Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Sjemot 12 – bo 12

Dovnload 114.87 Kb.

Sjemot 12 – bo 12



Datum05.12.2018
Grootte114.87 Kb.

Dovnload 114.87 Kb.


SJEMOT - 12 – BO

12. 1. Hasjem zei tegen Mosjé en tegen Aharon1 in het land Egypte2 als volgt: 2. Deze maand3 is voor jullie het begin van de maanden, hij is de eerste van de maanden het jaar. 3. Spreekt tot de gehele gemeente4 Israël als volgt: Op de tiende van deze maand5 zullen zij zich ieder een lam nemen, voor iedere familie6, een lam voor ieder huis. 4. En als het huisgezin te klein is voor een lam7, dan neemt hij het met zijn buurman, die het dichts naast zijn huis woont; naar het aantal8 personen, naar wat zij eten9 zul je tellen10 bij het lam. 5. Een lam zonder gebrek11, mannelijk, in zijn eerste jaar12 zullen jullie nemen, van de schapen en of van de geiten13 kunnen jullie het nemen. 6. Jullie zult het in bewaring houden14 tot de veertiende dag van deze maand, en dan zal de hele vergadering van de gemeente Israël15, het slachten16 tijdens de schemering17. 7. En zij zullen van het bloed nemen18 en dat aan de beide deurposten19 en aan de bovendorpel20 strijken, aan de huizen, waarin zij het zullen eten21. 8. Zij zullen het vlees22 die avond eten, in het vuur geroosterd met matsot en met bittere kruiden zullen zij het eten. 9. Jullie mogen er niet van eten als het half gaar is of als het in water gekookt23 is, maar het moet op het vuur geroosterd24 zijn, met zijn kop, zijn enkels25 en zijn ingewanden. 10. Jullie mogen er niets van overlaten tot de ochtend, en wat tot de ochtend overblijft26, zullen jullie in het vuur verbranden. 11. En jullie moeten het aldus eten: jullie lendenen omgord27, jullie schoenen aan je voeten, jullie stok in je hand, en jullie zult het in haast eten; het is een Pesach-offer voor Hasjem28. 12. En ik zal door het land Egypte trekken29 die nacht en Ik zal alle eerstgeborenen in het land Egypte30 treffen, van mens tot vee31, en alle afgoden van Egypte32 zal Ik straffen, Ik, Hasjem33. 13. Dan zal het bloed voor jullie als teken dienen34 aan de huizen, waarin jullie je bevinden, en als Ik het bloed zie35 zal Ik jullie overslaan36 en geen ver­nie­ti­gen­de plaag zal jullie treffen37 wanneer Ik Egypte sla. 14. Deze dag zal voor jullie een aandenken 38 zijn en jullie zult hem vieren39 als een feestdag ter ere van Hasjem, in al jullie nageslachten40, als een eeuwig durende wet zullen jullie het vieren. 15. Zeven dagen41 zullen jullie matsot eten42, maar op de eerste dag zullen jullie wat gegist is uit jullie huis wegruimen43, want ieder die iets dat gegist is eet, die persoon44 zal uit Israël45 worden uitgeroeid, van de eerste dag tot de zevende dag. 16. De eerste dag zal een heilige dag dag genoemd worden, geen enkel werk zal er dan gedaan worden46, slechts wat iedereen47 eet, alleen dat48 mag voor jullie bereid worden. 17. En houden jullie de matsot in acht49, want op die zelfde dag voer Ik jullie legers uit het land Egypte; en julllie moeten deze dag50 voor alle geslachten als een eeuwig durend voor­schrift51 beschouwen. 18. In de eerste [maand], op de veertiende dag van die maand, ’s avonds, moeten jullie matsot eten, tot de eenentwintigste dag52 van die maand ’s avond. 19. Gedurende zeven dagen zal er niets dat gegist is in jullie huizen gevonden53 worden, want ieder die chameets eet54, die persoon zal worden afgesneden van de gemeenschap Israël, zowel een vreemdeling als wie in het land geboren is55. 20. Geen enkel chameets mogen jullie eten56, in al jullie woonplaatsen zullen jullie matsot eten57. 21. Nu ontbood Mosjé alle oudsten van Israël en zei tegen hen: „Haalt58 of koopt59 jullie kleinvee voor jullie families60 en slacht het Pèsach-offer. 22. Jullie moeten een bundeltje hyzop61 nemen en dopen in het bloed, dat in het bekken62 is, en daarmee de bovendorpel en de beide deurposten aanraken, met het bloed dat in het bekken is63; maar jullie, geen mens zal de deuropening van zijn huis uitgaan64, tot de ochtend. 23. Wanneer Hasjem voorbij komt om Egypte te slaan, en het bloed aan de bovendorpel ziet en op de twee deurposten, dan zal Hasjem die ingang overslaan65 en de verdelger niet jullie huizen laten66 binnen gaan om te slaan. 24. En houden jullie je aan deze zaak als een wet voor jou en voor je zonen tot in eeuwigheid. 25. En het zal gebeuren, dat wanneer jullie gekomen bent67 naar het land dat Hasjem jullie zal geven, zoals Hij gezegd heeft68, dan zullie jullie deze dienst in acht nemen. 26. Dan zullen jullie zonen tegen jullie zeggen: wat betekent deze dienst voor jullie? 27. En dan zullen jullie antwoorden: Een Pèsach- offer is het voor Hasjem, die de huizen van de Israëlieten in Egypte oversloeg toen Hij de Egyptenaren sloeg en onze huizen redde. Hierop boog het volk69 en wierp zich neer. 28. En de Israëlieten gingen heen en deden70 zoals Hasjem Mosjé en Aharon geboden had71, zo deden zij. 29. Het gebeurde te middernacht en Hasjem72 trof alle eerstgeborenen in het land Egypte, van de eerstgeborene van de Phar’o73 die op zijn troon zat, tot de eerstgeborene van de gevan­ge­ne74 die in de gevangenis was en al de eerstgeborenen van het vee. 30. Toen stond Phar’o ‘s nachts op75, hij76 en al zijn dienaren en geheel Egypte, en er was een luid geweeklaag in Egypte, want er was daar geen huis waar geen dode in was77. 31. Hij ontbood Mosjè en Aharon in de nacht78 en zei: „Kom op, en trek uit het midden van mijn volk, zowel jullie79 als de kinderen Israël80, gaat heen en dient Hasjem zoals jullie gezegd hebben81. 32. Neemt zowel jullie- als jullie rundvee82 mee, zoals jullie gezegd hebben, en gaat heen en zegent ook mij83. En Egypte drong sterk aan bij het volk om het spoedig te laten weggaan uit het land, want zij zeiden: wij allen sterven84. 34. En het volk droeg zijn deeg nog voor het kon gisten85, hun baktroggen86 in hun kleren gebonden, op hun schouders87. 35. En de Israëlieten deden over overeenkomstig het woord van Mosjé88 en zij vroegen van Egypte zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen en kleren89. 36. En Hasjem gaf het volk gunst in de ogen van Egypte en zij gaven hun op hun verzoek90 zij plunderden91 Egypte leeg. 37. De Israëlieten reisden van Ra'amses naar Soekot92, ongeveer zeshonderd duizend mannen93 te voet, behalve de kinderen. 38. En ook een hoop gemengd volk94 trok met hun op, en kleinvee en rundvee, een zeer grote kudde. 39. En zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen ongegeistwe koeken95 want het was niet gegist, want zij werden verdreven uit Egypte en zij konden niet talmen en ook proviand hadden zij zich niet bereid96. 40. En het verblijf van de Israëlieten in Egypte97 had vierhonderd en dertig jaar98 geduurd. 41. En het gebeurde aan het eind van vierhonderd en dertig jaar, het gebeurde juist op die dag99, dat al de legerscharen van Hasjem uit het land Egypte trokken. 42. Het was een nacht van waakzaamheid voor Hasjem, om hen uit het land Egypte te voeren; het zal zo'n zelfde nacht van waakzaamheid blijven ter ere van Hasjem voor heel Israël, tot hun nageslachten. 43. Toen zei Hasjem tegen Mosjé en Aharon: dit is het voorschrift voor het pésach-offer: een vreemdeling mag er niet van eten. 44. Maar iedere slaaf die iemand voor geld gekocht heeft en die je besneden hebt, die mag er van eten. 45. Een inwonende en een dagloner mogen er niet van eten. 46. In één huis moet het gegeten worden, je mag het vlees niet mee naar buiten het huis brengen, en geen bot mogen jullie ervan breken. 47. Heel de gemeenschap Israël zal het zo doen. 48. En wanneer een vreemdeling bij jou inwoonten hij wil het pésach-offer voor Hasjembrengen, dan moeten alle mannen bij hem besneden worden, en pas dan mag hij naderbij komen om het te offeren, en hij zal zijn als den burger van het land, maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten. 49. Eén wet zal er zijn, zowel voor de burger als voor de vreemdeling die in jullie midden verblijft. 50.Alle Israëlieten zullen doen zoals HasjemMosjé en Aharon bevolen heeft, zo zullen zij doen. 51. En het gebeurde op die zelfde dag dat Hasjem de Israëlieten uit het land Egypte voerde, volgens hun legerscharen.


1 12. 1. Hasjem zei tegen Mosjé en Aharon: Omdat Aharon gewerkt en zich moeite gegeven had bij het verrichten van de wonderen, evenals Mosjé, schonk Hij hem deze eer bij het eerste gebod dat Hij hem in het eerste gesprek met Mosjé opnam.

2 in het land Egypte: Buiten de hoofdstad; of niet, maar binnen de stad? Daarom leert het ons: Zodra ik de stad uit ben (Sjemot 9: 29). Immers, in een gebed, dat van minder betekenis is, bad hij niet binnen de stad, zou hij dan bij zo’n belangrijk gesprek [met Hasjem] niet zeker de stad uitgaan? En waarom sprak Hij niet met hem in de stad? Omdat die vol afgodsbeelden was.

3 2. Deze maand: Hij toonde hem de maan als deze nieuw is en zei tegen hem: wanneer de maan zich vernieuwt, zal het voor jou het begin van de maand zijn. Maar een vers gaat niet buiten zijn eenvoudige verklaring. Betreffende de maand Nissan zei Hij tegen hem: deze maand zal de eerste zijn in de volgorde van de maanden, zodat Ijar de tweede maand genoemd zal worden, Siwan de derde, enz.

Deze: Mosjé had er moeite mee om te weten hoe groot de maan moest zijn voordat deze geschikt was om de maand te wijden. Daarom toonde Hij hem de maan met Zijn vinger aan het uitspansel, en zei tegen hem: zoals deze, en dan zul je inwijden [wanneer je de maan in deze grootte ziet kun je de maand voor begonnen verklaren (Ond.)]. En hoe toonde Hij hem de maan? Hij sprak immers alleen overdag met Mosjé, want er staat geschreven [in Sjemot 6: 28]: het was op de dag, dat Hasjem sprak, en de dag, dat Hij gebood [Wajikra 7: 38] enz. Maar deze afdeling werd gezegd dicht bij het ondergaan van de zon, en Hij toonde hem de maan tegen donker.

4 3. Spreekt tot de gehele gemeente: En sprak Aharon dan? Is er dan niet reeds gezegd: jij [Mosjé] zult zeggen [Aharon zou immers slechts tegen Phar’o spreken, terwijl Mosjé overigens het woord zou voeren]. Maar zij schonken elkaar de eer, en zij zeiden de een tot de ander: leer mij, en de woorden kwamen tussen hen beiden uit, als­of zij allebei spraken.

5 Spreekt tot de gehele gemeente Israël als volgt, op de tiende van de maand: Spreekt vandaag, bij het begin van de maand, dat zij op de tiende van de maand zullen nemen, enz.

Van deze: De aanschaf van dit pesach-offer [dat in Egypte zelf geofferd werd (Ond.)], moet plaats hebben op de tiende, maar niet de aanschaf van het pesach-offer bij de nageslachten. (Pesachiem 96a).

6 Een lam voor iedere familie: Voor één familie. Wanneer zij met velen waren [d.w.z. met veel families], zou dan één lam voor allen tesamen zijn? Daarom leert het ons: voor ieder huis een lam.

7 4. En als het huisgezin te klein is voor een lam: Indien zij te gering in aantal zijn om bij één lam te horen, omdat zij het niet kunnen opeten en dan zou het een overblijfsel worden, dan neemt hij het met zijn buurman. Dit is de betekenis ervan in de eenvoudige zin. Maar er bestaat ook een agadische verklaring: Deze woorden dienen om ons te leren, dat men, nadat men erbij gerekend was, het aantal [mensen dat geteld was en dat bij één lam hoorde] kon verminderen en zich daarvan terugtrekken en zich bij een ander lam laten tellen. Maar indien men zich wilde terug­trekken of het aantal verminderen voor een lam, dan mocht men verminderen zolang het lam nog bestond, zolang het nog leefde, maar als het eenmaal geslacht was, niet meer.

8 naar het aantal: [vertaling volgens Rasji].

9 naar wat zij eten: Wie instaat is om te eten, met uitsluiting van de zieke en de bejaarde, die niet de hoeveelheid van een olijf grootte kunnen eten.

10 zul je tellen: [volgens de vertaling van Onkelos, aldus Rasji].

[Delen van een offer die niet binnen de voorgeschreven tijd gegeten of op het altaar verbrand zijn, worden notar, overblijfsel genoemd en mogen niet meer gegeten of op het altaar verbrand worden (Ond.)].



11 5. zonder gebrek: [ volgens vertaling Rasji].

12 in zijn eerste jaar: Gedurende zijn eerste levensjaar. Het wil zeggen dat geboren is in dit jaar [dus niet: dat een jaar oud is].

13 van de schapen of van de geiten: òf van dit òf van dat, want ook een [jong] geitje wordt een lam genoemd.

14 6. Jullie zult het in bewaring houden: Dit is een uitdrukking voor onderzoek. Het wil namelijk zeggen dat het lam een onderzoek vereist naar aanwezige gebreken gedurende vier dagen vóór het slachten [Pesachiem 96a]. En waarom liet Hij het vier dagen voor het slachten reeds aanschaffen, iets dat Hij niet aldus bevolen heeft voor de na­ge­slachten? R. Mathja, de zoon van Chesj, zei in antwoord hier op: Kijk, Hij zegt: en Ik trok u voorbij en Ik zag u, en ziet, uw tijd was daar, de tijd van liefkozen (Jechezkel 16: 8), de tijd voor de vervulling van de eed was genaderd, die Awraham had gezworen, dat Ik zijn zonen verlossen zou. Zij hadden echter geen geboden om zich ermee bezig te houden, opdat zij verlost zouden worden. Want er is gezegd: en je was naakt en bloot [Jechezkel 16: 7] [d.w.z. zon­der geboden]. Nu gaf Hij hun twee geboden, één voor het bloed van het Pésach offer en één voor het bloed van de be­snij­­denis. Zij besneden zich namelijk in die nacht, zoals er geschreven staat [in Jechezkel 16: 6]: wentelend in jullie bloeden. In twee soorten van bloed. Ook zegt Hij: Ook jij, door het bloed van jouw verbond heb Ik jou gevangenen weggezonden uit de put, waarin geen water was [Zecharja 9: 11]1. En een andere verkla­ring: Omdat zij overstroomd waren door afgodendienst2 zei Hij tot hen: haalt en neemt jullie [vers 21], haalt jullie handen van de af­go­den­dienst en neemt jullie kleinvee voor het gebod.

15 vergadering van de gemeente Israël: vergadering en gemeente en Israrël. [Eén van deze drie woorden zou voldoende geweest zijn]. Daarom zegt men: de Pésach offers van de gemeente3 werden geslacht in drie groepen, de één na de ander. Als de eerste groep was binnen gekomen, dan werden de deuren van het voorhof gesloten, enz.. zo komt voor in Pésachiem (64a).

16 en dan zullen zij slachten: Maar slachten zij dan allen? [één persoon slachtte immers het Pésach-lam, dat voor verscheidene personen was bestemd? (Ond.)]. Maar hieruit blijkt, dat iemands gevolmachtigde gelijk hemzelf is4 (Mechilta, Kiddoesjien 40b).

17 tijdens de schemering: [Lett.: tussen de beide schemeringen] Van het zesde uur [van de dag]5 af en verder wordt schemering genoemd, waarin de zon zakt naar de plaats van ondergang om te verduisteren. En de uitdrukking schemering schijnt in mijn ogen te doelen op die uren, die gelegen zijn tussen de schemering van de dag en de schemering van de nacht. De schemering van de dag begint bij het begin van het zevende uur, vanaf dat de avond­schaduwen zich gaan uitstrekken. En de schemering van de nacht begint met het begin van de nacht.

Aantekeningen op Rasji:

1 Het slachten was reeds een begin van de redding; aan de redding, dus ook aan het slachten, diende nog een gebod vooraf te gaan, n.l. het zich aanschaffen enige dagen vóór het slachten (Ond.).

2 Een afgodendienst die gelijk stond met algemene miskenning van het Jodendam. Daarom werd hun geboden zich een offer aan te schaffen ter ere van G-d. Daardoor zouden zij tonen geen heidenen te zijn, maar de dienaren van de ware G-d. Dat dit de bedoeling was van het gebod, blijkt uit de woorden, die Mosjé gebruikte bij de mededeling van het gebod; met het oog n.l. op de afgoden dienst zei hij het hierna volgende (Ond).

3 Ter onderscheiding van die, welke op 14 Ijar door enkele personen gebracht werden [op Pèsach Sjéni] (Ond.)

4 Diegene die slachtte, had daartoe van zelf de volmacht van allen, voor wie het bestemd was; daarom werd het beschouwd, alsof zij allen hadden geslacht (Ond.).

5 De dag wordt daarbij verdeeld van zonsopkomst tot zonsondergang in twaalf gelijke delen, [tijds-] uren. Deze tijdsuren zijn 's zomers en 's winters dus niet even lang, want de dagen zijn 's zomers langer dan 's winters. Maar het zesde uur van de dag valt wel altijd op onze twaalf uur 's middags [Zwi].

18 7. En zij zullen van het bloed nemen: Dit doelt op het opvangen van het bloed in de bekkens. Men zou kunnen denken, dat men het opving met de hand. Daarom leert Tora ons [in vers 22]: wat in het bekken is.

19 de deurposten: Dit zijn de overeindstaande [posten], één aan deze zijde van de ingang en één aan de andere zijde.

20 de bovendorpel: Dit is de bovenpost, waar de deur tegenaan slaat, wanneer men hem sluit, bovendorpel.

21 de huizen waarin zij eten: en niet aan de posten en dorpels van een huis voor het opslaan van stro, of een runderstal, waarin men niet woont.

22 8. het vlees: En niet de pezen en beenderen.

23 9. gekookt: [er staat: gekookt, in water gekookt, dus twee maal het woord gekookt (Zwi)] Op welke wijze ook gekookt. Hieruit volgt dat dit verbod ook geldt voor het koken in andere dranken [dan water].

24 maar op het vuur geroosterd: Hierboven [in vers 8] bepaalde Hij dienaangaande door een gebod, en hier voegt Hij daaraan een verbod toe: je zult er niet van eten, tenzij geroosterd aan het vuur.

25 met zijn kop, zijn schenkels: Men roosterde het ineens in zijn geheel, met zijn kop en met zijn schenkels en met zijn ingewanden; en zijn ingewanden legde men erin, nadat zij waren afgespoeld (Pesachiem 74a). En het woord met duidt aan: zoals het is, al zijn vlees, volkomen.

26 10. en wat tot de ochtend overblijft: Wat leert Tora ons met dit tweede tot de ochtend? Om een ochtend toe te voegen aan de ochtend, want de betekenis van het eerste woord ochtend is: vanaf het tijdstip van zonsopkomst, en nu wil de Schrift dat tijdstip vervroegen, zodat het verboden is te eten reeds vanaf het aanbreken van de dageraad. Dit is volgens de eenvoudige verklaring. En er is nog een andere, agadische verklaring: het leert ons, dat men het overblijfsel niet op de feestdag zelf vebrandt, maar op de volgende dag. Men moet het aldus veklaren: dat wat ervan over gebleven is op de eerste ochtend, zal blijven staan tot de tweede ochtend, en dan moet je het verbranden (Pesachiem 83b, Sjabbat 24b).

27 11. jullie lendenen omgord: Gereed voor de reis.

28 het is een Pessach-offer voor Hasjem: Het offer wordt pessach genoemd vanwege het overspringen en het overschrijden, [pasach betekent overschrijden in het hebreeuws].

29 12. En Ik zal doortrekken: Als een koning die doortrekt, van plaats tot plaats, waarbij in één keer voorbijgaan en in één ogenblik allen gestraft worden.

30 alle eerstgeborenen in het land Egypte: Ook de eerstgeborenen van anderen [van niet Egyptenaren] die dan in Egypte zullen zijn. En waaruit blijkt dat ook de eerstgeborene die elders waren, gestraft werden? Tora leert ons [in Psalm 136: 10]: Hij, die Egypte sloeg met hun eertgeborenen [waar die zich ook bevonden].

31 van mens tot vee: Wie het eerst begint met het misdrijf, bij hem begint de straf (Mechilta).

32 en alle afgoden van Egypte: Eén van hout verrotte, en één van metaal smolt weg en werd uitgestort op de aarde.

33 zal Ik straffen, Ik, Hasjem: Ik zelf, en niet door middel van een gezant.

34 13. Dan zal het bloed voor jullie tot teken dienen: Voor jullie tot teken, en niet voor anderen. Hieruit blijkt dat er alleen van binnen bloed was.

35 en als Ik het bloed zie: Alles is voor Hem duidelijk [Hij hoefde niet te zien of de Israëlieten bloed aan de deurposten gedaan hadden (Ond.)], maar het betekent, dat de Heilige, geloofd zij Hij, zei: Ik zal er opletten of jullie zich aan mijn voorschriften houden, dan zal Ik jullie overslaan.

36 dan zal Ik overslaan: Dan zal Ik Mij ontfermen. En dit komt overeen met ontfermen en redden [dat zo voorkomt in Jesajahoe 31: 5]. Maar ik zeg dat het betekent overschrijden en overspringen. Het wil dus zeggen: Hij sprong over van de huizen der Israëlieten [waar Hij aankwam, maar waar Hij niet naar binnen ging (Ond.)] naar de huizen van de Egyptenaren, welke laatsten gelegen waren te midden van de eersten.

37 en geen vernietigende plaag zal jullie treffen: maar er zal wel een plaag zijn bij de Egyptenaren. Als nu een Egyp­te­naar zich bevond in het huis van een Israëliet, kon hij dan ontkomen? Daarom leert Tora ons: geen plaag zal jullie treffen, maar wel de Egyptenaren, die in jullie huizen zijn. En wanneer een Israëliet in het huis van een Egyptenaar was, dan zou ik uit dit alles kunnen begrijpen dat hij net als de Egyptenaren getroffen zou worden. Daarom leert Tora ons: geen plaag zal jullie treffen [waar jullie je ook mocht bevinden].

38 een aandenken: voor de nageslachten.

39 en jullie zult hem vieren: De dag die jullie tot aandenken zal zijn, die zal je vieren. Maar tot nu toe hebben wij nog niet vernomen welke die gedenkdag is. Daarom leert Tora ons: gedenk deze dag, waarop jullie bent uitgetrokken [Sjemot 13: 2]. Dat leert ons dat de dag van het uittrekken de gedenkdag is. En op welke dag zijn zij uitgetrokken? Tora leert ons: op de dag na het pèsach-offer zijn zij uitgetrokken [Bamidbar 33: 3]. Men moet dus zeggen de dag van de vijftiende Nisan is de feestdag, want op de [voor-] avond van de vijftiende aten zij het pèsach-offer [dat zij die middag daarvóór, dus de vorige dag geslacht hadden (Zwi)], en de [volgende] ochtend vertrokken zij.

40 in al jullie nageslachten: Ik zou daaruit kunnen leren: voor een minimum van twee geslachten. Daarom leert Tora ons: als een eeuwig durende wet zullen jullie het vieren.

41 15. zeven dagen: een zevental dagen.

42 zeven dagen zullen jullie matsot eten: Maar ergens anders [in Dewariem 16: 8] zegt men: zes dagen zullen jullie matsot eten! Het leert ons dat men op de zevende dag van Pèsach geen matsot verplicht is te eten, zolang men maar geen gedesemds eet. Van waaruit blijkt dat ook [het eten van matsot op] de zes dagen vrijwillig is? Daarom staat er zes dagen. Het volgt uit een algemene regel* in Tora [dat het vers in Dewariem 16: 8, ons niet alleen leert dat de ze­vende dag vrijwillig is, want dan had er niet ‘zeven dagen’ maar ‘de zevende dag’ gestaan, maar het leert ons dan al de zeven dagen vrijwillig zijn (Zwi.)]. [Het is aan ieders vrije wil overgelaten op al die dagen al of niet matsa te eten, als men maar geen chameets eet (Ond.)]. Men zou nu kunnen denken dat ook de eerste avond vrijwillig is. Daarom leert Tora ons [in vers 18]: ‘s avonds moeten jullie matsot eten, de Schrift stelt het hier als een verplichting.

[*Dit is een regel bij de uitlegging van Tora: een zaak die begrepen was in iets algemeens, en uit dat algemene apart naar voren treedt, om iets te leren [d.w.z. om iets nader te bepalen], die treedt niet uit om alleen over zichzelf te leren, maar die treedt uit om ons iets te leren over al datgene wat reeds in het algemene was inbegrepen (Rasji).



43 maar op de eerte dag zullen jullie het gegiste wegruimen: Op de dag vóór het feest. En men noemt die de eerste dag, omdat hij voorafgaat aan de zeven dagen. Ook elders in Tora wordt het voorafgaande wel de eerste genoemd [in Ijov 15:7]. Maar misschien wordt hier wel de eerste van de zeven dagen bedoeld? Daarom leert Tora ons [in Sjemot 34:25]: Je zult het bloed van Mijn offer niet slachten bij het gedesemde, [d.w.z.:] je zult het pèsach-offer niet slachten zo­lang het chameets nog bestaat.

44 die persoon: d.w.z. wanneer hij met zijn persoon en bewust daarbij aanwezig is, ter uitsluiting van iemand die gedwongen wordt.

45 uit Israël: Hieruit zou ik kunnen begrijpen dat hij zal worden uitgeroeid uit Israël en zich naar een ander volk zal begeven. Daarom leert Tora ons op een andere plaats [in Wajikra 22: 3]: die zal voor Mij worden uitgeroeid, op elke plaats die in Mijn gebied is [dus: overal, voor Mij zal hij dan niet meer bestaan].

46 er zal niet gedaan worden: Zal daarop niet verricht worden, zelfs niet door anderen.

47 iedereen: Zelfs het vee. Men zou nu kunnen denken: ook voor niet-israëlieten. Daarom staat er: voor jullie.

48 17. alleen dat: Dit alleen, en niet de voorbereidende handelingen daartoe, die men in staat was vóór het feest te verrichten (Bétsa 28b).

49 En houden jullie de matsot in acht: [Let op de ongezuurde broden] dat zij niet chameets worden. Daarom staat er [in Pesachiem 48b]: blaast het op, dan bevochtigt zij haar hand met koud water. R. Josjia zegt: lees niet de matsot, maar de mitswot, de geboden. Zoals men de ongezuurde matsot niet zuur mag laten worden, [door bij de bereiding te talmen en ze na de bereiding niet aanstonds te bakken (Ond.)], zo mag men ook de geboden niet zuur laten worden [door lang te talmen voordat men ze verricht], maar indien u in de gelegenheid bent om een mitswa te doen, verricht die dan onmiddellijk (Mechilta).

50 en jullie moeten deze dag ..... beschouwen: Je moet je in acht nemen op die dag geen werk te verrichten.

51voor alle geslachten als een eeuwig durend voorschrift: Omdat de woorden nageslacht en eeuwig voorschrift nog niet eerder gebruikt zijn in verband met werkverbod maar alleen in verband met het feestoffer (vers 14), daarom herhaalt men het hier nog eens, opdat u niet zeggen zult: ‘geen enkel werk zal er dan gedaan worden’ is niet uitge­sproken voor de nageslachten, maar alleen voor het geslacht dat toen leefde.

52 18. tot de eenentwintigste dag: Waarom wordt dit gezegd? Is er dan niet reeds gezegd: zeven dagen [dus tot de een­entwintigste]? Maar het is omdat daar gezegd is ‘dagen’. Waaruit blijkt ook de nachten? Tora leert ons: tot de een­en­twintigste dag enz. (Mechilta).­

53 19. zal niet gevonden worden in jullie huizen: Waaruit volgt dit verbod ook buitens huis? Tora leert ons [in Sjemot 13: 7] in heel jouw gebied. Waarom staat er hier dan in jullie huizen? [immers in jouw gebied zijn de huizen reeds be­grepen. Tot antwoord hierop diene het volgende (Ond.):] Alles wat in jouw huis zich bevind is jouw bezit. Zo geldt dit verbod ook voor al jouw bezittingen in jouw gebied [dus al het chameets waarvan jij de eigenaar bent], met uitzondering van het chameets van een niet-jood, dat zich bij de Jood bevindt, maar waarvoor deze de verant­woordelijkheid niet op zich genomen heeft.

54 want ieder die chameets eet: Dit dient om de straf van uitroeiing uit te spreken wegens zuurdeeg. Maar is het dan niet reeds [in vers 15] gezegd over chameets? Maar het wordt hier herhaald opdat je niet zult zeggen dat de straf alleen geldt voor eetbaar chameets, maar voor niet-eetbaar zuurdeeg wordt men niet gestraft. En indien er had gestaan dat men gestraft wordt voor zuurdeeg en niet ook voor chameets, zou ik gezegd hebben: zuurdeeg, omdat het andere dingen zuur maakt, daarvoor wordt men gestraft, maar chameets, dat iets anders niet zuur maakt, daar­voor wordt men niet gestraft. Daarom zijn beide gezegd (Mechilta, Bétsa 7b).

55 zowel een vreemdeling als een inboorling: Omdat het wonder met Israël was gebeurd, daarom in het nodig hier de vreemdeling [die tot het Jodendom is overgegaan] toe te voegen [ook hij heeft deze bepalingen op te volgen (Ond.)].

56 Geen enkel chameets mogen jullie eten: Dit is de waarschuwing betreffende het zuurdeeg [al wat iets anders zuur maakt].

al het gezuurde: ook wat ermee vermengd is.

57 in al jullie woonplaatsen zullen jullie eten: Dit komt ons leren dat het geschikt moet zijn om gegeten te worden in al jullie woonplaatsen, met uitzondering van het tweede tiende en de dankbroden [die slechts binnen de muren van Jerusalem gegeten mochten worden (Pesachiem 35a, 38b).

58 21. Haalt: Wie kleinvee heeft, haalt zijn eigen vee;

59 of koopt: Wie het niet heeft, koopt het op de markt.

60 voor jullie families: Een lam voor ieders vaderhuis.

61 22. hyzop: Een soort groen gewas dat stengels heeft.

een bundeltje hyzop: Drie stengels worden een bundel genoemd (Sjabbat 109b, Soeka 13a).

62 dat in het bekken is: In het vaatwerk.

63van het bloed dat in het bekken is: waarom herhaalt men hier de woorden dat in het bekken is? Opdat u niet zult zeggen: éénmaal indopen voor de drie spattingen was voldoende; daarom wordt het herhaald, omdat iedere spat­ting gebeuren moet met bloed dat zich in het bekken bevindt, dus na iedere aanraking doopt men opnieuw in.

64 maar jullie ..... gaan niet naar buiten: Dit vertelt ons, dat de verderfengel, nadat deze toestemming heeft verkregen om te vernielen, geen onderscheid maakt tussen een braaf mens en een slecht mens (Mechilta, Baba Kamma 60a). [Het was niet voldoende, dat zij slechts omstreeks middernacht in hun huizen waren, omdat de sterfte der eerst­ge­bo­­renen juist op dat tijdstip zou plaatshebben], maar de verderfengelen hebben de hele nacht tot hun beschikking, want er is gezegd [in Tehilliem 104: 20]: Daarin kruipen alle wilde dieren van het bos [de wezens van de vernie­ling staken pas met het aanbreken van de dag hun werk (Ond.)].

65 23. zal overslaan: Hij zal zich ontfermen, en men kan ook vertalen met: overschrijden, overspringen.

66 en Hij zal de verdelger niet laten: Hij zal hem niet de mogelijkheid geven om binnen te komen.

67 25. wanneer jullie gekomen bent: Deze dienst maakt de Schrift afhankelijk van hun komst in het land Kena’an, maar zij waren daartoe niet verplicht in de woestijn, maar slechts éénmaal vierden zij Pèsach, in het tweede jaar, en wel op een speciaal bevel.

68 zoals Hij gezegd heeft: En waar heeft Hij gesproken? In Sjemot 6: 8: Ik zal jullie naar het land brengen enz.

69 27. Hierop boog het volk: Wegens de mededeling omtrent de verlossing en de komst in het land, en wegens de mededeling over de kinderen die zij zouden krijgen.

70 28. En de Israëlieten gingen en deden: En deden zij toen al iets? Er werd hun toch gezegd: vanaf het begin van de maand? Maar zodra zij het op zich genomen hadden, wordt het hun toegerekend als of zij het al deden.

zij gingen en deden: Ook het gaan telt de Schrift mee, om beloning te schenken en voor het gaan en beloning voor het doen.

71 zoals Hasjem Mosjé en Aharon geboden had: Om te vertellen over de lofwaardigheid van Israël, dat zij niets hadden laten vallen van al de geboden van Mosjé en Aharon. [De Israëlieten stelden zoveel vertrouwen in Mosjé en Aharon, dat het hun voldoende was, indien zij hun enig gebod voorschreven. Zij stelden bij de vervulling van de geboden niet de eis dat zij die geboden van G-d zelf zouden ontvangen (Ond.)]. En wat betekent: en zo deden zij? Dat ook Mosjé en Aharon zo deden.

72 29. en Hasjem: Overal waar gezegd wordt ‘en Hasjem’, daar wordt bedoeld Hasjem en Zijn rechtbank, want het woord en is een uitdrukking voor een toevoeging.

trof alle eerstgeborenen: ook die van een ander volk, als dat in Egypte was.

73 van de eerstgeborene van Phar’o: Ook Phar’o was zelf een eerstgeborene, maar hij bleef over van de eerst­ge­bo­re­nen. [Met die op zijn troon zat wordt de zoon van Phar’o aangeduid, terwijl eerstgeborene [van de] Phar’o op Phar’o zelf doelt. Van de eerstgeborene Phar’o af wil zeggen: na hem begon de sterfte (Ond.)]. En daarom zegt men: om u Mijn kracht te tonen bij de Rietzee [Sjemot 9: 16].

74 tot de eerstgeborene van de gevangene: Die zich verheugden in het ongeluk van Israël. En bovendien, opdat zij niet zouden zeggen: onze gevreesde afgod heeft rampen gebracht [om ons te wreken (Ond.)]. En de eerstgeborene van de slavin [die in Sjemot genoemd wordt] is daaronder begrepen, want zie maar, men noemt op van de voornaamste onder hen allen tot de geringste, en de eerstgeborene van de slavin is voornamer dan de eerstgeborene van de krijgs­gevangene.

75 30. Toen stond Phar’o op: van zijn bed

s nachts: En niet zoals de koningen gewoon zijn na drie uur op de dag [omstreeks negen uur onze tijd].



76 hij: hij eerst, en daarna zijn dienaren. Het leert ons, dat hij rondliep naar de huizen van zijn dienaren en hen deed opstaan (Mechilta).

77 want er was geen huis waarin geen dode was: Was er een eerstgeborene, dan stierf hij, was er geen eerstgeborene, dan stierf de voornaamste van het huis [want het hebreeuwse woord bechor, dat vertaald wordt met eerst­gebo­re­ne,betekent eigenlijk: de voornaamste]. Een andere verklaring: de Egyptische vrouwen bedreven ontucht, terwijl zij gehuwd waren en brachten kinderen voort van vrijgezellen. Zo hadden zij verscheidene eerstgeborenen. Soms waren er vijf van één vrouw, en ieder was eerstgeborene van vaderszijde [zo kwam het dat er geen huis was waar geen dode eerstgeborene was(Ond.)].

78 31. Hij ontbood Mosjé en Aharon in de nacht: [Er staat letterlijk: hij riep om Mosjé (Zwi)]. Het vertelt dat hij rondliep naar de ingangen van de stad en schreeuwde: waar bevindt zich Mosjé, waar bevondt zich Aharon?

79 zowel jullie: de mannen.

80 als de Kinderen Israël: de kinderen.

81 gaat heen en dient Hasjem, zoals jullie gezegd hebben: Alles zoals jullie gesproken hebben en niet zoals ik gezegd heb. Mijn woorden ik zal niet laten weggaan [Sjemot 5: 2] zijn opgeheven. Ook opgeheven is de uitspraak [in Sjemot 10: 8]: Wie gaan er allemaal. Ook opgeheven is mijn bevel: jullie rund- en kleinvee blijft hier [Sjemot 10: 24.

82 32. zowel jullie klein- als jullie rundvee: En wat betekent: zoals jullie gezegd hebben? [Dat slaat op wat gezegd is in Sjemot 10:25:] U zult aan ons slacht- en brandoffers geven. [Het betekent dus: neemt maar overeenkomstigwat jullie gezegd hebben.

83 en zegent ook mij: Bidt voor mij, dat ik niet sterf, want ik ben een eerstgeborene.

84 33. wij allen sterven: Zij zeiden: het is niet volgens het besluit van Mosjé, want huij heeft immers gezegd: dan zal iedere eerstgeborenen sterven, en hier sterven ook de gewone mensen, vijf of tien in één huis.

85 34. nog voor het kon gisten: De Egyptenaren lieten hun niet lang genoeg blijven, dat het deeg kon rijzen.

86 hun baktroggen: Wat over was van de matsa en de marror.

87 op hun schouders: Hoewel zij met veel vee gingen [namen zij die resten op hun schouders mee, want] zij hadden de geboden lief.

88 35. overeenkomstig het woord van Mosjé: dat hij tot hen in Egypte gesproken had: dat iedere man van zijn vriend zal vragen [Sjemot 11:2].

89 en kleren: Ook deze waren belangrijker voor hen dan zilver en goud, wat in het vers later komt is belangrijker.

90 36. en zij gaven op hun verzoek: Ook wat zij niet van hun vroegen gaven zij hun: „Jij zegt [geef mij er] één, neem er twee, en ga [nu als-je-blieft snel weg]”.

91 en zij plunderden: Zij maakten leeg.

92 37. van Ra'amses naar Soekot: Dat was een afstand van 120 mijl, en zij kwamen daar onmiddelijk aan, want er is gezegd [in Sjemot 19:42]: Ik droeg jullie op arendsvleugelen.

93 mannen: Van twintig jaar en ouder.

94 38. gemengd volk: Een mengsel van volken die zich tot het jodendom bekeerd hadden.

95 39. ongegiste koeken:

96 en ook proviand hadden zij zich niet bereid: voor onderweg. Het vertelt over de lofwaardigheid van Israël, dat zij niet zeiden: „hoe kunnen wij naar de woestijn uittrekken zonder proviand?” Maar zij hadden vertrouwen en gingen. Dit wordt nader verklaard in Jeremiahoe 2:1: „Ik gedenk jouw welwillendheid van je jeugd, de liefde van je bruidsdagen, toen je mij gevolgd bent in de woestijn, in een onbezaaid land”. Welke beloning wordt daarnba vermeld? Israël is heilig voor Hasjem enz. [Jer. 2:2].

97 40. het verblijf van deIsraëlieten in Egypte: Na hun verblijf als vreemdeling in een ander land dat niet van hun was.

98 vierhonderd en dertig jaar: Alles bij elkaar, vanaf de geboorte van Jitschak, tot nu toe, waren 400 jaar. Vanaf dat Awraham een kind had gekregen, werd: „want een vreemdeling zal je nazaad zijn” [Bereisiet 15:13] bewaarheid. Nog eens dertig jaar lagen er tussen ‘het besluit tussen de stukken’ en de geboorte van Jitschak. Men kan niet zeggen dat zij 430 jaar alleen in Egypte waren, want kijk maar, Kehath was bij degenen die met Ja’akov naar Egypte kwamen [Bereisjiet 46:11]. Laten wij nu eens al zijn jaren en al de jaren van Amram, zijn zoon, bij elkaar rekenen, plus tachtig jaar van Mosjé daarbij, dan kom je nog niet op 430 jaar. En je moet wel aannemen dat Kehath reeds vele jaren [achter de rug] had voordat hij naar Egypte afdaalde, en vele jaren van Amram vielen samen met die van Kehath, en vele jaren van de tachtig van Mosjé vielen samen met de jaren van Amram. Dus zo kiomt men niet tot 400 jaar vanaf de aankomst in Egypte, en dus moet je wel zeggen dat ook al de andere verblijfplaatsn „vreemdelingschap” genoemd worden, zelfs die in Chevron, zoals er gezegd is [in Bereisjiet 35:27]: waar Awraham en Jitschak als vreemdeling verbleven. En men zegt [in Sjemot 6:4]: Het land waar zij als vreemdeling vertoefd hebben. Daarom moet je wel zeggen dat „een vreemdeling zal je nazaad zijn” is begonnen vanaf dat hij [Awraham] nakomelingen kreeg. En wanneer men 400 jaar telt vanaf de geboorte van Jitschak, dan zul je vinden dat vanaf hun aankomst in Egypte tot hun uittocht, dat zijn 210 jaar. Dit is één van de dingen die zij veranderden voor koning Ptolemeus [van Egypte, die 72 geleerden de Tora in het Grieks liet vertalen, en die allen dezelfde veranderingen in de bijbeltekst aanbrachten om verkeerde gevolgtrekkingen van de koning te voorkomen. Zo schreven zij hier: „in Egypte en andere landen” (Ond.)].

99 41. En het gebeurde aan het eind van vierhonderd en dertig jaar . . . . op die dag: Het vertelt dat toen het einde van de slavernij was aangekomen, de Alomtegenwoordige geenogenblik aarzelde. Op de 15de Niesan kwamen de dienstdoende engelen bij Awraham om hem te berichten [omtrent de geboorte van Jischak (Ond.)], en op [de 15de Niesan werd het besluit ‘tussen de stukken’ genomen [omtrent de slavernij van Israël].


Dovnload 114.87 Kb.