Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim

Dovnload 1.2 Mb.

Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim



Pagina35/36
Datum04.04.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

2. De leerling leert in praktische situaties problemen op te lossen met gebruik van rekenkundige middelen.

Met rekenkundige middelen wordt hier bedoeld:

de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen;

• en schattend rekenen.

3. De leerling leert computer en rekenmachine te gebruiken als hulpmiddel en informatiebron.

Hierbij kan men denken aan:

• weten wanneer je iets zelf uitrekent of de rekenmachine inzet;

• verstandig gebruik van rekenmachine als hulpmiddel voor het rekenen;

• het intoetsen en aflezen van de rekenmachine;

• het gebruiken van eenvoudige applicaties op de computer, bijvoorbeeld routeplanner;

• computer als informatiebron kunnen gebruiken.



4. De leerling leert in betekenisvolle en praktische situaties werken met gangbare breuken, verhoudingen en decimale getallen.

Hierbij kan men denken aan:

• het ordenen, vergelijken en afronden van decimale getallen en breuken, en vooral niet het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen ervan, want daar is de rekenmachine voor;

• bij praktische situaties vooral denken aan meten en situaties waarin geld een rol speelt;

• bij geldrekenen 2 decimalen gebruiken; bij meten wordt het aantal decimalen bepaald door de situatie;

• schaalverdeling als verhouding, bijvoorbeeld 1: 10 (werktekening) of 1: 25.000 (fietskaart);

• leren rekenen met gangbare percentages, zoals 10%, 25%, 50%, 100%;

• leren werken met gangbare breuken, zoals half, kwart, ¾, ⅓, een-tiende (spaarzaam met breuken aanleren);

• begrijpen en gebruiken van verhoudingen, maar dit beperken tot mooie getallen (zoals: twee van de drie).



5. De leerling leert ruimtelijk te redeneren en leert eenvoudige meetkundige begrippen te gebruiken in praktische situaties.

Hierbij kan men denken aan:

• plaats bepalen;

kaartlezen;

• interpreteren van tweedimensionale weergave (zoals routekaart of werktekening) van een 3D-situatie (zoals het bijbehorend landschap, het werkstuk);

• de begrippen oppervlakte, omtrek, inhoud.

6. De leerling leert omgaan met in de praktijk veel voorkomende meetinstrumenten voor lengte, gewicht, inhoud en temperatuur en leert rekenen met maten en grootheden.

Hierbij kan men denken aan:

• meetinstrumenten zoals: liniaal, duimstok, rolmaat (voor lengte); balans, weegschaal (voor gewicht), maatbeker (voor inhoud), (koorts)thermometer en oventhermostaat (voor temperatuur);

• het leren omgaan met meetinstrumenten, zoals het kiezen van het juiste instrument, het instellen, aflezen, uitkomst noteren, afpassen;

• het leren rekenen met gangbare standaardmaten, zoals mm, cm, m, km; g, kg, l, dl, cl, ˚C;

• het leren werken met referentiematen, zoals eigen lichaamslengte, aantal stappen, pak suiker;

• het afronden van meetresultaten passend bij de situatie;

• het schatten van maten en grootheden.

7. De leerling leert omgaan met tijd.

Hierbij kan men denken aan:

• klokkijken (digitaal en analoog), wekker;

• omgaan met kalender, agenda, data, periodes;

• tijdsbegrippen als jaar, week, dag, maand, uur, minuut, seconde en relaties daartussen;

• eenvoudige berekeningen met tijd.

8. De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

Hierbij kan men denken aan:

• bedragen leggen;

• bedragen wisselen;

• teruggeven vanaf bepaald bedrag,

berekeningen met geld, al dan niet met rekenmachine;

• bedragen (met name prijzen) afronden;

• prijzen vergelijken;

• pinnen;

• geld overmaken, giraal betalen;

• begrippen als schuld en winst.



9. De leerling leert eenvoudige tabellen, grafieken en diagrammen te interpreteren en te maken.

Hierbij kan men denken aan:

• gegevens uit een tabel of grafiek begrijpen, interpreteren en in eigen woorden weergeven;

• vertaalvaardigheden van situatie, naar tabel of grafiek;

• gegevens uit een tekst (woorden) in een tabel of grafiek zetten;

• gegevens uit een tabel in grafiek zetten (of omgekeerd);

• gegevens systematisch beschrijven, ordenen en weergeven, bijvoorbeeld in een tabel, grafiek of diagram.


5. Mens, natuur en techniek (MNT)

Karakteristiek

Dit brede leergebied is in het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarkt gericht op vier concrete thema's, namelijk zorg, planten en dieren, duurzaamheid en techniek. Deze thema's worden geplaatst in de context van school-, leef- en (toekomstige) werksituaties. Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze verwerven kennis over en leren te zorgen voor zichzelf en andere mensen (kerndoelen 1, 2 en 3) planten en dieren (kerndoel 4) duurzaamheid en het milieu (kerndoel 5) en zij leren om te gaan met technische producten en processen (kerndoelen 6 t/m 9).

Het leergebied Mens, natuur en techniek in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarkt is tweezijdig gericht: enerzijds op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen op het gebied van (zelf)zorg, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap en anderzijds op wat van een toekomstige werknemer mag worden verwacht. Als toekomstige werknemer werkt de leerling straks onder begeleiding van een leidinggevende of een gekwalificeerde vakman. De noodzakelijke kennis en vaardigheden om werkzaamheden uit te kunnen voeren, worden deels op school en deels tijdens (bedrijfs-)stages geleerd.

Overlap van kerndoelen in het leergebied Mens, natuur en techniek met kerndoelen ter voorbereiding op arbeid is bewust gehandhaafd. Bijvoorbeeld het aspect veiligheid is zeer belangrijk voor zowel woon- als werksituaties. Daarom is het aspect veiligheid twee keer opgenomen in de kerndoelen: als kerndoel in het leergebied Mens, natuur en techniek en als aspect in de kerndoelen ter voorbereiding op arbeid.

Algemeen geldt voor leerlingen met een beperking het belang dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten. In het leergebied MNT wordt er tevens naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het omgaan met werkgerelateerde informatie, zoals urenverantwoording en/of digitale uitlezing van machines en apparatuur.

Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming. Met een duidelijke, gestructureerde aanpak en gerichte ondersteuning kan ook een brailleleerling praktische opdrachten leren uitvoeren, maar het goed om kunnen gaan met bepaalde meetgereedschappen zal lastig blijven.

Het brede spectrum van onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen veronderstellen een bepaald niveau van (vak)taal- en woordenschatontwikkeling. Voor leerlingen in dit uitstroomprofiel zal de uitwerking van de kerndoelen zo praktisch en concreet mogelijk moeten zijn en afgestemd op de taal- en woordenschatontwikkeling van de leerlingen.

Het kerndoel gericht op veiligheidsaspecten, zal voor leerlingen met een auditieve en visuele beperking specifiek uitgewerkt worden. Het leren waarnemen en herkennen van onveilige situaties is echter ook voor hen uiterst belangrijk.

De kerndoelen gericht op kennis van lichamelijke en psychische gezondheid en zorg voor zichzelf en anderen zijn bij uitstek van belang voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. De ondersteuning, apparatuur en/of handicapspecifieke aanpassingen waarmee de leerlingen zelf dagelijks omgaan kunnen hierbij worden betrokken. De invulling van deze kerndoelen kan worden aangepast aan de doelgroepen in de school en zal vaak ook per leerling variëren.

Voorstel Kerndoelen Mens, natuur en techniek

1. De leerling leert over zorg en leert te zorgen voor een gezonde voeding, voor de woon- en leefomgeving en voor de persoonlijke verzorging en presentatie.

Hierbij kan men denken aan kennis en vaardigheden met betrekking tot:

• het bereiden van gezonde voeding;

• persoonlijke verzorging en presentatie;

• gebruikmaken van de gezondheidszorg;

• het schoonmaken van en zorgen voor de woon- en leefomgeving.

2. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de school-, leef- en werkomgeving.

Hierbij kan men denken aan kennis en vaardigheden met betrekking tot:

• de persoonlijke hygiëne, in het bijzonder de handenhygiëne;

• hygiëne in de keuken, in het bijzonder werkplekhygiëne;

• voedselveiligheid en de relatie tussen hygiëne en voedselveiligheid.



3. De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam en van de lichamelijke, seksuele en geestelijke ontwikkeling van mensen en leert te zorgen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.

Hierbij kan men denken aan:

• basiskennis van het menselijk lichaam;

• basiskennis en vaardigheden op het gebied van EHBO;

• basiskennis over lichamelijke ontwikkeling naar volwassenheid;

• basiskennis van de geestelijke ontwikkeling;

• basiskennis en vaardigheden met betrekking tot het vinden van een balans tussen

inspanning, ontspanning en rust;

• basiskennis seksuele ontwikkeling;

• basiskennis en vaardigheden met betrekking tot zwangerschap en anticonceptie;

• kennis over het ontstaan en voorkomen van geslachtsziekten;

• kennis en vaardigheden met betrekking tot seksuele veiligheid;

• het ontwikkelen van een weerbare houding, het stellen van eigen grenzen en deze bewaken;

• leren respectvol om te gaan met seksuele diversiteit.

4. De leerling leert veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en leert te zorgen voor planten en/of dieren.

Hierbij kan men denken aan het leren:

• zorgen voor planten en dieren thuis, in de ruimere leefomgeving en op stages;

• benoemen van planten en dieren;

• over de bouw en de functie van organismen, zoals planten en dieren.



5. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg om te gaan met het milieu.

Hierbij kan men denken aan:

• kennis en vaardigheden met betrekking tot afvalscheiding;

• gebruik en opslag van schadelijke en/of gevaarlijke stoffen, zoals reinigingsmiddelen en oplosmiddelen;

• recycling en (her)gebruik van afvalstoffen;

• energiebesparende maatregelen in huis;

• milieubewust gebruik van vervoermiddelen.



6. De leerling leert aan de hand van toepassingen uit het dagelijks leven technische en natuurkundige principes te herkennen.

Hierbij kan men denken aan:

• bij de fiets: omzetting van energie;

• bij de keukenmixer: omzetting van energie;

• bij de warmwater voorziening/CV in huis: productie en transport van energie(bronnen).



7. De leerling leert technische toepassingen te herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.

Hierbij kan men denken aan:

• gebruik van ondersteunende technische hulpmiddelen;

• gebruik van huishoudelijke apparatuur;

• gebruik van elektrisch gereedschap.



8. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud uit te voeren.

Hierbij kan men denken aan:

• onderhoud fiets;

• eenvoudig schilderwerk;

• eenvoudig behangen;

• afvoer ontstoppen;

• zekeringen vervangen.



9. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert veilig te handelen op school, thuis en op de werkplek.

Hierbij kan men denken aan:

• veiligheidsbewustzijn ontwikkelen;

• gebruik van persoonlijke beveiligingsmiddelen;

• zorgen voor een veilige en geordende werkomgeving;

• lezen en begrijpen van etiketten bij chemische stoffen, zoals schoonmaak- en oplosmiddelen;

• onveilige situaties en gebeurtenissen herkennen en melden bij verantwoordelijke;

• kennis en vaardigheden met betrekking tot brandveiligheid in huis en in de werkomgeving.
6. Mens en maatschappij

Karakteristiek

In dit leergebied staat de toerusting van leerlingen voor hun rol als burger in de Nederlandse maatschappij centraal. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol in verschillende situaties in te vullen: op school, op stage, op de arbeidsplaats en in de bredere maatschappij.

Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarkt is gericht op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen in het private en publieke domein en op de participatie in arbeidsorganisaties en de (toekomstige) rol als werknemer. Tot het private en het publieke domein behoren zaken als consumeren, budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap.

Bij de invulling van hun rol als burger en als werknemer hebben veel vso-leerlingen in meerdere of mindere mate ondersteuning nodig. Het op adequate wijze stellen van hulpvragen en het omgaan met ondersteuning en ondersteuners behoort voor deze leerlingen eveneens tot de te ontwikkelen burgerschapscompetenties.

Algemeen geldt voor leerlingen met een beperking dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten. In het leergebied Mens en maatschappij wordt ernaar gestreefd dat leerlingen tevens de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie.

In dit leergebied is het van belang dat leerlingen leren omgaan met voor hen van toepassing zijnde maatschappelijke ondersteuning, zorg- en/of hulpverlening. Ook leren de leerlingen wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving.

Bij leerlingen met een fysieke beperking of langdurig zieke leerlingen zal het uitvoeren van praktisch onderzoek en het doen van praktische opdrachten vaak om maatwerk vragen. Dit zal soms ook het geval zijn bij leerlingen met een beperking in de visuele waarneming Voor deze laatste groep leerlingen is vooral het werken met complex samengestelde bronnen problematisch.

Bij kerndoel 3, het verwerven van een eigentijds beeld van de ruimtelijke omgeving ten behoeve van het reizen, kan het gebruik van kaarten, luchtfoto's en satellietbeelden problemen opleveren.

Voor leerlingen met een auditieve beperking en taalontwikkelingsstoornissen is het 'verbanden zien en inzicht verkrijgen' soms lastig. Dit veronderstelt een taalabstractieniveau dat niet alle leerlingen kunnen ontwikkelen. Voor leerlingen met problemen op het gebied van communiceren en/of sociaal gedrag zal het innemen en verdedigen van een beargumenteerd standpunt en daarbij respectvol met kritiek omgaan speciale aandacht vergen. Voor leerlingen met een autisme spectrum stoornis geldt dit in het bijzonder voor kerndoel 6, met name als het gaat om het begrijpen en respectvol hanteren van verschillen in leefwijzen en opvattingen en om het zich verplaatsen van zienswijzen en standpunten van anderen.

Voorstel Kerndoelen Mens en maatschappij

1. De leerling leert over de rol van de consument in de Nederlandse samenleving, leert als consument bewuste en kritische keuzes te maken en leert daarbij bewust om te gaan met sociale druk.

Hierbij kan men denken aan:

• het begrijpen en beoordelen van consumenteninformatie en reclameboodschappen;

• het onderzoeken en vergelijken van producten en diensten op prijs, kwaliteit, gezondheid en duurzaamheid;

• het kennen en gebruik kunnen maken van diensten van consumentenorganisaties;

• bewust omgaan met sociale druk en de invloed van de sociale omgeving (leeftijdsgenoten) op het eigen consumptiepatroon.

2. De leerling leert te budgetteren en leert de eigen financiën te beheren, mede met het oog op zelfstandig wonen in de toekomst.

Hierbij kan men denken aan:

• leren hoe je je inkomsten en uitgaven kunt bijhouden;

• besef ontwikkelen over wat je kunt uitgeven, gegeven de inkomsten;

• leren begroten/budgetteren voor de situatie nu (nog niet financieel zelfstandig);

• leren begroten voor de situatie straks, bij (zo zelfstandig mogelijk) wonen, met name het onderscheid tussen vaste lasten en overige uitgaven;

• leren aankopen te betalen met alle relevante betaalmiddelen;

• leren afwegen wanneer je wilt sparen of lenen en wat daarvan de financiële gevolgen zijn;

• leren over risico's die verbonden zijn aan het niet betalen van rekeningen;

• kennis maken met elementaire bank-, verzekerings- en belastingzaken;

• onderkennen van eventuele behoefte aan hulp bij financiële problemen en hulp effectief kunnen inschakelen.



3. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland en de wereld te gebruiken om zich te kunnen verplaatsen en te reizen.

Hierbij kan men denken aan:

• dagelijkse reispatronen in de eigen omgeving;

• niet dagelijkse reispatronen buiten de eigen omgeving;

• keuze van vervoersmiddel, waaronder openbaar vervoer, en het gebruik maken daarvan;

• het leren werken met atlas, kaarten en plattegronden (op papier en digitaal);

• het leren werken met een navigatiesysteem;

• het plannen van een (vakantie-)reis m.b.v. informatiebronnen;

• het naleven van wetten en regels in het verkeer;

• het naleven van algemeen aanvaarde normen en gedragsregels in het openbaar vervoer.

4. De leerling leert over het belang en de betekenis van werk voor zichzelf en oriënteert zich op de eigen plaats binnen een arbeidsorganisatie en op regelingen voor arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.

Hierbij kan men denken aan:

• de rechten en plichten van werknemers en werkgevers, waaronder de rol van CAO;

• de rol van vakbonden bij onderhandeling over arbeidsvoorwaarden;

• de functie van regelingen voor arbeidsomstandigheden (ARBO-regels en hoe die worden gehanteerd);

• de functie van relevante uitkeringen (WW, Wajong) en hoe men daar (eventueel) gebruik van kan maken;

• conflicten en conflictbeslechting tussen werkgever en werknemer, waar kun je terecht?;

• verschil tussen betaalde en onbetaalde arbeid;

• verschil tussen 'zwart' en 'wit' werken;

• leren kennen en omgaan met verschillende rollen, taken, posities en verantwoordelijkheden in een (arbeids)organisatie en de eigen plaats daarbinnen;

• leren samenwerken met anderen ongeacht hun groepsidentiteit, sociale en culturele achtergronden;

• in stage-/werksituaties leren afspraken maken, afspraken nakomen en compromissen sluiten;

• leren meedoen en bijdragen aan stage-/werkoverleg op de 'werkvloer'.



5. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om de vrije tijd te besteden en verkent actief de eigen mogelijkheden om te participeren aan activiteiten in de vrije tijd.

Hierbij kan men denken aan:

• nadenken over en uitvinden van je persoonlijke voorkeuren voor de besteding van je vrije tijd, waaronder het vinden en onderhouden van sociale contacten;

• verkennen van verschillende mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding;

• verkennen van uitgaansgelegenheden in de buurt;

• verkennen van beschikbare financiële voorzieningen voor vrije tijdsbesteding (zoals stadspas, gemeentelijke subsidies e.d.);

• verkennen van (wijk)voorzieningen en de 'sociaal-culturele kaart' van de eigen leefomgeving;

• verkennen van mogelijkheden om bij te dragen aan een plezierige leef- en woonomgeving (buurtcomités, inspraakcommissies, vrijwilligerswerk).

6. De leerling leert over burgerschap in de Nederlandse samenleving en de eigen rol als burger in te vullen en leert de betekenis te zien van respect voor verschillen tussen mensen in opvattingen en leefwijzen, met daarbij aandacht voor seksualiteit en seksuele diversiteit.

Hierbij kan men denken aan:

• leren om zelf op een democratische manier actief te participeren op school, op stage/werk en in de bredere samenleving;

• leren wat het betekent om in een rechtsstaat te leven, namelijk dat de staat de rechten van burgers respecteert en verdedigt: de grond- en vrijheidsrechten, mensenrechten en kinderrechten;

• leren dat men in een democratie nastreeft conflicten zo bevredigend mogelijk op vreedzame wijze op te lossen;

• leren dat burgers de rol van gezagsdragers respecteren bij het oplossen van conflicten en problemen, waaronder politie, justitie en onderwijsgevenden;

• leren omgaan met de diversiteit in de Nederlandse samenleving, de verscheidenheid aan mensen, etnische groepen, religies, levensbeschouwingen, seksuele oriëntatie, waarden, normen, gewoonten en gebruiken;

• leren zich in elkaars standpunten te verplaatsen;

• leren een dialoog te voeren, ook met andersdenkenden;

• leren de eigen opvattingen te kunnen spiegelen aan bestaande wetten, normen, regels en rechten.

7. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en hoe hij zelf daarbij betrokken kan zijn.

Hierbij kan men denken aan:

• leren over de hoofdkenmerken van de parlementaire democratie: gekozen volksvertegenwoordiging d.m.v. vrije verkiezingen; politieke partijen van verschillende kleur omdat mensen het niet altijd met elkaar eens zijn; respecteren van minderheidsstandpunten;

• een eigen standpunt bepalen over het wel of niet meedoen aan verkiezingen.

8. De leerling leert perioden, gebeurtenissen en personen uit zijn eigen leven en leefomgeving te ordenen in de tijd.

Hierbij kan men denken aan:

• besef ontwikkelen ten aanzien van het eigen heden, verleden en toekomst;

• het leren beschrijven van de eigen levensloop en mijlpalen daarin benoemen;

• het leren wat generaties zijn en dat iedere generatie weer in een andere wereld leeft;

• het leren over de geschiedenis van de eigen omgeving.

9. De leerling leert enkele belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de tijd te plaatsen.

Hierbij kan men denken aan:

• het leren over de Holocaust als moreel ijkpunt van de westerse cultuur;

• het leren over de betekenis van 'Europa' en het ontstaan van 'Europa': nooit meer oorlog;

• het leren over de technologische vooruitgang die we nu kennen en die nog maar van een heel recente tijd is;

• het leren over de ontdekkingsreizen en wat deze in de wereldgeschiedenis hebben teweeggebracht.
7. Culturele oriëntatie en creatieve expressie

Karakteristiek

In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarkt staat de voorbereiding op (toekomstig) werken, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied 'culturele oriëntatie en creatieve expressie' draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privé sfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Leerlingen verdiepen en verbreden hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs of het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd.

Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van een passend sociaal-cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. Ook is er aandacht voor erfgoededucatie, kunsteducatie en media-educatie, met nadruk op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.

Binnen de creatieve en kunstzinnige expressie verkennen de leerlingen op een actieve manier hun eigen expressieve mogelijkheden binnen verschillende kunstzinnige disciplines: beeldend, audiovisueel, muziek, dans, drama. Hierna volgt reflectie op eigen voorkeuren en talenten, gevolgd door het maken van keuzes voor verbreding en/of verdieping van vaardigheden binnen de gekozen discipline(s).

In de gekozen discipline(s) worden verschillende functies verkend: uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen, vorm geven aan verbeelding, leren communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal. De leerlingen leren daarbij hun creatieve en kunstzinnige uitingen op een toegankelijke wijze aan anderen te presenteren.

Daarbij en daarnaast leren de leerlingen oog te krijgen voor de diversiteit in de kunstzinnige en creatieve uitingen van anderen. Die 'anderen' kunnen medeleerlingen zijn, maar ook professionele kunstenaars.

Het leren uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen en hierover communiceren door middel van beeld, geluid en (lichaams)taal biedt leerlingen met sociaal-emotionele problematiek en/of communicatieve problemen de kans om gekanaliseerd uiting te geven aan hun gevoelens en fantasie. Maar er zijn ook beperkingen.

Het leergebied nodigt leerlingen uit iets van zichzelf te laten zien, wat vaak moeilijk voor hen is. Daar komt bij dat sommige leerlingen, zoals leerlingen met een autisme spectrum stoornis, vaak een beperkte verbeeldingskracht hebben.

Voor leerlingen met een fysieke beperking geldt dat zij hun eigen productieve mogelijkheden zullen verkennen en exploreren. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel. Voor leerlingen met beperkte (fijn-)motorische vaardigheden kan het leren omgaan met verschillende materialen een waardevolle ervaring zijn, mede voor het stimuleren van de sensomotorische ontwikkeling.

Ook leerlingen met een auditieve, communicatieve en/of visuele beperking worden in hun ontwikkeling gestimuleerd door het opdoen van een grote verscheidenheid aan ervaringen door te handelen, dingen mee te maken en bewust gebruik te maken van de allerlei zintuiglijke waarnemingen. Afhankelijk van de beperking zullen de kerndoelen op een passende wijze worden ingevuld.

Voor blinde leerlingen zal het 'kijken naar kunst' vervangen worden door andere zintuiglijke ervaringen. Voor dove en slechthorende leerlingen geldt dit voor activiteiten die een beroep doen op het gehoor. Voor dove leerlingen is het aansluiten bij sociaal culturele activiteiten voor doven gewenst om zaken met andere doven te kunnen delen. Maar onder andere door grotere afstanden kan het aanbod minder bereikbaar zijn.

Compensatie kan worden gezocht in ervaringen en uitingen die andere zintuigen aanspreken.
Voorstel Kerndoelen Culturele oriëntatie en creatieve expressie

1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

  • 3. De leerling leert computer en rekenmachine te gebruiken als hulpmiddel en informatiebron.
  • 4. De leerling leert in betekenisvolle en praktische situaties werken met gangbare breuken, verhoudingen en decimale getallen.
  • 5. De leerling leert ruimtelijk te redeneren en leert eenvoudige meetkundige begrippen te gebruiken in praktische situaties.
  • 6. De leerling leert omgaan met in de praktijk veel voorkomende meetinstrumenten voor lengte, gewicht, inhoud en temperatuur en leert rekenen met maten en grootheden.
  • 7. De leerling leert omgaan met tijd.
  • 8. De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.
  • 9. De leerling leert eenvoudige tabellen, grafieken en diagrammen te interpreteren en te maken.
  • 5. Mens, natuur en techniek (MNT)
  • 1. De leerling leert over zorg en leert te zorgen voor een gezonde voeding, voor de woon- en leefomgeving en voor de persoonlijke verzorging en presentatie.
  • 2. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de school-, leef- en werkomgeving.
  • 4. De leerling leert veel voorkomende planten en dieren te onderscheiden en leert te zorgen voor planten en/of dieren.
  • 5. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg om te gaan met het milieu.
  • 6. De leerling leert aan de hand van toepassingen uit het dagelijks leven technische en natuurkundige principes te herkennen.
  • 7. De leerling leert technische toepassingen te herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.
  • 8. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud uit te voeren.
  • 1. De leerling leert over de rol van de consument in de Nederlandse samenleving, leert als consument bewuste en kritische keuzes te maken en leert daarbij bewust om te gaan met sociale druk.
  • 2. De leerling leert te budgetteren en leert de eigen financiën te beheren, mede met het oog op zelfstandig wonen in de toekomst.
  • 3. De leerling leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Nederland en de wereld te gebruiken om zich te kunnen verplaatsen en te reizen.
  • 5. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om de vrije tijd te besteden en verkent actief de eigen mogelijkheden om te participeren aan activiteiten in de vrije tijd.
  • 7. De leerling leert op hoofdlijnen hoe het Nederlandse politieke bestel als democratie functioneert en hoe hij zelf daarbij betrokken kan zijn.
  • 8. De leerling leert perioden, gebeurtenissen en personen uit zijn eigen leven en leefomgeving te ordenen in de tijd.
  • 9. De leerling leert enkele belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de tijd te plaatsen.
  • 7. Culturele oriëntatie en creatieve expressie

  • Dovnload 1.2 Mb.