Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Sectie Engels, College Blaucapel 2003

Dovnload 113.61 Kb.

Sectie Engels, College Blaucapel 2003



Datum12.06.2017
Grootte113.61 Kb.

Dovnload 113.61 Kb.







Sectie Engels, College Blaucapel 2003


Grammar Chapter One


  • The passive (lijdende vorm) tegenwoordige en verleden tijd

  • If sentences (voorwaardelijke zinnen)



The passive


Lees de volgende 2 zinnen:
Mary opens the window. tt ‘gewone’ actieve zin: Mary doet echt iets

The window is opened by Mary. tt passieve zin: het raam doet niets, er gebeurt wat mee


Deze tweede zin noemen we dus een ‘passieve’ of ‘lijdende’ zin.
Tegenwoordige tijd:

am + voltooid deelwoord I am chosen because I’m the eldest.

is + voltooid deelwoord The door is painted blue by Jill.

are + voltooid deelwoord The windows are opened.


Verleden tijd:

was + voltooid deelwoord The vase was broken by Pete.

were + voltooid deelwoord The windows were closed.
Wat moet je weten/kunnen?


  1. kunnen zien of een zin passief of actief is (opdr 1)

  2. passieve zinnen zonder werkwoord af kunnen maken (alleen tt en vt) (opdr 2,3,4)

  3. actieve zinnen kunnen omzetten naar passieve zinnen (opdr 5)



Opdracht 1 Welke zinnen zijn passief? Geef bij ELKE zin aan of hij actief of passief is. Zet er ook bij of de zin tt of vt is.


  1. She bought a new car.

  2. Everyone is expected to be present.

  3. Mary was hit by Joey.

  4. Murad can help you with that.

  5. All windows were smashed last night.

  6. She is loved dearly.

  7. They are talking about it all the time.

  8. Her homework was dutifully done.

  9. The Dutch are thought of as being similar to the Scottish: a bit penny-pinching!

  10. You could see for miles and miles across the water.

  11. Everyone was invited to their wedding, but only a few actually went.

  12. What is your problem?

Opdracht 2 Maak de zinnen af, schrijf de hele zin steeds op, niet alleen het antwoord!!

Alle zinnen staan in de tegenwoordige tijd.

Example: The window … (open) The window is opened.


  1. The shopping … (do) by Jill and Rachid.

  2. The windows … (clean) by Michael and Dennis.

  3. The sandwiches … (make) by Rodney and Lynn.

  4. The hedge … (clip) by Matthew.

  5. The dogs … (feed) by Meena.

  6. Our shoes … (polish) by Fred and George.

  7. The table … (set) by Felix.

  8. The phone … (answer) by Liam.

  9. The cats … (brushed) by Todd and Alex.

  10. I … (tell) to sit down and relax! Isn’t that just wonderful?!


Opdracht 3 Maak de zinnen af, schrijf de hele zin steeds op, niet alleen het antwoord!!

Alle zinnen staan in de verleden tijd.

Example: The window … (open) yesterday The window was opened yesterday.


  1. The car … (repair) last week.

  2. The chairs … (sell) last month.

  3. The man … (murder) last night.

  4. The thieves … (arrest) by the police.

  5. The lawn … (trim) yesterday.

  6. These cartoons … (draw) by Jesse.

  7. This song … (download) last night.

  8. The windows … (open) when we were here.

  9. All plants … (demolish) by the naughty kittens.

  10. The Prime Minister … (interview) by the press.


Opdracht 4 Maak de zinnen af, tt en vt door elkaar heen!

NB! Eerst kijken welke TIJD je moet gebruiken, dan pas nadenken welke VORM daar bijhoort!




  1. A letter … (send) to Mary last week.

  2. The glass … (break) by Rosey so I bought a new one.

  3. The letter … (write) by James.

  4. Jane’s birthday … (celebrate) last Saturday.

  5. Harry’s parents … (kill) by Voldemort when he was only a baby.

  6. The entire class … (invite) to my birthday party, it will be a great party, no doubt!

  7. Both our computers … (use) quite a lot!

  8. Mum, my homework … (do), can I watch the telly now?

  9. Everyone … (expected) to show up this afternoon.

  10. Those cars … (sell) last week.

Actieve zinnen omzetten naar passieve zinnen
Voorbeeld:

Mary buys a cat.

Mary/ buys / a cat.

Mary / buys / a cat.



A cat / tt, dus: is bought / by Mary.

A cat is bought by Mary.
Voorbeeld:

Tom wrote a letter.

Tom / wrote / a letter.

Tom / wrote / a letter.



A letter / vt, dus: was written / by Tom.

A letter was written by Tom.
Opdracht 5: herschrijf als passieve zinnen. Schrijf hele zinnen als antwoord!

Example: Kay reads a book. A book is read (by Kay). tt

Example: Kay read a book. A book was read (by Kay). vt


  1. Thomas writes a letter.

  2. Bob sees a cat.

  3. Michael opens a box.

  4. Alan buys a candy bar.

  5. Mo does his homework.




  1. Susan painted her door green.

  2. Harriet opened the windows.

  3. Elisabeth read the paper.

  4. The cats smashed all flowerpots.

  5. Mary and Sash forgot their homework.




  1. Bob won the lottery.

  2. May-Beth closes the door.

  3. Rachid clips the hedge.

  4. Rachel saw Joel and Sam.

  5. We answered all questions.



If sentences


Dit zijn zinnen waarin je een voorwaarde stelt en erbij vertelt wat er zal gebeuren of kan gebeuren of gebeurt is omdat de voorwaarde niet gehaald is.

Dat klinkt vaag, maar docenten en ouders gebruiken dit soort zinnen vaak zat tegen je!!


Als je nou niet opschiet dan kom je te laat!

If you don’t hurry up, you will be late!

Als je me niet geholpen had dan was ik nou dood!



If you hadn’t helped me, I would have been dead!
Een if zin bestaat altijd uit twee delen, gescheiden door een komma. Deze twee delen kun je altijd omdraaien.

If you had been here earlier, we would have been on time.

We would have been on time(,) if you had been here earlier.
Wanneer de zin niet met ‘if’ begint dan mag je de komma trouwens ook gewoon weglaten!
De twee delen zijn het deel met de voorwaarde (if) en het deel met het gevolg (would have, could have, might have).

Denk eraan dat ‘if’ nooit in hetzelfde deel staat als ‘would’ en ‘will’!!


Wat moet je weten/kunnen?

  1. het juiste voorwaardedeel bij het juiste gevolgdeel kunnen zoeken (opdr 6)

  2. zelf if zinnen kunnen maken (opdr 7,8)


opdracht 6: Vorm complete, correcte zinnen met de twee delen

  1. If that film hadn’t been that long, a. you would have been home on time.

  2. If you had looked a bit better, b. I might have slept a bit longer.

  3. If we had played better, c. you would have passed this test.

  4. If you hadn’t rescued me, d. you could have found this yourself!

  5. If you had studied harder, e. we would have won!

  6. If you had left at eleven o’clock, f. I might have drowned!


Opdracht 7: Vertaal in correct Engels

  1. Als het niet zo had geregend waren we wel uitgegaan.

  2. Als jij niet vreemd gegaan was dan waren we nu nog een stel.

  3. Als jij je huiswerk beter gedaan had dan zat je nu een klas hoger.

  4. Als jij je kamer opgeruimd had was je het nu niet kwijt geweest.

  5. Als Engels niet zo leuk geweest was had ik me nu zitten vervelen!


Opdracht 8: maak de zinnen af

Example: If you (search) more thoroughly, you (find) it yourself!

If you had searched more thoroughly, you would have found it yourself!


  1. If you (tell) me sooner that it’s your birthday, I (bake) a birthday cake for you.

  2. If he (know) his job is in danger, he (buy + not) a new car.

  3. If I (eat) all this food, I (burst).

  4. If we (read) the manual of our camcorder, we (had) a film to watch now!

  5. If you (start) with your homework sooner, you (watch) the telly tonight.

  6. If Darla (eat + not) all the cake, we (have) a sweet now.


Grammar Chapter Two

    • bijwoorden & bijvoeglijke naamwoorden

    • some & any


Bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden

Dit zijn woorden die wat extra vertellen over andere woorden in een zin. Een mooi meisje, een vage kennis, een harde knal, snel rennen, voorzichtig rijden , etc..


Bijvoeglijke naamwoorden zeggen iets over:

  • een zelfstandig naamwoord ( a nice girl, a handsome man, an easy test)

  • een persoonlijk voornaamwoord (I was so kind)

Bijwoorden zeggen iets over:



  • een werkwoord He drove home carefully.

  • een bijvoeglijk naamwoord He is extremely kind.

  • Een ander bijwoord That was very stupid of you!

Een bijwoord ziet er meestal anders uit dan een bijvoeglijk naamwoord. Doorgaans is een bij woord: bijvoeglijk naamwoord + ly


careful+ly= carefully

beautiful +ly= beautifully


Let op de volgende paren:

terrible –terribly

lucky – luckily

happy – happily

easy- easily

good – well


Na de volgende werkwoorden zien bijwoorden eruit als bijvoeglijk naamwoorden (geen –ly eraan dus!!):


  • feel I don’t feel great.

  • sound That sounds fantastic!

  • taste This meat tastes delicious.

  • smell This apple-pie smells good.

  • seem He seems a bit strange.

Al deze werkwoorden hebben met je zintuigen te maken, zo kan je ze onthouden!!
Wat moet je weten/kunnen?

  1. Je moet weten wanneer je een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord moet gebruiken (opdr 9)

  2. Je moet zelf bijwoorden kunnen maken (uitzonderingen leren dus!) (opdr 10)

Opdracht 9: Kies de juiste vorm

  1. Jonathan silent / silently opened the door.

  2. That’s an easy / easily question.

  3. He’s extreme / extremely happy.

  4. This is an important / importantly email.

  5. This stew tastes good / well.

  6. She ran away quick / quickly.

  7. Tom near / nearly choked on a piece a gum.

  8. Tara is a very beautiful / beautifully girl.

  9. The test is very easy /easily.

  10. She made a happy / happily impression.


Opdracht 10: Vul de juiste vorm in

Example: He is an (intelligent) boy. He is an intelligent boy.

She is (terrible) late. She is terribly late.


  1. Tom is very (kind).

  2. (Final) we decided to stay in and watch the telly.

  3. He drives (reckless).

  4. He smells (bad).

  5. The pupils were very (nervous) about the test.

  6. He (nervous) waited for her answer.

  7. It was a (strange) night.

  8. You explained that (extreme) well.

  9. They argued (hot) about his coming home late.

  10. Slow down! You’re driving too (fast)!

  11. He (immediate) opened the door when we arrived.

  12. Gosh Caroline, you (simple) look (georgeous)!



Some & any


Some gebruik je in gewone (‘bevestigende’) zinnen.

Mum, I bought some cookies for tonight.


Any gebruik je in ontkennende (= met not) en in vraag zinnen.

I can’t recognise any of these people.

Are there any questions?
Uitzondering!

Soms gebruik je toch ‘some’ in vraagzinnen. Dat doe je wanneer je als antwoord ‘ja’ verwacht. Deze zinnen gaan heel erg vaak over eten en drinken.

Would you like some more tea?

Can I have some more chips?


Some en any worden ook in combinaties gebruikt:

Someone, somebody (iemand), somewhere (ergens), something (iets)

Anyone, anybody (niemand), anywhere (waar dan ook, nergens), anything (niets)
Wat moet je weten/kunnen?


  1. je moet weten wanneer je some of any gebruikt (opdr 11)

  2. je moet ook de combinaties kennen! (opdr 12)


Opdracht 11: some of any?


  1. Are there … questions?

  2. He saw … girls talking together.

  3. Could I have … more milk, please?

  4. There isn’t … milk left.

  5. He doesn’t like … of the girls his mother presented to him.

  6. John, could you go to the greengrocer’s and bring me … carrots? I need them now!


Opdracht 12 : some of any? Je moet ook combinaties gebruiken!


  1. I can’t find my pen … .

  2. Mildred, there’s … at the door for you!

  3. It was cold and dark, there wasn’t … or … abroad, everyone was safe and warm inside.

  4. Is there … at all who’s done his homework?

  5. Bristol, is that … in Scotland?

  6. Sir, could I ask … questions about your latest novel?

  7. Well, there isn’t … to be said now, so I guess I’d better go.

  8. All the light are out, so there isn’t … at home I guess.


Grammar Chapter Three

    • The passive (lijdende vorm): alle tijden!

    • Verbindingswoorden



The passive

Dit zijn alle tijden die je moet kennen en zelf moet kunnen maken!

TT (simple present) = am, is, are + voltooid deelwoord

VT(simple past) = was, were + voltooid deelwoord

VT(present perfect) = has/have + been + voltooid deelwoord

VT(past perfect) = had + been + voltooid deelwoord

TK (future) = will + be + voltooid deelwoord

Hulp werkwoorden = hulpww + be + voltooid deelwoord

Voorbeelden

She opens the window. The window is opened.

She opened the window. The window was opened.

She has opened the window. The window has been opened.

She had opened the window. The window had been opened.

She will open the window. The window will be opened.

She can open the window. The window can be opened.
Het moeilijke van dit onderwerp is dat je EERST moet weten WELKE TIJD je moet gebruiken en je DAARNA de juiste vorm van de PASSIVE erbij moet zoeken! Daarom moet je het schema uit je hoofd leren: bij de tegenwoordige tijd hoort am, is are + voltooid deelwoord, bij de toekomende tijd hoort will + be + voltooid deelwoord, etc.
Wat moet je weten/kunnen?


  1. de passive kunnen herkennen in alle tijden (opdr 13)

  2. de passive kunnen maken in alle tijden (opdr 14,15)

  3. gewone (‘active’) zinnen kunnen omzetten in passieve zinnen in alle tijden (opdr 14,15)

  4. het schema uit je hoofd leren! (schema)


Opdracht 13: welke zinnen staan in de passive?


  1. We were told that she would be late.

  2. I am still thinking about it.

  3. He has eaten all chocolates.

  4. All chocolates have been eaten.

  5. He is reading a book.

  6. The letter was sent by a dear friend.

  7. They have been seen talking together.

  8. She has opened the windows.


Opdracht 14 : write in the passive

LET OP: elke zin moet anders!

A letter is written.

A letter was written.

A letter has been written

A letter had been written.

A letter will be written.

A letter can be written.


  1. He writes a letter.

  2. He had bought a car.

  3. Tom painted his house.

  4. We will meet them in Paris.

  5. Mary can do her homework here.

  6. She has opened the window

Opdracht 15: rewrite in the passive


  1. He has bought a new car.

  2. We will meet them in London.

  3. They have closed the curtains.

  4. We may tell you later.

  5. He will buy flowers.

  6. We had answered all questions.

  7. She writes a letter.

  8. He read a book.

  9. We gave them a present.

  10. She will buy a duck.

  11. Tom has bought a book.

  12. Mary did the dishes.

  13. Elles hit Caroline.

  14. They know the answers.

  15. We might sing a birthday song.

  16. Jon buys a blue duck.

  17. He has sold his house.

  18. We had not seen them since last summer.

  19. She wrote a short note.

  20. We could phone them.



Verbindingswoorden

Dit zijn woorden die twee zinnen of delen van zinnen aan elkaar plakken. Het is nauwelijks anders dan het Nederlands en vaak gewoon een kwestie van goed weten wat de zinnen die verbonden moeten worden betekenen.
and en

but maar


though hoewel

unless tenzij, mits

because omdat

since omdat (vaak begin vd zin)

whether ..or of..of

or of


both ..and zowel … als

when wanneer

neither..nor noch .. noch

Wat moet je weten/kunnen?


  1. Je moet zinnen met het juiste voegwoord kunnen verbinden (opdr 16)



Opdracht 16: vul het juiste voegwoord in

  1. You’ll never pass this year … you start working!

  2. The teacher … the headmaster came to look for me.

  3. … Mary … James like playing computer games.

  4. … he came home he went straight to bed, he was that tired!

  5. I love him … he’s the cutest boy in the world!

  6. I’ll explain your English to you … I don’t fully understand it myself.

  7. … Nick … David were able to find my bag so I have to go and get it myself.

  8. OK, I’ll do it this time … I won’t do it again!

  9. He opened the door … quietly slipped inside.

  10. Well, you could ask Tim … Murad … Charles.



Grammar Chapter Four

    • simple past (talked) – past continuous (was/were talking)

    • bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden



Simple past en past continuous

Hoe maak je zo ook al weer?



SIMPLE PAST stam + ed work + ed = worked

see saw seen 2e rijtje onregelmatige werkwoorden


PAST CONTINUOUS was / were + stam + ing was talk+ing= was talking

I, he, she, it was

you, we, they were
Je gebruikt de continous (ook wel ing-vorm) wanneer:


      • iets in het verleden een poosje duurde

      • mensen echt iets aan het DOEN waren in het verleden

voorbeelden:

The girls were singing happily.

They were playing rugby.


Je gebruikt de simple past wanneer:

- iets een feit of een gewoonte is

- je in een zin (verhaal) wil laten zien dat alles snel na elkaar gebeurde
voorbeelden:

Donny was rather fat. (feit)

I always went to school by bike. (gewoonte)

Donny hit Pat, so Pat kicked Donny in the but and then Tom smashed Pat’s face.


Soms komen de twee vormen in 1 zin voor!

She was having a bath when the phone rang.

Actie die al een poosje duurde /bezig was: having a bath (past continuous)

Actie die onderbreekt: rang (simple past)


Voorbeelden:

We were having fun until my mother came home.

I was taking a shower when the doorbell rang.
Wat moet je weten/kunnen?


  1. simple past en past continuous kunnen maken (opdr 17,18)

  2. weten wanneer je welke vorm (s.p. of p.c.) gebruikt (opdr 19)


opdracht 17: zet in de simple past

  1. He talks a lot.

  2. Mary goes home early.

  3. Pat and Jim are at home.

  4. We buy a new car.

  5. They know the answer.

  6. She does her homework.

  7. Mary cries a lot.

  8. It stops quite often.


Opdracht 18 : zet in de past continuous

  1. She (laugh) again.

  2. Mat and Bev (talk) all the time.

  3. Trevor (go) home by car that night.

  4. He (speak) fast.

  5. I (work) late that particular night.

  6. While Mary (do) the dishes, John (tidy up) the room.


Opdracht 19: kies de juiste vorm

  1. She read/was reading a book when the doorbell rang/was ringing.

  2. He knew/was knowing all along.

  3. While she did/was doing the dishes, he played/was playing a computer game.

  4. We had/were having great fun till our teacher came/was coming in.

  5. David was catching/caught the ball and was passing/passed it to Keith, he was scoring/scored!

  6. Ages ago, rich people spoke/were speaking French in Britain.

  7. Murad did/was doing his homework when Mo was calling/called.

  8. The children played /were playing while the adult drank/were drinking tea.

Bijwoorden en bijvoeglijk naamwoorden

Kijk terug naar de grammatica bij hoofdstuk 2!


Bijvoeglijk naamwoorden zeggen iets van een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord. She is a gorgeous girl!

Bij woorden zeggen iets van een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of over een hele zin. He drove the car carefully.


Uitzonderingen:

  1. na bepaalde werkwoorden (werkwoorden die met een zintuig te maken hebben) krijgen bijwoorden geen –ly!

seem , look , feel , sound , taste , smell


  1. sommige bijwoorden krijgen nooit –ly

fast , soon , hard , fine , late , straight


  1. het bijwoord van economic is economically

  2. het bijwoord van sympathetic is sympathetically

  3. het bijwoord van good is well


Wat moet je weten/kunnen?

  1. Je moet weten wanneer je een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord moet gebruiken (opdr 20 )

  2. Je moet zelf bijwoorden kunnen maken (uitzonderingen leren dus!) (opdr 21 )


Opdracht 20 : kies de juiste vorm

  1. He went straight/straightly home.

  2. He’s incredible /incredibly stupid, don’t you think?

  3. Wow, this smells great/ greatly.

  4. That’s an extreme/extremely fast/fastly car!

  5. Debra seems extreme /extremely fortunate/fortunately.

  6. You look good /well.


Opdracht 21: maak de zinnen af

  1. Mary certainly looks (happy).

  2. He speaks (extreme) (fluent) English.

  3. (Fortunate), we were home before it started to rain.

  4. What’s this (terrible) noise?

  5. She (sympathetic) laid her hand on his shoulder.

  6. May-Sue looks (beautiful) in her (gorgeous) wedding dress.


Grammar Chapter Five

    • de genitive (‘s/’)

    • de toekomende tijd (will / to be going to)
De genitive

Dit gebruik je om aan te geven dat iets van iemand is.

This is Tom’s bag.

Our neighbours garden needs some tidying up!



London’s well-known buildings

Italy’s problems started in June last year.

An hour’s walk


De genitive gebruik je dus bij

  • mensen

  • landen en steden

  • dieren

  • tijdsduur

  • organisaties ( The UN’s resolution on…)

Dingen gaan nog gewoon met ‘of’:

The name of the street.

The boot of the car.
Je maakt de genitive met een ‘s of alleen een ‘.

Enkelvoud ‘s

Meervoud
Je kunt ook zeggen (dan heb je de uitzonderingen er meteen bij)

Eindigend op een s dan altijd

Niet eindigend op een s dan altijd ‘s
Voorbeelden:

The children’s bag were in the boot of the car.

Where’s the ladies department?

I’m the girls mother.




Wat moet je weten/kunnen?

  1. weten wanneer je de genitive gebruikt (opdr 22)

  2. de genitive zelf kunnen maken (opdr 23)


Opdracht 22 :Kies de juiste vorm

  1. our neighbour’s garden / the garden of our neighbours / our neighbours’ garden

  2. the pen from John / John’s pen / Johns’ pen

  3. London’s musea / the musea from London / the musea of London

  4. a walk of two hours / a two’s hours walk / a two hours’ walk

  5. the table’s legs / the tables’ legs / the legs of the table

  6. the paper of yesterday / yesterday’s paper / yesterdays’ paper

  7. Charles’s horse / the horse from Charles / the horse’ Charles

  8. the nose’s cat / the nose of the cat / the cat’s nose

  9. the dustbin’s lid / the lid of the dustbin / the dustbins’ lid

  10. The Netherlands’s dikes/ the dike of The Netherlands / The Netherlands’ dikes

  11. David’s bread / Davids’ bread/ the bread of David

  12. The house’s roof / the roof’s house / the roof of the house

  13. A holiday of three months / a three months’ holiday / a three months’s holiday

  14. Dennis’ good looks / Dennis’s good looks / the good looks of Dennis

  15. my uncles’ shop/ my uncles shop / the shop of my uncles


Opdracht 23: vertaal

  1. De boeken van de leerlingen

  2. Het hok van de hond

  3. De brieven van mijn tante (tante=aunt)

  4. De ondergrondse van Londen (ondergrondse = Tube)



De toekomende tijd

Alles wat nog moet gebeuren zet je in het Engels in de toekomende tijd. LET OP want dat doen we in het Nederlands niet!!
De toekomende tijd maak je op 2 manieren:

Will


To be going to alleen wanneer iemand van plan is iets te gaan doen!

To be going to I am going to leave / you are going to kiss /she is going to solve etc.

Voorbeelden:

We will move to Friesland next year. (het is een vaststaand feit)

Jim is going to come by this evening. (Hij is het van plan)

Tomorrow will be another hot and dry day.


Wat moet je weten/kunnen?

  1. de toekomende tijd zelf kunnen maken (opdr 24)

  2. weten wanneer je de toekomende tijd gebruikt (opdr 25)

  3. weten wanneer je will / to be going to gebruikt (opdr 24, 26)

Opdracht 24 : zet in de toekomende tijd

Example: She (go) to France next summer. She will go to France next summer.



  1. He (be) 18 next year.

  2. They (leave) for college in September.

  3. Mary (marry) Will in December.

  4. Sandra (call) us this evening.

  5. We (picnic) this afternoon.

  6. My mom (be) very angry now we’re home this late!


Opdracht 25 : kies de juiste vorm

  1. He goes /will go to the dentist tomorrow.

  2. We have /will have steak for supper next Wednesday.

  3. They meet / will meet at the bus stop every day.

  4. Sam always leaves / will leave at eight o’clock.

  5. I tell /will tell her as soon as possible.


Opdracht 26 : kies de juiste vorm

  1. I will buy / am going to buy a cat.

  2. We will see / are going to see you then.

  3. She will go /is going to go for a weekend to London.

  4. He wil tell /is going to tell her tonight.



Grammar Chapter Six

    • A/an

    • Used to

    • De gerund

    • Woordvolgorde



A of an

Je gebruikt a als het volgende woord met een medeklinker begint (a therapist) en an als het volgende woord met een klinker begint (an artist).


Als je zegt wat voor beroep of titel iemand heeft gebruikje in het Engels ook a of an!

A doctor, a receptionist, a milkman, a nurse, a teacher, a bookseller, a police officer


Na ‘as’ gebruik je ook a of an

She worked here as a receptionist. As a teacher I have a lot of homework.


Je gebruikt GEEN a of an wanneer er maar 1 persoon kan zijn die een bepaald beroep of functie uitoefent. Er is altijd maar 1 kampioen, 1 winnaar, 1 koning(in), 1 voorzitter, 1 eerste minister

As Prime Minister, Tony Blair changed Britain’s politics.

My dad is chairman of the Stamp Collecting Society.

I’m chairperson of Blaucapel’s Party Committee.



Wat moet je weten/kunnen?

  1. weten wanneer je a of an gebruikt (klinker/medeklinker) (opdr 27)

  2. weten wanneer een a/an of niets gebruikt (opdr 27)


Opdracht 27: gebruik a, an of – (wanneer er niets mag)

  1. My dad is … teacher and my mum is … engineer.

  2. I ‘d like to become … chairperson of Gary’s fanclub!

  3. As … doctor, my mum makes long hours.

  4. He’s worked as … economist for 20 years before they fired him.

  5. Beatrix has been … queen for many years now.

  6. My dad is … Prime Minister of Britain.



Used to

Dit geeft aan dat iets vroeger zo was.

Na to komt altijd een heel werk woord.


I used to know him well. Vroeger kende ik hem goed.

My dad used to play football. Vroeger speelde mijn vader voetbal.

We used to meet every day. We kwamen elkaar vroeger elke dag tegen.
Wat moet je weten/kunnen?


  1. je moet zinnen met ‘used to’ kunnen maken (opdr 28)


Opdracht 28: vertaal



  1. Ik had vroeger blond haar. (fair hair)

  2. Ik had vroeger een kat.

  3. Zij was vroeger een fan van U2.

  4. Vroeger ging ik altijd uit in Utrecht.

  5. Noel was vroeger de knapste jongen in Manchester.



De Gerund

De gerund is een ‘losse ing-vorm’.

Je gebruikt de gerund:



  • Wanneer een werkwoord onderwerp van de zin is

Smoking is forbidden.

No Parking.



  • Na de werkwoorden: hate, like,love, regret, mind, risk, start, begin

I hate doing the dishes!

She likes dancing.

Would you mind shutting up for a minute!


  • Na de uitdrukkingen: worth en couldn’t help

It’s worth reading.

I couldn’t help overhearing you.



  • Na voorzetsels ( zoals bijvoorbeeld of,before,to, on, without etc)

He left without saying goodbye.

Go on reading, please.

He not used to working that hard!

Wat moet je weten/kunnen?


  1. Je moet de gerund kunnen maken

  2. Je moet weten wanneer je de gerund gebruikt (opdr 29)


Opdracht 29 : kies de juiste vorm

1. She doesn’t like to go / going out in Amsterdam.

2. I only wanted to help / helping you.

3. He was send away from school for to steal / stealing a mobile phone.

4. It’s not worth to talk / talking about.

5. I really hate to do / doing my homework in the afternoon.



  1. To watch/ Watching TV is my favourite hobby!

  2. I wouldn’t risk to start / starting all over again.

  3. Do you wish to dance /dancing?

  4. He’s always talking about to leave / leaving the country forever.

  5. She couldn’t help to fall / falling for him again.



Woordvolgorde

Op zich is dit niet zo moeilijk, maar je moet de regels wel even op een rijtje hebben.

Bovendien moet je beseffen dat een Engelse zin geen woordje-voor-woordje vertaling is van een Nederlandse zin!
1. Onderwerp + gezegde(=ww) + meew. voorw. + lijdend voorw. + bepalingen

The guide showed us the sights of the town.

We smoked a cigarette outside.

They saw her in London last week.


De ‘bepalingen’ hebben ook een vaste volgorde: Manner Place Time

She was doing the dishes in the dishwasher in the kitchen last night.


NB lees deze zinnen eens goed door:

  1. Ga deze lente naar de bollenvelden.

Go to the bulb fields this spring.

  1. Ik zag hem vorige week in onze straat.

I saw him in our street last week.

  1. We gaan vanavond naar de disco.

We are going to the disco tonight.
2. Plaats in de zin van often, never , sometimes, etc.

er zijn drie mogelijkheden:



  1. tussen het onderwerp en het werkwoord (er is dan maar 1 werkwoord in de zin)

  2. na het eerste werkwoord (er zijn dus meerdere werkwoorden in de zin)

  3. na alle vormen van to be : am, is, are, was, were (uitzondering!)

voorbeeldzinnen:

  1. She often talks about him.

  2. We have never met him before.

  3. He is seldom late.


Wat moet je weten/kunnen?

  1. Je moet een ‘losgeknipte’ zin weer op de juiste volgorde kunnen zetten

  2. Je moet zelf goede Engelse zinnen kunnen maken

  3. Leer de aantekening over de plaats in de zin van woorden als ‘often’, ‘sometimes’, etc.


Opdracht 30 : zet op de juiste volgorde (hele zinnen opschrijven)


  1. last month – went – we – for a long walk – together

  2. to London – we – go – in June - will

  3. I – in the kitchen – talking – about Tom – with – was – Mary – yesterday

  4. David – saw – us – his present - buying

  5. the answers – find - you - in the text - can

  6. they - are watching – I - am making - TV- while –this test

  7. Daisy – to Spain - on holiday – with- is - her boyfriend’s – going -parents

  8. only – smoke – fools - cigarettes

  9. we -to Oxford - in July - will – by plane - on holiday – next year - go

  10. thank god – is – over – this test – in an hour - !


Opdracht 31 : zet op de juiste plaats in de zin

Voorbeeld: I go to work by car. (always)

I always go to work by car.
1. I can remember her name. (never)

2. He takes sugar in his tea. (usually)

3. My father watcher TV. (hardly ever)

4. She went shopping. (also)

5. Your car has been stolen (probably)

6. We have to hurry in the morning. (always)

7. I was joking. (only)

8. We have lived in a big town before. (never)

9. He meets his old friends. (rarely)

10. She missed the train this morning. (nearly)

11. Mr Harris has gone out. (just)

12. Will you learn to spell correctly? (ever)

13. The London train is late. (seldom)

14. The baby is asleep. (almost)

15. He can be serious. (never)

Opdracht 32: zet in de juiste volgorde

1. children / very much / I like

2. to work / I walk / every morning

3. sports / very much / they don't like

4. the game / easily / he won

5. so late / why / home / did you come?

6. her name / after a few minutes / I remembered

7. so late / to bed / she shouldn't go

8. the party / enjoyed / the children / very much

9. Susan / her penfriend / every week / writes

10. their holidays / in Spain / they spent / last year

11. opposite / our school / houses / they are building

12. your son / play cricket / does / every Saturday?

13. to London / for a few days / he's going

14. lost / somewhere / I / my passport

15. bought / some shirts / yesterday / in town / I






Grammar Chapter Seven

  • tijden : tegenwoordige, verleden en voltooide tijd

  • adviezen geven: should, must/have to, can /could



Tijden

Wanneer gebruik je nou welke tijd?

Grofweg:

Tegenwoordige tijd: het gebeurt nu

He likes apple-pie.



Verleden tijd: het is al gebeurt

She wrote the letter last night.



Voltooide tijd: het is in het verleden begonnen en het gaat nog steeds door.

I have lived in Maarssen since 1984.


SIGNAAL Woorden

Sommige tijden moet je automatisch gebruiken wanneer er bepaalde woorden in de zin staan. Wanneer je zelf een stuk moet schrijven kun je dus deze woorden er zelf in verwerken, zodat je zeker weten de juiste tijd gebruikt!


Tegenwoordige tijd (works, go) now, today
Verleden tijd (worked, went) alle tijdsbepalingen van verleden tijd last week/month/year, yesterday, when we were young, when we were in Spain, etc.
Voltooide tijd (have worked, has gone) lately, recently, yet, for, since, already

Wat moet je weten/kunnen?

  1. weten wanneer je welke tijd gebruikt (tegenwoordig, verleden, voltooid) (opdr 34, 35)

  2. de werkwoorden in de juiste tijden kunnen vervoegen (opdr 33, 34, 35)

  3. je onregelmatige werkwoorden kennen! (opdr 33)


Opdracht 33: zet in de verleden tijd (onregelmatige werkwoorden)

1. We (goes) out early.

2. They always (come) back for lunch.

3. She (gives) him expensive gifts.

4. He (takes) her to the theatre.

5. You sometimes (sit) under that tree.

6. I (see) her every week.

7. Mother (buys) her vegetables here.

8. We (eat) chocolates in class.

9. Ladies always (drink) tea.

10. Father (speaks) to him after the show.

11. I (write) her a letter once a month.

12. We (keep) in touch for a long time.

13. You always (lose) your keys!

14. The telephone (rings) all day long.

Opdracht 34: kies de juiste vorm : tegenwoordige of verleden tijd

1. At the moment my cousin (study) biology at university.

2. We (arrive) at our hotel just before midnight.

3. They (go) to Scotland last year as well.

4. Mum! I think the meat (burn). There's smoke in the kitchen.

5. I (make) soup. Would you like some?

6. No thanks, I (have) lunch in town half an hour ago.

7. When I switched on the light I (see) two mice running away.

8. (Hurt) your arm when you move it?

9. What (cook) you? It smells delicious.

10. (Find) you find the books you wanted to buy?
Opdracht 35: Kies de juiste vorm: verleden of voltooide tijd
1. Tom (lose) his keys yesterday.

2. We (play) soccer since three o'clock.

3. They (have) this house for 10 years now.

4. When I was young I (like) dancing very much.

5. During World War II many people (die)

6. He (work) here for 12 years; then he stopped.

7. She (smoked) 20 cigarettes today; and it's only 3 o'clock.

8. My sister (be) in the bathroom for 2 hours now!

9. Last week your parents (play) bridge with us.

10. During our holidays we (see) many interesting sights.

11. I (have) two lessons so far and three more to come.

12. He (take) his car and drove away fast.

13. The weather (be) great so far.

14. I (live) here all my life.

15. Last summer we (go) to Greece.


Adviezen geven: should, must / have to, can /could

should = zou moeten

shouldn’t = zou niet moeten

must / have to = moeten

mustn’t = niet moeten, niet mogen

can = kunnen

to be able to = in staat zijn

Must

Is een apart werkwoord!! Must gebruik je nl alleen maar in de tegenwoordige tijd, voor de andere tijden moet je ‘have to’ vervoegen.


Ik moet I must (tegenwoordige tijd)

Ik moest I had to (verleden tijd)

Ik heb gemoeten I have had to (voltooide tijd)

Ik zal moeten I will have to (toekomende tijd)


Can

Is ook al een apart werkwoord!


Ik kan I can (tegenwoordige tijd)

Ik kon I could (verleden tijd)


Voor de andere tijden moet je ‘to be able to’ vervoegen!!

Voltooid:

Ik heb gekund I have been able to (she has been able to, you have been able to)

Toekomende tijd:

Ik zal kunnen I will be able to
Om het nog ingewikkelder te maken……

Could is ook een beleefdheidsvorm van can, dus soms gebruik je could wel degelijk in de tegenwoordige tijd…

Could I have some biscuits, please? Mag ik wat koekjes alsjeblieft?

Opdracht 36 : maak de zinnen af met de juiste vorm

Gebruik woorden uit het schema: must, mustn’t, should, shouldn’t, must, have to, can, could, be able to (denk aan de afwijkende vervoegingen!!)




  1. You … leave now or you’ll be late !

  2. You … stay up this late, look at you: you look a frightening sight!

  3. You … to swim when you are a lot older, Gwen, you’re only 3 now.

  4. He … do his homework this afternoon as he forgot his books.

  5. … I have five pounds, please? I’m broke!

  6. Tom, you … walk on the grass!




  • If sentences
  • Verbindingswoorden
  • Simple past en past continuous
  • De toekomende tijd
  • Woordvolgorde

  • Dovnload 113.61 Kb.