Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Sociologie samenvatting boek Hoofdstuk 1; Spelregels voor sociologen 2 De drie hoofdvragen van de sociologie

Dovnload 193.16 Kb.

Sociologie samenvatting boek Hoofdstuk 1; Spelregels voor sociologen 2 De drie hoofdvragen van de sociologie



Pagina1/3
Datum13.11.2017
Grootte193.16 Kb.

Dovnload 193.16 Kb.
  1   2   3

Sociologie samenvatting boek
Hoofdstuk 1 ; Spelregels voor sociologen
1.2 De drie hoofdvragen van de sociologie
1e hoofdvraag van de sociologie heeft betrekking op de ongelijkheden die zich tussen de leden van een samenleving kunnen voordoen. Daarom komen vragen aan de orde als : verdient in een samenleving als de onze iedereen evenveel?

Het ongelijkheidprobleem wordt ook wel een s aangeduid als de stratificatieproblematiek, omdat sommige samenlevingen meer lagen kennen dan andere en dat de afstanden tussen de lagen verschillen.


2e hoofdvraag betreft de mate van samenhang die samenlevingen vertonen. De leden van een samenleving kunnen een hechte eenheid vormen, maar ze kunnen ook als los zand aan elkaar hangen. Wordt ook wel ordeprobleem genoemd, omdat een geringe samenhang van een samenleving onder meer blijkt uit gebruik van geweld.
3e hoofdvraag heeft betrekking op de mate waarin zich binnen een samenlevingen rationaliseringsprocessen voltrekken. In sommige samenlevingen zijn techniek en wetenschap sterker tot ontwikkeling gekomen dan in andere. Wordt wel omschreven als het moderniseringsprobleem of het vraagstuk van de sociale verandering.
1.3 Stellen van problemen
Goede volgorde van vragen :

1. Beschrijvingsvraag

2. Trendvraag

3. Vergelijkingsvraag

4. Verklaringsvraag

5. Toetsingsvraag


Er is bezwaar gemaakt tegen de benaming rationaliseringsprobleem. Als alternatief wordt soms de term veranderingsprobleem voorgesteld, maar die geeft niet aan in welk opzicht samenlevingen veranderen, en zegt dan ook te weinig.
Onder verklaring verstaan we de afleiding van bijzondere uitspraken die een bepaald verschijnsel beschrijven ( = explanandum) uit een aantal andere uitspraken ( = explanans).
Durkheim = zelfdodingsvraagstuk , algemene bevinding :

Hoe hechter de leden van een godsdienstige groepering in die groepering zijn geïntegreerd, des te kleiner is hun kans op zelfdoding.


1.7 Sociale en sociologische problemen
Sociologische problemen : sommige kenmerken van samenlevingen zijn door sociologen geproblematiseerd en daardoor tot de hoofdvragen vd sociologie geworden. ( beschrijvend en verklarend )

Sociale problemen : ontstaan onder meer wanneer betrekkelijk algemeen gedeelde doeleinden niet worden bereikt en mensen dat als problematisch ervaren.

( normatief en praktisch )


Er kunnen 3 soorten bruggen worden geslagen :

1. Sociale problemen kunnen de aanleiding vormen voor sociologische vragen.

2. Soms zijn oplossingen voor sociale problemen te ontlenen aan antwoorden op de hoofdvragen vd sociologie.

3. Sociologisch onderzoek wijst meer dan eens uit dat bepaalde oplossingen van sociale problemen in de praktijk niet voldoen.


Hoofdstuk 2 ; Voer voor sociologen: geweld,ondergeschiktheid,welvaart
2.2 Het probleem van geweld of orde
Hobbes beweerde dat alleen staten een oorlog van allen tegen allen verhinderen.
Lockes hypothese luidt dat in een staat waar de persoon die mensen aanklaagt wegens wetsovertreding ook vonnis velt, het staatsgeweld tegen de onderdanen soms te sterk en dan weer te zwak is. Volgens Locke is het voor degene met het alleenrecht om iemand aan te klagen en het alleenrecht om eindoordelen uit te spreken, verleidelijk om ten nadele van tegenstanders en ten gunste van vrienden te handelen. Als beide machten zijn gescheiden, is de kans op misbruik kleiner. Hoe minder onderdrukking en corruptie zich volgens Locke in een staat voordoet, des te kleiner de kans op volksopstand.
Bentham stelde in 1789 dat mensen lusten najagen en lasten vermijden. Ze voeren die handelingen uit waarvan de baten ( lusten ) het meest de kosten ( lasten ) overtreffen.
2.3 Het probleem van ongelijke verhoudingen en verdelingen
Ferguson onderscheidt 4 stadia in de ontwikkeling van maatschappijen:

1. tijd waarin hun leden jagen, verzamelen of vissen.

2. Stadium waarin de bewoners van een samenleving vee houden.

3. Stadium waarin de bewoners land bewerken.

( In millars tijd zijn er maatschappijen waarin velen een ambacht uitoefenen en handel drijven ).
Millar beperkt zich tot ondergeschiktheid en deelt de vraag hoe ongelijk de verhoudingen die er bij gewoonte of wet tussen de leden van een samenleving bestaan, in vieren:

1. de zeggenschap van een man over zijn vrouw

2. de bevoegdheden van een vader te aanzien van zijn kinderen

3. het gezag van een vorst over zijn onderdanen

4. de diensten die een meester van zijn personeel mag eisen
Ad1. mannen en vrouwen

Volgens Millar is er overal en altijd zoiets als het huwelijk. De man is het gezinshoofd.

Ad2. vaders en kinderen

Millar laat verder zien dat met de verbeteringen in het bestaan vaders minder over hun kroost te zeggen krijgen.


Ad3. Heersers en onderdanen

Bij jagers blijft leiderschap beperkt tot oorlogstijd.


2.4 Het welvaartsprobleem
Volgens Smith gaat het voorspoediger met een land als er per jaar en per hoofd meer goederen worden vervaardigd. Grotere markten leiden tot meer arbeidsdeling; meer arbeidsdeling leidt op haar beurt tot de voortbrenging van meer goederen. Als markten volledig vrij zijn, is de productie optimaal.
Invoerverboden verlagen de welvaart van een land omdat de goederen die door deze verboden in eigen land worden gemaakt, duurder zijn en mensen van hun inkomen minder kunnen kopen. Volgens Smith verminderen invoerverboden de welvaart tevens omdat er geld gaat naar minder renderende bedrijven.
Hoe is het mogelijk dat in een land waarin niemand verordent hoeveel van welke goederen er moeten worden voortgebracht, meer goederen worden vervaardigd dan in een land waar de overheid dit bepaalt en de voortgebrachte goederen ook nog de goederen zijn die de mensen zich wensen?

1. Beeldspraak. De prijzen waarover aanbieders van en vragen naar goederen het op een markt eens worden, werken als een ‘onzichtbare’ hand.

2. Smith behaagt zijn lezers met fraaie zinnen : Wij vinden ’s avonds ons maal op tafel, niet omdat de bakker, bierbrouwer en slagen hun naasten lief hebben, maar omdat zij op hun eigen belang letten.

3. Smith formuleert hypothesen : Vrije markten hebben als gevolg dat mensen die elk voor zich hun voordeel nastreven, toch de algehele welvaart verhogen.


Hoofdstuk 3 ; ongelijkheid
3.1 Vragen over verhoudingen en verdelingen
Het ongelijkheidsprobleem : Wie krijgt wat er waarom ?
Volgens deze traditie zijn maatschappelijke verschijnselen – zoals cohesie, rationalisering en ongelijkheid – te verklaren uit de wijze waarop de mensen in hun bestaan voorzien. Veranderingen in de materiele basis van samenlevingen zouden namelijk het verloop vd geschiedenis bepalen – vandaar de naam historisch materialisme voor de traditie waarbinnen Engels en Marx werkten.
Volgens Engels en Marx leidde de groei vd totale hoeveelheid kapitaal in de Europese landen vd 19e eeuw tot een steeds hogere opstapeling van rijkdommen aan de kant der kapitaalbezitters en tot toenemende armoede voor de leden vd arbeidende klasse. Deze hypothese noemden ze de algemene wet van de kapitalistische accumulatie.
Engels en Marx verbonden de vragen van Ferguson en Millar met elkaar, wat uitmondde in de vraag hoe zich in een kapitalistische samenleving de verschillen in inkomen tussen kapitaalbezitters en arbeiders ontwikkelen.
3.2 De kern van het historische materialisme
Kale kern van het historisch materialisme :

a. Welke productiewijze een samenleving ook kent

b. elke ongelijkheid in die samenleving

c. berust op een of andere vorm van dwang

d. deze dwang leidt tot een bepaalde vorm van strijd

e. en soms resulteert deze strijd in de afschaffing van de oude dwangmiddelen en het verdwijnen van de oude ongelijkheden

f. en onder bepaalde omstandigheden tot de komst van ongelijkheid
3.3 Het klassiek historische materialisme
Engels invulling aan grondgedachte van het historisch materialisme :

a. In samenlevingen waar niet alleen spierkracht en gereedschap productiemiddelen zijn maar tevens machines, en waar sommige personen eigenaar van machines zijn, terwijl andere personen moeten leven van hun arbeidskracht

b. dalen de arbeidslonen en stijgen de winsten van kapitaalbezitters

c. en wel doordat kapitaalbezitters dreigen met de vervanging van arbeidskracht door machines

d. tegen die dwang ontstaat gewelddadig verzet

e. en als arbeiders zich van die dwang bewust worden en zich aaneensluiten,winnen ze deze gewelddadige strijd en wordt privé eigendom vd productiemiddelen afgeschaft.

f. en als de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit worden, ontvangen mensen voortaan consumptiegoederen naar hun behoeften
Centralisatiehypothese:

a. In kapitalistische samenlevingen

b. raakt de alsmaar groeiende hoeveelheid kapitaal bij steeds minder kapitaalbezitters geconcentreerd

c. en wel doordat grote eigenaren de kleine eigenaren door prijsafbraak uit de markt drijven


3.4 Het revisionistische historisch materialisme
Bernsteins herziening van de theorie van Engels en Marx luidt:

a. In kapitalistische samenlevingen zonder vrijheid van vereniging en vergadering en zonder een grondwet die aangeeft dat iedereen stemrecht voor een parlement heeft, eenieders stem evenzwaar weegt en ministers aan dit parlement verantwoording zijn verschuldigd

b. worden de arbeiders niet absoluut, maar wel relatief armer

c. Scholingshypothese : de arbeiders gaan er absoluut op vooruit doordat arbeid met de mechanisering van de productiewijze geschoold raakt en kapitaalbezitters minder dwang op geschoolde dan op ongeschoolde arbeiders kunnen uitoefenen: de arbeiders worden relatief armer doordat scholing niet geheel de dwang teniet kan doen die kapitaalbezitters uitoefenen.

d. onder deze omstandigheden wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters steeds meer een strijd om de uitbreiding van politieke rechten; die strijd is niet uitsluitend gewelddadig en heeft succes, naarmate de verworven politieke rechten ruimer zijn, wordt de strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters meer syndicalistisch en parlementair van aard, daarmee vreedzame vormen aannemend.

e. wanneer de arbeiders zich in vakbonden en partijen aaneensluiten,krijgen ze bij stapsgewijze hervormingen allerlei sociale rechten

f. terwijl door de invoering van sociale rechten de inkomens van arbeiders en kapitaalbezitters ook in relatieve zin minder van elkaar gaan verschillen
Bernstein verschafte tevens een alternatief voor Marx’ uitspraak over een 2e vorm van ongelijkheid in een kapitalistische samenleving :

a. In kapitalistische samenlevingen

b. neemt het aantal kleine eigenaren niet af, het stijgt zelfs

c. en wel doordat – door de toenemende vraag naar nieuwe consumptiegoederen als gevolgd van hogere lonen – nieuwe bedrijfstakken met kleine eigenaren ontstaan, en doordat grote eigenaren in oude bedrijfstakken de kleine eigenaren in nieuwe bedrijfstakken minder beconcurreren dan die in oude


3.5 Het orthodoxe historisch materialisme
Bernsteins werk riep al snel kritiek op: zijn herzieningen zouden te ver gaan. Het alternatief nam in de loop vd tijd 3 vormen aan : de kolonialismehypothese van Luxemburg, de wereldsysteemtheorie van Frank en Wallerstein en de mondialiseringshypothese van Reich en Klein
De kolonialismehypothese

Luxemburgs nieuwe invulling van de kern van het historisch materialisme luidde:

a. Als kapitalistische samenlevingen koloniën hebben en aldus het moederland van een imperium zijn,

b. dan stijgen in de moederlanden de lonen vd arbeiders, maar niet in relatieve zin, terwijl de lonen van arbeiders in de koloniën in absolute zin dalen

c. en wel doordat kapitaalbezitters meer dwang uitoefenen over de arbeiders in hun koloniale ondernemingen, en met de daar gemaakte winsten de arbeiders in de moederlanden afkopen

d. het zoeken van moederlanden naar koloniën leidt tot oorlogen tussen de imperia

e. en deze oorlogen leiden tot de ondergang van het kapitalisme
De wereldsysteemtheorie

Frank en Wallerstein vulden echter delen van de kern van het historisch materialisme als volgt in:

a. In sommige kapitalistische landen bevinden zich de hoofdzetels van ondernemingen in andere staan alleen nevenvestigingen, waarbij veelal in de nevenvestigingen grondstoffen worden gewonnen of verbouwd en in de hoofdzetels daaruit eindproducten worden vervaardigd

b. in het centrum stijgen de lonen absoluut en relatief, terwijl ze in de periferie relatief en absoluut dalen

c. en wel doordat ondernemingen met de hoofdzetel in het centrum en nevenvestigingen in de periferie meer dwang uitoefenen over arbeiders in de periferie dan over arbeiders in het centrum

d. hierdoor komen in de periferie gewelddadige bewegingen op tegen regeringen die multinationals niet aan banden leggen


De mondialiseringhypothese

a. In een wereld met vrijhandel in grondstoffen en eindproducten waarin wereldwijd in en verkopende ondernemingen uit hogelonenlanden zich steeds meer toeleggen op merkgoederen

b. stijgt in hogelonenlanden de werkloosheid onder acedemici, dalen er in absolute zin de lonen voor ongeschoolde arbeid in de industrie en blijven in lagelonenlanden deze lonen even laag als ze waren en de arbeidsomstandigheden even erbarmelijk

c. en wel omdat mondiale ondernemingen arbeid in hogelonenlanden vervangen door arbeid in lagelonenlanden en de onderaannemers in lagelonenlanden tegen elkaar uitspelen

d. tegen deze dwang wordt tijdens bijeenkomsten van de WTO en andere internationale organen betoogd door studenten uit hogelonenlanden

e. en hoe meer deze studenten via internet te weten komen vd leden van vakbonden in de landen met lage lonen over het optreden aldaar van onderaannemers en hoe meer deze studenten die kennis onderling uitwisselen

f. des te sneller wordt de aardbol een wereld zonder kinderarbeid waarin de productie voldoet aan veiligheidseisen en werknemers minstens het wettelijk minimumloon ontvangen en tevens een wereld zonder logo’s
3.6 De scheiding van eigendom en beheer
Berle en Means gaven de volgende invulling aan de kern van het historisch materialisme :

a. Met het aanhouden van de kapitalistische productiewijze in een land

b. raakt de hoeveelheid kapitaal verspreid over meer aandeelhouders

c. en wel doordat arbeiders hun hogere lonen deels in bedrijfsaandelen beleggen


Burnhams invulling:

a. In samenlevingen waar kapitaalgoederen het belangrijkste productiemiddel zijn, en sommige personen door middel van aandelen in een bedrijf eigenaar van kapitaalgoederen zijn, terwijl andere personen het feitelijke beheer over kapitaalgoederen voeren

b. dalen de dividenden van aandeelhouders en stijgen de salarissen en tantièmes van directeuren en commissarissen

c. en wel doordat directeuren en commissarissen dwang over aandeelhouders uitoefenen door met opstappen te dreigen


3.7 Waarom geen socialisme in de VS ?
1e reden

Sombarts mobiliteitshypothese:

a. In kapitalistische samenlevingen

b. zijn alle bewoners, wat de vrijheid van arbeid en het recht op privé eigendom betreft, voor de wet gelijk; in feite echter is het voor arbeiders zo goed als onmogelijk een eigen bedrijf te beginnen en daarmee eigendom te verwerven

c. en wel doordat gevestigde ondernemers nieuwelingen uit de markt drukken



Sombart voorzag een alternatieve invulling voor een heel bepaald soort kapitalistische samenlevingen:

a. In kapitalistische samenlevingen die geen feodaal verleden hebben gekend en waar onontgonnen grond bestaat die nog niet in particuliere handen is

b. beginnen meer arbeiders een eigen bedrijf, waardoor ze sociaal stijgen

c. ze doen dat omdat de dwang die kapitaalbezitters in landen met vrije grond over arbeiders kunnen uitoefenen, zwakker is;

d. en naarmate de sociale stijging in die samenlevingen omvangrijker is, komt er minder strijd voor tussen arbeiders en kapitaalbezitters en neemt die strijd ook vreedzamer vormen aan.
2e reden

Wiley’s boeren en slavenhypothese 1e invulling

a. In kapitalistische samenlevingen waar steeds meer grond ontgonnen raakt.

b. worden de schulden van nieuwe boeren zwaarder, terwijl de rentebedragen die schuldeisers ontvangen toenemen

c. en wel doordat de boeren voor investeringen in hun bedrijf tegen voor hen steeds ongunstiger voorwaarden leningen aangaan

d. dit leidt ertoe dat boeren op partijen stemmen die een lage rente en hoge graanprijzen voorstaan
2e invulling Wiley:

a. In kapitalistische samenlevingen die slavernij hebben gekend

b. verbetert de levensstandaard van voormalige slaven en van hun nakomelingen maar weinig

c. en wel doordat de oude slavenhouders door één lijn te trekken deze mensen van het genot van goederen en diensten blijven uitsluiten

d. dit leidt ertoe dat de nakomelingen van slaven deelnemen aan sit-ins, boycots, betogingen en marsen, en dat rassenrellen en ontlusten uitbreken
3.8 Waarom is de Nederlandse arbeidersbeweging zo zwak?
Het antwoord van Heerma van Voss was 3ledig:

1. het kapitalisme bleek langdurig in staat het levenspeil van de arbeiders te verhogen

2. In Nederland werd de grootindustrie niet zo belangrijk als verwacht

3. Er waren voor arbeiders vaak andere bestaansstrategieën aantrekkelijker dan aansluiting bij de arbeidersbeweging


Stratificatie- en mobiliteitsproblematiek:

Hoe groot is de mobiliteit ( soc stijging/daling ) van individuen tussen klassen?


Volgens Engels en Marx zouden de kleine eigenaren, door de concurrentie vd grote, verdwijnen, terwijl volgens Bernstein de klasse vd kleine eigenaren,door de hogere levensstandaard vd arbeidende klasse, in aantal toeneemt.
Elke vraag over welke ongelijkheid tussen wie en wie dan ook is nu in 2 delen uiteen te leggen: het scheefheids en het mobiliteitsprobleem.


Hoofdstuk 4 ; Vermogens- en inkomens verschillen in Nederland
4.2 De inkomensverhoudingen tussen sociale lagen
De socioloog Wilterdink onderkent 3 trends in de vermogensvorming in Nederland in de 20e eeuw:

1. sterke groei van het nationale vermogen

2. de verdeling van de privé vermogens is minder scheef geworden

3. de groei van de privé vermogens is achter gebleven bij de groei van de collectieve vermogens


Wanneer werknemers naar hun onderwijs worden opgesplitst, krijgen degenen met het laagste onderwijs een plaats op de inkomensladder net boven de hoogst geplaatste categorie die slechts een uitkering als inkomensbron heeft. Werknemers met het hoogste onderwijs krijgen een plaats ver boven directeuren, de hoogst geplaatste categorie personen die behalve arbeid tevens vermogen als voornaamste inkomensbron hebben.
Hoofdstuk 5 ; Cohesie en zelfdoding
5.1 De onderdelen van het cohesieprobleem
Het structureel functionalisme is een tweede, vandaag de dag belangrijke traditie in de sociologie : hoe is het mogelijk dat mensen vreedzaam met elkaar samenleven?
Wanneer een geringe samenhang van samenlevingen gelijk wordt gesteld aan geweld tegen anderen spreekt men over het ordeprobleem ; wanneer men ook de andere tegenhanger van vreedzaam samenleven wil benadrukken,het gebruik van geweld tegen de eigen persoon, dan spreekt met over het cohesieprobleem.
5.2 De kern van het structureel functionalisme
Durkheims structureel-functionalistische antwoord op de cohesievraag luidt aldus:

a. Iedere samenleving vertoont een bepaalde samenhang

b. voorzover ze uit bepaalde intermediaire groeperingen bestaat

c. en bepaalde algemeen gedeelde waarden en normen kent

d. en naarmate de leden van zo’n samenleving hechter in deze groeperingen zijn geïntegreerd, leven ze die waarden en normen meer na

e. wat in meer samenhang resulteert


Een van de wetmatigheden van het menselijk samenleven luidt volgens Tocqueville dat in een samenleving waarin alle mensen voor de wet gelijk zijn, de mensen beschaafd blijven zolang ze de kunst beheersen om zich tot verenigingen aaneen te sluiten.
De eerder vermelde kernuitspraak, die grondgedachten van Comte en Tocqueville in zich verenigt, wordt door Durkheim in Le Suicide als volgt ingevuld :

a. Een sterke samenhang blijkt uit een laag zelfdodingcijfer

b. gezinnen, kerkgenootschappen en pol verbanden zijn voorbeelden van intermediaire groeperingen

c. één van die normen is afkeuring van zelfdoding, een norm die in bijna alle samenlevingen wordt onderschreven

d. en naarmate de leden van zon samenleving hechter zijn geïntegreerd in gezinnen en kerkgenootschappen en politieke verbanden, leven ze dit verbod op zelfdoding meer na

e. en is hun kans op zelfdoding kleiner


5.5 Durkheims anomietheorie
Wanneer er is een samenleving geen normen en waarden zijn die de doelen van haar leden met hun middelen laten overeenstemmen, spreekt Durkheim van anomie.
Dit ontbreken van normen en waarden die de wensen van mensen over hun levensstandaard afstemmen op de mogelijkheden die zij hebben, is volgens Durkheim een geval van economische anomie.
Huiselijke en echtelijke anomie : Het hogere zelfdodingcijfer voor weduwnaren in vergelijking met gehuwde mannen is een voorbeeld van de gevolgen van huiselijke anomie.
Hoofdstuk 6 ; Cohesie en criminaliteit
6.1 Mertons anomietheorie
Volgens Merton is het ontbreken van waarden en normen dus niet de oorzaak van de hoge criminaliteit in de VS. Volgens hem drijven de waarden en normen van de Amerikaanse samenleving de doelen en middelen van haar leden uit elkaar. Dat is de oorzaak van de hoge criminaliteit. Als Durkheim stelt dat het ontbreken in een samenleving van normen en waarden die de doelen en middelen van haar inwoners op elkaar afstemmen, tot meer zelfdoding in die samenleving leidt, moet daar volgens Merton bij worden gezegd dat er in die samenleving wel normen en waarden zijn die de kloof tussen de doelen en middelen van haar leden onoverbrugbaar maken.
Wanneer de leden van een samenleving 2 soorten waarden en normen worden voorgehouden kunnen individuen zich hieraan op 4 wijzen aanpassen:

1. beide soorten waarden en normen aanvaarden

2. beide soorten verwerpen

3. het ene soort aanvaarden en het andere soort afwijzen

4. ene soort aanvaarden en andere soort afwijzen
Conformisme : de gedragswijze die in de Amerikaanse samenleving het meest voorkomt. Het gaat hier om mensen die zowel de doelen aanvaarden die de cultuur aanprijst, als zich de normen hebben eigen gemaakt over de manieren waarop deze doelen wel en niet mogen worden bereikt.
Innovatie : de vorm van gedrag waarbij een individu de cultureel voorgeschreven doeleinden heeft overgenomen, zonder echter de normen te hebben geïnternaliseerd die betrekking hebben op de middelen waarmee dit doel al dan niet mag worden bereikt.
Ritualisme : de vorm van gedrag waarbij mensen de aspiraties hebben opgegeven die de samenleving hun voorhoudt en toch aan de normen over legitieme middelen vasthouden.
Retraitisme : Voorbeelden : alcoholisten, zwervers. Het zijn mensen die zich aanvankelijk de doelen van de Amerikaanse samenleving hadden eigen gemaakt, deze doelen ook met legitieme middelen hebben geprobeerd te bereiken, maar hierin niet zijn geslaagd.
Rebellie : Verwerping van een maatschappelijk norm kan op 2 dingen neerkomen:

1. zuiver negatieve verwerpen ( retraitisme )

2. verwerpen van oude normen en tegelijkertijd aanvaarden en verspreiden van alternatieve normen ( rebellie )
Witteboordencriminaliteit : De structuur van een samenleving bestaat volgens Mertons anomietheorie niet alleen uit intermediaire groeperingen. In de 1e lezing van die theorie bestaat ze ook uit ongelijk verdeelde toegangsmogelijkheden tot legitieme middelen. Als witteboordencriminaliteit voorspeld gaat worden, omvat de structuur van een samenleving tevens de ongelijk verdeelde toegangsmogelijkheden tot illegitieme middelen.

  1   2   3

  • 1.3 Stellen van problemen
  • 1.7 Sociale en sociologische problemen
  • Hoofdstuk 2 ; Voer voor sociologen: geweld,ondergeschiktheid,welvaart 2.2 Het probleem van geweld of orde
  • 2.3 Het probleem van ongelijke verhoudingen en verdelingen
  • 2.4 Het welvaartsprobleem
  • Hoofdstuk 3 ; ongelijkheid 3.1 Vragen over verhoudingen en verdelingen
  • 3.2 De kern van het historische materialisme
  • 3.3 Het klassiek historische materialisme
  • 3.4 Het revisionistische historisch materialisme
  • 3.5 Het orthodoxe historisch materialisme
  • 3.6 De scheiding van eigendom en beheer
  • 3.7 Waarom geen socialisme in de VS
  • 3.8 Waarom is de Nederlandse arbeidersbeweging zo zwak
  • Hoofdstuk 4 ; Vermogens- en inkomens verschillen in Nederland 4.2 De inkomensverhoudingen tussen sociale lagen
  • Hoofdstuk 5 ; Cohesie en zelfdoding 5.1 De onderdelen van het cohesieprobleem
  • 5.2 De kern van het structureel functionalisme
  • 5.5 Durkheims anomietheorie
  • Hoofdstuk 6 ; Cohesie en criminaliteit 6.1 Mertons anomietheorie

  • Dovnload 193.16 Kb.