Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim

Dovnload 1.2 Mb.

Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim



Pagina32/36
Datum04.04.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

Kerndoelen 'Leren taken uitvoeren'
5. De leerling leert zich redzaam en weerbaar te gedragen bij de uitvoering van

dagelijkse activiteiten.

Hierbij kan men denken aan1:

• het ontwikkelen van de redzaamheid op het gebied van persoonlijke verzorging, wonen, vrije tijd en mobiliteit;

• het leren geloven in jezelf ('empowerment');

• het leren opkomen voor jezelf;

• het leren omgaan met hulp van anderen;

• leren omgaan met (technologische) hulpmiddelen en aanpassingen voor de beperking die de redzaamheid vergroten;

• het verder optimaliseren en geïntegreerd gebruiken van de zintuiglijke en motorische mogelijkheden;

• het ontwikkelen van de regiefunctie: d.w.z. leert zo zelfstandig mogelijk te functioneren en waar hulp van anderen nodig is, deze zelf aan te sturen.


6. De leerling leert op doelgerichte, planmatige en methodische wijze taken en

activiteiten uit te voeren.

Hierbij kan men denken aan:

• het leren doelen stellen voor het uitvoeren van een taak of activiteit;

• het leren plannen en monitoren van een taak of activiteit.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs:

• het toepassen van vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en ICT;

• het leren werken volgens een tijdschema, handleiding en/of instructie;

• het leren aangeven welke ondersteuning nodig is om een bepaalde taak uit te voeren;

• het leren uitvoeren van een eindcontrole op een product;

• het leren reflecteren op de uitvoering van de taak en het gebruiken van feedback.


Uitstroomprofiel Arbeidsmarkt:

• het leren werken met stappenplannen, instructies en handleidingen;

• het leren kennen van en rekening houden met (ARBO-) eisen op het gebied van veiligheid, duurzaamheid, hygiëne, gezondheid en ergonomie;

• het veilig en doelmatig leren omgaan met materialen en middelen, gereedschappen en apparatuur;

• het leren gebruiken en toepassen van taal-, reken- en ICT-vaardigheden bij praktische taken en activiteiten;

• het leren aangeven welke ondersteuning nodig is om een bepaalde taak uit te voeren;

• het leren uitvoeren van een eindcontrole op een product;

• het leren reflecteren op de uitvoering van de taak en het gebruiken van feedback.


1 De voorbeelden zijn hier niet aan een uitstroomprofiel gekoppeld. De uitwerking zal vooral worden afgestemd op de individuele mogelijkheden en beperking van de leerling. Vaak zal in samenwerking met andere actoren (ouders, zorgaanbieders) aan dit kerndoel worden gewerkt.

Uitstroomprofiel Dagbesteding:

• het leren werken met instructies, stappenplannen en aanwijzingen;

• het leren rekening houden met en maatregelen opvolgen op het gebied van veiligheid, duurzaamheid, hygiëne, gezondheid en ergonomie;

• het veilig en doelmatig leren omgaan met materialen en middelen, gereedschappen en apparatuur;

• het leren gebruiken en toepassen van taal-, reken- en ICT-vaardigheden bij praktische taken en activiteiten;

• het leren aangeven welke ondersteuning nodig is om een bepaalde taak uit te voeren;

• het leren uitvoeren van een controle op een product, resultaat van een activiteit;

• het leren reflecteren op de uitvoering van de taak en het gebruiken van feedback.


7. De leerling leert samen te werken aan een taak of activiteit.

Hierbij kan men denken aan2:

• het ontwikkelen en toepassen van sociale en communicatieve vaardigheden (zoals naar elkaar luisteren, je aan kunnen passen, ervaringen kunnen delen, kunnen omgaan met kritiek, de bijdragen van anderen waarderen);

• het leren overleggen bij het plannen en taken verdelen;

• het, indien nodig, leren raadplegen van anderen tijdens de uitvoering van taken;

• het leren reflecteren op sociale interacties tussen mensen;

• het leren reflecteren op de eigen rol in de samenwerking.


2 Idem als noot 1: de voorbeelden zijn niet aan een uitstroomprofiel gekoppeld.
Kerndoelen 'Leren functioneren in sociale situaties'
8. De leerling leert op adequate wijze om te gaan met eigen gevoelens en wensen.

Hierbij kan men denken aan3:

• het leren om gevoelens en wensen te (her)kennen bij zichzelf;

• het leren reflecteren op eigen gevoelens en wensen;

• het leren om eigen gevoelens en wensen op een adequate wijze te uiten;

• het leren accepteren van de beperking en ontwikkelen van zelfwaardering.
9. De leerling leert respectvol en verantwoordelijk om te gaan met anderen.

Hierbij kan men denken aan4:

• het leren toepassen van communicatieve vaardigheden in verschillende situaties;

• het leren om sociaal geaccepteerd gedrag te vertonen, rekening houdend met gevoelens en wensen, normen en waarden van anderen;

• het leren onderkennen van en omgaan met overeenkomsten en verschillen in normen, waarden, levensbeschouwing en culturele identiteit;

• het leren onderkennen en omgaan met verschillen tussen seksen;

• het leren conflicten (vroegtijdig) te herkennen en op vreedzame wijze op te lossen.


3 Idem als noot 1: de voorbeelden zijn niet aan een uitstroomprofiel gekoppeld.

4 Idem als noot 1: de voorbeelden zijn niet aan een uitstroomprofiel gekoppeld.

Kerndoelen 'Ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief'
10. De leerling krijgt zicht op de eigen voorkeuren, interesses en toekomstwensen op

het gebied van werken, wonen, vrije tijd en burgerschap.
Hierbij kan men denken aan:

• het verkennen van de eigen kwaliteiten, voorkeuren en interesses;

• het verkennen van eigen toekomstwensen op het gebied van vervolgonderwijs, werken, wonen, vrije tijd en burgerschap;

• het verkennen van de eigen toekomstmogelijkheden op het gebied van vervolgonderwijs, werken, wonen, vrije tijd en burgerschap;

• het ontwikkelen van een positief en realistisch zelfbeeld.

Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs:

• het verkennen van het aanbod van vervolgopleidingen en de ondersteuningsmogelijkheden daarbinnen die aansluiten bij de eigen voorkeuren en mogelijkheden.


Uitstroomprofiel Arbeidsmarkt:

• het verkennen van werk in verschillende sectoren, branches en bedrijven;

• het zicht krijgen op eigen toekomstmogelijkheden en kansen op de arbeidsmarkt.
Uitstroomprofiel Dagbesteding:

• het verkennen van mogelijke werkzaamheden en/of activiteiten in verschillende werksectoren en soorten van dagbesteding;

• het zicht krijgen op eigen toekomstmogelijkheden op het gebied van woonvormen, dagactiviteiten vrijetijdsbesteding en samenleven.
11. De leerling leert afwegingen en keuzes te maken die leiden tot een passend

persoonlijk toekomstperspectief, met realiseerbare mogelijkheden en kansen.
Hierbij kan men denken aan:

• het kunnen presenteren van jezelf;

• het realistisch leren benoemen van eigen prestaties en capaciteiten;

• het realistisch leren benoemen van eigen toekomstmogelijkheden;

• het leren afwegen wat realiseerbare en gewenste vrijetijds- en woonsituaties zijn en leren keuzes maken5.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs;

• het leren benoemen van leerdoelen voor de verdere ontwikkeling;

• het leren afwegen wat realiseerbare en gewenste vervolgopleidingen en (toekomstige) werksituaties zijn, gezien de mogelijkheden en beschikbare ondersteuning, en leren keuzes

maken.
Uitstroomprofiel Arbeidsmarkt:

• het leren afwegen wat realiseerbare wensen en kansen op de arbeidsmarkt zijn, gezien de eigen mogelijkheden en beschikbare ondersteuning, en het leren keuzes maken.

5 Aan dit kerndoel zal vaak in samenwerking met andere actoren (ouders, zorgaanbieders) worden gewerkt.


Uitstroomprofiel Dagbesteding:

• het leren, met de nodige hulp en ondersteuning, een beeld te vormen van eigen toekomst en daarin keuzes te maken;

• het leren om realiseerbare mogelijkheden en gemaakte keuzen na te streven, in het licht van eigen toekomst.
2. Kerndoelen uitstroomprofiel Vervolgonderwijs
Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

1. Nederlands

Karakteristiek



Algemeen

Onderwijs in de Nederlandse taal heeft tot doel de taalvaardigheid van leerlingen te vergroten. Brede beheersing van de taal maakt het leerlingen mogelijk om intensief deel te nemen aan de verschillende aspecten van het maatschappelijk leven, nu en in de toekomst. Beheersing van de Nederlandse taal is onontbeerlijk bij het verwerven van inhoud en vaardigheden in alle leergebieden. In het funderend onderwijs is onderwijs in de Nederlandse taal daarom van grote betekenis.

Taalverwerving en taalonderwijs in primair (speciaal) en voortgezet (speciaal) onderwijs verlopen als het ware in cirkels: dezelfde inhoud komt in toenemende complexiteit en mate van beheersing aan de orde. Het onderwijs in Nederlandse taal in de onderbouw van het voortgezet (speciaal) onderwijs maakt deel uit van die concentrisch verlopende ontwikkeling en sluit daarbij aan bij wat de leerling in het primair onderwijs heeft bereikt. De kern van het vak bestaat uit het verwerven, verwerken en presenteren van informatie en meer algemeen uit het leren communiceren met behulp van de Nederlandse taal. Daarbij gaat het steeds ook om mengvormen van mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid, zoals een mondelinge presentatie die wordt ondersteund door geschreven teksten en beeldmateriaal. Omgaan met de computer als bron van informatie, als hulpmiddel en als communicatiemiddel is onlosmakelijk verbonden met de kern van het vak.

Strategische vaardigheden vormen een wezenlijk onderdeel: lees- en luisterstrategieën, het opstellen van spreek- en schrijfplannen voor communicatieve handelingen. Ook door bewustwording van het belang van conventies in het taalgebruik en van de mogelijkheden om met taal te 'spelen', breiden leerlingen hun taalgereedschap en hun repertoire uit. Leerlingen worden uitgedaagd tot taalactiviteiten en ontwikkelen een positieve houding ten opzichte van verschillende vormen van taalgebruik. Vanwege het oriënterend karakter van de onderbouw is het in het algemeen belangrijk dat de contexten tezamen over de volle breedte reiken van de verschillende toepassingsgebieden van Nederlandse taal: het leven van alledag, andere leergebieden, vervolgonderwijs en beroepenwereld en de Nederlandse taal zelf. De relatie met andere vakken en leergebieden is tweezijdig: gebruik van teksten en contexten uit andere leergebieden in het onderwijs in de Nederlandse taal en bewust werken aan taalonderwijs in het onderwijs in andere leergebieden. De toepassing van taalvaardigheden in andere leergebieden is een belangrijk punt van aandacht en maakt deel uit van het taalbeleid voor de hele school. Daarnaast is er een inhoudelijke samenhang met het onderwijs in andere talen en in het leergebied Kunst en cultuur.



Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Beheersing van de Nederlandse taal is onontbeerlijk voor een brede maatschappelijke participatie, voor het verwerven van kennis en vaardigheden in andere leergebieden en voor alle vervolgopleidingen. Onderwijs in de Nederlandse taal is daarom van grote betekenis voor leerlingen in het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs.

Het onderwijs in de Nederlandse taal in het voortgezet speciaal onderwijs sluit aan bij het beheersingsniveau dat de leerling in het primair (speciaal) onderwijs heeft bereikt en bij de leefwereld van de leerling en breidt deze uit. Er zijn leerlingen bij wie, als gevolg van de beperking, sprake is van een vertraagde taalontwikkeling en/of van problemen in de informatieverwerking. Het verwerken van informatie kost soms meer tijd. Sommige leerlingen hebben moeite met competent handelen in taalgebruiksituaties, zoals het voeren van gesprekken, overleggen, of mondeling presenteren. Dit kan een gevolg zijn van een auditieve beperking, een gedragsstoornis en/of een autisme spectrum stoornis. Voor deze leerlingen zullen de communicatieve vaardigheden expliciet moeten worden verdeeld in kleine stappen. Voor een deel van de leerlingen zullen de mogelijkheden tot ontwikkeling van kennis en vaardigheden op het gebied van conventies in taalgebruik of creatief taalgebruik beperkt zijn.

Ook onderdelen van kerndoelen die het inlevingsvermogen, de verbeelding of zelfreflectie betreffen zullen met name voor leerlingen met een stoornis uit het autisme spectrum soms beperkt realiseerbaar zijn.

Voor veel leerlingen zullen aangepaste bronnen en/of ondersteunende materialen worden ingezet. Zo zullen voor blinde leerlingen daar waar gesproken wordt over (geschreven) teksten en bronnen aangepaste (gebrailleerde) materialen kunnen worden ingezet. De kerndoelen die een beroep doen op de luistervaardigheid zullen voor doven en (ernstig) slechthorenden kunnen worden omgezet naar begrijpend lezen. Ook kan hierbij gebruik worden gemaakt van visuele ondersteuning van het Nederlands met gebaren (NmG). Wanneer in het speciaal onderwijs voor bepaalde leerlingen het onderwijsaanbod werd gebaseerd op de kerndoelen Nederlandse Gebarentaal (NGT), kan daar in het voortgezet speciaal onderwijs op worden voortgebouwd.

Ook bij leerlingen met een motorische beperking en langdurig zieke leerlingen kan sprake zijn van problemen in de taalontwikkeling. Met name bij het schriftelijk taalgebruik zullen soms individuele aanpassingen, hulpmiddelen en specifieke ondersteuning nodig zijn.


Kerndoelen Nederlands

1. De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.

2. De leerling leert zich te houden aan conventies (spelling, grammaticaal correcte

zinnen, woordgebruik) en leert het belang van die conventies te zien.

3. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn woordenschat.

4. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit

gesproken en geschreven teksten.

5. De leerling leert in schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, te ordenen

en te beoordelen op waarde voor zichzelf en anderen.

6. De leerling leert deel te nemen aan overleg, planning, discussie in een groep. 7. De leerling leert een mondelinge presentatie te geven.

8. De leerling leert verhalen, gedichten en informatieve teksten te lezen die aan zijn belangstelling tegemoet komen en zijn belevingswereld uitbreiden.

9. De leerling leert taalactiviteiten (spreken, luisteren, schrijven en lezen) planmatig voor te bereiden en uit te voeren.

10. De leerling leert te reflecteren op de manier waarop hij zijn taalactiviteiten uitvoert en leert, op grond daarvan en van reacties van anderen, conclusies te trekken voor het uitvoeren van nieuwe taalactiviteiten.
2. Engels

Karakteristiek



Algemeen

Er zijn geen kerndoelen geformuleerd voor andere moderne vreemde talen dan Engels. De kerndoelen voor Engels kunnen worden gebruikt als leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen. Engels neemt als wereldtaal voor ons land een centrale plaats in en is daarom voor alle leerlingen in het hele voortgezet (speciaal) onderwijs een verplicht vak. Door beheersing van het Engels vergroten leerlingen wereldwijd hun communicatieve, sociale en maatschappelijke mogelijkheden. Het onderwijs in het Engels bouwt voort op de eerste kennismaking in het primair (speciaal) onderwijs. In de onderbouw van het voortgezet (speciaal) onderwijs is de kern van het vak in een aantal veel voorkomende communicatieve situaties leren zelfredzaam te worden. Daarin zijn de mogelijkheden van de computer als hulp- en communicatiemiddel, en met name die van het internet, onmisbaar. De verschillende aspecten van taalvaardigheid (luisteren, gesprekken voeren, spreken, lezen en schrijven) komen zoveel mogelijk in samenhang aan bod. Het luisteren naar en begrijpen van Engels staat centraal en in samenhang daarmee het opbouwen van een basiswoordenschat. Het principe 'doeltaal = voertaal' is daartoe een krachtig middel en wordt dan ook zoveel mogelijk toegepast. De schrijfdoelen zijn beperkt tot het functionele minimum van een kort en informeel contact in het Engels via e-mail, chatten op internet en een brief. Door deze vijf aspecten van taalvaardigheid in de kerndoelen op te nemen, wordt ook een relatie gelegd met het Common European Framework of Reference (CEFR) en het taalportfolio dat op basis daarvan is ontwikkeld. De toepassingsgebieden sluiten zoveel mogelijk aan bij de leefwereld van de leerling en breiden deze uit. Daarin past ook dat leerlingen Engelstalig tekstmateriaal bestuderen dat aansluit bij de inhoud van andere leergebieden en daarin ook wordt gebruikt. Mens en maatschappij, Mens en natuur, Kunst en cultuur en Bewegen en sport kunnen dienen als bronnen voor thema's waarover wordt gesproken en gelezen. Het onderwijs in de Nederlandse taal heeft weer andere raakvlakken: er zijn vaardigheden die in beide vakken gelden (lees- en luisterstrategieën bijvoorbeeld) en de rol van het Engels in het Nederlands kan worden verkend.


Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Een zekere functionele beheersing van de Engelse taal is onontbeerlijk voor een brede maatschappelijke participatie en in veel vervolgopleidingen. Onderwijs in de Engelse taal is daarom van grote betekenis voor leerlingen in het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs. De inhoud van de kerndoelen en het niveau dat hierbij kan worden nagestreefd zijn, net als in het regulier voortgezet onderwijs, gekoppeld aan het Europees Referentiekader voor de moderne vreemde talen.

Het onderwijs in het Engels in het voortgezet speciaal onderwijs sluit aan bij het beheersingsniveau dat de leerling in het primair (speciaal) onderwijs heeft bereikt. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat in het speciaal onderwijs Engels pas vanaf augustus 2012 verplicht aangeboden moet worden. Hierin wordt op zes onderscheidende, opklimmende niveaus (A1-A2-B1-B2-C1-C2) beschreven wat een leerling moet kunnen in de vreemde taal. Voor het VSO uitstroomprofiel Vervolgonderwijs gelden, net als voor de onderbouw van het regulier VO, de twee niveaus van de basisgebruiker. Afhankelijk van het onderwijstype en de leerweg is dit niveau A1 (breakthrough level) of A2 (way stage). Zie: http://www.nabmvt.nl/publicaties/ Niet alle leerlingen hebben dus onderwijs in het Engels gekregen. Als bij leerlingen sprake is van een vertraagde taalontwikkeling en/of van problemen in de informatieverwerking zal dit doorwerken in het niveau dat kan worden nagestreefd bij de kerndoelen Engels. Veel leerlingen ondervinden als gevolg van hun beperking problemen in communicatieve situaties. Dit heeft consequenties voor de wijze waarop het onderwijs in Engels vorm kan krijgen. Leerlingen die toch al moeite hebben met communiceren, hebben soms schroom om Engels te gebruiken. Zij hebben baat bij een veilige situatie en ondersteuning van hun zelfvertrouwen. Voor veel leerlingen zullen aangepaste bronnen en/of ondersteunende materialen worden ingezet. Zo zullen voor blinde leerlingen daar waar gesproken wordt over (geschreven) teksten en bronnen aangepaste (gebrailleerde) materialen kunnen worden ingezet. Voor leerlingen met een auditieve beperking kan bij de uitwerking van de kerndoelen meer nadruk kunnen worden gelegd op de leesvaardigheid in plaats van de luistervaardigheid. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij leerlingen met een spraakbeperking kan ervoor gekozen worden om meer nadruk te leggen op de schriftelijke communicatievaardigheden in plaats van de mondelinge communicatievaardigheden.
Kerndoelen Engels

1. De leerling leert verder vertrouwd te raken met de klank van het Engels door veel te luisteren naar gesproken en gezongen teksten.

2. De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn Engelse woordenschat.

3. De leerling leert strategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie uit gesproken en geschreven Engelstalige teksten.

4. De leerling leert in Engelstalige schriftelijke en digitale bronnen informatie te zoeken, te ordenen en te beoordelen op waarde voor zichzelf en anderen.

5. De leerling leert in spreektaal anderen een beeld te geven van zijn dagelijks leven.

6. De leerling leert standaardgesprekken te voeren om iets te kopen, inlichtingen te vragen en om hulp te vragen.

7. De leerling leert informeel contact in het Engels te onderhouden via e-mail, brief en chatten.

8. De leerling leert welke rol het Engels speelt in verschillende soorten internationale contacten.
4. Wiskunde

Karakteristiek



Algemeen

Leerlingen hebben op verschillende manieren wiskunde nodig: buiten school in het leven van alledag en op school ter ondersteuning van het leren in andere leergebieden en als voorbereiding op mogelijke keuzes voor bepaalde vervolgopleidingen. In de eerste jaren van het voortgezet onderwijs verwerven leerlingen zich in de context van betekenisvolle situaties inzicht en vaardigheden op het gebied van getallen, grootheden, maten, vormen, structuren en de daarbij passende relaties, bewerkingen en functies. Aansluitend op het (speciaal) primair onderwijs ontwikkelen ze hun vaardigheden in de ‘wiskundetaal’ en worden steeds verder ‘wiskundig geletterd en gecijferd'.

De wiskundetaal bestaat onder andere uit rekenkundige, wiskundige en meetkundige uitdrukkingen, meetkundige tekeningen en schema’s, modellen, formele en informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en opdrachten voor computer en rekenmachine. 'Wiskundig geletterd en gecijferd worden' wil zeggen dat leerlingen een repertoire opbouwen van parate kennis, inzichten en routines en leren deze op een juiste manier toe te passen in wiskundige technieken, aanpakken, redeneringen en rekenwijzen. De onderwerpen waaraan leerlingen in de onderbouw hun reken- en wiskundige kennis en vaardigheden ontwikkelen, kunnen van verschillende herkomst zijn. Doordat leerlingen werken in betekenisvolle contexten, waarin ze op eigen niveau en met plezier en voldoening wiskunde kunnen doen, zullen zij zich uitgedaagd voelen tot wiskundige activiteit. Een betekenisvolle context biedt leerlingen gelegenheid de waarde van wiskundige activiteiten te ervaren. Wat in een bepaalde situatie betekenisvol is, hangt af van wat leerlingen al weten en kunnen, van hun leervermogen en hun belangstelling, hun verdere vorming en beroep, van de maatschappelijke actualiteit en van andere schoolse en niet-schoolse taken waarvoor ze op dat moment zelf staan. Vanwege het oriënterend karakter van de onderbouw is het in het algemeen belangrijk dat de contexten tezamen over de volle breedte reiken van de toepassingsgebieden van wiskunde: het leven van alledag, andere leergebieden, vervolgonderwijs en beroepenwereld en de wiskunde zelf.

De relatie met andere vakken en leergebieden is een tweezijdige: gebruik van contexten uit andere leergebieden in het reken en wiskundeonderwijs en bewust werken aan aspecten van wiskunde in het onderwijs in andere leergebieden. De transfer van wiskundevaardigheden naar andere leergebieden is een belangrijk punt van aandacht en maakt deel uit van het beleid voor de hele school.


Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Kennis en vaardigheden op het gebied van rekenen en wiskunde zijn onontbeerlijk voor een brede maatschappelijke participatie, voor het leren in andere leergebieden en in veel vervolgopleidingen. Onderwijs in rekenen en wiskunde is daarom van grote betekenis voor leerlingen in het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs.

Het wiskunde onderwijs in het VSO sluit aan bij het beheersingsniveau dat de leerling in het primair of speciaal onderwijs heeft bereikt en bij de leefwereld van de leerling. Bij sommige leerlingen kan, als gevolg van de beperking, sprake zijn van een wat andere, vertraagde of beperkte ontwikkeling op de gebieden ruimtelijk inzicht en/of begripsvorming. Problemen in de algemene informatieverwerking werken soms door in het automatiseren van vaardigheden op het gebied van rekenen-wiskunde. Ook de ontwikkeling van 'wiskundetaal' is voor sommige leerlingen met problemen op communicatief gebied moeilijk.

Voor leerlingen met een visuele beperking geeft het werken met schematische voorstellingen, tweedimensionale vormen, tabellen en grafieken en andere visualiseringen problemen. Met name bij onderdelen van meten en meetkunde zullen specifieke uitwerkingen nodig zijn en zal niet elk kerndoel onverkort gerealiseerd kunnen worden.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking vraagt vooral de toepassing van wiskunde in praktische situaties om een uitwerking op maat van de leerling. Dit zal ook vaak gelden voor de kerndoelen waarbij het maken van een afbeelding of meetvaardigheden aan de orde zijn.

Voor leerlingen met een beperking of stoornis die doorwerkt in het sociale en communicatieve functioneren, zal vaak een specifieke uitwerking van de kerndoelen op het gebied van het opzetten van een argumentatie, het uitleggen aan en begrijpen van anderen, het samenwerken en het met respect kritiek geven en krijgen nodig zijn. De leerlingen kunnen moeite hebben met het luisteren naar elkaar en met het accepteren van door anderen gevonden oplossingen. Het onderscheiden van meningen en beweringen en het werken met schattingen kan in het bijzonder voor leerlingen met een stoornis uit het autistisch spectrum moeilijk zijn.


Kerndoelen Wiskunde

1. De leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken voor het ordenen van het eigen denken en voor uitleg aan anderen en leert de wiskundetaal van anderen te begrijpen.

2. De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

3. De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

4. De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

5. De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

6. De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

7. De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

8. De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

9. De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

  • 6. De leerling leert op doelgerichte, planmatige en methodische wijze taken en activiteiten uit te voeren.
  • 7. De leerling leert samen te werken aan een taak of activiteit.
  • Kerndoelen Leren functioneren in sociale situaties 8. De leerling leert op adequate wijze om te gaan met eigen gevoelens en wensen.
  • 9. De leerling leert respectvol en verantwoordelijk om te gaan met anderen.
  • 10. De leerling krijgt zicht op de eigen voorkeuren, interesses en toekomstwensen op het gebied van werken, wonen, vrije tijd en burgerschap.
  • 11. De leerling leert afwegingen en keuzes te maken die leiden tot een passend persoonlijk toekomstperspectief, met realiseerbare mogelijkheden en kansen.
  • 2. Kerndoelen uitstroomprofiel Vervolgonderwijs Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel Vervolgonderwijs 1. Nederlands

  • Dovnload 1.2 Mb.