dat besef af. Piëtisme en methodisme kwamen met een geheel nieuw besef van zending. Ook: Nederlandsch Bijbelgenootschap in 1814, interconfessioneel.


§4. De psalmberijming en de Evangelische Gezangen

Psalmberijming in 1773 en Evangelische Gezangen in 1807. Neerslag van de Verlichte theologie. Men wilde een bruikbaarder berijming dan Datheen. In eigen tijd zeer geroemd, maar later te breedsprakig bevonden. Met moralisatie, deugd en vroomheid werd de plank misgeslagen.

Initiatief lag bij de Provinciale Synoden (die er een commissie voor instelden), benoemd door de Provinciale Staten.

Verlangen naar een gezangenbundel werd sterker. Twee tendensen:



  • behoefte aan vervuld evangelie;

  • Verlichte geringschatting voor het OT-lied.

In de Kerk had men het altijd met heel weinig gezangen moeten doen o.i.v. Calvijn (alleen het door de Geest geïnspireerde mag worden gezongen). De nieuwe gezangen waren soms typisch Verlicht, of piëtistisch-moralistisch. Ook wel niet al te tijdgebonden liederen. Liederen gaan niet terug tot voorbij 18e eeuw.

Gemeenten reageerden tegen de verwachting in gepikeerd: sinds wanneer mag een P.S. een besluit van de G.S. Dordt ongeldig verklaren? Klachten over mensenwerk – Gods werk (psalmen).

Typische conflictsituatie: vrijheid in de leer, heel tolerant, maar verzet tegen synode uit den boze. Er was hoop dat Willem I de gemeenten van de gezangenplicht zou bevrijden. Dat gebeurde niet.

Synode kan zich niet beperken tot uiterlijk bestuur. Liturgie is een zaak van innerlijke structuur. Protest tegen de gezangenplicht hing samen met strijd om de waarheid in geloven en belijden!!!


§5. Bemoeienis met de liturgie

De nieuwe synode moest zich wel met de leer inlaten vanwege een liturgische kwestie m.b.t. voorbereiding voor het Avondmaal (1817). Daarbij werden de vragen veranderd:



  • gelijkstelling van Heilige Schrift met Gods Woord is verruimd tot Gods openbaring vervat in de Schrift;

  • algehele zondigheid van de mens vervangen door iets optimistischer (Verlicht) mensbeeld.


§6. Quia of quatenus

Veroorzaakte diepe onrust in de kerk. Zelfde theologische verschil. Ging om de proponentsbelofte. Algemeen Reglement veranderde het ondertekeningsformulier.

Verandering van toon. Enerzijds wilde men zich aanpassen aan de veranderde tijdgeest, anderzijds wilde men inhoud geven aan de `handhaving harer leer'. Een compromis dat zeker moeilijkheden moest opleveren.


  • Ondertekening gevraagd niet van de Formulieren van Enigheid, maar van de leer erin vervat.

  • `Aangenomen formulieren'  liet bewust de mogelijkheid open om de Dordtse Canones en Walcherse artikelen niet mee te rekenen.

  • `Leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord'  moeten de drie formulieren worden aangenomen, omdat zij overeenstemmen met Gods Woord of voorzover zij daarmee overeenstemmen? Quia of quatenus (strijdvraag in heel de 19e eeuw). De synode wijzigde de ondubbelzinnigheid van 1619 en wilde dus ruimte maken voor de quatenus-interpretatie. Beroep op art. 7 NGB (niets is gelijk aan Gods Woord) was in dezen al mogelijk. Maar omdat er geen apparaat was om belijdeniskwesties te behandelen, werd de beoordeling quia of quatenus overgelaten aan het persoonlijk oordeel.

  • Term `Gods Heilig Woord' onduidelijk. Is de Heilige Schrift Gods Woord of bevat zij Gods Woord?


§7. Eerste reacties op de nieuwe situatie in de kerk

Kernwoord: kritiek op 1816.

Nicolaas Schotsman, Eerezuil ter nagedachtenis van de te Dordt gehouden Nationale Synode (1819): niet tegen AR 1816, wel eer aan de Dordtse Synode vanwege haar gestelde binding aan de belijdenis. Interpreteerde 1816 als quia en dacht ook dat dit de bedoeling was.

Anoniem, Adres aan al mijn Hervormde Geloofsgenooten (1827): nieuwe ondertekeningsformulier ondermijnde listig en subtiel de leer. Zinspeelt op mogelijkheid van afscheiding. Vanwege storm van kritiek maakte hij zich bekend: Dirk Molenaar. Daarna hield hij zich gedeisd.

Isaäc da Costa, Bezwaren tegen den Geest der eeuw (1823): nog feller getint. Verklaart de oorlog aan de tijdgeest. Typisch contrarevolutionair geschrift.
§8. Optimisme en bezorgdheid in de synode

Laatste uiting van het bedaarde optimisme was van de preses van de synode van 1833, Donker Curtius.

Zijn optimisme werd niet algemeen gedeeld. Er was bezorgdheid over een `geest van separatie'. Eén jaar later de Afscheiding.

Kort tevoren de Groninger theologie. Nieuwe manier van theologiseren, nog dieper dan rationalistisch supranaturalisme en hechter fundament onder de geest van verdraagzaamheid.

Tevens gaande het Réveil.

Hoofdstuk 4 – De Groninger theologie



§1. Oriëntatie

P. Hofstede de Groot (quatenus-aanhanger) publiceerde eind 1833 een opzienbarend boekje over gezag van de formulieren. De belofte van het zich houden aan kerkleer moest afgeschaft worden; die binding is tegen het bevel van Christus. Vrije geestelijke ontwikkeling moet mogelijk zijn (toestand vóór Dordt). Duidelijke quatenus-positie. Aanleiding was een polemiek met H. de Cock, die zich in Ulrum had ontwikkeld tot overtuigd en streng calvinist.

In 1834 lagen er adressen bij de synode om uitleg van de prop.form. òf terugkeer naar de oude. Adressen als ongepast terzijde geschoven.
§2. De Groninger vriendenkring


  • Petrus Hofstede de Groot (1802), predikant te Ulrum volgde van zijn oom Herman Muntinghe op als dogmaticus en kerkhistoricus;

  • Frederik van Oordt kwam in datzelfde jaar;

  • Gerlach Pareau volgde korte tijd later;

  • Willem Muurling completeerde het groepje.

Er vormt zich een hechte vriendenkring. Geven samen een serie handboeken uit. Later (1835) gaan ze zichzelf als godgeleerd gezelschap beschouwen en geven ze een tijdschrift uit: Waarheid in liefde.

Men gaat spreken van de Groninger School. Ze wilden leiders van het volk zijn. Ze preekten ook: redelijk, gemoedelijk, ethisch en praktisch. Vooral De Groot had grote aandacht voor de opvoeding, drankbestrijding en ook de zending en bijbelgenootschappen hadden zijn aandacht.


§3. Grondgedachten van de theologie der Groningers

Invloed: romantisch humanisme (verband met Réveil, ondanks scherpe tegenstelling vanwege de confessie). Kenmerken daarvan:


1.Historisch bewustzijn:

Pretentie een oud-vaderlandse traditie voort te zetten. `Nationaal-gereformeerde' richting (Thomas à Kempis, Erasmus, Hugo de Groot, Remonstranten, Coccejanen, Van Lodenstein). Humanisten hadden hun voorkeur.



Vanaf de Dordtse Synode heeft er door Maurits' zwaard een vreemde theologie geheerst, nl. die van Calvijn. Wel scherp oog voor het oorspronkelijk Nederlandse in de Ref. en voor christelijk-humanistische element in de historie.
2.Nadruk op het gemoedsleven:

Invloed van Schleiermacher door De Groot zelf bestreden `religio habitat in sensu' (de kennis van Schleiermacher zou pas later doorgedrongen zijn). Niettemin hebben de Groningers veel van hem geleerd, m.n. op ecclesiologisch gebied. Het speculatieve van Schleiermacher wezen ze af (godsdienst als gevoel van volstrekte afhankelijkheid). Sensus dependentiae (afhankelijkheid), dan sensus indigentiae (gemis), tenslotte sensus amoris (liefde).


3.Opvoedingsgedachte:

Verschillende bronnen:



Herman Muntinghe, Geschiedenis der menschheid naar den bijbel. Gang der openbaring is trapsgewijze opvoeding van de mens. Israël en Griekenland lopen uit op Christus, en dan geldt zijn tijdperk: onderwijs van Hem en de apostelen.

Philip Willem van Heusde. Ook een oom van Hofstede de Groot. Platonist en christen-wijsgeer. Had veel invloed. Leermethode was sokratisch (vraag en antwoord). Gezuiverd sokratisme verbinden met gezuiverd christendom, van het rationalisme vandaan. `Sens commun in platonisch gewaad'.

Bijzondere openbaring, Gods beeld in Christus als voorbeeld.

Geleidelijke en harmonische ontwikkeling tot wijsheid en gelijkvormigheid aan God, i.p.v. oerstand en val.

Johann Gottfried Herder. Leerde de Groningers historisch te denken. Christendom voor hem de vervulling van de ware humaniteit, geen principieel verschil tussen algemene en bijzondere openbaring.

Gotthold Ephraim Lessing, Die Erziehung des Menschengeschlechts. Spreekt over de Oekonomie Gods: opvoeding bij de enkele mens is de openbaring bij de mensheid. Bijbel heeft bijzondere betekenis. Israël bijzondere eruditio, maar daarbuiten ook opvoeding door de rede.

De opvoedingsgedachte is door de Groningers uitgewerkt in evangelische zin: niet om de leer, religie is een `zaak des gemoeds' en van de hele persoon.

“De openbaring en opleiding door God in Jezus Christus ons gegeven om ons Gode steeds gelijkvormiger te maken.”

Mensheid van laag naar hoog. De Groot vindt deze gedachte over de Griekse wijsbegeerte terug bij Clemens Alexandrinus.

God is de beste en wijste Opvoeder. Opleiding der volkeren komt tenslotte bij Jezus uit (Sokrates is ster, Jezus de zon: verschil in soort onderwijs: resp. zelfkennis en vereniging met God).
§4. De dogmatiek

Theologie: onderscheid theorie (dogmatiek) en praktijk (apologetiek). Theologia moralis belangrijker dan dogmatiek. Niet een casuïstiek. `Hoe God door zijn Zoon de mensen heeft gevormd en vormt tot het Rijk dat de Zoon op aarde heeft gesticht en nog regeert.'


4.Bronnen van de dogmatiek

Objectieve waarheden in Schrift. De inhoud wordt dus, i.t.t. Schleiermacher, niet bepaald door christelijk vroom gemoed. De apostelen waren niet onfeilbaar, maar zijn feitelijk feilloos. De hele Bijbel is letterlijk geloofwaardig. Wel onderscheid tussen Gods Woord en de Bijbel, en de mening dat uit OT geen bewijsplaatsen voor chr. waarheden gehaald kunnen worden. (onkritisch onderzocht)

Kerkgeschiedenis als voortgaande openbaring. Wel kritisch gebruiken: werking van de Geest nergens zuiver, maatstaf van de Schrift nodig. (kritisch onderzocht)
5.Opbouw van de dogmatiek

Natuurlijke theologie geen plaats in prolegomena (ondanks grote betekenis).

Christocentrisch gedacht. Volgorde: christologie (de vooropstelling hiervan is nieuw, komt omdat het de bron is), godsleer, antropologie, soteriologie.
§5. Hoofdstukken van de dogmatiek

6.Christologie:

Volgorde van het meer gemakkelijke naar het verhevene. Christus was vere homo, met een gewone menselijke persoonlijkheid en ontwikkelingsgang. Zoon des mensen, tegelijk volmaakte mens, vanwege zijn goddelijk gegenereerd zijn. Vanwege volmaaktheid en heiligheid Gods Zoon genoemd, bij uitstek. Pre-existentie bestaat daarin, dat Hij bij de Vader een voorbereidingstijd had om volmaakt te kunnen zijn. Niet de vroeg-christelijke twee-naturenleer dus, geen paradox in vereniging god-mens. Incarnatie blijft wonderlijk, maar verliest onbegrijpelijkheid.
7.De leer aangaande God:

Triniteitsleer wordt afgewezen. Vooral gezocht in het niet gelijkzijn van Jezus aan God. De Zoon is lager dan de Vader en dus niet aan Hem gelijk. Triniteit door Athanasius er door gedrukt. Voorkeur voor Arius. De Geest is een kracht Gods, die het goddelijke meedeelt en is tevens werkzaam in de wereld, maar het allervolmaaktst in de kerk. Persoon? Is exegetische kwestie.


8.De leer aangaande de mens, zonde en verlossing:

Antropologie is christocentrisch. Christus erkende in de mensen zijn broeders, dus een goddelijke aanleg. Mens kan geleid worden tot wat waarlijk goed en goddelijk is.



Menselijk bederf is vervreemding van God. Verbastering van de door God ingeschapen zucht naar zelfstandigheid. Straf in allerlei ellende en niet wettisch opgelegd. Dus Jezus' verlossing ook geen wettisch dragen van de straf, maar zedelijk: de mens terugbrengen naar het geluk.

Soteriologie richt zich op Jezus' persoon en onderwijs. Dood en terugkeer tot het leven doen mensen hun zonden inzien. Wedergeboorte tot nieuw leven door oefening en strijd.

Ecclesiologie ziet kerk als heilsinstituut. Daar is de voortgaande openbaring en opvoeding door God. Eschatologisch perspectief: Christus' heerschappij vormt menselijk geslacht en brengt zo een nieuwe orde.
§6. De plaats van de Groninger theologie in de negentiende eeuw

1. Dynamische theologie, vooral in openbaringsleer: niet maar dogma, niet maar leer of moraal. Maar een geschieden tussen God en het menselijk geslacht.

2. Christocentrisch: Algemene openbaring en chr. religie niet de una vera, maar alle openbaring loopt wel uit op Christus.

3. Nergens dus een paradox of radicale breuk: Crisisloze theologie, geen sprake van discontinuïteit.

4. Kenden ruimte: wereldgeschiedenis. Leiding van God in de wereld. Gematigd en huiselijk. Geloofsnood van het Réveil of de eenvoud van de Afscheiding kenden ze niet.

5. Niet kunnen handhaven: rechtzinnigen verweten hun loslaten van centrale waarheden (Réveil en Afscheiding). Moderne theologie verweet hun onkritisch biblicisme en naïviteit. Van krachtige vernieuwingspartij in de dertiger jaren werden ze een conservatieve middenpartij in de zestiger jaren. Grote praktische betekenis.


§7. Aanval en verweer

Zeven Haagse Heren o.l.v. Groen van Prinsterer eisten strikte handhaving van de leer. Via de synode.

Synode onthield zich van nadere verklaring van de belijdenisgeschriften en deed geen uitspraak over iemands gezondheid in de leer, omdat ze daarvoor de juiste procedure niet had.

Zeven Haagse heren richtten zich in 1843 tot de kerk: Aan de Hervormde Gemeenten in Nederland. Als de synode de Groningers dan niet wou wegjagen, dan moest elke gemeente dat maar doen. Dat schoot veel mensen in het verkeerde keelgat.

Hoofdstuk 5 – De Afscheiding

§1. Onrust in de kerk; wortels van de Afscheiding

Conventikels:

In het begin van de 19e eeuw werden veel particuliere samenkomsten belegd, uit onvrede. Op deze bijeenkomsten doelde de Algemene Synodale Commissie in 1833, toen zij zich zorgen maakte over de geest van afscheiding in de kerk. Nu waren zulke samenkomsten onwettig, een rest van Napoleons wetten. De koning had dat aangehouden.

In deze conventikels leefde de geest van de Nadere Reformatie. Uiting van behoefte aan praxis pietatis en reactie op scholastieke theologie en intellectualistische preken.

Deze klemde zich al meer en eenzijdiger vast aan de oude leerstukken, de Dordtse Canones, de onwrikbare zekerheden. Hoewel latere afgescheidenen vanwege ongeletterdheid de Leerregels vast niet kenden, sprak wel de leefwijze van hun voorbeelden hen aan. Wel een verschuiving: objectieve heilszekerheid was verlegd naar subjectieve heilszekerheid in de bevinding der vromen. Mens in het centrum met zijn zaad der wedergeboorte en introvert geloofsleven.

Vooral in het Noorden populair. Daar was ook invloed van de dopersen te bespeuren. Conventikels hebben ervoor gezorgd dat de Afscheiding zich snel verbreid heeft.


De sociale factor:

Verzet van de kleine man tegen het hiërarchische kerksysteem (1816). De kerk lag in handen van de `aanzienlijken'. Frustratie over trotse, arrogante predikanten.


Theologen en Réveilmensen:

Theologen: N. Schotsman en D. Molenaar. Réveilmannen: I. Da Costa, Capadose, Groen van Prinsterer, Twent van Roosenburg, C. van Zuylen van Nijevelt. Ook wortels in 18e-eeuwse conventikels. Allen niet tot Afscheiding overgegaan. Wel sympathie voor hun zaak. Maar wezen weloverwogen de vrije-kerkgedachte af, op theologische gronden, hoewel er ook sociologische gronden geweest zullen zijn.


Vijgeboom

Johannes Willem Vijgeboom belegde veel conventikels. Kreeg grote invloed, en werd vaak veroordeeld. In 1823 afscheiding: `Herstelde Kerk van Christus'. Terug naar 3 formulieren. Voorloper Afscheiding, sloot zich in 1835 aan bij de Afscheiding (oefenaar, geen predikant).


Eschatologisch sektarisme

Twee soorten sekten:



  • i.p.v. Gods verbond algemene religiositeit (pantheïstish-libertijns);

  • i.p.v. Gods verbond individuele bevinding (manicheesch-donatistisch).

Het conventikelchristendom en de bevindelijke prediking van Scholte (zie verderop) kunnen tot de tweede soort gerekend worden. In verbinding met eschatologie moeten zeker de volgende worden genoemd:

Jan Mazereeuw, de `Elia die komen zou'. Geen aardse bezittingen meer in het laatst der dagen. Sommige van zijn volgelingen gingen later naar de Afscheiding.



Tot de eerste soort behoren de Zwijndrechtse Nieuwlichters. Stichten een soort christelijke communistische gemeenschap. Overheid en burgerlijk huwelijk erkenden ze niet. Stoffel Muller ging een vrij huwelijk aan met Maria Leer. Toch wel sympathie en tolerantie vanwege hun houding. Sommigen worden later aangetrokken door moderne theologie van Scholten (zie verderop).
§2. Hendrick de Cock

Jeugd en eerste predikantentijd:

Geboren in 1801. Alle invloeden tijdens zijn opvoeding waren modern. In 1829 in Ulrum bevestigd door zijn voorganger en vroegere studiegenoot Petrus Hofstede de Groot.

De Cock leerde de gereformeerde belijdenis kennen bij eenvoudige bevindelijken in zijn gemeente.

Van een oudere collega leerde hij Calvijns Institutie kennen.

Derde invloed vanuit het Réveil, (o.m. Van Zuylen van Nijevelt, schrijver van De Hervormde Leer).

Veranderde inzichten al gauw in de preken te merken. Grote bijval in omstreken. Gaf de Dordtse Leerregels opnieuw uit, zelfs aan Willem I, maar deze deed er helemaal niets mee. Hofstede de Groot vond het allemaal vreselijk.
Escalatie van conflicten:

Ds L. Meyer Brouwer (Uithuizen) en ds G. Benthem Reddingius (Assen) schreven verontwaardigd twee brochures. Tegen hen schreef De Cock De Schaapskooi (officiële titel: Verdediging van de ware gereformeerde leer). Zeer fel betitelde hij beide predikanten als godslasterlijk en onwaarachtig. Felheid deed hem geen goed, alsmede het feit dat hij z'n brochure stuurde naar versch. predikanten in wie hij medestanders vermoedde, en zelfs naar de koning. In 1834 reageerde De Groot in zijn Gedachten.

Intussen een andere kwestie. Donatistische trek bij veel ouders: lieten liever hun kinderen ongedoopt dan ze te laten dopen bij een onrechtzinnige predikant. De Cock vroeg advies aan Molenaar. Die raadde aan kinderen gewoon in hun eigen gemeente te laten dopen en hij waarschuwde tegen alles wat separatief en scheurend werkte. De Cock vond dit te passief en doopte 15 van zulke kinderen.

Verzet, ook van rechtzinnige kant: o.m. Molenaar en Rutgers, die Calvijn aanvoerde (terecht, tegen het donatisme).

Door de publikatie van De Schaapskooi werd de stemming nog meer anti De Cock. Hij kreeg geen gelegenheid om zich op theologische gronden te verantwoorden, de classis was veeleer verbitterd, omdat De Cock de collegialiteit met voeten had getreden. Schorsing vanwege `strafbare beleediging en liefdelooze veroordeling' ofwel: zedelijk wangedrag. Overigens werd dit van andere kant wel gedoogd. De Cock geschorst tot herroeping. Juridisch was de procedure niet in orde. Maar een klacht van De Cock daarover kwam er wegens onkunde niet.

De Cock wilde zich niet onreglementair gedragen. Beriep zich op de koning (art. 36 NGB). In hoger beroep bij provinciale kerkbestuur. Afscheiding kwam niet in hem op.


  1   2   3   4

  • Mysteria zijn supra rationem, nooit contra rationem
  • Afscheiding
  • Philip Willem van Heusde
  • Gotthold Ephraim Lessing

  • Dovnload 162.29 Kb.