Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim

Dovnload 1.2 Mb.

Schoolplan 2012- 2016 De Burcht, school voor vso-zmok Rijksstraatweg 24 2171 al sassenheim



Pagina36/36
Datum04.04.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

1. De leerling oriënteert zich op het sociaal-culturele aanbod in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan culturele activiteiten.

Hierbij kan worden gedacht aan:

• het in kaart brengen van de culturele mogelijkheden in de eigen omgeving;

• het leren om een keuze te maken uit dit aanbod;

• het gebruik maken van het aanbod, ook m.b.v. cultuur vouchers;

• het deelnemen aan (diverse) activiteit(en).

2. De leerling leert zich creatief en kunstzinnig te uiten, passend bij de eigen talenten, voorkeuren en mogelijkheden.

Hierbij kan gedacht worden aan;

• het verkennen van eigen voorkeuren en talenten;

• het verkennen van de eigen mogelijkheden;

• het uitdrukken van eigen gevoelens;

• het vastleggen van ervaringen;

• het vormgeven aan verbeelding;

• het bewerkstelligen van communicatie.

3. De leerling leert eigen creatief of kunstzinnig werk, alleen of met een groep, aan derden te presenteren.

Hierbij kan gedacht worden aan:

• het presenteren van eigen werk aan anderen, samen met een groep en/of alleen;

• de vorm van presenteren kan verschillend zijn, passend bij het werk; bijvoorbeeld: vertellen, tentoonstelling, voorstelling, concert, av-presentatie, filmpje.

4. De leerling leert te vertellen en na te denken over eigen creatief of kunstzinnig werk en over het werk van anderen.

Hierbij kan gedacht worden aan;

• vertellen over eigen werk: wat heb ik gedaan, hoe heb ik het aangepakt, wat vind ik van het resultaat;

• verwoorden van een indruk van of mening over werk van andere leerlingen;

• verwoorden van een indruk van of mening over werk van professionele kunstenaars;

• het reflecteren op bronnen vanuit diverse media (mediawijsheid).
8. Bewegen en sport

Karakteristiek

Blijvende en verantwoorde deelname aan bewegen en sport is voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs belangrijk. Leerlingen worden zich in sterke mate bewust van hun (fysieke) mogelijkheden en onmogelijkheden. Het verkennen en accepteren van de eigen mogelijkheden en het ontwikkelen van zelfvertrouwen zijn daarbij essentieel.

Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl en de voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrije tijdsbesteding vormen belangrijke doelstellingen van het leergebied Bewegen en sport in het vso uitstroomprofiel Arbeidsmarkt. Om dat doel te bereiken leren leerlingen deel te nemen aan een breed scala van actuele bewegingsactiviteiten. Leerlingen leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren in aansprekende bewegingssituaties. Het gaat daarbij om bewegingsvormen als balanceren, springen, zwaaien, klimmen, duikelen, hardlopen en bewegen op muziek. En om spelvormen als tik- en afgooispelen, doelspelen en terugslagspelen en spelactiviteiten waarbij het gaat om mikken en jongleren en zelfverdediging.

Ter voorbereiding op een zinvolle en gezonde vrijetijdsbesteding zullen leerlingen zich ook oriënteren op een passende buitenschoolse bewegings- en sportcultuur zoals die wordt aangeboden in hun woon- of leefomgeving, op de meer seizoengebonden bewegingsactiviteiten en eventueel op het naschoolse aanbod van de school.

Als scholen in de gelegenheid zijn om zwemles aan te bieden aan leerlingen die daarin nog onvoldoende vaardig zijn, kan worden bevorderd dat leerlingen in hun vrije tijd veilig kunnen zwemmen. De meeste bewegings- en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen en dus is het nodig om te leren die zelfstandig en gezamenlijk op gang te brengen en te houden. Daarbij is het van belang dat leerlingen leren af te spreken wat de regels zijn, hoe die na te leven en wie welke rol speelt. Verder hoort daarbij elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen. Het is eigen aan bewegen dat er plezier aan te beleven valt. Dat plezier is van groot belang voor een blijvende deelname aan bewegingsactiviteiten.

Ter voorbereiding op arbeid zitten in veel bewegingsactiviteiten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen, kracht zetten en op hoogte werken. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen.

Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt. De motorische ontwikkeling bij leerlingen met een fysieke of zintuiglijke beperking is veelal achter vergeleken met leeftijdsgenoten. Bewegen in de ruimte kan voor deze leerlingen omgeven zijn met onzekerheid en angst. De uiteenlopende lichamelijke beperkingen kunnen een motorisch actieve deelname aan activiteiten voor sommige leerlingen moeilijk of zelfs onmogelijk maken. Voor zover mogelijk zullen voor deze leerlingen alternatieven worden aangeboden waarin ze op een andere en passende manier actief betrokken kunnen zijn bij een bewegingsactiviteit.

Voor blinde leerlingen zijn balspelen slechts beperkt mogelijk. Activiteiten als zwemmen, skiën, schaatsen, klimmen, fitness en kanoën zijn wel mogelijk. Met aangepast sportmateriaal kan veel worden bereikt. Slechtziende leerlingen kunnen bijna alle spelvormen op een eenvoudig niveau beoefenen.

Ook bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een achterstand in de motorische ontwikkeling, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor kunnen dove en slechthorende leerlingen problemen met hun evenwicht hebben. Spelactiviteiten met andere leerlingen kunnen lastig zijn door problemen in de onderlinge communicatie.


Voorstel Kerndoelen Bewegen en sport

1. De leerling leert deel te nemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.

Hierbij kan men denken aan:

• bewegingsgebieden als balanceren, klimmen, zwaaien, springen, hardlopen;

• activiteiten als: acrobatiek, schommelen, trampolinespringen, sprinten, mountainbiken.

2. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelgebieden.

Hierbij kan men denken aan:

• spelvormen zoals doelspelen, terugslagspelen, tik- en afgooispelen, honkloopspelen, zelfverdedigingsspelen, mikspelen, jongleren;

• activiteiten als: basketbal, badminton, judovormen, trefspelen, golf.

3. De leerling leert deel te nemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.

Hierbij kan men denken aan: bewegen in de maat van de muziek en dansvormen.

4. De leerlingen leren zelfstandig met elkaar bewegingssituaties te reguleren.

Hierbij kan men denken aan:

• regels en functies leren hanteren en accepteren;

• functiewisselingen toepassen;

• zo zelfstandig mogelijk team- en groepsindelingen leren maken en accepteren;

• sport- en spelsituaties in de vrije tijd (buiten schoolverband) zelfstandig leren regelen;

• klaarzetten, opruimen, herstellen en aanpassen van opstellingen van materialen.



5. De leerlingen leren met elkaar bewegingssituaties positief te beleven.

Hierbij kan men denken aan:

• ingaan op de bewegingsuitdaging en zich willen verbeteren;

• waarderen van de inbreng van anderen;

• inschatten welke activiteiten, contexten en motieven bij hen passen.



6. De leerling leert over de waarde van bewegen voor gezondheid en welzijn en ontwikkelt een gewoonte van regelmatig en verantwoord bewegen.

Hierbij kan men denken aan:

• leren over de voordelen van regelmatig intensief bewegen;

• ontwikkelen van gewoonte om zo mogelijk regelmatig intensief te bewegen;

• principes van veilig en verstandig bewegen (op school, thuis, in de vrije tijd en op het werk);

• ergonomische aspecten van lichamelijke arbeidsmatige activiteiten.

7. De leerling oriënteert zich op sport- en bewegingsmogelijkheden in zijn omgeving, leert een voor hem passende keuze te maken uit dit aanbod en leert actief deel te nemen aan bewegingsactiviteiten buiten schoolverband.

Hierbij kan men denken aan:

• deelnemen aan sportoriëntatie- en keuzeprogramma's;

• verkennen en benutten van mogelijkheden om lid te worden bij sportvereniging(en);

• naar evenement(en) gaan.


Kerndoelen 'Voorbereiding op arbeid'

Karakteristiek

In het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarkt worden leerlingen, zoals de naam zegt, voorbereid op participatie op de arbeidsmarkt. Allereerst wordt bij 'arbeidsmarkt' in relatie tot schoolverlaters van het vso-uitstroomprofiel Arbeidsmarkt gedacht aan passende werkgelegenheid in de regio waar de leerling woont.

'Passende werkgelegenheid' moet hier individueel bekeken worden: passend voor de individuele leerling, met zijn of haar wensen, mogelijkheden en beperkingen. De arbeidsmarktpositie van schoolverlaters uit het vso is kwetsbaar. Het verwerven van een baan gaat niet vanzelf, en het behoud van een eenmaal verworven baan is niet vanzelfsprekend. In de huidige geflexibiliseerde en geglobaliseerde arbeidsmarkt is er steeds vaker sprake van een loopbaan, waarin werknemers meerdere malen van baan, bedrijf of branche zullen moeten wisselen.

De kerndoelen ter voorbereiding op arbeid zijn er mede op gericht dat leerlingen hun loopbanen arbeidscompetenties maximaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen.

Loopbaansturing

Daarvoor is het nodig om hun vermogens tot loopbaansturing te versterken en om hen uit te dagen, zelf (mede)verantwoordelijkheid te leren dragen voor hun (toekomstige) loopbaan op de arbeidsmarkt. Een integrale benadering is belangrijk. Tegelijkertijd met het leren uitvoeren van praktische (beroeps)taken, oriënteert de leerling zich ook op een concrete en praktische manier op de betekenis die arbeid in de betreffende sector of branche voor hem heeft. De leerling oriënteert zich daarnaast actief op het werk- en beroepenveld, bijvoorbeeld door middel van bedrijfsexcursies en oriënterende stages in meerdere branches of sectoren.

De leerling leert om zijn eigen affiniteit met en motivatie voor verschillende werkvelden en branches te onderzoeken en stapsgewijs tot conclusies te komen met betrekking tot de eigen loopbaan. Hierop kan de leerling bij de start van zijn loopbaan als werknemer zijn/haar keuzes baseren.

De leerling leert effectief werk te zoeken, een sollicitatieprocedure te doorlopen en zijn/haar rechten en plichten als werknemer naar behoren uit te oefenen. Het leren vinden en behouden van werk, en het (zo nodig) leren veranderen van baan is tevens onderdeel van de voorbereiding op de arbeidsmarkt.



Arbeidscompetenties

De leerling ontwikkelt algemene competenties voor arbeid (kerndoel 3) en specifieke beroepscompetenties (kerndoel 4). De beschrijvingswijze van deze competenties is ontleend aan de competentiestructuur van het mbo, omdat deze beschrijvingswijze (h)erkend wordt door bedrijven en ROC's. Hierdoor kunnen doorgaande ontwikkelingslijnen voor leerlingen ontstaan van vso naar bedrijven en, indien mogelijk, naar vervolgtrajecten met een combinatie van werk en opleiding.

Het aspect veiligheid op de werkvloer, het ontwikkelen van veiligheidsbewustzijn en het leren veilig te werken wordt uiterst belangrijk gevonden. Het aspect veiligheid is daarom twee keer opgenomen in de kerndoelen: als aspect bij onderstaande kerndoelen en tevens als kerndoel in het leergebied Mens, natuur en techniek.

Maatwerk

Voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen of stoornissen zal de voorbereiding op arbeid maatwerk zijn. Dit onderdeel moet duidelijk gekoppeld worden aan de eigen keuzes en het verwachte en gewenste niveau van uitstroom en daarmee evenredig zijn. Bij uitstroom naar de Sociale Werkvoorziening zal het accent op andere kerndoelen liggen als bij uitstroom naar een reguliere baan. Veel leerlingen zullen wellicht altijd begeleiding of ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken.


Voorstel kerndoelen 'Voorbereiding op arbeid'

1. De leerling verkent actief werkvelden en beroepen, bij voorkeur in de eigen regio.

Hierbij kan men denken aan de volgende subdoelen:

• De leerling verkent actief branches en bedrijven, bij voorkeur degenen die in de regio actief zijn.

• De leerling verkent verschillende beroepen met de erbij behorende rollen, taken en verantwoordelijkheden.

• De leerling verkent mogelijkheden binnen bedrijven om functies voor hem op maat samen te stellen.

• De leerling verkent specifieke voorzieningen die beschikbaar zijn voor werknemers met een handicap, stoornis of beperking.

2. De leerling leert vaardigheden om werk te verwerven, te behouden en om van werk te veranderen.

Hierbij kan men denken aan de volgende subdoelen:

• De leerling leert voor hem passende en geschikte vacatures te selecteren.

• De leerling leert effectief te solliciteren.

• De leerling leert een portfolio op te bouwen en leert dit te gebruiken als middel om zich te presenteren bij een werkgever.

• De leerling leert op hoofdlijnen de rechten en plichten van een werknemer en leert deze uit te oefenen (ermee om te gaan).

• De leerling leert officiële documenten die samenhangen met werk (bijvoorbeeld stageovereenkomst, arbeidscontract, salaris specificatie, uitkeringsbericht) lezen en begrijpen.

• De leerling leert organisaties kennen die belangen van studenten en/of werknemers (al dan niet met een handicap) behartigen; leert een bewuste keuze maken om al dan niet lid te worden van een dergelijke organisatie.

• De leerling leert op passende wijze de eigen belangen en wensen te behartigen in relatie tot aanpassing van het werk (aan de eigen mogelijkheden en beperkingen), en in relatie tot de realisatie van eigen ontwikkelingsmogelijkheden op het werk (scholingswensen, promotie).

• De leerling leert om een netwerk van contacten op te bouwen en te benutten, mede ter ondersteuning bij het verwerven, behouden en veranderen van werk.

• De leerling leert gebruik te maken van voorzieningen voor arbeidsbemiddeling, arbeidsintegratie en jobcoaching.



3. De leerling ontwikkelt algemene competenties voor arbeid, met name de volgende:

3.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.

Dit houdt onder andere in:

• anderen raadplegen en overleggen;

• afstemmen;

• openhartig en oprecht communiceren;

aanpassen aan de groep;

• bevorderen van teamgeest;

• bijdrage van anderen waarderen.

3.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.

Dit houdt onder andere in:

• werken conform voorgeschreven veiligheidsvoorschriften;

• instructies opvolgen;

• werken conform voorgeschreven procedures, daarbij discipline tonen.



3.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.

Dit houdt onder andere in:

• geschikte materialen en middelen kiezen;

• deze materialen en middelen doeltreffend en doelmatig gebruiken;

• goed zorgen voor materialen en middelen.



3.4De leerling leert de eigen beroepsmatige werkzaamheden te plannen en te organiseren.

Dit houdt onder andere in:

• doelen en prioriteiten stellen;

• activiteiten plannen;

• tijd indelen.



3.5De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.

Dit houdt onder andere in:

• kwaliteitsniveau halen;

• productiviteitsniveau halen;

• systematisch werken.



3.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in beroepssituaties.

Dit houdt onder andere in:

• integer handelen;

• omgevingsverantwoord handelen;

• verschillen tussen mensen respecteren.



3.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.

Dit houdt onder andere in:

• aanpassen aan veranderende omstandigheden;

• nieuwe ideeën accepteren;

• omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid;

• met diversiteit tussen mensen omgaan.

3.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.

Dit houdt onder andere in:

• effectief blijven presteren onder druk;

• gevoelens onder controle houden;

• constructief omgaan met kritiek;

• eigen grenzen kennen, grenzen stellen.

4. De leerling ontwikkelt specifieke beroepsvaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen.

Afhankelijk van het gekozen beroep kan dat een combinatie zijn van vakspecifieke fysieke, manuele en/of mentale vaardigheden, kwaliteiten of vermogens zijn.

Hieronder kan worden verstaan:

vakspecifieke fysieke kwaliteiten tonen, zoals:

• handig zijn, snel reageren, uithoudingsvermogen hebben (bijvoorbeeld bij het assisteren van cliënten bij dagelijkse bezigheden als zorghulp);

• met voldoende fysieke krachtinspanning, bedreven en accuraat, onderhoudswerkzaamheden aan uitvoeren (bijvoorbeeld als assistent natuur en groen);

• het gebruiken van lichamelijke kracht, snelheid, precisie en coördinatie terwijl hij rekening houdt met de kenmerken van de goederen en opslagplaats, zodat de goederen snel, veilig en zonder schade opgeslagen worden (bijvoorbeeld als assistent logistiek medewerker). manuele vaardigheden aanwenden, zoals:

• snel, precies en accuraat technieken toepassen bij het bewerken van producten (bijvoorbeeld in de horeca);

• het op bedreven en accurate wijze onderhouden van materialen (bijvoorbeeld als assistent natuur en groen).



vakspecifieke mentale vermogens aanwenden, zoals:

• het toepassen van vakkennis en technieken bij het bewerken van producten (bijvoorbeeld in de horeca);

• het verwerken van betalingen in de kassa en verschillende betalingswijzen kunnen hanteren (bijvoorbeeld bij het afrekenen in de horeca);

• het uitvoeren van transport- en opslagwerkzaamheden, rekening houdend met de kwetsbaarheid van materialen (bijvoorbeeld als assistent natuur en groen);

• het controleren van goederen op kwaliteit en kwantiteit (bijvoorbeeld als assistent logistiek medewerker).
4. Kerndoelen uitstroomprofiel Dagbesteding

Leergebiedspecifieke kerndoelen uitstroomprofiel Dagbesteding

1. Nederlandse taal en communicatie

Karakteristiek

Onderwijs in de Nederlandse taal heeft tot doel de taalvaardigheid van leerlingen te vergroten. Beheersing van de taal maakt het leerlingen mogelijk te functioneren in allerlei communicatieve situaties, nu en in de toekomst. Leerlingen dienen zich begrijpelijk te kunnen uitdrukken en ze moeten kunnen verstaan en begrijpen wat anderen willen meedelen. Het taalonderwijs vso dagbesteding is gericht op praktisch en functioneel taalgebruik. Het bevorderen van redzaamheid en zelfstandigheid staat centraal.

Taalverwerving en taalonderwijs verlopen concentrisch: dezelfde soort inhoud komt in toenemende complexiteit en in toenemende mate van beheersing aan de orde. Het taalbeheersingsniveau dat de leerling in het (speciaal) basisonderwijs heeft bereikt en de leefwereld van de leerling zijn belangrijke uitgangspunten in het onderwijs in de Nederlandse taal. De leerlingen leren op de voor hen meest geëigende manier(en) communiceren en ze bewegen zich in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Leerlingen worden uitgedaagd tot taalactiviteiten. Ze ontwikkelen een positieve houding ten opzichte van verschillende vormen van taalgebruik.

Vanwege het uitstroomperspectief van deze doelgroep staan twee concrete toepassingsgebieden van de Nederlandse taal centraal: zoveel mogelijk zelfstandigheid in het leven van alledag en communicatie in de context van dagbesteding. Deelnemen aan overleg over huishouden of ontspanningsactiviteiten, omgaan met ondersteuners en zorgverleners en het begrijpen van instructies zijn voorbeelden van communicatieve situaties uit deze toepassingsgebieden.

De kerndoelen vso uitstroomprofiel Dagbesteding sluiten aan bij de kerndoelen speciaal onderwijs (voor zeer moeilijk lerenden en leerlingen met meervoudige handicaps) en zijn in opbouw mede gebaseerd op de kerndoelen Nederlands vso uitstroomprofiel Arbeidsmarkt. In het vso is in dit uitstroomprofiel ook een groep leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen. Deze leerlingen kunnen zich meestal slechts beperkt of niet via Nederlandse taal uitdrukken, ook voor hen is leren communiceren essentieel voor hun ontwikkeling, zodat alle mogelijkheden moeten worden aangegrepen. Kerndoel 1 biedt daartoe een basis die tegelijk ondersteunend en aanvullend kan zijn voor leerlingen die wel talige communicatie kunnen ontwikkelen. De kerndoelen 2 en 3 vormen specificaties van kerndoel 1, daar waar het gaat om het luisteren naar gesproken taal en waar het gaat om het je begrijpelijk uitdrukken.


Voorstel Kerndoelen Nederlandse taal en communicatie

1. De leerling leert te communiceren met voor hem geëigende middelen.

Hierbij kan men denken aan:

• het leren begrijpen van non-verbale communicatievormen zoals: interactie, gebaren, concrete verwijzers en pictogrammen;

• het leren gebruiken van non-verbale communicatievormen die passen bij de eigen ontwikkelingsmogelijkheden.

2. De leerling leert actief te luisteren naar gesproken taal in alledaagse situaties.

Hierbij kan men denken aan:

• luisteren naar instructie om taken of handelingen uit te voeren;

• luisteren naar een voorgelezen of verteld verhaal;

• luisteren naar gesproken tekst via media zoals radio, tv en cd-speler.



3. De leerling leert zich begrijpelijk uit te drukken in gesprekken over onderwerpen uit het dagelijks leven.

Hierbij kan men denken aan:

• informatie vragen en uitwisselen;

• de eigen mening verwoorden;

• beurten kunnen nemen en afstaan;

• een kort gesprek beginnen en eindigen;

• een verstaanbare spraak.



4. De leerling leert informatieve en verhalende teksten te lezen over onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld en interesses.

Hierbij kan men denken aan:

• lezen van instructies met visuele ondersteuning, bijvoorbeeld routebeschrijving, recept of gebruiksaanwijzingen;

• lezen van (eenvoudige) betogende teksten, bijvoorbeeld in voor de doelgroep geschreven kranten, in advertenties of (overheid)brochures;

• lezen van eenvoudige verhalen, en voor de doelgroep geschreven boeken.



5. De leerling leert zich schriftelijk begrijpelijk uit te drukken in korte eenvoudige tekst.

Hierbij kan men denken aan:

• een brief, kaart of email schrijven;

• vrij schrijven in een korte tekst of gedicht;

• teksten in de vorm van letters, pictogrammen of symbolen.



6. De leerling leert gebruik maken van strategieën voor woordenschatverwerving.

Hierbij kan men denken aan:

• afleiden van woorden uit de context;

• zoeken van bekende woorden/woorddelen;

• herkennen van belangrijke woorden;

• hulp vragen als een woord onbekend is.

7. De leerling leert eigen taalactiviteiten voor te bereiden, te plannen en te evalueren.

Hierbij kan men denken aan:

• voorbereiden van inhoud, doel en uitvoering van een eigen taalactiviteit (bijvoorbeeld in speciale situaties);

• bespreken van uitgevoerde taalactiviteit n.a.v. reacties van anderen;

• oefenen en toepassen van (nieuwe) taalactiviteiten in verschillende situaties:

• - een praatje in de pauze,

- het overbrengen van een boodschap

- een voordracht (gedichtje) bij een bijzondere gelegenheid.
2. Rekenen en wiskunde

Karakteristiek



Algemeen

Algemeen doel van het reken-wiskundeonderwijs in het hele vso is het bijdragen aan de redzaamheid van leerlingen in situaties die reken- of wiskundige kennis, vaardigheden of inzichten vereisen. Dat zijn situaties, nu en in de toekomst, waar reken-wiskundevaardigheden ingezet worden: in het dagelijks leven in de privé sfeer (wonen en vrije tijd), in het publieke domein (burgerschap), in de werkpraktijk (van werk of activiteiten in dagbesteding), in het (vervolg)onderwijs in rekenen-wiskunde en/of andere leergebieden. Wiskunde wordt hier algemeen en in brede zin bedoeld, niet beperkt tot specifieke wiskundige gebieden. De relatie met andere leergebieden is tweezijdig. Ten eerste gaat het om het gebruik van relevante situaties uit andere leergebieden en ten tweede om het in andere leergebieden bewust werken aan aspecten van rekenen-wiskunde.



Uitstroomprofiel Dagbesteding

In dit uitstroomprofiel ligt het accent op rekenen-wiskunde die nodig is ter voorbereiding op werk- en dagactiviteiten, wonen, vrije tijd en burgerschap, het is gericht op voor zover mogelijk zelfstandig en met hulp functioneren daarin.

Binnen de contexten van (toekomstige) woon en leefsituaties ontwikkelen leerlingen hun rekenen wiskundevaardigheden verder en ze ontwikkelen tot zover als mogelijk hun vermogens om rekenen-wiskunde in (praktische) situaties te herkennen, te interpreteren en te gebruiken. Daarbij kunnen hulpmiddelen worden ingezet, zoals de computer en/of rekenmachine, zodat er ook gestreefd wordt naar het verwerven van de vaardigheden die nodig zijn om dat te kunnen. Ook ontwikkelen de leerlingen reken- en wiskundetaal. Deze omvat de taal die het spreken over concrete reken-wiskunde handelingen mogelijk maakt (op het eigen niveau van de leerling) en de betekenis en (in)formele notaties van reken-wiskundige aanduidingen, tekeningen, schema's en tabellen. Het gebruik van adequate reken- en wiskundetaal ondersteunt het ordenen van het eigen denken. Het helpt bij argumentaties en bij uitleg aan anderen. Ook helpt het om argumentaties en uitleg van anderen te begrijpen. Deze taal is tevens voorwaardelijk voor samenwerking. Op het eenvoudigste niveau kan hierbij gedacht worden aan begrippen die verhoudingen tussen hoeveelheden en groottes aangeven.

Leerlingen verwerven (alsnog) kennis, vaardigheden en inzichten op het gebied van getallen, meten, tijd en geld.


Voorstel Kerndoelen Rekenen/wiskunde

1. De leerling leert zich oriënteren op en gebruik maken van ordenende handelingen.

Hierbij kan men denken aan:

• het leren vergelijken en ordenen met concrete materialen;

• het ontwikkelen van begrip over hoeveelheden, grootten en dergelijke;

• het ontwikkelen van het getalbegrip, aantallen bepalen;

• benoemen en gebruiken van hele getallen bij praktische situaties;

• het leren de tijdordening en tijdsindeling te gebruiken in dagelijkse situaties.



2. De leerling leert passende reken-wiskundetaal gebruiken en werken met getallen in betekenisvolle praktische situaties.

Hierbij kan men denken aan:

• herkennen van de toepassingen van rekenkundige bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en de symbolen daarbij;

• 'werken met' getallen in de zin van ordenen, vergelijken, afronden;

• de betekenis van negatieve getallen in relevante situaties (temperatuur.);

• begrijpen en gebruiken van in dagelijkse situatie gangbare getalbenamingen, zoals half, kwart;

• begrijpen en gebruiken van eenvoudige ruimtelijke aanduidingen;

• begrijpen van eenvoudige representaties, zoals (dubbele) getallenlijn, strook, schema, tabel;

• kunnen lezen van plattegrond, kaart, legenda.



3. De leerling leert bij het oplossen van rekensituaties een hulpmiddel te gebruiken.

Hierbij kan men denken aan:

• in voorkomende rekensituaties beoordelen of je het zelf kunt uitrekenen of een hulpmiddel inzet;

• gebruiken van hulpmiddelen voor het rekenen, die passen bij de mogelijkheden van de leerling.

4. De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en nauwkeurigheid.

Hierbij kan men denken aan:

• bij omgaan met meetinstrumenten aan vaardigheden als kiezen van juiste instrument, instellen, aflezen, uitkomst noteren, afpassen;

• bij gangbare grootheden aan lengte, gewicht, temperatuur, snelheid;

• bij gangbare maten denken aan eigen referentiematen en aan standaardmaten als m, kg, km, ˚C;

• bij schatten aan schatstrategieën, schatten op basis van referentiematen;

• bij nauwkeurigheid aan afronden van meetresultaten passend bij situatie;

• bij meetinstrumenten aan liniaal, rolmaat, balans, weegschaal, maatbeker, thermometer.

5. De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

Hierbij kan men denken aan:

• tijdsbegrippen zoals dagen van de week, gisteren, overmorgen, februari, herfst;

• grootheden van tijd: uur, kwartier, minuut, seconde (tel), dag, week, maand, jaar;

• klokkijken (digitaal/analoog);

• herkennen van gangbare of speciaal aangepaste tijdsaanduidingen;

• leren tijdsordening en tijdsindeling gebruiken in dagelijkse situaties;

• omgaan met klok, wekker, agenda, kalender, data.

6. De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

Hierbij kan men denken aan:

• bedragen leggen;

• wisselen van eenvoudige bedragen;

• teruggeven vanaf bepaald bedrag (eenvoudige bedragen);

• berekeningen met geld, al dan niet met rekenmachine;

• bedragen (met name prijzen) afronden;

• prijsbesef en prijzen vergelijken;

• besef van en omgaan met giraal geld: pinnen, overmaken, ontvangen/betalen;

• begrippen als schuld en winst.
3. Mens, natuur en techniek (MNT)

Karakteristiek

Het brede leergebied 'Mens natuur en techniek' (MNT) biedt leerlingen een oriëntatie op levende en niet-levende natuur en op techniek in de eigen omgeving, op school, in eigen leef en woonomgeving en (toekomstige) werk- en dagactiviteiten. Het leren zorgen voor zichzelf en anderen is een centraal thema in dit leergebied. Dit leergebied is gericht op een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen op het gebied van (zelf)zorg, wonen, dagelijkse werkzaamheden of activiteiten, vrije tijdsbesteding en burgerschap.

Kenmerkend is dat de leerlingen op een praktische manier ervaringen opdoen waar ze in hun dagelijks leven, nu en in de toekomst, gebruik van kunnen maken. Ze komen in aanraking met organismen, materialen, voorwerpen en verschijnselen. Ook leren leerlingen om te gaan met eigen lichaam, andere mensen, planten, dieren, het milieu en technische producten en processen.

Het leergebied MNT in het uitstroomprofiel Dagbesteding kent verschillende thema's:

• zorg voor voeding, hygiëne en gezondheid (kerndoelen 1-3)

• planten en dieren (kerndoel 4)

• duurzaamheid en zorg voor de omgeving, milieu (kerndoel 5)

• techniek, hulpmiddelen en veiligheid (kerndoelen 6-8)

Algemeen geldt als doel voor leerlingen met een beperking, dat zij ICT, technologische hulpmiddelen en aanpassingen steeds beter leren benutten om de eigen redzaamheid te vergroten en communicatiemogelijkheden uit te breiden. In het leergebied MNT wordt er naar gestreefd dat leerlingen de mogelijkheden van ICT benutten bij het vinden, verwerken en verstrekken van informatie en bij de communicatie.


Voorstel Kerndoelen Mens, natuur en techniek

1. De leerling leert zorg te dragen voor gezonde voeding en het verzorgen van de maaltijden.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• het bereiden van een eenvoudige gezonde maaltijd of gerecht, voor zichzelf en anderen;

• de relatie van voeding en gezondheid, het bewaren van voedingswaren en hygiëneregels (voedselveiligheid);

• het voorbereiden van de tafel en gezamenlijk nuttigen van een maaltijd.



2. De leerling leert over aspecten van hygiëne en leert hygiënisch te handelen in de eigen school-, leef- en werkomgeving.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• persoonlijke hygiëne en verzorging, persoonlijke presentatie;

• woon-/werkplek hygiëne, schoonmaken en opruimen;

• leren zorgen voor de eigen woon- en leefomgeving.



3. De leerling leert hoofdzaken van bouw en functie van het menselijk lichaam en de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; en leert zorg te dragen voor de eigen lichamelijke, seksuele en psychische gezondheid.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• functioneren van het menselijk lichaam en de lichamelijke ontwikkeling naar volwassenheid;

• geestelijke ontwikkeling en het vinden van een balans tussen inspanning, ontspanning en rust;

• besef van eigen functioneren en gezondheid en gebruikmaken van de gezondheidszorg;

• basiskennis seksuele ontwikkeling;

• voorlichting over (voorkoming van) zwangerschap;

• voorlichting over (voorkoming van) geslachtsziekten;

• seksuele veiligheid en weerbaarheid, het stellen van eigen grenzen en deze bewaken;

• respectvol en weerbaar omgaan met verschillen in seksuele geaardheid.

4. De leerling leert te zorgen voor planten en dieren in de eigen leefomgeving, en leert veel voorkomende planten en dieren in de eigen leefomgeving te onderscheiden.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• leren zorgen voor planten en dieren thuis en in de ruimere leefomgeving;

• herkennen en benoemen van planten en dieren in de eigen leefomgeving;

• leren over de bouw, de vorm en de functie van organismen, zoals planten en dieren.



5. De leerling leert over aspecten van duurzaamheid en leert met zorg omgaan met het milieu.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• toepassen van afvalscheiding;

• juist gebruik en opslag van reinigingsmiddelen en oplosmiddelen;

• energiebesparing in huis, vermijden van verspilling;

• zuinig gebruik van materialen, schoonmaakmiddelen en dergelijke.

6. De leerling leert technische toepassingen herkennen en gebruiken, mede om de eigen redzaamheid te vergroten.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• gebruik van ondersteunende technische hulpmiddelen;

• gebruik van huishoudelijke apparatuur;

• gebruik van gereedschap en apparatuur bij klussen en activiteiten;

• klein onderhoud aan materialen en middelen plegen.

7. De leerling leert eenvoudig technisch onderhoud in de eigen leef- en woonomgeving uit te voeren.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• inrichting eigen woonruimte;

• onderhoud fiets;

• eenvoudig schilderwerk, stoffeerwerk;

afvoer ontstoppen;

• batterijen vervangen;

• storingen signaleren en hulp vragen bij storingen.

8. De leerling leert over veiligheidsaspecten en leert zorg te dragen voor veiligheid voor zichzelf en anderen op school, thuis en op de werkplek.

Hierbij kan men denken aan vaardigheden met betrekking tot:

• zorgen voor een veilige en geordende woon-/werkomgeving;

• bewustzijn van bronnen van gevaar en veilig daarmee omgaan, zoals vuur, hitte, stoffen, lucht, elektriciteit;

• voorkomen van ongelukken, nemen van voorzorgsmaatregelen voor zichzelf en voor anderen;

• handelen bij ongelukken en calamiteiten, hulp inroepen of oplossen bij bijvoorbeeld materiële schade, klein of groot letsel, brand;

• onveilige situaties en gebeurtenissen herkennen en melden bij verantwoordelijke.


4. Mens en maatschappij

Karakteristiek

In dit leergebied staat centraal de toerusting van leerlingen voor hun functioneren in sociale en maatschappelijke verbanden en rol als burger in de Nederlandse maatschappij. Door middel van praktische ervaringen en reflectie daarop leren de leerlingen deze rol op verschillende manieren in te vullen: eerst op school, later ook op stages (in voor hen passende situaties met betrekking tot wonen, werken/dagactiviteiten en vrijetijdsbesteding) en in de bredere maatschappij.

Het leergebied Mens en maatschappij in het vso-uitstroomprofiel Dagbesteding is gericht op zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie van leerlingen in het private en publieke domein op de gebieden van:

• rol als consument;

• mobiliteit en reizen;

• werk en activiteiten in dagbesteding;

• wonen;


• vrije tijdsbesteding;

• burgerschap.

Bij elk van deze gebieden is een kerndoel geformuleerd.

Bij de invulling van hun rol als burger en functioneren in de maatschappij hebben leerlingen in dit profiel verschillende vormen van ondersteuning nodig. Het stellen van (hulp-)vragen en het omgaan met ondersteuning en ondersteuners behoort voor deze leerlingen eveneens tot de te ontwikkelen burgerschapscompetenties.

Hierin ligt ook een relatie met de competenties die in de leergebiedoverstijgende doelen worden aangegeven.

Algemeen geldt als doel voor leerlingen met een beperking dat zij onder andere technologische hulpmiddelen en aanpassingen leren gebruiken om de eigen redzaamheid te vergroten. In het leergebied Mens en maatschappij wordt ernaar gestreefd dat leerlingen tevens de mogelijkheden van ICT benutten bij het zoeken en gebruiken van informatie. Het leergebied Mens en maatschappij is gericht op de zelfredzaamheid en de participatie van leerlingen in het private en publieke domein op de gebieden consumeren/budgetteren, mobiliteit, wonen, vrije tijdsbesteding en burgerschap, en op de participatie in werkverbanden in (arbeidsmatige) dagbesteding of activiteiten.


Voorstel Kerndoelen Mens en maatschappij

1. De leerling leert wat hij voor een bescheiden bedrag kan kopen op basis van eigen voorkeuren.

Hierbij kan men denken aan:

• besef ontwikkelen over hoeveel iets kost (=prijsbesef), wat je kunt betalen met een hoeveelheid (zak)geld;

• besef ontwikkelen over wat je heel graag, graag of eigenlijk niet (per se) wilt hebben/kopen;

• leren omgaan met sociale druk en de invloed van reclame uitingen op het eigen consumptiepatroon;

• leren aankopen te betalen.

2. De leerling leert zich te oriënteren op de ruimtelijke omgevingen waarin hij zich bevindt met aandacht voor basale verkeersregels.

Hierbij kan men denken aan:

• (onder begeleiding en in groepen) zich een ruimtelijk beeld leren vormen van de omgeving waarin hij zich bevindt waaronder het herkennen van (markante) oriëntatiepunten;

• (onder begeleiding) dagelijkse reispatronen in de eigen omgeving verkennen;

• letten op het verkeer, verkeersregels en – borden, bijvoorbeeld hoe en waar je veilig kunt oversteken;

• lezen van zeer eenvoudige plattegronden.

3. De leerling leert deel te nemen aan werk en activiteitengroepen en daarin sociale gedragsregels te onderkennen en toepassen.

Hierbij kan men denken aan:

• beseffen wat werk en arbeid is in de wereld om je heen;

• het zelfstandig en samen verrichten van taken en het nakomen van afspraken;

• ervaren dat in het werken met activiteitengroepen sprake is van verschillende rollen, taken, posities en verantwoordelijkheden en dat een ieder daarin een eigen plaats heeft;

• leren samenwerken met anderen en regels voor samenwerken naleven.

4. De leerling leert over het begeleid wonen in woongroepen, in het bijzonder over het naleven van leefregels, het belang van huishoudelijke taken en het milieu.

Hierbij kan men denken aan:

• nakomen van huisregels, bijvoorbeeld op het gebied van omgangsregels, geluidsoverlast, maaltijden;

• nakomen van huisregels op het gebied van het milieu, zoals: het scheiden van afval, afval wegbrengen, geen afval op plaatsen die daar niet voor bestemd zijn (toilet, gootsteen), geen energieverspilling met water, gas en elektriciteit;

• verrichten van huishoudelijke activiteiten en het ervaren van het belang daarvan;

• meedoen aan klussen die betrekking hebben op woningonderhoud en verfraaiing.

5. De leerling leert over verschillende mogelijkheden om zijn/haar vrije tijd te besteden.

Hierbij kan men denken aan:

• ervaren (door te doen) wat je in je vrije tijd allemaal kunt doen en wat de eigen persoonlijke voorkeuren voor de besteding van de vrije tijd zijn;

• ervaren dat je (delen van je) vrije tijd zowel op jezelf als met anderen kunt besteden;

• ervaren (door te doen) hoe belangrijk het is om sociale contacten te leggen.



6. De leerling leert over overeenkomsten en verschillen tussen mensen en groepen van mensen in levensbeschouwing, opvattingen en leefwijzen, met daarbij aandacht voor seksualiteit en seksuele diversiteit.

Hierbij kan men denken aan:

• leren omgaan met de diversiteit in de samenleving, de verscheidenheid aan mensen, etnische groepen, religies, levensbeschouwingen, seksuele oriëntatie, waarden, normen, gewoonten en gebruiken;

• leren zich in elkaars standpunten te verplaatsen;

• leren veen dialoog te voeren, ook met andersdenkenden;

• leren de eigen opvattingen te kunnen spiegelen aan bestaande normen, regels en rechten.

7. De leerling leert hoe hij betrokken kan zijn in medezeggenschap en besluitvormingsprocessen en welke bijdragen hij kan leveren aan een plezierige en stimulerende leer-, werk- en woonomgeving.

Hierbij kan men denken aan:

• leren actief participeren in groepsprocessen, leerlingenraad of bewonersraad;

• leren in woord en gebaar zo goed mogelijk duidelijk te maken wat je duidelijk wilt maken, waaronder voorstellen doen en een mening geven;

• leren dat je naar elkaar moet luisteren om ieders meningen en wensen te herkennen;

• ervaren dat je het niet altijd met elkaar eens hoeft te zijn, maar dat je wel tot oplossingen moet komen;

• leren dat je tot besluiten en/of instemming moet komen;

• leren dat wat besloten is ook moet worden uitgevoerd;

• onder leiding en begeleiding samen en alleen werken aan taken voor een leefbare ruimtelijke en sociale omgeving;

• leren dat je gezagsdragers die een rol spelen bij het oplossen van conflicten (groepsleiders en onderwijsgevenden) moet respecteren;

• leren dat politie en justitie in de Nederlandse samenleving belangrijke gezagsdragers zijn.



5. Culturele oriëntatie en creatieve expressie

Karakteristiek



Algemeen doel

In het voortgezet speciaal onderwijs staat in het uitstroomprofiel Dagbesteding de voorbereiding op een gerichte dagbesteding, wonen, vrijetijdsbesteding en burgerschap centraal. Het leergebied 'culturele oriëntatie en creatieve expressie' draagt daaraan bij door het stimuleren van de persoonlijke, creatieve en kunstzinnige ontwikkeling van leerlingen, de ontwikkeling van de verbeeldingskracht en de ontwikkeling van competenties om de vrije tijd op een passende en bevredigende manier vorm te geven. Het richt zich op situaties, nu en in de toekomst, van dagelijks leven in de privé sfeer (wonen, vrije tijd) en op het stimuleren van deelname aan sociaal-culturele activiteiten. Daarmee is culturele oriëntatie en creatieve expressie niet alleen een leergebied, maar ook een vormingsgebied, waarin leerlingen hun kennismaking met culturele activiteiten en kunstzinnige en creatieve uitingen verbreden en verdiepen, voortbouwend op de kunstzinnige oriëntatie in het speciaal onderwijs. Als vormingsgebied is culturele oriëntatie en creatieve expressie uitermate geschikt voor het ontwikkelen van competenties voor, en bewustwording van, een zinvolle en bevredigende besteding van vrije tijd. Het onderscheid tussen culturele oriëntatie en kunstzinnige en creatieve expressie wordt hieronder uiteengezet.



Culturele oriëntatie

Binnen de culturele oriëntatie ligt het accent op de verkenning van het cultureel aanbod in de omgeving van de leerling. De leerling maakt kennis met instellingen of organisaties die een voor de leerling(en) passend cultureel aanbod. Kunst-, media- en erfgoededucatie hebben betrekking op het verkennen van de diversiteit van het aanbod in de omgeving van de leerling en het deelnemen aan verschillende culturele en kunstzinnige activiteiten.


Creatieve en kunstzinnige expressie

Allereerst verkennen de leerlingen op een actieve manier hun eigen expressieve mogelijkheden binnen verschillende kunstzinnige disciplines: beeldend, audiovisueel, muziek, dans, drama. Van daaruit krijgen zij zicht op eigen voorkeuren en talenten, op basis waarvan een keuze gemaakt kan worden voor verbreding en/of verdieping van vaardigheden in de gekozen discipline(s). Bij het maken van keuzes leren leerlingen omgaan met de mogelijkheden vanuit handicap-specifieke aspecten. In de gekozen discipline(s) worden verschillende functies verkend: uitdrukken van eigen gevoelens en ervaringen, vorm geven aan verbeelding, leren communiceren door middel van beelden, muziek, taal, spel en beweging, afhankelijk van hun individuele talenten. De leerlingen leren daarbij hun kunstzinnige/creatieve uitingen aan anderen te presenteren. Daarbij en daarnaast leren de leerlingen oog te krijgen voor de diversiteit in kunstzinnige en creatieve uitingen van anderen. Die 'anderen' kunnen medeleerlingen zijn, maar ook professionele kunstenaars.

Voor culturele en creatieve expressie zijn vier kerndoelen omschreven. Per kerndoel zijn kernvaardigheden toegekend. Deze kernvaardigheden duiden kort en bondig aan waar het bij het kerndoel om draait. Op deze manier wordt in één oogopslag het karakter van het domein weergeven.

Toelichting Kernvaardigheden bij kerndoel 1: Beleven en participeren

Het deelnemen aan culturele activiteiten kan zowel passief als actief ingevuld worden. Het verkennen van de eigen voorkeuren en mogelijkheden speelt hierbij een belangrijke rol. Dit kerndoel draagt bij aan de voorbereiding op een mogelijke invullingen binnen wonen, samenleven en vrije tijdsbesteding. Voor de meeste leerlingen zal het vooral een onderzoek zijn naar de mogelijkheden om hun vrije tijd zinvol en bevredigend in te vullen met creatieve en/of culturele activiteiten.



Toelichting Kernvaardigheden kerndoel 2: Produceren

In dit kerndoel staat de zeggingskracht van creatieve en kunstzinnige uitingen centraal. Dit vindt plaats tijdens het maken van een beeldend werkstuk, een dans, muziek of een toneelstuk. Feitelijk gaat het over alle facetten die horen bij het produceren, het maken van werk binnen de diverse kunstzinnige disciplines als muziek, dans, drama en de beeldende vakken: handenarbeid, tekenen, textiele werkvormen en audiovisuele vorming.



Toelichting Kernvaardigheden bij kerndoel 3: Presenteren

Dit kerndoel stelt het kunnen presenteren van eigen werk centraal. De vorm waarin gepresenteerd wordt kan daarbij verschillend zijn. Het kan gaan om het kunnen vertellen, maar ook om het presenteren in de voor de discipline geschikte media en contexten zoals het geven van een concert, expositie of theatervoorstelling.



Toelichting Kernvaardigheden bij kerndoel 4: Communiceren

Bij dit kerndoel staat communiceren centraal. Leerlingen vertellen wat ze van hun eigen kunstzinnig werk vinden en wat ze tijdens hun creatieve proces hebben ervaren of geleerd. Ze leren ook waardering te ontwikkelen voor het werk van anderen zowel medeleerlingen als professionele kunstenaars.


Voorstel Kerndoelen Culturele oriëntatie en creatieve expressie

1. De leerling maakt kennis met het (sociaal-)culturele aanbod in zijn omgeving door actief deel te nemen aan culturele activiteiten.

Hierbij kan worden gedacht aan:

• het gebruik maken van het aanbod;

• het deelnemen aan (diverse) activiteit(en);

• het ontdekken van mogelijkheden en voorkeuren.



2. De leerling leert vaardigheden waarmee hij zich creatief en kunstzinnig wil en kan uiten, passend bij de eigen mogelijkheden, talenten en voorkeuren.

Hierbij kan gedacht worden aan:

• het uitdrukken van eigen gevoelens;

• het vastleggen van ervaringen;

• het vormgeven aan verbeelding;

• over het eigen werk kunnen communiceren.

3. De leerling leert eigen kunstzinnig werk, alleen of binnen een groep, aan anderen (medeleerlingen, ouders) te presenteren.

Hierbij kan gedacht worden aan:

• het presenteren van eigen werk aan anderen;

• samen met een groep en/of alleen;

• de vorm van presenteren kan verschillend zijn, passend bij het werk, bijvoorbeeld: vertellen, concert, tentoonstelling, voorstelling, av-presentatie, filmpje.



4. De leerling leert te communiceren over eigen kunstzinnig werk en dat van anderen.

Hierbij kan gedacht worden aan:

• het kijken naar en praten over het eigen werk;

• het kijken naar en praten over het werk van andere leerlingen;

• het kijken naar en praten over het werk van professionele kunstenaars.


6. Bewegen en sport

Karakteristiek

Bewegingsonderwijs is erop gericht dat de leerlingen deel leren nemen aan bewegingsactiviteiten, waardoor zij een uitgangspositie verwerven om deel te nemen aan bewegingsactieve vrijetijdsbesteding, nu en later.

In veel activiteiten zitten aspecten die van belang zijn voor lichamelijke arbeid, zoals tillen en kracht zetten. Deze aspecten zullen gekoppeld aan passende activiteiten aan de orde komen. Veiligheid in bewegingssituaties en fitheid in relatie tot bewegen is ook een thema dat samen met verschillende activiteiten aan de orde komt. Op deze manier leren de leerlingen gezond te bewegen.

De ontwikkeling van het eigen motorisch vermogen, het kunnen omgaan met de eigen motorische (on)mogelijkheden, staat centraal bij het leren deelnemen aan activiteiten uit de bewegingsgebieden. Deze bewegingsgebieden zijn een goede afspiegeling van activiteiten uit de bewegingscultuur. Ook het bewegen met anderen krijgt aandacht. Mensen bewegen en reageren niet op dezelfde manier, waardoor het samen met anderen deelnemen aan bewegingsactiviteiten niet vanzelfsprekend verloopt. Dus is het nodig om te leren af te spreken wat de regels zijn en hoe die na te leven, elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen. Hierdoor leren de leerlingen het bewegen te reguleren.

Het plezier beleven aan deelname aan verschillende bewegingsactiviteiten is belangrijk. Een positieve beleving van bewegingsactiviteiten op school vergroot het enthousiasme voor deelname aan bewegingactiviteiten op andere momenten. Sport kan leerlingen aantrekkelijke spel- en bewegingsactiviteiten bieden. Er zijn tegenwoordig veel bewegingsactiviteiten met een vrijblijvender en individueler deelname dan in de georganiseerde sport. Wanneer de leerlingen worden voorbereid op deelname aan de bewegingscultuur, dan gebeurt dat via uitnodigende en bij hun leeftijd en mogelijkheden passende spel- en bewegingsvormen, bijvoorbeeld met aangepaste regels en materialen. Hierdoor kunnen de leerlingen deelnemen aan activiteiten van speciale sportclubs en blijft integratie in de reguliere sportwereld ook tot de mogelijkheden behoren.


Voorstel Kerndoelen Bewegen en sport

1. De leerling leert deelnemen aan activiteiten uit verschillende bewegingsgebieden.

Hierbij kan men denken aan:

• bewegingsgebieden als balanceren, klimmen, zwaaien, springen, hardlopen;

• activiteiten als: acrobatiek, schommelen, trampolinespringen, sprinten, mountainbiken.

2. De leerling leert deel te nemen aan verschillende spelvormen en sportactiviteiten.

Hierbij kan men denken aan:

• doelspelen, terugslagspelen, tik- en afgooispelen, honkloopspelen, zelfverdedigingsspelen, mikspelen, jongleren;

• activiteiten als: basketbal, badminton, judovormen, trefspelen, golf.

3. De leerling leert deelnemen aan verschillende vormen van bewegen op muziek.

Hierbij kan men denken aan:

• bewegen in de maat van de muziek;

• dansvormen.

4. De leerlingen leren gezamenlijke bewegingssituaties met elkaar te reguleren.

Hierbij kan men denken aan:

• klaarzetten, opruimen, herstellen en aanpassen van opstellingen van materialen;

• regels en functies hanteren;

• functiewisselingen toepassen;

• team- en groepsindelingen maken en accepteren.

5. De leerling leert bewegingssituaties positief te beleven.

Hierbij kan men denken aan:

• ingaan op de bewegingsuitdaging en zich willen verbeteren;

• waarderen van de inbreng van anderen;

• inschatten welke activiteiten, contexten en motieven bij hen passen;

• omgaan met winnen en verliezen.

6. De leerling leert de betekenis van bewegen voor gezondheid waarderen.

Hierbij kan men denken aan:

• principes van veilig en verstandig bewegen (ook in woon- en werksituaties);

• gewend zijn aan regelmatig intensief bewegen.

7. De leerling leert deel te nemen aan bewegings- en sportactiviteiten buiten schoolverband.

Hierbij kan men denken aan:

• naar verenigingen en/of evenementen gaan;

• sportoriëntatie en keuzeprogramma's.
Kerndoelen 'Voorbereiding op dagbesteding'

Karakteristiek



Algemeen

In het vso-uitstroomprofiel naar dagbesteding worden leerlingen voorbereid op participatie in dagactiviteiten zoals door zorginstellingen worden aangeboden. Daarin bestaan verschillende vormen met te onderscheiden mogelijkheden en niveaus. Het kan gaan om arbeidsgerichte, activiteitengerichte of belevingsgerichte dagbesteding, en combinaties daartussen geven weer tussenmogelijkheden. De range van leerlingen en hun mogelijkheden is in dit uitstroomprofiel zeer groot en dat komt tot uiting in de zeer verschillende toekomstsituaties waarop de school hen voorbereiding wil bieden. Er is een groot verschil tussen leerlingen die ondersteund en begeleid werk kunnen verrichten (werkactiviteiten zonder dat sprake is van een arbeidsverhouding) en leerlingen waarbij primair voor een veilige omgeving met stimulerende ervaringen gezorgd moet worden. Uiteindelijk is het de bedoeling dat voor elke leerling de best passende plaats mogelijk wordt.

De kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding zijn erop gericht dat leerlingen hun competenties voor de praktijk van hun dagelijkse activiteiten optimaal kunnen ontwikkelen, rekening houdend met hun mogelijkheden en beperkingen.

De kerndoelen ter voorbereiding op dagbesteding sluiten aan op soortgelijke doelen voor het uitstroomprofiel Arbeidsmarkt, omdat de grens daarmee (loonvormende arbeid) in de doelen bewust niet scherp wordt getrokken. Reden hiervoor is dat leerlingen soms in dagbesteding alsnog kunnen doorgroeien naar arbeid, als ze zich doorontwikkelen in later jaren, en/of doordat een arbeidsplek in beeld komt die geschikt is of geschikt gemaakt kan worden. In zorginstellingen is hier ook oog voor: daar heeft men ook trajecten 'arbeidstoeleiding'. Deze kerndoelen zijn gericht op praktische voorbereiding op (arbeidsmatige) dagbesteding en omvatten de volgende vier domeinen:

1. brede, praktische oriëntatie op werkvelden en dagactiviteiten (werk- en activiteitenexploratie),

2. vaardigheden om zo veel mogelijk eigen sturing te geven aan (levens-)loopbaan: verwerven, behouden en (indien nodig) veranderen van werk- of activiteitensetting (loopbaansturing),

3. ontwikkeling van algemene competenties voor functioneren in werk/dagactiviteiten en in wonen, vrije tijd en samenleving (praktische burgerschap). en

4. ontwikkeling van specifieke vaardigheden gericht op activiteiten en werkzaamheden, waaronder zo zelfstandig mogelijke redzaamheid in voor de leerling voorkomende situaties.


Domein: Exploratie van werk en dagactiviteiten

Wat een passende plek is voor een leerling kan eigenlijk alleen tot uiting komen door kennismaking en ervaring met het scala aan mogelijkheden dat voor hem of haar in aanmerking komt. De leerling moet het zelf ervaren, zijn voorkeuren ontdekken en leren te kiezen. Deels kan deze werkexploratie op school, maar heel nuttig is ook het gebruik maken van stagemogelijkheden bij de regionaal beschikbare zorgvoorzieningen.


Domein: Kiezen en loopbaansturing

Een passende plek in werk en dagbesteding staat niet voor altijd vast. In de mogelijkheden van (werk-)activiteiten kunnen nieuwe perspectieven haalbaar worden en ook de jongere kan zijn mogelijkheden verder ontwikkelen of zijn voorkeuren veranderen, waardoor het te verwachten is dat men meer dan eens van situatie zal wisselen. De vaardigheden om hier zoveel mogelijk zelf sturing aan te geven, vormen het onderwerp van het tweede kerndoel. Dit doel zal in het algemeen met de nodige begeleiding en ondersteuning gepaard gaan, tegelijk met het ervaring opdoen in de praktijk. De begeleiding in school krijgt vorm in een individueel transitieplan, als voorbereiding op hun loopbaan. De loopbaan vatten we dan voor deze leerlingen breed en integraal op: hun weg in het leven met betrekking tot wonen, werk- en dagactiviteiten, vrijetijdsbesteding en samenleving.

Het hangt van het niveau van de leerling af in hoeverre hij of zij dat in enigermate zelfstandig kan. Het streven is om de leerling, om wie het uiteindelijk gaat, hierin een zo groot mogelijk betrokkenheid en stem te laten hebben. Doel is om hun vermogens tot loopbaansturing te versterken en hen uit te dagen, zelf (mede)verantwoordelijkheid te leren dragen voor hun (toekomstige) loopbaan in het leven.
Domein: Werkcompetenties

De leerling ontwikkelt algemene (kerndoel 3) en specifieke (kerndoel 4) competenties voor werk. De beschrijvingswijze van deze competenties is ontleend aan de competentiestructuur, die ook gebruikt is bij uitstroomprofiel Arbeidsmarkt omdat de afstemming en herkenbaarheid te bevorderen. Hierdoor kunnen doorgaande ontwikkelingslijnen voor leerlingen ontstaan, maar ook is het voor de school praktisch eenzelfde soort achtergrond voor de beide uitstroomprofielen te hanteren, gezien mogelijke overlap en combinatie van beide groepen leerlingen in de organisatie van het onderwijs.

Het zijn vrij globale geformuleerde competentiecategorieën en zullen in de praktijk voor deze leerlingen een eigen passende invulling krijgen. Ook de overige onderdelen die hier onder werk-competenties worden genoemd zijn gericht op het verrichten van productieve taken in een op werk ingerichte omgeving zoals in arbeidsgerichte dagbesteding. Voor leerlingen in het uitstroomprofiel Dagbesteding zijn de andere situaties en voorbereiding daarop zo divers dat de school hiervoor een op het perspectief van de leerling passende specifieke invulling van het programma kan ontwikkelen in afstemming met de ontvangende instellingen. Stages behoren ook hier tot de mogelijkheden.

Het verschil tussen de algemene werkcompetenties (kerndoel 3) en de specifieke vaardigheden (kerndoel 4) is dat het eerste betrekking hebben op het algemene functioneren in een op werken gerichte situatie, en de tweede de concrete vaardigheden bij het uitvoeren van werkhandelingen omvatten. Deze zijn uiteraard per werksituatie zeer verschillend. In de schoolsituatie en/of stage wordt deze uitvoering geleerd of getraind, lettend op de verschillende mogelijkheden van uitvoeringsniveau en/of ondersteuning die daarbij nodig is. Deze doelen zijn geformuleerd in de richting van werkactiviteiten maar er is niet alleen aan een uitwerking voor arbeidsmatige dagbesteding te denken. Ook voor andere deeldoelgroepen en de voor hen passende dagbesteding is een passende uitwerking te maken met betrekking tot de aangegeven domeinen en vaardigheden van deze kerndoelen omvatten. De individuele mogelijkheden en kwaliteiten zijn uiteraard per leerling anders en daarmee de concrete uitwerking van deze kerndoelen naar de te onderscheiden deelgroepen maatwerk (zie de preambule).


Voorstel Kerndoelen voorbereiding op dagbesteding

1. De leerling verkent de mogelijkheden van werk en activiteiten die bereikbaar zijn.

Hierbij kan men denken aan de volgende subdoelen:

• De leerling neemt deel aan verschillende soorten dagbestedingen die voor hem in de omgeving beschikbaar zijn.

• De leerling verkent verschillende werkzaamheden en dagactiviteiten met de erbij behorende rollen, taken en verantwoordelijkheden.

• De leerling verkent stage mogelijkheden.



2. De leerling leert vaardigheden die het kiezen voor deelname aan en veranderen van werk of activiteiten mogelijk maken.

Hierbij kan men denken aan de volgende subdoelen:

• De leerling leert voor hem passende en geschikte activiteiten of situaties te selecteren.

• De leerling leert over zijn voorkeuren en motieven te communiceren.

• De leerling leert een portfolio op te bouwen en leert dit te gebruiken als middel om zich te presenteren.

• De leerling leert op hoofdlijnen de rechten en plichten van een werknemer en deelnemer aan dagbesteding en leert deze uit te oefenen (ermee om te gaan).

• De leerling leert officiële documenten die samenhangen met werk en dagbesteding lezen en begrijpen, of daarbij hulp vragen.

• De leerling leert organisaties kennen die zijn belangen behartigen en leert een keuze maken om al dan niet lid te worden van een dergelijke organisatie.

• De leerling leert op passende wijze de eigen belangen en wensen te behartigen in relatie tot aanpassing van het werk (aan de eigen mogelijkheden en beperkingen), en in relatie tot de realisatie van eigen ontwikkelingsmogelijkheden op het werk (scholingswensen, veranderen van werk).

• De leerling leert om contacten op te bouwen en te benutten, mede als ondersteuning bij het verwerven, behouden en veranderen van werk of activiteiten.

• De leerling leert gebruik te maken van voorzieningen voor bemiddeling, scholing en coaching.



3. De leerling ontwikkelt algemene competenties voor het uitvoeren van werk en activiteiten, met name de volgende:

3.1 De leerling leert samen te werken en te overleggen.

Dit houdt onder andere in:

• anderen raadplegen en overleggen;

• afstemmen;

• openhartig en oprecht communiceren;

• aanpassen aan de groep;

• bevorderen van teamgeest;

• bijdrage van anderen waarderen.

3.2 De leerling leert instructies en procedures op te volgen.

Dit houdt onder andere in:

• werken conform voorgeschreven veiligheidsvoorschriften;

• instructies opvolgen;

• werken conform voorgeschreven procedures, hierbij discipline tonen.



3.3 De leerling leert bij arbeidsmatige taken de juiste materialen en middelen op een doelmatige en doelgerichte manier in te zetten.

Dit houdt onder andere in:

• geschikte materialen en middelen kiezen;

• deze materialen en middelen doeltreffend en doelmatig gebruiken;

• goed zorgen voor materialen en middelen.



3.4 De leerling leert de eigen werkzaamheden te plannen en te organiseren.

Dit houdt onder andere in:

• doelen en prioriteiten stellen;

• activiteiten plannen;

• tijd indelen.



3.5 De leerling leert kwaliteit te leveren in arbeidsmatige situaties.

Dit houdt onder andere in:

• kwaliteitsniveau halen;

• productiviteitsniveau halen;

• systematisch werken.



3.6 De leerling leert ethisch en integer te handelen in werksituaties.

Dit houdt onder andere in:

• integer handelen;

• omgevingsverantwoord handelen;

• verschillen tussen mensen respecteren.



3.7 De leerling leert om te gaan met veranderingen en zich aan te passen.

Dit houdt onder andere in:

• aanpassen aan veranderende omstandigheden;

• nieuwe ideeën accepteren;

• omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid;

• met diversiteit tussen mensen omgaan.

3.8 De leerling leert met druk en tegenslag om te gaan.

Dit houdt onder andere in:

• effectief blijven presteren onder druk;

• gevoelens onder controle houden;

• constructief omgaan met kritiek;

• eigen grenzen kennen, grenzen stellen.

4. De leerling ontwikkelt specifieke werkvaardigheden die passen bij de eigen keuzes, mogelijkheden en beperkingen.

Afhankelijk van het gekozen werk kunnen dat (vak)specifieke fysieke, manuele en/of mentale vaardigheden, kwaliteiten of vermogens zijn.



Hieronder kan worden verstaan:

vakspecifieke fysieke kwaliteiten tonen, zoals

• handig zijn, adequaat reageren, uithoudingsvermogen hebben (zorg voor dieren);

• met voldoende fysieke krachtinspanning werkzaamheden uitvoeren (buitenwerk in het groen);

• het gebruiken van lichamelijke kracht en nauwkeurigheid terwijl hij rekening houdt met de kenmerken van de goederen en opslagplaats, zodat de goederen snel, veilig en zonder schade opgeslagen worden (magazijn). manuele vaardigheden aanwenden, zoals

• nauwkeurig en accuraat technieken toepassen bij het bewerken van producten (bijvoorbeeld in de horeca);

• het op bedreven en accurate wijze onderhouden van gereedschap en materialen (bijvoorbeeld in natuur en groen).



vakspecifieke mentale vermogens aanwenden, zoals

• het toepassen van vakkennis en technieken bij het bewerken van producten (bijvoorbeeld in horeca);

• het verwerken van betalingen in de kassa en verschillende betalingswijzen kunnen hanteren

(bijvoorbeeld bij het afrekenen in horeca);

• het uitvoeren van transport- en opslagwerkzaamheden, rekening houdend met de kwetsbaarheid van materialen (bijvoorbeeld in natuur en groen);

• het controleren van goederen op kwaliteit en kwantiteit (bijvoorbeeld in winkel).



Verantwoording herziening leerlijnen vso


Uitstroom dagbesteding en arbeid

Tim Micklinghoff

Laura Meijer

Linda Jonkman

CED-Groep, juli 2012
Inleiding

Veel VSO-scholen werken met de leerlijnen die de CED-Groep heeft ontwikkeld. Recente ontwikkelingen vragen om een herziening van de leerlijnen VSO taal. We hebben het dan over de volgende ontwikkelingen: Er zijn in opdracht van het Ministerie OCW door de SLO nieuwe kerndoelen geformuleerd voor het VSO voor de uitstroomrichtingen dagbesteding, arbeid en vervolgonderwijs. De kerndoelen VSO zullen in 2013 (schooljaar 2013-2014) worden opgenomen in het wettelijk kader (bron: www.slo.nl). De commissie Meijerink heeft in 2008 referentieniveaus voor taal en rekenen geformuleerd. Het gaat hier om beschrijvingen wat leerlingen binnen deze vakgebieden op bepaalde momenten in het schoolloopbaan moeten kennen en kunnen. De leerlijnen VSO Arbeidsgericht moesten daarop worden aangepast. De leerlijnen VSO Dagbesteding (ZML-niveau) hoeven niet te voldoen aan deze referentieniveaus. Leerlingen binnen het ZML hoeven namelijk het eerste referentieniveau 1f niet te bereiken op school. Niveau 15/16 van de nieuwe VSO leerlijnen werkt toe naar referentieniveau 2f voor de vakgebieden taal en rekenen. In niveau 13/14 staan de doelstellingen rondom referentieniveau 1f beschreven.

Daarnaast is de afgelopen jaren gebleken uit de praktische ervaringen van de scholen dat de leerlijnen op het gebied van onderlinge samenhang en de plaats van bepaalde doelstellingen een herziening nodig hebben.

De CED-Groep heeft van het Ministerie van OCW opdracht gekregen om de leerlijnen te herzien. In samenspraak met scholen en andere betrokken instituten heeft de CED-Groep in het schooljaar 2011-2012 gewerkt aan de herziening van de leerlijnen voor het VSO. In deze verantwoording ziet u op welke wijze de leerlijnen bij de herziening zijn aangepast.


Dakpanmodel 2013


Nieuwe opzet leerlijnen VSO

De nieuwe leerlijnen voor het VSO zijn zowel geschikt voor de uitstroom dagbesteding als voor de uitstroom arbeid. Alle VSO scholen kunnen dus van deze doorlopende leerlijnen gebruik maken, met uitzondering van scholen met uitstroom diplomagericht. Voor leerlingen die zich in de diplomagerichte uitstroom bevinden wordt er verwezen naar de eindtermen en de reguliere methodieken.

De doorlopende leerlijnen, die zijn ontwikkeld voor uitstroom dagbesteding en arbeid bestaan uit 16 niveaus. De 4 niveaus van de voormalige leerlijnen VSO arbeid zijn achter de 12 niveaus van de ZML leerlijnen geplaatst en uiteraard inhoudelijk herzien. Op VSO scholen met leerlingen die vooral uitstromen richting arbeid (bijvoorbeeld VSO cluster 2 of cluster 4 scholen) zullen leerlingen vooral instromen in niveau 13 van de nieuwe doorlopende leerlijn. Dit is aansluiting van de SO leerlijn als de leerlingen hier niveau 4 bereikt hebben (zie het dakpanmodel 2013 hierboven voor een visuele toelichting). Mocht het nodig zijn om voor een leerling nog een stapje terug te doen aan het begin van het VSO, dan kunt u in de leerlijn in de niveaus voor niveau 13 kijken welke tussenstapjes een leerling nog nodig heeft voor hij met doelen uit niveau 13 aan de slag kan. VSO scholen die (ook) leerlingen hebben die uitstromen naar dagbesteding zullen vooral leerlingen inschalen op de leerlijnen in de niveaus 1 t/m 12 (in de praktijk gaat het hier om VSO cluster 3 ZML of mytyl scholen).

Mochten uw leerlingen op een vakgebied meer aankunnen dan de doelstellingen bij niveau 12, dan kunnen zij eenvoudig doorgaan op de doorlopende leerlijn. De kerndoelen voor dagbesteding en arbeid maken doorlopende leerlijnen goed mogelijk, vooral de leergebiedoverstijgende kerndoelen aangezien deze qua wettekst hetzelfde zijn.





1 Visie op “Goed Onderwijs”, Aloysius Stichting, oktober 2011
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36


Dovnload 1.2 Mb.