Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim

Dovnload 1.2 Mb.

Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim



Pagina33/36
Datum04.04.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

5. Mens en natuur

Karakteristiek



Algemeen

In dit brede leergebied is het actief leren van leerlingen te typeren vanuit twee verschillende perspectieven. Van kindsbeen af wil de mens zijn omgeving begrijpen en zoekt hij naar verklaringen. Dit element krijgt vorm in de combinatie van onderzoek leren doen met het leren gebruiken en toepassen van achterliggende kennis en informatie. Daarnaast wil de mens de omgeving duurzaam beheersen om nu en in de toekomst in de eigen behoeften te voorzien. Dit krijgt vorm in leren ontwerpen en leren maken van bewuste keuzes.

Deze twee drijfveren spelen ook in de onderliggende vakdisciplines van het leergebied een rol. Het leergebied Mens en natuur omvat elementen uit de vakken biologie, natuurkunde, scheikunde, techniek en verzorging. Het sluit in die visie ook aan bij de kerndoelen Oriëntatie op natuur en techniek van het primair of speciaal onderwijs. Het leergebied biedt leerlingen een oriëntatie op de levende en niet-levende natuur, techniek en zorg. Sleutelbegrippen uit de verschillende vakken dienen ter ondersteuning daarvan. Daarvoor is het nodig, deze op het niveau van de leerling in concrete situaties toe te passen. Voor de betrokkenheid van leerlingen is het bovendien belangrijk uit te gaan van voor hen relevante maatschappelijke situaties. In het leergebied Mens en natuur ontwikkelen leerlingen vaardigheden om verschijnselen in de levende en niet-levende natuur op een planmatige manier te onderzoeken. Zoveel mogelijk uitgaande van eigen waarnemingen en verwondering doen leerlingen natuurwetenschappelijke kennis op en brengen zij die in verband met abstractere theorieën en modellen. Het leergebied is ook gericht op het verwerven van een kritische en onderzoekende houding. Het aspect van het duurzaam beheersen van de omgeving wordt benaderd vanuit techniek, zorg en milieu. Leerlingen maken kennis met de methodiek van ontwerpen en passen de geleerde vaardigheden toe door een technisch product of een programma van eisen te ontwerpen. Zij leren daarbij bewuste keuzes te maken met het oog op zorg voor zichzelf, elkaar en de omgeving.

Leerlingen leren daarbij inzicht te krijgen in de consequenties van keuzes voor de eigen levenswijze. De computer fungeert in het leergebied als hulpmiddel, middel tot communicatie, bron van informatie en onderwerp van onderzoek en studie.

In het feitelijke onderwijsaanbod aan leerlingen kan de inhoud van het leergebied op verschillende manieren worden geordend: in één leergebied, in twee leergebieden (‘Natuur en techniek’ en ‘Natuur en zorg’) in afzonderlijke vakken, in projecten of in mengvormen. In alle gevallen is het nodig de inhoud in samenhang en in relatie tot elkaar aan te bieden en daarbij de samenhang te gebruiken met andere vakken, met name Nederlands en wiskunde. Dat geldt ook voor de samenhang tussen onderzoek leren doen en leren ontwerpen, vaardigheden die elkaar immers kunnen aanvullen en versterken.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Het ontwikkelen van een onderzoekende houding, het begrijpen van verschijnselen in de omgeving en de duurzame beheersing van de omgeving zijn belangrijk voor een brede maatschappelijke participatie en in veel vervolgopleidingen. Onderwijs in het leergebied Mens en natuur is daarom van grote betekenis voor leerlingen in het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs.

Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen kan het uitvoeren van onderzoek en het doen van praktische opdrachten om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Met een duidelijke, gestructureerde planmatige aanpak en gerichte ondersteuning kan ook een brailleleerling een eenvoudig onderzoekje doen, maar het goed om kunnen gaan met loep, microscoop en determinatietabel zijn onmogelijk.

Het brede spectrum van kennisgebieden en onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen veronderstellen een bepaald niveau van taal- en woordenschatontwikkeling. Voor met name leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking zullen de inhouden van de vijf domeinen moeten worden afgestemd op de taal- en woordenschatontwikkeling van de leerlingen. Voor leerlingen met problemen op het gebied van communiceren en/of sociaal gedrag zal het presenteren van onderzoek om speciale aandacht vragen. De kerndoelen 7 en 8, gericht op kennis van lichamelijke en psychische gezondheid en zorg voor zichzelf, anderen en de omgeving, zijn bij uitstek van belang voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. De ondersteuning, apparatuur en/of handicapspecifieke aanpassingen waarmee de leerlingen zelf dagelijks omgaan, kunnen hierbij worden betrokken. De invulling van deze kerndoelen kan worden aangepast aan de doelgroep in de school en kan ook per leerling variëren.


Kerndoelen Mens en natuur

1. De leerling leert vragen over natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde onderwerpen om te zetten in onderzoeksvragen, een dergelijk onderzoek over een natuurwetenschappelijk onderwerp uit te voeren en de uitkomsten daarvan te presenteren.

2. De leerling leert kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in sleutelbegrippen uit het gebied van de levende en niet-levende natuur, en leert deze sleutelbegrippen te verbinden met situaties in het dagelijks leven.

3. De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.

4. De leerling leert onder andere door praktisch werk kennis te verwerven over en inzicht te verkrijgen in processen uit de levende en niet-levende natuur en hun relatie met omgeving en milieu.

5. De leerling leert te werken met theorieën en modellen door onderzoek te doen naar natuurkundige en scheikundige verschijnselen als elektriciteit, geluid, licht, beweging, energie en materie.

6. De leerling leert door onderzoek kennis te verwerven over voor hem relevante technische producten en systemen, leert deze kennis naar waarde te schatten en op planmatige wijze een technisch product te ontwerpen en te maken.

7. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen.

8. De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden.
6. Mens en maatschappij

Karakteristiek



Algemeen

In dit leergebied staat de persoonlijke betrokkenheid van leerlingen centraal: bij zichzelf en bij ontwikkelingen in de wereld, in het verleden en in de maatschappij om hem heen. Leerlingen moeten immers in de toekomst standpunten bepalen en beslissingen nemen over zaken van persoonlijk en van algemeen belang. Het gaat daarom niet alleen om het begrijpen van verschijnselen in de actuele maatschappelijke werkelijkheid (hoe zit het?), maar ook om het waarderen en beoordelen daarvan (wat vind ik ervan?). Leerlingen in de leeftijd van 12 tot 14 jaar breiden hun leefwereld uit, evenals hun persoonlijke betrokkenheid daarbij. Ze doen dat in een wereld die complex is en voortdurend in verandering.

Het leergebied Mens en maatschappij is erop gericht een kader op te bouwen om die wereld beter te begrijpen. Het leergebied sluit daarbij aan bij de kerndoelen Mens en samenleving, Ruimte en Tijd van het leergebied Oriëntatie op jezelf en de wereld, in het primair (speciaal) onderwijs. Het ruimtelijk perspectief biedt een kader door het besef deel uit te maken van gebieden op verschillende schaal: de directe eigen omgeving, Nederland, Europa en de wereld. Het tijdsperspectief helpt de veranderende wereld te begrijpen vanuit een chronologische samenhang. Het maatschappelijk en economisch perspectief doen dat vanuit het gezichtspunt van de burger als producent en consument, en als deelnemer aan de ‘civil society’.

Verwondering over zowel het andere als het eigene is een centrale drijfveer in het leerproces van 12- tot 14- jarigen. Vragen leren stellen, inlevingsvermogen ontwikkelen en een open, verkennende houding aannemen zijn zowel doel als middel. Het uiteindelijke doel is dat leerlingen gestimuleerd worden op informatie gebaseerde, beargumenteerde beslissingen te leren nemen als burgers van een cultureel diverse, democratische samenleving waarin de onderlinge afhankelijkheden groot zijn. Ze moeten leren standpunten te bepalen en te onderbouwen met behulp van veelzijdige informatie. In het leergebied Mens en maatschappij leren leerlingen dan ook wegwijs te worden in verschillende soorten bronnen en deze gericht te gebruiken. Het internet en andere digitale bronnen verdienen daarbij een belangrijke plaats om hun complexiteit, hun aantrekkelijkheid voor leerlingen en hun toenemende communicatieve invloed. In dit leergebied leren leerlingen ook nadrukkelijk de eigen omgeving te gebruiken als bron en onderzoeksobject.

De leerinhoud kan op verschillende manieren aan de orde komen: in één integraal leergebied, in afzonderlijke vakken, in projecten of in mengvormen daarvan. In alle gevallen is het nodig inhoud uit het leergebied in onderlinge samenhang en relatie en met andere vakken of leergebieden aan te bieden. Daardoor krijgen leerlingen inzicht in de samenhang in hun groter wordende leefwereld. Ze leren om binnen democratische kaders de overeenkomsten en verschillen tussen mensen te waarderen en te respecteren, en dat te uiten in betrokkenheid op zichzelf, elkaar en de omgeving.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Het ontwikkelen van persoonlijke betrokkenheid van leerlingen bij zichzelf en bij ontwikkelingen in de wereld is belangrijk voor een brede maatschappelijke participatie en in veel vervolgopleidingen. Voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs is het uitbreiden van de leefwereld en de toerusting als burger in de Nederlandse maatschappij van groot belang. Leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en leren wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor hun functioneren in de samenleving. Veel leerlingen hebben veelvuldig contact met het maatschappelijk gebied van zorg en hulpverlening en met de specifieke voorzieningen die voor hen van toepassing zijn. Het stellen van (hulp)vragen en het omgaan met ondersteuning en ondersteuners behoort tot de te ontwikkelen burgerschapscompetenties van deze leerlingen.

Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van onderzoek en het doen van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming Voor deze laatste groep leerlingen is vooral het werken met complex samengestelde bronnen problematisch. Bij aardrijkskunde leveren onder meer het gebruik van kaarten, luchtfoto's en satellietbeelden problemen op.

Voor leerlingen met een auditieve beperking is het 'verbanden zien en inzicht verkrijgen' soms lastig. Dit veronderstelt een bepaald abstractieniveau. Als gevolg van auditieve en communicatieve problemen is de taalabstractie vaak beperkter. Voor leerlingen met problemen op het gebied van communiceren en/of sociaal gedrag zal het innemen en verdedigen van een beargumenteerd standpunt en, daarbij respectvol met kritiek omgaan en het presenteren van onderzoek speciale aandacht vergen. Voor leerlingen met een autisme spectrum stoornis geldt dit in het bijzonder voor de kerndoelen 7 en 8, met name als het gaat om de reflectie op eigen ervaringen en het begrijpen en respectvol hanteren van verschillen in leefwijzen en opvattingen.


Kerndoelen Mens en maatschappij

1. De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over maatschappelijke kwesties en verschijnselen, daarover een beargumenteerd standpunt in te nemen en te verdedigen, en daarbij respectvol met kritiek om te gaan.

2. De leerling leert een kader van tien tijdvakken te gebruiken om gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in hun tijd te plaatsen. De leerling leert hierbij over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken:

- tijd van jagers en boeren (prehistorie tot 3000 voor Chr.);

- tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Chr. – 500 na Chr.);

- tijd van monniken en ridders (500 – 1000);

- tijd van steden en staten (1000 – 1500);

- tijd van ontdekkers en hervormers (1500 – 1600);

- tijd van regenten en vorsten (1600 – 1700);

- tijd van pruiken en revoluties (1700 – 1800);

- tijd van burgers en stoommachines (1800 – 1900);

- tijd van wereldoorlogen (1900 – 1950),

- tijd van televisie en computer (1950 – heden).

De leerling leert daarbij in elk geval de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen. De vensters van de canon van Nederland dienen als inspiratiebron voor de behandeling van de tijdvakken.

3. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en ontwikkelingen in hun omgeving te plaatsen.

4. De leerling leert een eenvoudig onderzoek uit te voeren naar een actueel maatschappelijk verschijnsel en de uitkomsten daarvan te presenteren.

5. De leerling leert historische bronnen te gebruiken om zich een beeld van een tijdvak te vormen of antwoorden te vinden op vragen, en hij leert daarbij ook de eigen cultuurhistorische omgeving te betrekken.

6. De leerling leert de atlas als informatiebron te gebruiken en kaarten te lezen en te analyseren om zich te oriënteren, zich een beeld van een gebied te vormen of antwoorden op vragen te vinden.

7. De leerling leert in eigen ervaringen en in de eigen omgeving effecten te herkennen van keuzes op het gebied van werk en zorg, wonen en recreëren, consumeren en budgetteren, verkeer en milieu.

8. De leerling leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing in Nederland, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, en leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, met daarbij aandacht voor seksualiteit en seksuele diversiteit.

9. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en leert zien hoe mensen op verschillende manieren bij politieke processen betrokken kunnen zijn.

10. De leerling leert de betekenis van Europese samenwerking en de Europese Unie te begrijpen voor zichzelf, Nederland en de wereld.

11. De leerling leert over de verdeling van welvaart en armoede over de wereld, hij leert de betekenis daarvan te zien voor de bevolking en het milieu, en relaties te leggen met het (eigen) leven in Nederland.

12. De leerling leert actuele spanningen en conflicten in de wereld te plaatsen tegen hun achtergrond, en leert daarbij de doorwerking ervan op individuen en samenleving (nationaal, Europees en internationaal), de grote onderlinge afhankelijkheid in de wereld, het belang van mensenrechten en de betekenis van internationale samenwerking te zien.


7. Kunst en cultuur

Karakteristiek



Algemeen

In het leergebied Kunst en cultuur verdiepen en verbreden leerlingen hun kennismaking met kunstzinnige en andere culturele uitingen. Zij verkennen en exploreren daarbij hun eigen productieve mogelijkheden. Ze leren bovendien oog krijgen voor kunstzinnige en culturele diversiteit in de Nederlandse samenleving en de diverse culturen in de wereld. Het leergebied sluit aan op de kerndoelen van het leergebied Kunstzinnige oriëntatie van het basisonderwijs. Dat betekent ook verdere uitwerking van de aandacht voor literaire expressie, voor het cultureel erfgoed en voor de relatie tussen kunstuitingen en het dagelijks bestaan.

In de onderbouw van het voortgezet (speciaal) onderwijs ontleent het leergebied zijn inhoud in de eerste plaats aan de kunstzinnige disciplines: muziek, dans, drama en de beeldende vakken (handvaardigheid, tekenen, textiele werkvormen en audiovisuele vorming).

De leerlingen ontwikkelen vaardigheden in het gebruik van verschillende technieken. Ze leren de mogelijkheden van de verschillende disciplines gebruiken. Er worden verschillende functies verkend: uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen, vorm geven aan verbeelding en leren communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal. De leerlingen leren hun kunstzinnig werk op een toegankelijke wijze aan anderen te presenteren en over het ontwerpproces te communiceren. Daarbij en bij het gebruik van bronnen wordt de computer als hulp- en communicatiemiddel gebruikt.

Behalve het zelf kunnen vorm geven is kennismaken met de kunstzinnige en culturele uitingen van anderen van belang. Dat geldt voor het werk van medeleerlingen, maar ook voor dat van professionele kunstenaars. Leerlingen leren op exemplarische wijze kunst te begrijpen en te waarderen. Tot het leergebied hoort daarom ook een in het programma ingebedde kennismaking met verschillende kunstuitingen door bezoeken aan tentoonstellingen en theateren dansvoorstellingen en muziekuitvoeringen. Doel is dat alle leerlingen kennismaken met verschillende soorten professionele uitingen in elk geval kennismaken. Door de bezoeken op school voor te bereiden en de ervaringen te verwerken, worden ze in het perspectief van de doelen van het leergebied geplaatst.

Ervaringen met het eigen werk en het werk van anderen kunnen in een kunstdossier of portfolio worden vastgelegd met behulp van schriftelijke, visuele of auditieve middelen.

In het feitelijke onderwijsaanbod aan leerlingen kan de leerinhoud van het leergebied op verschillende manieren worden geordend: in één samenhangend leergebied, in afzonderlijke vakken, als onderdeel van projecten of in mengvormen daarvan. In alle varianten is een brede oriëntatie op kunst en cultuur het doel. Behalve met de vak- en leergebieden Nederlands, Engels en Mens en maatschappij zijn daarin ook relaties te leggen met elementen uit wiskunde en Mens en natuur.
Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Het leergebied Kunst en cultuur stimuleert de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen. Dit is niet alleen belangrijk voor vervolgopleidingen, maar ook uitermate relevant voor het ontwikkelen van competenties voor en bewustwording van een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.

Ook voor leerlingen met een fysieke beperking geldt dat zij hun eigen productieve mogelijkheden zullen verkennen en exploreren. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel. Voor leerlingen met beperkte (fijn) motorische vaardigheden kan het leren omgaan met verschillende materialen een waardevolle ervaring zijn, mede voor het stimuleren van de sensomotorische ontwikkeling.

Ook leerlingen met een auditieve, communicatieve en/of visuele beperking worden in hun ontwikkeling gestimuleerd door het opdoen van een grote verscheidenheid aan ervaringen door te handelen, dingen mee te maken en bewust gebruik te maken van de allerlei zintuiglijke waarnemingen. Afhankelijk van de beperking zullen de kerndoelen op een bepaalde wijze worden ingevuld. Voor blinde leerlingen zal het 'kijken naar beeldende kunst' vervangen worden door andere zintuiglijke ervaringen. Voor dove en slechthorende leerlingen geldt dit voor de kerndoelen die een beroep doen op de luistervaardigheid. Compensatie kan steeds worden gezocht in ervaringen en uitingen die andere zintuigen aanspreken. Dit leergebied biedt leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs bij uitstek mogelijkheden om het eigen uitingsrepertoire te vergroten en te leren genieten van kunstzinnige uitingen van anderen. Het leren uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen en hierover communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal biedt leerlingen met sociaal-emotionele problematiek en/of communicatieve problemen de kans om gekanaliseerd uiting te geven aan hun gevoelens en fantasie. Maar er zijn ook beperkingen. Het leergebied nodigt leerlingen uit iets van zichzelf te laten zien, wat niet altijd gemakkelijk voor hen is. Daar komt bij dat sommige leerlingen, zoals leerlingen met een autisme spectrum stoornis, vaak een beperkte verbeeldingskracht hebben.


Kerndoelen Kunst en cultuur

1. De leerling leert door het gebruik van elementaire vaardigheden de zeggingskracht van verschillende kunstzinnige disciplines te onderzoeken en toe te passen om eigen gevoelens uit te drukken, ervaringen vast te leggen, verbeelding vorm te geven en communicatie te bewerkstelligen.

2. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of als deelnemer in een groep, aan derden te presenteren.

3. De leerling leert op basis van enige achtergrondkennis te kijken naar beeldende kunst, te luisteren naar muziek en te kijken en luisteren naar theater-, dans- of filmvoorstellingen

4. De leerling leert met behulp van visuele of auditieve middelen verslag te doen van deelname aan kunstzinnige activiteiten, als toeschouwer en als deelnemer.

5. De leerling leert mondeling of schriftelijk te reflecteren op eigen werk en werk van anderen, waaronder dat van kunstenaars.


8. Bewegen en sport

Karakteristiek



Algemeen

Het leergebied is erop gericht alle kinderen te brengen tot blijvende en verantwoorde deelname aan bewegen en sport, tot een bewuste keuze voor bewegen in het algemeen en voor specifieke bewegingsactiviteiten in de vrije tijd. Daarop is dan ook de verschuiving gericht van het leren deelnemen aan basale bewegingsactiviteiten waarop in het (speciaal) primair onderwijs de nadruk ligt, naar een brede oriëntatie op actuele bewegingscultuur in het voortgezet onderwijs.

De leeftijd van 12 tot 14 jaar is een turbulente periode, met een snelle verandering in lichamelijke kenmerken. Tegelijkertijd betekent de overgang naar een andere school een ingrijpende verandering in de sociale omgeving. De leerlingen moeten op zoek naar een nieuwe plek en identiteit in dat geheel. Dat vergt oriëntatie en aanpassing. In deze periode worden leerlingen zich ook meer bewust van hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden en die van anderen. Prestaties in dit leergebied zijn voor iedereen zichtbaar. Dat maakt leerlingen kwetsbaar. Het is daarom in deze leeftijdsfase belangrijk dat ze kansen krijgen hun mogelijkheden in een veilige omgeving te verkennen en leren hun zelfvertrouwen op het gebied van hun bewegingsmogelijkheden verder te ontwikkelen en te benutten. Respectvol omgaan met verschillen in belangstelling, begaafdheid en tempo vraagt voortdurend om flexibiliteit en om uitdagende en aansprekende bewegingssituaties. Aansluiten bij de bewegingservaring uit de basisschoolperiode is daarbij essentieel.

Leren bewegen is bij uitstek een groepsactiviteit. Leerlingen verkennen en ontwikkelen naast hun mogelijkheden in de rol van beweger ook die in de rol van ondersteuner en organisator. Er wordt veelvuldig een beroep gedaan op verschillende sociale en regelvaardigheden. In tal van situaties wordt van leerlingen verwacht dat ze elkaar helpen, onderling rollen en taken verdelen, op veiligheid letten, respectvol met elkaar omgaan, zorgzaam zijn voor elkaar, met elkaar regels afspreken, samenwerken en samen spelen. Leerlingen leren eenvoudige regeltaken vervullen, zoals elkaar hulp verlenen, aanwijzingen geven en coachen, organiseren en rollen als scheidsrechter of jury vervullen. Deze sociale en regeltaken maken het niet alleen mogelijk samen te bewegen, maar bieden leerlingen de mogelijkheid te leren hoe ze die activiteiten met elkaar veilig op gang kunnen brengen en op gang kunnen houden. Ze leren verantwoordelijkheid te dragen voor het eigen bewegen en dat van anderen, ook als de onderlinge verschillen groot zijn.

In het leergebied zijn relaties te leggen met de leergebieden Kunst en cultuur, Mens en natuur

en Mens en maatschappij.


Uitstroomprofiel Vervolgonderwijs

Blijvende en verantwoorde deelname aan bewegen en sport is voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs heel belangrijk. Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl en de voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrijetijdsbesteding vormen belangrijke doelstellingen van het leergebied bewegen en sport voor deze leerlingen. Leerlingen worden zich in het voortgezet speciaal onderwijs in sterke mate bewust van hun (fysieke) mogelijkheden en onmogelijkheden. Het verkennen en accepteren van de eigen mogelijkheden en het ontwikkelen van zelfvertrouwen zijn daarbij essentieel.

De motorische ontwikkeling bij leerlingen met een lichamelijke of zintuiglijke beperking is veelal achter vergeleken met leeftijdsgenoten. Bewegen in de ruimte kan voor deze leerlingen omgeven zijn met onzekerheid en angst. Balspelen zijn voor blinde leerlingen slechts beperkt mogelijk. Activiteiten als zwemmen, skiën, schaatsen, klimmen, fitness en kanoën zijn wel mogelijk. Met aangepast sportmateriaal kan veel. Slechtziende leerlingen kunnen bijna alle spelvormen op een eenvoudig niveau beoefenen. Bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een achterstand in de motorische ontwikkeling, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor hebben dove en slechthorende leerlingen vaak problemen met hun evenwicht Spelactiviteiten met andere leerlingen kunnen lastig zijn door problemen in de onderlinge communicatie.

Sommige leerlingen met een (ernstige) fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zullen niet deel kunnen nemen aan alle bewegingsactiviteiten. De aard van de beperking of ziekte maakt bepaalde activiteiten (vrijwel) onmogelijk. Leerlingen kunnen door aanpassingen van regels en arrangementen wel, zoveel mogelijk bewegend, een actieve rol krijgen in de activiteiten.

Leerlingen met gedrags- en/of sociaal-emotionele problematiek hebben vaak extra behoefte aan het kunnen bewegen. Wel moet bij deze leerlingen meer tijd worden besteed aan de voorwaarden om tot bewegen in groepsverband te komen. Er wordt een beroep gedaan op sociale- en regelvaardigheden. Leerlingen hebben soms moeite met het ‘vrije’ karakter van klassikale gymlessen. Veiligheid is een eerste vereiste. Soms zullen deze activiteiten alleen in (zeer) kleine stappen en in beperkte mate kunnen worden opgebouwd. In andere gevallen zal een aangepast aanbod nodig zijn, meer gericht op individueel sporten.
Kerndoelen Bewegen en sport

1. De leerling leert zich mede met het oog op buitenschoolse beoefening op praktische wijze te oriënteren op veel verschillende bewegingsactiviteiten uit gevarieerde gebieden als spel, turnen, atletiek, bewegen op muziek, zelfverdediging en actuele ontwikkelingen in de bewegingscultuur, en daarin de eigen mogelijkheden te verkennen.

2. De leerling leert door middel van uitdagende bewegingssituaties zijn bewegingsrepertoire uit te breiden.

3. De leerling leert de hoofdbeginselen van de bewegingsactiviteiten op eigen niveau toe te passen.

4. De leerling leert tijdens bewegingsactiviteiten sportief te zijn, rekening te houden met de mogelijkheden en voorkeuren van anderen, en respect en zorg te hebben voor elkaar.

5. De leerling leert eenvoudige regelende taken te vervullen die het mogelijk maken, zelfstandig en samen met andere leerlingen bewegingsactiviteiten te beoefenen.

6. De leerling leert door deel te nemen aan praktische bewegingsactiviteiten de waarde van het bewegen voor gezondheid en welzijn kennen en ervaren.

1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

  • 6. Mens en maatschappij
  • 7. Kunst en cultuur
  • 8. Bewegen en sport

  • Dovnload 1.2 Mb.