Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim

Dovnload 1.2 Mb.

Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim



Pagina15/36
Datum04.04.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   36

7.3 Arbo-beleidsplan



Inleiding

Sinds 1990 is de arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet) van kracht voor het onderwijs. Het Arbobeleid is een essentieel onderdeel van het sociale beleid. Er is structurele aandacht voor de arbeidsomstandigheden, onder meer in de vorm van periodieke risico-inventarisaties, functioneringsbegeleiding en evaluaties. Alle medewerkers, uitvoerende èn leidinggevende, zijn verantwoordelijk voor veiligheid, gezondheid en welzijn in relatie tot de dagelijkse werkzaamheden. Je kunt dus zelf op die verantwoordelijkheid worden aangesproken, maar je kunt er ook anderen op aanspreken. Het is een vast onderwerp in werkbesprekingen, resultaat -& ontwikkelingsgesprekken, taakbeleid en in het introductieprogramma voor nieuwe medewerkers.

Arbeidsomstandighedenbeleid is veelomvattend en dient in samenhang met ander beleid te worden uitgevoerd, zoals het beleid m.b.t. facilitaire zaken, P&O, pedagogisch beleid, aanpak ziekteverzuim, etc.

Om arbobeleid te ontwikkelen, is het belangrijk om zicht te hebben op de arbeidsomstandigheden binnen de schoolorganisatie en specifiek de context van de locatie. Hiervoor dient o.a. de risico-inventarisatie (RI&E).

Hieronder wordt ingegaan op het wettelijke kader, de doelstelling, de uitvoering en de resultaatsverwachting van het arbobeleid.
Wettelijk kader

De Aloysius draagt als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van haar medewerkers en zal ter zake een actief arbobeleid voeren.

Dit beleid is in overeenstemming met de op haar rustende wettelijke verplichtingen voortvloeiend uit de in Nederland van kracht zijnde veiligheids- en arbeidswetgeving.

Het arbobeleid is gericht op het voorkomen van letsel, ziekte en schade ten gevolge van de beroepsuitoefening, door:

- het treffen van maatregelen;

- het aanwenden van middelen;

- het verzorgen van voorlichting en instructies;

- het houden van toezicht.


Doelstelling van het arbobeleid

Doel van het arbobeleid is het zodanig scheppen van arbeidsomstandigheden, dat situaties die leiden of kunnen leiden tot letsel, (beroeps)ziekte of schade binnen de werkorganisatie, weggenomen dan wel tot een minimum worden beperkt.

Het te voeren arbobeleid is gebaseerd op de volgende drie hoofdzaken:

- het voorkomen van schade en/of letsel ten gevolge van ongevallen, alsmede het voorkomen van beroepsziekten;

- het zoveel mogelijk beperken van gevolgen van ongevallen en beroepsziekten;

- het optimaliseren van arbeidsomstandigheden,

Binnen de uitvoering van het arbobeleid zal het wegnemen van de risicobronnen prevaleren boven het nemen van technische en/of organisatorische maatregelen om het risico tot een minimum te beperken.
Uitvoering van het arbobeleid

De directie is verantwoordelijk voor de concrete vormgeving en uitvoering van het arbobeleid binnen de locatie. De uitkomsten van de Risico-inventarisatie, evaluaties en de gesprekkencyclus: werkbesprekingen, resultaat - & ontwikkelingsgesprekken (R&O) en het taakbeleid, zullen dienen als vertrekpunt voor het systematisch werken aan de optimalisering van de arbeidsomstandigheden per locatie. Aan de hand van die uitkomsten stelt de directie een meerjarenplan op. Vanuit dit meerjarenplan zal per jaar een specificatie in het jaarplan worden opgenomen. Bij het vaststellen van de prioriteiten, zal gelet worden op uitkomsten van evaluaties, effectieve besteding van de beschikbare financiële middelen, maatschappelijke normen en technische mogelijkheden. In het sociaal jaarverslag van de locatie wordt het arbobeleid als een apart hoofdstuk opgenomen.


Van de medewerkers wordt verwacht dat zij bij hun werkzaamheden voorzichtigheid en zorgvuldigheid zullen betrachten ter voorkoming van ziekteverzuim en van gevaren voor henzelf en voor derden. Tevens wordt van hen verwacht dat zij daarvoor:

a) voldoende kennis hebben c.q. die zullen verwerven en

b) de beschikbaar gestelde middelen zullen gebruiken.

Concreet betekent dit, dat zij

- arboknelpunten/-tekortkomingen melden aan hun direct leidinggevende c.q. aan de orde stellen in het werkoverleg, R&O gesprek of taakbeleid;

- gevaren, ongelukken en bijna-ongelukken (incidenten) direct melden aan hun direct leidinggevende;

- deelnemen aan arbovoorlichtingsbijeenkomsten en -cursussen;

- werkinstructies opvolgen;

- meewerken aan de uitvoering van het jaarplan en alle andere activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de veiligheid, gezondheid en het welzijn van het werken bij en voor de Aloysius.
Het verzuimbeleid

Bij ziekte neemt het personeelslid direct contact op met de directeur van de school. Hierop kan hij/zij een inschatting maken van de duur van de ziekte en beoordelen of de ziekte direct gerelateerd is aan de arbeidsomstandigheden of aan externe omstandigheden. De registratie vindt plaats door de administratieve kracht met behulp van het administratieprogramma Groenendijk. Hierbij wordt een melding gedaan aan de arbodienst. Met de arbodienst is een contract afgesloten met betrekking tot de verzuimbegeleiding. In dit contract zijn onder andere het spreekuur van de bedrijfsarts, het re-integratieadvies aan de school, het telefonisch consult met de bedrijfsarts, het multi- disciplinair overleg (directie, personeelszaken en arbo-arts) en het medisch advies opgenomen. Er wordt indien noodzakelijk een traject van 23 maanden doorgelopen, waarbij stap voor stap de activiteiten van de arbodienst zijn vastgelegd. Indien de omstandigheden zich voordoen kan er maatwerk worden verricht.


Het beleid ten aanzien van pauzes

De wet bepaalt dat een werknemer die langer dan 5½ uur op een dag werkzaam is, recht heeft op dertig minuten pauze. In de werktijdenregeling wordt hiermee rekening gehouden.



7.4 Middelenbeleidsplan



Inleiding
Om kansen en mogelijkheden voor de school en haar leerlingen optimaal te kunnen benutten zijn middelen nodig. Het gaat om financiële middelen waarmee de realisering van de gewenste personele formatie, goede en moderne huisvesting, en materiële hulpmiddelen mogelijk kan worden gemaakt. Financiële en materiële middelen staan daarom centraal in deze paragraaf.
Financieel beleid

Een goed financieel beleid per school is nodig om verantwoorde keuzes te kunnen maken. Om die reden is er binnen de Aloysius gekozen voor een volledige schooljaarrekening, hoewel dat wettelijk niet verplicht is. Met ‘volledig’ wordt bedoeld dat er naast een exploitatie ook sprake is van een balans per school. De balans is een instrument aan de hand waarvan de financiële situatie van de school kan worden gelezen.

Door het bestuur van de Aloysius is een financieel kader geschetst waaraan elke school moet voldoen, waarmee de financiële gezondheidstoestand van de school kan worden bepaald en waarmee ruimte kan worden vastgesteld voor te nemen investeringsbeslissingen en formatiebeleid. Het is niet zo dat deze financiële graadmeter de enige is. Indien de school door omstandigheden niet op korte termijn gezond kan worden, en er is toch geld nodig voor vernieuwing en verbetering, dan kan dat – al dan niet tijdelijk – door het bestuur beschikbaar gesteld worden aan de school.

De algemene kaders van het financieel beleid zijn de volgende:



  • De personele reserve bedraagt 15% van de jaarlijkse personele lasten. Deze reserve dient als risicobuffer.

  • De materiële reserve is gelijk aan de materiële vaste activa (waarde van de bezittingen). Hiermee wordt een deel van het vermogen benoemd dat niet in geld aanwezig is, maar in materieel. Dit betekent dat dit geld niet voor andere doeleinden kan worden aangewend omdat het ‘vastligt’.

  • Bestemmingsreserves worden alleen getroffen na instemming van het bestuur en alleen in gevallen waar een plan aan ten grondslag ligt, waarvan de uitvoering niet in de toekomst uit de exploitatie te bekostigen valt.

  • De financiële buffer bedraagt het verschil tussen het totale eigen vermogen en de som van de personele reserve, materiële reserve en bestemmingsreserves. Een negatieve buffer betekent dat de exploitatieoverschotten verhoogd moeten worden respectievelijk tekorten weggewerkt moeten worden. Een overschot betekent dat er ruimte is voor lagere exploitatieoverschotten of zelfs tijdelijke exploitatietekorten.

De beschikbare liquide middelen moeten minimaal gelijk zijn aan de bestemmingsreserves en de personele reserve. Zijn de liquide middelen lager dan is er sprake van een liquiditeitstekort. Een negatieve liquiditeitsbuffer betekent dat er onvoldoende investeringsruimte is, een positieve buffer geeft aan dat er ruimte is voor investeringen boven de al geplande investeringen.
Huisvestingsbeleid

Het schoolgebouw moet in goede staat verkeren, om het geven van onderwijs mogelijk te kunnen maken. Een groot deel van de huisvestingsvoorzieningen wordt bekostigd door de gemeente. Jaarlijks kunnen voor 1 februari de groot onderhoudwensen bij de gemeente worden ingediend. Bij de financiering van het groot onderhoud gaat de gemeente uit van de meest adequate oplossing. Daarnaast is er gebouwgebonden onderhoud dat voor rekening van de school komt. Tenslotte zullen er middelen moeten worden gereserveerd voor het koppelen van groot onderhoud aan onderwijskundige vernieuwing. Ook voor dit laatste wordt door de gemeente geen geld ter beschikking gesteld. Om dat te bereiken zal dus door de school aanvullende inzet van middelen moeten plaatsvinden.


De omvang van huisvestingsinvesteringen kan van jaar tot jaar aanzienlijk verschillen. Daarom is er een onderhoudsvoorziening getroffen waarmee de kosten over een planperiode van 10 jaar worden gemiddeld. Dit plan wordt door een bouwkundig adviseur in overleg met de locatiedirecteur jaarlijks herijkt.
Materieel beleid

Bij materiële hulpmiddelen gaat het om alle materialen die nodig zijn om goed onderwijs te kunnen bieden. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen verbruiksmateriaal en gebruiksmateriaal. Verbruiksmateriaal betreft middelen die korter dan een jaar gebruikt worden. Te denken valt aan papier, pennen, abonnementen e.d.


Daarnaast is er sprake van gebruiksmateriaal waarbij gedacht kan worden aan meubilair, machines, ICT-voorzieningen en leermethoden. Het gaat in alle gevallen om hulpmiddelen met een gebruiksduur langer dan een jaar. Materiële hulpmiddelen zijn nodig om de onderwijstaken goed te kunnen uitvoeren. Dat geldt zowel voor leerlingen, leerkrachten als ondersteunend personeel. In een meerjaren investeringsplan worden geplande vervangingsinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen opgenomen. Zo worden pc’s om de drie jaar vervangen en worden – inspelend op elders in dit schoolplan geschetste ontwikkelingen - ook uitbreidingsinvesteringen in het investeringsplan opgenomen.
In de begroting moet voldoende ruimte zijn om aanschaf van materiële middelen mogelijk te maken, zowel van verbruiksartikelen, als van afschrijvingslasten die verbonden zijn aan gebruiksartikelen. Dit betekent dat er bij het opstellen van de begroting en formatiebeleid verantwoorde keuzes gemaakt moeten worden tussen het aanstellen van personeel of het aanschaffen van materiële hulpmiddelen. De situatie kan per school verschillen. De verhouding personele en materiële lasten schommelt rond de 85% personeel /15% materieel.

1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   36

  • 7.4 Middelenbeleidsplan

  • Dovnload 1.2 Mb.