Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schaamte, angst en sociaal fobische symptomen

Dovnload 453.77 Kb.

Schaamte, angst en sociaal fobische symptomen



Pagina1/7
Datum17.11.2017
Grootte453.77 Kb.

Dovnload 453.77 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

Schaamte, angst en sociaal fobische symptomen Bachelorthese


Schaamte, angst en sociaal fobische symptomen

Een theoretisch en empirisch onderzoek

Julian Moeller

Begeleiders:


Prof. Dr. H. F. Kraan

Psychiater, Streekziekenhuis Koningin Beatrix, Winterswijk

Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente
Prof. Dr. J. J. Baneke

Klinisch en forensisch psycholoog en psychoanalyticus, Mediant, Enschede

Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente
Dr. L. C. H. Christenhusz

Psycholoog, Mediant, Enschede

Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente

Universiteit Twente

Enschede

2007-03-29


Samenvatting


In dit onderzoek worden schaamte, angst en sociaal fobische symptomen bestudeerd met als doel meer inzicht te krijgen in de vraag hoe deze constructen met elkaar in verband staan. Daarbij staat de vraag centraal of implicaties voor de behandeling van patiënten, die gebaseerd zijn op een bij studenten aangetoond positief verband tussen schaamte, angst en sociaal fobische symptomen, handhaafbaar en relevant zijn. Het gaat bijvoorbeeld om implicaties zoals dat bij sociaal fobische patiënten sterker op schaamtegevoelens zou worden gelet (Lutwak & Ferrari, 1997).

Dit onderzoek bestaat globaal uit een theoretisch en een empirisch gedeelte alsook een discussie. In het theoretische gedeelte worden de relevante constructen vanuit verschillend perspectief benaderd. Aansluitend is informatie verzameld omtrent hun onderlinge verband. In het empirische gedeelte worden deze verbanden in een Nederlandse studenten- en patiëntenpopulatie correlationeel onderzocht. Daarvoor zijn drie vragenlijsten bij studenten (n = 80) afgenomen en wordt een bestaande patiëntensample (n = 80) gebruikt, dat o.a. op dezelfde vragenlijsten is gebaseerd. Het is voorspeld dat in de twee populaties alle gemeten schaamtevormen significant met angst en interpersoonlijke sensitiviteit (sociaal fobische symptoom) correleren. Verder is voorspeld dat deze correlatiecoëfficiënten in de patiëntensample ten minste op hetzelfde niveau significant zijn als hun pendanten in de studentensample. Deze hypothesen zijn bevestigd op één uitzondering na bij de laatstgenoemde voorspelling. Deze blijkt echter weinig relevant te zijn. Bovendien heeft dit onderzoek aangetoond dat bij patiënten de schaamtetoename in het algemeen met een grotere toename van angst en interpersoonlijke sensitiviteit gepaard gaat. Het blijkt dat de bij studenten geobserveerde verbanden zich bij patiënten sterker manifesteren. Door o.a. met deze resultaten rekening te houden, is de vraag of bepaalde implicaties, gebaseerd op onderzoek in studentenpopulaties, voor patiënten handhaafbaar zijn, bevestigend beantwoord.

Verder worden met name twee resultaten bezien. Ten eerste het resultaat dat externe schaamte, zoals voorspeld, veel sterker met interpersoonlijke sensitiviteit correleert dan interne. Op basis van dit resultaat wordt besproken in hoeverre externe schaamte en sociaal fobische symptomen überhaupt kunnen worden onderscheiden. Ten tweede het resultaat dat bij patiënten, anders dan voorspeld, niet significant meer interne schaamte is gevonden, maar deze bij de patiënten met veel meer met angst en interpersoonlijke sensitiviteit hand in hand gaat. Dit is in strijd met de overheersende theorie die stelt dat het juist de hoeveelheid schaamte is die laat zien hoe sterk ze met psychopathologische symptomen gepaard gaat (Tangney & Dearing, 2002). Alternatieve theorieën en overwegingen worden besproken die deze bevinding kunnen verklaren en nieuwe implicaties omtrent de behandeling van patiënten opleveren. Vervolgens worden methodologische beperkingen besproken, o.a. dat met interpersoonlijke sensitiviteit alleen een deelaspect van een sociale fobie kan worden benaderd. Ten slotte worden suggesties voor verder onderzoek gegeven.



Abstract


The subject of this thesis is a comparative study on shame, anxiety and symptoms of social phobia, with the aim being to gain a deeper understanding of the relationships between these constructs. The central question is whether implications for the treatment of patients are relevant and maintainable when based on the positive relationship between shame, anxiety and social phobia symptoms found in student populations. Implications for treatment include, for example, the assertion that in patients suffering from social phobia, feelings of shame ought to be acknowledged and addressed (Lutwak & Ferrari, 1997).

This study is composed of a theory section, an empirical section, and a discussion section. The theoretical portion examines the relevant constructs and their mutual relationships from various perspectives. In the empirical section, these relationships are examined in a student sample and in a patient sample. The students (n=80) completed three self-report measures. An existing patient sample (n=80), which was based on the same instruments, was also utilized. It was predicted that in both populations the forms of shame measured in this study would correlate significantly with anxiety and interpersonal sensitivity (a symptom of social phobia). In addition, it was predicted that all of the correlation coefficients found in the patient sample would be at least as significant as their counterparts in the student sample. Both hypotheses were supported by the study’s findings. However, for the second prediction, one of the ten coefficients measured did not support the hypothesis, although this appears to be less relevant. Besides, this study shows that increased shame in patients is generally accompanied by greater increases in anxiety and interpersonal sensitivity than among students. It appears that the relationships between shame, anxiety and interpersonal sensitivity found in the student population are manifested more strongly in the patient population. These results indicate that implications for treatment based on studies of student populations are relevant for working with patients, thus providing an affirmative answer to the central research question.

Two additional findings of this study are especially interesting. First, the discovery that external shame is much more strongly correlated with interpersonal sensitivity than internal shame. A discussion follows on whether external shame and interpersonal sensitivity measures partially the same. The second finding is that patients did not exhibit significantly more internal shame than students, but that patients showed much higher levels of anxiety and interpersonal sensitivity. This result conflicts with the dominant theory that the level of shame indicates to what extent individuals exhibit psychopathological symptoms (Tangney & Dearing, 2002). Alternative theories are discussed that could explain this second finding and offer new implications for the treatment of patients. In addition, methodological limitations are considered; specifically, that the empirical study addressed only one aspect of social phobia—interpersonal sensitivity. To conclude, recommendations for further research are made.




  1   2   3   4   5   6   7

  • Samenvatting
  • Abstract

  • Dovnload 453.77 Kb.