Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Sociale en politieke filosofie

Dovnload 58.1 Kb.

Sociale en politieke filosofie



Datum04.07.2017
Grootte58.1 Kb.

Dovnload 58.1 Kb.

Sociale en politieke filosofie

Sociale en politieke filosofie zijn onderdelen van het vak filosofie waarbij men zich verdiept in de maatschappij. Bij sociale filosofie onderzoekt men wat kenmerkend is voor een goede en rechtvaardige samenleving en welke mechanismen in de bestaande samenleving van invloed zijn op de mogelijkheden om eventueel noodzakelijke verbeteringen erin aan te brengen. Bij politieke filosofie probeert men te formuleren hoe een goed politiek systeem eruit zou zien. Sociale en politieke filosofie houden zozeer met elkaar verband, dat men ze niet strikt gescheiden kan behandelen: een helder standpunt over een goede samenleving zal meestal ook een bepaald standpunt over een goed politiek systeem veronderstellen en een helder standpunt over een goed politiek systeem zal meestal niet ‘volkomen’ neutraal kunnen staan ten opzichte van de werking van de samenleving.

Sociale en politieke filosofie staan evenmin ‘volkomen” los van de onderdelen wijsgerige antropologie en ethiek: wat voor mensvisie men aanhangt, heeft meestal ook consequenties voor opvattingen over een goede samenleving en opvattingen over een goede samenleving hebben tevens te maken met de manier waarop men individueel gedrag beoordeelt als goed of verkeerd. Als men bijvoorbeeld meent dat de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, dan ligt het voor de hand dat op de overheid de taak rust om de mensen zoveel mogelijk in bedwang te houden. Als men meent dat de mens van nature goed is, dan kan de overheid overwegen de mensen zoveel mogelijk vrijheid te laten.

Klassieke Griekse staatsfilosofie

Het is noodzakelijk dat de beste mensen zovéél en de slechte zo weinig mogelijk seksuele omgang met elkaar hebben, en dat alleen kinderen van die begaafde mensen worden grootgebracht, als we tenminste willen dat de kudde optimale kwaliteit heeft, en verder dat van deze hele gang van zaken niemand op de hoogte mag zijn behalve de regering zelf…

Plato, Politeia
In de vijfde en vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling verschilt Griekenland van veel andere beschavingen, doordat daar democratieën voorkomen. Dat zo’n democratisch systeem niet altijd een garantie vormt voor rechtvaardige besluitvorming, blijkt bijvoorbeeld als de Atheners Socrates veroordelen tot de gifbeker.

Diens leerling Plato (427-347 voor het begin van onze jaartelling) verdedigt in de dialoog Politeia een totalitaire staat. Dit wil zeggen dat hij een vorm van machtsuitoefening bepleit waarbij de staat zich bemoeit met alle aspecten van het leven. De opvoeding van kinderen wordt te belangrijk bevonden om deze over te laten aan de ouders; in Plato’s ideale staat is sprake van staatsopvoeding.

Ook de voortplanting zou men moeten onderwerpen aan staatscontrole. Zo ongemerkt mogelijk en soms met enig bedrog om bestwil, zouden de wijze leiders, door een strenge teeltkeus de kwaliteit van het nageslacht moeten zien te verbeteren.

Niet iedereen krijgt binnen Plato’s staat de kans om elke positie bereiken. Afhankelijk van iemands deugden hoort hij thuis bij één van de drie standen: de ambachtslieden, de wachters en de regenten. Zoals de ambachtslieden matigheid moeten opbrengen, moeten de wachters gekenmerkt zijn door moed en moeten de regenten een toonbeeld zijn van wijsheid.

Anders dan in Griekenland destijds gebruikelijk was, vindt Plato dat vrouwen recht hebben op hetzelfde onderwijs en ook in aanmerking komen voor een functie als wachter of als regent.

Plato’s leerling Aristoteles (384-322 voor het begin van onze jaartelling) denkt op enkele punten een slagje anders over de staatsinrichting. Aristoteles formuleert zijn opvattingen vooral in zijn werk Politica. Hij onderscheidt drie goede staatsvormen waarbij de machthebbers gericht zijn op het goede: monarchie, aristocratie en politeia. Daartegenover staan drie slechte staatsvormen waarbij de machthebbers zichzelf bevoordelen: tirannie, oligarchie en democratie.

Vrouwen beschouwt Aristoteles als onvolledige mannen en daarom als van nature ongeschikt voor een actieve politiek.

Stoa

Wees niet bang voor de dood, maar verwelkom hem, want ook hij is afkomstig van de natuur.

Marcus Aurelius, Overpeinzingen
De hellenistische stroming van de stoïcijnen heeft zich tevens verspreid in het Romeinse rijk. Bijzonder is dat enkele stoïcijnse denkers ook belangrijke machtsposities hebben bekleed en dit geldt bij uitstek voor Marcus Aurelius (121-180) die van 161-180 keizer was van het Romeinse rijk. Marcus Aurelius onderscheidt binnen de mens drie elementen:


  • het stoffelijke en onbezielde lichaam,

  • de levensadem van de ziel , waartoe het waarnemen en het streven behoren en

  • het redelijke deel, de wegwijzer (ook wel aangeduid als “het innerlijke kompas”).

Hij ziet gevoelens en emoties als zaken waarvoor we niet vrij kunnen kiezen, maar die ons overvallen en daarmee een onderdeel vormen van het lot. Wel kunnen wij kiezen hoe wij deze gevoelens en emoties ondergaan. Mensen die worden geleid door hun emoties zou men geen macht moeten willen geven. Een wijs mens laat zijn doen en laten niet afhangen van anderen en kent geen hevige emoties. Volgens Marcus Aurelius komt de begeerte naar roem en macht voort uit impulsen en verlangens vanuit de ziel maar kan ieder mens de behoeften aan macht, rijkdom en roem overwinnen doordat het derde element, als een vonk van de goddelijke rede vrij is en onafhankelijk. Door het innerlijk kompas zuiver te houden, kan men de behoeften overwinnen.

Islamitisch rationalistisch staatsdenken
De filosofen van de deugdzame stad zijn degenen die de zaken kennen op grond van demonstratieve bewijzen en eigen waarneming. De anderen kennen ze door imiterende afbeeldingen

al-Farabi, De deugdzame stad


Gedurende de westerse donkere Middeleeuwen kennen de islamitische cultuur, wetenschap en filosofie van de Arabische wereld een ongekende bloei. In deze tijd schrijft Aboe Nasr al-Farabi (870-950) Mabadi’ ara’ahl al-madina al-fadila (de deugdzame stad). In dit werk onderscheidt al-Farabi twee manieren waarop men tot kennis kan komen van de zaken die men moet weten in een volmaakte gemeenschap:

  • op grond van demonstratieve bewijzen en eigen waarneming, zoals de filosofen dat kunnen en

  • door middel van imiterende afbeeldingen, wat de anderen (niet-filosofen) wel moeten doen, omdat zij noch van nature, noch door gewenning, beschikken over de verstandelijke gesteldheid die hen in staat stelt om de zaken te doorgronden zoals deze in werkelijkheid zijn.

Bij elke natie kunnen de imiterende afbeeldingen verschillen. Voor de filosofische elite is echter kennis van de geopenbaarde wet (dus de Koran) overbodig omdat zij de waarheden rechtstreeks weet te beredeneren.

Machtspolitiek

Men moet de mensen òf strelen òf uitroeien want iemand die licht wordt aangepakt wreekt zich, terwijl iemand die zwaar geweld wordt aangedaan zich niet meer kan wreken.

Machiavelli, Il principe
Politiek wordt lang niet altijd gekenmerkt door indrukwekkende idealen en moreel zuiver of betrouwbaar handelen. Het is voor discussie vatbaar of dat wel zou moeten. De Florentijnse hoge ambtenaar en toneelschrijver Niccolò Machiavelli (1469-1521) heeft zich vooral verdiept in de manier waarop macht werkt. Zijn belangrijkste werk is Il principe (De heerser). Volgens Machiavelli zijn de mensen ondankbaar, wispelturig, huichelachtig en geneigd om snel op de vlucht te slaan en een heerser moet daarmee rekening houden. Om een effectieve heerser te worden moet deze zich virtù eigen maken. Dit is de bekwaamheid van een heerser om een situatie trefzeker te analyseren en op grond daarvan, met taaiheid, geduld en vindingrijkheid, doortastend op te treden. Om de macht te behouden, kan het behulpzaam zijn dat de heerser geliefd is of gevreesd wordt. Meestal is dat laatste een meer zekere machtbasis.

Volgens Machiavelli zijn eerbiedwaardig bedrog (frodo onorevoli) en glorieuze misdaden (sceleratezze gloriose) soms noodzakelijk om de macht te behouden of om deze uit te breiden. Een heerser moet zijn woord houden zolang dit voordeel oplevert, maar hij kan noch mag woord houden zodra dit hem schade berokkent en als de redenen zijn weggevallen die hem destijds hebben gebracht tot zijn belofte.

Huurlegers vormen in vergelijking met legers van dienstplichtigen een onbetrouwbaar machtsmiddel. Dienstplichtigen hebben immers te vrezen dat hun eigen familie iets overkomt, als de strijd wordt verloren.


Utopisme

In choosing their wives they use a method that would appear to us very absurd and ridiculous, but it is constantly observed among them, and is accounted perfectly consistent with wisdom. Before marriage some grave matron presents the bride naked, whether she is a virgin or a widow, to the bridegroom; and after that some grave man presents the bridegroom naked to the bride.

More, Utopia
Thomas More (1478-1535) was actief bij de Engelse politiek betrokken als Lord Chancellor onder de Engelse koning Henry VIII maar zeker in zijn laatste uren zal hij deze hoge functie niet hebben ervaren als een onverdeeld genoegen, want Henry VIII liet hem veroordelen tot het schavot. Ruim voordat het allemaal zover was publiceerde More in 1516 Utopia. In dit werk schetst hij een ideale samenleving, waarin de zaken die hij afkeurt in het Engeland van zijn tijd, zich allemaal niet voordoen: er is geen sprake van privébezit, armoede of oorlogvoering. Er zijn geen monniken die hun tijd voornamelijk besteden aan bidden, maar iedereen werkt en er heerst een zekere godsdienstvrijheid. Voor degenen die zwaar lijden onder een ongeneeslijke ziekte bestaat er een vorm van euthanasie. Veelal duidt men de maatschappijvisie van Thomas More aan als een sociale utopie: een ideale samenleving wordt gepresenteerd als een mogelijkheid zodra men de samenleving maar anders zou organiseren.

Ook Francis Bacon (1561-1626) was actief betrokken bij de Engelse politiek. In 1618 werd hij onder de Britse koning James I Lord Chancellor, maar ook voor hem werd dit geen doorslaand succes: hij werd schuldig bevonden aan het aannemen van steekpenningen en werd veroordeeld tot een boete van £ 40.000,=, wat destijds nu niet helemaal een habbekrats was. Na zijn dood, in 1627, verschijnt zijn boek Nova Atlantis waarin hij een technische utopie beschrijft: een ideale samenleving wordt bereikt door technologische ontwikkeling gericht op


  • het vermeerderen van de gezondheid van de mens,


  • het vergroten van de rijkdom van de mens en

  • het laten toenemen van de macht van de mens over de natuur.



Verdragstheorie

But as men, for the attaining of peace and conservation of themselves thereby, have made an artificial man, which we call a commonwhealth; so also have they made artificial chains, called civil laws



Hobbes, Leviathan
De Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) schopt het in zijn politieke carrière minder ver dan More en Bacon, maar misschien is het daardoor dat hij relatief zo’n hoge leeftijd kan bereiken. In 1651 publiceert hij Leviathan. Deze titel verwijst naar een passage in het Bijbelboek Job, 40 en 41.

Volgens Hobbes heeft de mens een aangeboren verlangen naar macht en aangezien ieder mens dit verlangen naar macht heeft en trots is op het bezit dat hij door macht heeft kunnen verwerven, ontstaat er een permanente wedijver tussen de mensen, die tevens de voortdurende dreiging van dood en letsel tot gevolg heeft: de mens is voor zijn medemens een wolf (homo homini lupus). Daarom zou de natuurtoestand een oorlog van allen tegen allen (bellum omnium contre omnes) zijn. In deze situatie zou het leven van een mens onvermijdelijk “solitary, poor, nasty, brutish and short” zijn. Omdat mensen een fundamenteel wantrouwen voelen ten opzichte van elkaar, verlangen ze voortdurend naar meer macht, maar ze verlangen ook naar rust. In de natuurtoestand gelden twee natuurwetten:



  1. ieder mens is verplicht om met al zijn vermogens te streven naar vrede, maar indien dit niet mogelijk is, dan mag men alle middelen gebruiken om oorlog te voeren en

  2. wanneer iedereen zich volledig inzet voor vrede en zelfverdediging, dan moet het besef doordringen dat men afstand moet doen van absolute vrijheid.

Zo kan die rust er pas komen zodra er kunstmatig een staat wordt gevormd, met als belangrijkste taak de mens te beschermen en met het recht om de trots, de wedijver en het wantrouwen van de mens te onderdrukken door middel van sancties. De staat moet met andere woorden datgene doen, waar de mensen van nature niet toe in staat zijn. Hobbes noemt deze kunstmatige schepping, de staat, Leviathan.

Volgens Hobbes kan het nooit rationeel zijn om in opstand te komen tegen het gezag van de staat, want dan dreigt men terug te vallen in de natuurtoestand, met alle gevaren van dien.



Scheiding der machten

La liberté est le droit de faire tout ce que les lois permettent.

Montesquieu, L’esprit des lois
Tijdens de Verlichting komt het idee op dat absolute monarchie geen goed politiek systeem vormt, omdat het risico’s van willekeur in zich herbergt als één instantie zowel de wetten afkondigt, het land regeert, als rechtspreekt. Daarom bepleit de Engelse empirist John Locke (1632-1704) al een scheiding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. De Franse denker Charles de Montesquieu (1689-1755) werkt dit idee nader uit in De l’esprit des lois. In dit werk bepleit hij een scheiding van de staat in drie machten. Met deze trias politica wordt onderlinge onafhankelijkheid van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht bedoeld.

Algemeen belang

Le premier qui ayant enclos un terrain s’avissa de dire: Ceci est à moi, et trouva des gens assez simples pour le croire, fut le vrai fondateur de la société civile.

Rousseau, Sur l’inégalité
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) meent dat het de beschaving is die de mensen verpest. Hij heeft zijn sociale filosofie uiteengezet in verscheidene boekwerken, maar het meest belangrijk is wel Du contrat social. Rousseau constateert in deze verhandeling dat overal mensen worden onderdrukt. Hij beschrijft daartegenover een maatschappelijk verdrag waarin legitimiteit en rechtvaardigheid wèl samenvallen.

Wat mensen willen, zegt niet alles over wat goed voor hen is. Veel mensen laten zich namelijk leiden door een amour propre. Dit is een soort egoïsme dat de maatschappij ons heeft aangepraat. We hebben echter ook natuurlijke behoeften en deze hebben te maken met de amour de soi. Hier betreft het behoeften die gericht zijn op zelfbehoud, waar niets mis mee is. Nu moet volgens Rousseau ieders persoonlijke wil opgaan in een alomvattende eenheid, die hij aanduidt met de algemene wil (la volonté générale). Dit is iets anders dan de wil van allen (la volonté de tous), want enkelingen moeten dienstbaar zijn aan de gemeenschap. Hoe la volonté générale zich verhoudt tot het standpunt van democratische meerderheden, blijft in het werk van Rousseau onduidelijk.

Na zijn dood wisten latere politici die geïnspireerd waren door Rousseau, zoals Maximilien Robespierre, zodra zij aan de macht kwamen op een geheel eigen wijze inhoud te geven aan la volonté générale. Zo verklaarde Robespierre als lid van het Comité de Salut Public op 5 september 1793 de terreur tot de orde van de dag en kwamen in de negen maanden die volgden naar schatting 16.000 mensen onder de guillotine om het leven.


Duits idealisme

Was vernünftig ist, das ist wirklich; und was wirklich ist, das ist vernünftig.


Hegel, Rechtsphilosophie

Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) is een dialectisch idealistisch denker. Dit wil zeggen dat hij meent dat de ontwikkeling van de werkelijkheid uiteindelijk wordt bepaald door de geest en dat deze ontwikkeling geschiedt via tegenstellingen: een eerste idee, een these, krijgt op een gegeven moment een tegengesteld idee, een antithese tegenover zich, die een ontkenning vormt van de these: de antithese. De tegenstelling tussen these en antithese blijft enige tijd voortbestaan en tussen beide wordt een felle strijd gestreden. Op een bepaald moment komt echter een synthese tot stand, waarmee de tegenstelling is opgeheven. Met het ontstaan van de synthese is de ontwikkeling echter niet voltooid, want ook daartegenover ontstaat een nieuwe antithese en zo ontwikkelt de geest zich verder.

Hegel meent dat de rede zich tevens verwerkelijkt in de menselijke samenleving. Individuele vrijheid en algemeen belang zijn op zichzelf tegenstrijdige zaken, maar bij redelijkheid komen ze tot elkaar. Het begrip en de werkelijkheid zijn hetzelfde en wantoestanden van voorbijgaande aard zijn niet essentieel voor de werkelijkheid, maar enkel van waarde als les die mogelijk maakt dat een volgende synthese wordt bereikt.

De grote mannen uit de geschiedenis spelen een grote rol bij de ontplooiing van de geest. Bij zijn idealisme gaat Hegel zóver dat hij een wereldgeest veronderstelt waarvan de ontplooiing de verklaring vormt voor de hele geschiedenis. Deze wereldgeest bedient zich van de list van de rede om zijn doel te bereiken. Dit wil zeggen dat mensen en vooral grote mannen uit de geschiedenis met volle overtuiging hun ideeën verdedigen, met als gevolg dat de geest zich zo verder ontplooit.


Wetenschappelijk socialisme

Mögen die herrschenden Klassen vor einer kommunistischen Revolution zittern. Die Proletarier haben nichts in ihr zu verlieren als ihre Ketten. Sie haben eine Welt zu gewinnen. Proletarier aller Länder, vereinigt euch!



Marx / Engels, Manifest
De Duitse filosoof en econoom Karl Marx (1818-1883) neemt van Hegel de dialectische visie over op de ontwikkeling van de werkelijkheid, maar volgens hem bepalen materiële tegenstellingen (de productieverhoudingen) de ontwikkelingen. Hij ziet de klassenstrijd, de strijd tussen verschillende klassen om het eigendom van de productiemiddelen, als de rode draad die door de hele geschiedenis loopt. In het verleden betrof het tegenstellingen tussen slavenhouders en slaven of tussen adel en lijfeigenen, maar in zijn tijd betreft het de tegenstelling tussen kapitalisten en arbeidersklasse (het proletariaat).

De uitbuiting van de arbeiders leidt bij dezen tot een steeds grotere armoede (Verelendung) en bij de kapitalisten tot een steeds grotere opeenhoping (Akkumulation) van het kapitaal. Op een zeker moment zal het kapitalistisch systeem door een crisis ineenstorten (der große Kladderadatsch) en dan zal de arbeidersklasse de productiemiddelen onteigenen. Omdat de kapitalisten niet meteen genoegen zullen nemen met de machtsovername door de arbeidersklasse zal het nog enige tijd noodzakelijk zijn om de nieuwe verhoudingen met geweld te handhaven en Marx duidt deze periode aan met “de dictatuur van het proletariaat”. Uiteindelijk zal dat echter niet langer nodig zijn, zal de staat inéén schrompelen en vormt zich een klasseloze maatschappij: het communisme.

Vóór Marx waren er al socialistische denkers, zoals Claude-Henri de Saint-Simon, Charles Fourier en Robert Owen, die een maatschappij bepleitten waarin armoede werd uitgebannen door afschaffing van het privé-eigendom, maar Marx doet hun ideeën af als utopisch socialisme. Zijn eigen benadering noemt hij het wetenschappelijk socialisme, omdat hij niet alleen een ideaal presenteert, maar hij met zijn historisch materialisme beschrijft hoe de geschiedenis zijns inziens noodzakelijk moet leiden tot de klasseloze maatschappij van het communisme.

Zo’n klasseloze maatschappij is echter nog nergens ontstaan op de manier die Marx beschrijft. Toen in 1917 in Rusland de communisten aan de macht kwamen, was het – ook in de ogen van Lenin - niet meteen de arbeidersklasse, maar een intellectuele voorhoede die de revolutie bevochten had.




Liberalisme

That mankind are not infallible; that their truths, for the most part, are only half-truths; that unity of opinion, unless resulting from the freest comparison of opposite opinions, is not desirable, and diversity is not an evil but a good ... are principles applicable to men’s modes of action.

Mill, On Liberty
Bij het liberalisme staat niet zozeer de armoedebestrijding als wel de persoonlijke vrijheid centraal. De Engelse filosoof en econoom John Stuart Mill (1806-1873) heeft zijn liberale maatschappijvisie vooral geformuleerd in het boek On Liberty.

Het China van zijn tijd vormt voor Mill een schrikbeeld van een maatschappij waarin middelmatigheid, massaliteit en grauwheid overheersen. Mill hecht grote waarde aan de vrijheid van meningsuiting en ziet de publieke opinie als één van de grootste bedreigingen van deze vrijheid. De publieke opinie is een product van de massa en de tirannie van de massa bevordert de middelmatigheid en dreigt iedereen tot doorsneeburgers te maken.

Het zijn echter krachtige individuen die ingaan tegen de gangbare meningen en gebruiken, die de cultuur met hun originele bijdragen vooruithelpen. Genieën kunnen slechts tot hun recht komen binnen een maatschappij waarbinnen men afwijkende opvattingen kan verdedigen.

Pas als iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet is gediend met ingrijpen. De overheid heeft de taak om burgers ten opzichte van elkaar te beschermen, maar moet hen verder zoveel mogelijk vrijlaten in hun ontplooiing.

Het vrijheidsbegrip van Mill heeft tevens consequenties voor zijn visie op de positie van vrouwen. In zijn boek On the Subjection of Women bestrijdt hij de destijds gangbare mening dat vrouwen niet in staat zouden zijn tot grote prestaties op artistiek en filosofisch gebied en ongeschikt zouden zijn voor hoge functies in het openbare leven, omdat vrouwen tot dan toe onvoldoende kansen daartoe kregen. Volgens hem zijn vrouwen zelf en de maatschappij als geheel ermee gebaat als vrouwen gelijke kansen krijgen.

Sociaal-darwinisme



The ultimate result of shielding men from the effects of folly, is to fill the world with fools.

Spencer, The Principles of Biology


De evolutietheorie van Darwin (1809-1882) formuleert op zich slechts een verklaring voor de wijze waarop planten- en diersoorten zich in de loop der eeuwen in de strijd om hun bestaan hebben ontwikkeld. Er zijn in de 19de eeuw echter ook denkers die aan deze theorie consequenties verbinden voor de manier waarop onze maatschappij moet worden georganiseerd. Één van deze sociaal-darwinisten is Herbert Spencer (1820-1903). Hij heeft zijn denkbeelden uiteengezet in The Principles of Biology en deze komen erop neer dat men individuen die niet opgewassen zijn tegen de strijd om het bestaan, vooral aan hun lot moet overlaten. Als men hen bijvoorbeeld via sociale wetgeving hulp biedt, dan blijven mensen die niet opgewassen zijn tegen hun natuurlijke omgeving voortbestaan en daardoor gaat de menselijke soort maar achteruit.


Feminisme

On ne naît pas femme, on le devient.

Beauvoir, Le deuxième sexe
Voor velen die in het verleden hebben nagedacht over de maatschappelijke en politieke orde, vormt de positie van vrouwen een blinde vlek. Zij gaan er als vanzelfsprekend vanuit dat vrouwen slechts een rol op de achtergrond (kunnen) spelen en geen bijzondere aandacht verdienen.

De Franse schrijfster en filosofe Simone de Beauvoir (1908-1985) ziet dit anders. In haar boek Le deuxième sexe analyseert zij de positie van vrouwen in onze maatschappij. Zij ontmaskert het begrip van vrouwelijkheid als een constructie die cultureel is bepaald. Vrouwen kunnen hun bestaan niet in vrijheid vormgeven doordat zij zich in een onderdrukte positie bevinden. De rol van vrouwen als moeder en huisvrouw geldt niet als een scheppende bijdrage, maar plaatst hen in een passieve positie. Vrouwen moeten zich niet langer schikken naar de patriarchale definitie van het vrouwelijke als enkel dienstbaar aan de mannen. Ze moeten strijden voor maatschappelijke en politieke gelijkstelling en voor economische onafhankelijkheid.

De Amerikaanse psychologe Betty Friedan (* 1921) vestigt in The Feminine Mystique de aandacht op the problem that has no name: het probleem dat vooral jonge getrouwde huisvrouwen uit de zogenaamde betere kringen ondervinden, ondanks alle voorzieningen en comfort. Zij voelen grote onvrede doordat niets in hun leven meer het nastreven waard lijkt en er voor hen niets meer aan zelfverwerkelijking valt te doen. Vrouwen moeten zich uit de kooi van hun huishoudelijke taak bevrijden en een nieuw levensplan formuleren met een baan waarin ze kunnen groeien tot volwaardige leden van de maatschappij.

De kritische theorie

Odysseus erkennt die archaische Übermacht des Liedes an, indem er technisch aufgeklärt, sich fesseln läßt.



Horkheimer / Adorno, Dialektik der Aufklärung

De kritische theorie is een maatschappij-theorie die werd ontworpen door een aantal denkers van de Frankfurter Schule. Dit is een groep marxistisch geïnspireerde denkers die is voortgekomen uit het Institut für Sozialforschung, een instituut dat in 1923 werd opgericht in Frankfurt am Main. Max Horkheimer (1895-1973) en Theodor Adorno (1903-1969) zijn belangrijke vertegenwoor-digers van deze stroming en zij hebben hun denkbeelden onder meer gepubliceerd in Dialektik der Aufklärung. De hoofdgedachte van dit boek is dat de verlichting slechts gestalte heeft gekregen in de vorm van machtsuitoefening over de natuur en doel-middel-rationaliteit en daardoor eenzijdig is verlopen. Mythisch denken geldt als een niet-rationele interpretatie van een orde die door god(en) of de natuur is gegeven. Het programma van de verlichting was onttovering van de wereld in de zin van bevrijding van de religieuze dogma’s. In feite zijn mythe en verlichting echter nauw met elkaar verbonden. De mens wordt juist nu beheerst die door een werkelijkheid die tegenover hem is gaan staan als een onbegrepen natuur. De mens is namelijk geen heer en meester geworden van de natuur, maar wordt overheerst door de rede die hij zelf tot leven heeft gebracht. Het verlangen om zich over te geven aan de driften, om zich daarin te verliezen, werd verdrongen en daarmee vervreemdt de mens van de natuur.

Representanten van de Frankfurter Schule maken een onderscheid tussen hun kritische theorie en de traditionele theorie. De traditionele theorie beperkt zich tot deelaspecten en daarmee reproduceert zij slechts de aangetroffen situatie. Daarmee bevestigt zij de maatschappelijke voorwaarden waaronder ze ontstaat. De kritische theorie formuleert echter een veelomvattende kritiek op de samenleving in al haar aspecten (overigens zonder te definiëren wat juist is of een positieve theorie te formuleren).


Piecemeal engineering



The attempt to make heaven on earth invariably produces hell.

Popper, The Open Society


De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Raimund Popper (1902-1994) bepleit dat men zich beperkt tot het behoedzaam aanbrengen van kleine verbeteringen, in plaats van vele ingrijpende wijzigingen in de maatschappelijke orde inééns, zoals dat vaak is gebeurd tijdens revoluties.

Popper heeft zijn ideeën vooral uiteengezet in The Open Society and Its Enemies. In dit boek maakt hij een onderscheid tussen gesloten en open samenlevingen. In een gesloten samenleving rust er een taboe op het ter discussie stellen van de instituties en structuren die men heeft geschapen en beschouwt men critici van deze instituties en structuren als zondaars die moeten worden verwijderd. In een open samenleving laat men de mogelijkheid van kritiek open en heeft men ook gewaarborgd dat mensen voldoende mondig zijn om hun kritiek naar voren te brengen.

Popper ziet vooral Plato, Hegel en Marx als vijanden van de open samenleving omdat zij in feite een totalitaire staat bepleitten. Popper constateert dat Plato het staatsbelang stelde boven het vrije denken, dat Hegel recht en macht aan elkaar gelijkstelde en dat Marx maakte het doen van historische voorspellingen tot de taak van de sociale wetenschappen, terwijl het deze wetenschappen veel meer zou moeten gaan om onvoorziene neveneffecten van planmatig handelen.

Onze samenleving is onderhevig aan sociale wetmatigheden die wij slechts zeer ten dele kennen. Als men op vele punten tegelijk ingrijpende wijzigingen gaat doorvoeren, dan is het zeer waarschijnlijk dat er grote onvoorziene, onbedoelde en ongewenste neveneffecten optreden, met alle rampzalige gevolgen van dien. De grote wijzigingen die nieuwe machthebbers tijdens revoluties doorvoerden, hebben ook op die manier uitgepakt. Daarom verdient het de voorkeur om stapje voor stapje kleine wijzigingen te voorzien en telkens via “trial and error” te bezien of deze kleine ingrepen ook verbeteringen betekenen,




Genealogie van de macht

(T)outes les instances de controle individuel fonctionnent sur un double mode: celui du partage binaire et du marquage (fou – non fou; dangereux – inoffensif; normal – a-normal); et celui de l’assignation coercitive, de la répartition différentielle


Foucault, Surveiller et Punir
De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) doet in de geschiedenis onderzoek naar machtsstrategieën waarmee individuen tot gewenst gedrag worden gebracht.

Voor Foucault zijn de manieren waarop men in het verleden leprozen en pestlijders behandelde, exemplarisch. Leprozen placht men buiten te sluiten, te verbannen of af te zonderen. Zo werd een gezuiverde gemeenschap tot stand gebracht, waarbij allen die werden weggestopt, omdat ze om welke reden dan ook maatschappelijk niet acceptabel zouden zijn, abnormaal werden genoemd.

Bij een uitbraak van de pest placht men juist iedereen in het eigen huis in te sluiten en hen dagelijks te controleren totdat degenen die waren besmet, waren gestorven of genezen en het gevaar op besmetting verder was geweken.

Tot in de achttiende eeuw was er sprake van soevereine macht. Aanwijsbare machthebbers bevonden zich duidelijk in een hiërarchische machtspositie en zij bepaalden wat er gebeurde. Tegenwoordig is er vaak sprake van een anonieme macht. Mensen kunnen niet alles doen en laten wat ze willen, maar wie of wat zaken gebiedt en verbiedt, valt niet zo te zeggen.

Bij de uitoefening van macht speelt disciplinering een grote rol: mensen moeten voortdurend rekening houden met een afstraffing zodra ze gedrag vertonen dat niet wenselijk wordt geacht. Voor de disciplinering is het van groot belang dat er sprake is van zichtbaarheid: mensen weten dat men hen kan waarnemen, zonder dat communicatie met de waarnemers mogelijk is. Tegenwoordig zijn de mechanismen van uitsluiting bij leprozen en van insluiting bij pestlijders op een bijzondere wijze gecombineerd. Op dit punt illustreert Foucault zijn analyse aan de hand van het concept van het panopticum van Jeremy Bentham (1748-1832). Dit is een gevangenis die is neergezet als een halfrond of rond gebouw. De cellen bevinden zich aan de buitenmuur in rijen boven elkaar. In het middelpunt staat een wachttoren van waaruit alle cellen kunnen worden gezien. Binnen deze constructie kunnen de bewakers wel de gevangenen waarnemen, maar de gevangenen kunnen omgekeerd hun bewakers niet waarnemen. De gevangenen weten dus nooit of zij worden waargenomen, maar hebben permanent het idee onder toezicht te staan. Zo heeft deze architectuur een individualiserende functie. De gedachte aan permanente observatie leidt ertoe dat een gevangene uit zichzelf zijn gedrag zal corrigeren en zich zal aanpassen aan de regels.

Op den duur zullen mensen de gedragsregels aanvaarden zonder dat zij zich nog langer bewust zijn dat de regels zijn opgelegd door anderen en dan is er sprake van normalisering. Dit beeld gaat niet alleen op voor de gevangenen in een panopticum; volgens Foucault is de huidige samenleving één grote instelling waarbij iedereen gevangen zit in een structuur van machtsrelaties.



Sociale rechtvaardigheid

(T)he basic structure is to be arranged to maximize the worth to the least advantaged if the complete scheme of equal liberty shared by all. This defines the end of social justice.

Rawls, A Theory of Justice
De Amerikaanse filosoof John Rawls (1921-2002) verdedigt in zijn boek A Theory of Justice een opvatting van rechtvaardigheid die berust op een gedachte-experiment. Nu wij allemaal weten met welke talenten en gebreken wij op deze wereld zijn, is het voor de getalenteerden verleidelijk om vooral loon naar presteren te verlangen. Voor de mensen met gebreken is het verleidelijk om vooral te verlangen dat iedereen ongeacht prestaties gelijk wordt beloond. Het gedachte-experiment van Rawls houdt nu in dat men een rechtvaardige maatschappij zou moeten bedenken nog vóórdat men weet met hoeveel of hoe weinig talenten men ter wereld komt. Deze onwetendheid noemt hij een “veil of ignorance”. Zijn verwachting is dat iedereen in zo’n situatie het rechtvaardig zou vinden als in de samenleving ook de minst getalenteerden nog een redelijk goed leven kunnen leiden en daarom zou men zo’n samenleving ook moeten nastreven.


Sociobiologie

An animal’s behaviour tends to maximize the survival of the genes ‘for’ that behaviour, whether or not those genes happen to be in the body of the particular animal performing it.

Dawkins, The Selfish Gene
Sociobiologen verdiepen zich in de wijze waarop gedrag erfelijk kan zijn bepaald door de samenhang van dat gedrag met de kansen in het strijd om het bestaan. Observatie van het gedrag van dieren toont namelijk aan dat dit lang niet altijd wordt gekenmerkt door meedogenloos nastreven van eigenbelang. Dieren komen nu en dan op voor verwanten zelfs als zij dat moeten bekopen met hun eigen leven. Richard Dawkins (* 1941) geeft in The Selfish Gene een verklaring voor dit altruïstische gedrag: voor het behoud en de verspreiding van het eigen genetisch materiaal is het voordelig om voor elkaar op te komen. Uit de evolutie blijkt dus niet dat individuele leden van een soort gebaat zijn bij egoïstisch gedrag, maar in zekere zin zijn die individuele leden met hun gedrag instrumenten voor de egoïstische belangen van hun genetisch materiaal. De observaties van Dawkins plaatsen de hardvochtige houding van sociaal-darwinisten in een ander daglicht.

Het einde der geschiedenis?

There is no doubt that contemporary democracies face any number of serious problems, from drugs, homelessness and crime to environmental damage and the frivolity of consumerism. But these problems are not obviously insoluble on the basis of liberal principles, nor so serious that they would necessarily lead to the collapse of society as a whole, as communism collapsed in the 1980s.

Fukuyama, The End of History
Kort nadat in 1989 in Berlijn de muur valt, schrijft de Japans-Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama (*1952) in The End of History And the Last Man dat, nu de democratie zowel het fascisme als het communisme definitief heeft overwonnen, er een einde is gekomen aan de geschiedenis. De eerdere regeringsvormen werden gekenmerkt door ernstige gebreken en irrationaliteit en daardoor zijn deze ook ten val gekomen. Democratie vormt volgens Fukuyama het enige alternatief dat ons nog resteert.

Gezien onder meer de gebeurtenissen van 11 september 2001 en al de nasleep daarvan, kun je je echter afvragen of Fukuyama gelijk heeft gekregen met zijn mening dat de geschiedenis in 1989 ten einde zou zijn gekomen.




© Walfred Haans, Zernike College



  • Klassieke Griekse staatsfilosofie
  • Duits idealisme Was vernünftig ist, das ist wirklich; und was wirklich ist, das ist vernünftig. Hegel, Rechtsphilosophie
  • Wetenschappelijk socialisme
  • Sociale rechtvaardigheid
  • Het einde der geschiedenis

  • Dovnload 58.1 Kb.