Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Sociologische en politicologische theorieën

Dovnload 111.03 Kb.

Sociologische en politicologische theorieën



Pagina1/3
Datum16.04.2017
Grootte111.03 Kb.

Dovnload 111.03 Kb.
  1   2   3



Sociologische en politicologische theorieën

Context

I

Het theoretisch pluralisme van stromingen en referentiekaders in de sociale wetenschappen gaan we als uitgangspunt nemen en dus nader bekijken, waarbij we theorie definiëren als een geheel van gegeneraliseerde uitspraken middels concepten die op een samenhangende manier naar elkaar verwijzen, een conceptuele bril om de wereld in rationele beelden te vatten. Naargelang de relevantie die ze hebben voor onze criteria binnen onderzoek, kiezen we een zienswijze uit de verschillende referentiekaders.



II

Aansluitend zien we de verschillende onderzoekstradities, kwantitatief vs. kwalitatief, in het spoor van de sociologische “founding fathers” Durkheim en Weber. Respectievelijk volgen ze de collectivistische en individualistische benadering: bovenindividuele, determinerende krachten en factoren (sociale feiten) vs. individuele intenties en motieven (betekenisgeving).

III

In de lijn met Webers betekenisgeving zien we het symbolisch interactionisme, waarvan Mead, Blumer, Goffman, Geertz en Becker de voornaamste hoofdrolspelers zijn. De Durkheimiaanse lijn wordt vervolgd door het functionalisme (Merton, Dahrendorf) en de systeemtheorie (Parsons, Luhmann). Beide hoofdlijnen verschillen zowel in hun visie op cultuur (interpretatief vs. mentalistisch) als op de deelname aan het sociale leven (strategische enscenering en zelfrepresentatie vs. vastliggende rollen).



IV

Daarbij dient opgemerkt te worden dat de “collectivistische” benadering ook primeert in de (neo)marxistische traditie en de daarop voortbouwende kritische sociologie en conflictsociologie. Sommige stromingen, zoals de figuratiesociologie (Elias) en het poststructuralisme (Foucault), zijn moeilijker te plaatsen. De plaats van verschillende stromingen en de uitdieping ervan vormt de hoofdlijn van de colleges.

V

De titel “sociologische en politicologische theorieën” drukt het al uit: zowel de sociologie als de politicologie komt aan bod. Op het vlak van theorievorming verschillen beide disciplines echter: terwijl bij de eerste “stromingen” onderscheiden kunnen (konden, tot jaren ’70: subdisciplinaire verkokering  integratiepogingen) worden, spreken we bij de laatste beter over “benaderingen” (Marsh & Stoker) door de minder sterke theoretische profilering. Voorbeelden: normative theory, institutional approach, behavioral analysis, rational choice theory, feminist perspective en discourse theory. Daarnaast onderscheiden ze nog 3 theories of the state: pluralism, elitism en Marxism (T. Janoski).



Doelstellingen

Na (1) een uitdieping van de Durkheimiaanse traditie (Parsons & Luhmann), nemen we die van Weber onder handen met (2) een introductie tot de ethnomethodologie (Garfinkel) enerzijds en (4) een kennismaking met Elias, Foucault en Habermas anderzijs door (3) Webers idee van rationalisatie uit te diepen. Daarna volgen (5) het (neo)marxisme en (6) Bourdieus conflictsociologie

(1) systeemtheorie: T. Parsons en N. Luhmann, incluis Luhmann over macht, het politieke systeem en democratie

(2) Weber 1: ethnomethodologie

(3) Weber 2: ‘back to Weber’ over rationalisatie

(4) rationalisatie herbekeken: J. Habermas (theorie van communicatief handelen), N. Elias (civilisatietheorie) en M. Foucault (disciplinering) + Foucaults poststructuralistische visie op de staat (‘governmentality’ of bestuurlijkheid)

(5) Marx en het neomarxisme of de Kritische Theorie (inz. M. Horkheimer en T.W. Adorno)

(6) P. Bourdieus conflictsociologie en aansluitende visie op macht, het politieke veld en de staat



Examen

Open boek = meenemen wat je wil om 4 “kleine” en 1 “grote” vraag te beantwoorden.

Functionalisme & Systeemtheorie

Talcott Parsons (1902-1979)

Parsons situeren we onder Durkheim, met invloeden uit de biologie en van antropoloog Malinowski. Als “incurable theorist” probeerde hij zijn werk over sociale systemen in te bedden in een bredere handelingstheorie. Ondanks z’n saaiheid, misschien zelfs conservatieve aard want evenwichtgericht, schopten zijn kernbegrippen en basisinzichten het tot standaardsociologie. Samen met Merton en Lazarsfeld was hij grondlegger van het naoorlogse functionalisme. Van belang is nog zijn indirecte invloed op Niklas Luhmann (“hoe het niet te doen”) en op het communitarisme (politiek debat: waardeverval, integratie). Bekende werken: zie pp.



Algemene uitgangspunten

Vanuit de centrale vraag “hoe is sociale orde mogelijk?” (Durkheimiaans) wijst Parsons het utilitarisme af: egoïstische nutsmaximalisatie leidt tot Hobbes’ oorlog van allen tegen allen en dus niet tot orde. Daarenboven negeert het de rol van niet-rationele factoren (Freud). Ook de machtsvisie, zoals binnen de conflictsociologie, is niet verklarend: een opgelegde orde is tijdrovend en duur, lokt verzet en dus wanorde uit. Cultureel determinisme krijgt daarom van Parsons de sturende rol toebedeeld: geïnstitutionaliseerde waarden en normen die geïnternaliseerd worden. Dus de integratie van cultuur en persoonlijkheid waarborgt de sociale orde. Parsons, de consensustheoreticus.

Parsons’ centrale stelling, dat er nood is aan een algemene handelingstheorie (Weber!), is gebaseerd op een combinatie van voluntarisme (keuzevrijheid) en culturalisme (motiverende rol waarden en normen). Daarbij redeneert hij positivistisch: deterministisch en behavioristisch, bewustzijn en culturele factoren negerend. De interactie van individuele handelingen, echter, staat niet op zich: een knopennetwerk, een systeem ontstaat, een emergentie op basis van elementaire relaties.

Systeem: een samengesteld geheel van onderling gerelateerde elementen, zoals handelingen (sociaal systeem), waarden en normen (cultureel systeem) of behoeftedisposities (persoonlijkheidssysteem). * Sociaal systeem: positie + verwachting = rol  handelingen

Critici wijzen op een spanning tussen micro en macro in Parsons’ werk, tussen handelingstheorie en systeembenadering, waarbij het gewicht steeds meer op de tweede kwam te liggen.



Handelingstheorie

Net als bij Weber en het symbolisch interactionisme, benadrukt een handelingstheorie de rol van het bewustzijn en worden individuen gezien als deels autonome mensen die binnen bepaalde gegeven omstandigheden op een (doel)gerichte manier handelen. Daarbij oriënteren ze zich wel aan bepaalde standaarden, principes. De noodzaak van het “verstehen” uit zich hierin.

De vroege Parsons vertaalt dit in de idee van de unit act, met vier dimensies: (1) de individuele of collectieve actor, (2) het doel van de handeling, (3) de handelingssituatie = gegeven condities + beschikbare middelen, (4) normen en waarden // middelen en doel. De keuze van doel en middelen (voluntarisme) staat dus niet volledig vrij, maar wordt beperkt, gestructureerd door de situatie.

Vanaf “The social system” verschuift het accent van de unit act naar een “higher order unit than the act, namely the status-role [positie + rol]”. Het sociaal systeem gaat dan bestaan uit de op elkaar betrokken rolhandelingen van positiebekleders. Achtung: de rollen zijn verbonden met achterliggende waarden, die patroonvariabelen sturen. Tegelijk zien we bij de latere Parsons een relativering van het “verstehen”, door een sterkere nadruk op de ordenende rol van geïnternaliseerde waarden en normen + rollen, dus een verdere relativering van de keuzevrijheid.

This integration of a set of common value patterns with the internalized need-disposition structure of the constituent personalities is the core phenomenon of the dynamics of social systems.”

Daardoor ontstaat ook een andere opvatting van handelen, als aangedreven (1) door behoeftedisposities die motiveren en (2) door richtinggevende waardeoriëntaties. (1) De motivatie tot het bevredigen van behoeftes en vermijden van deprivation oriënteert evenwel het handelen, drievoudig zelfs: cognitief (situatie kennen), cathectisch (emotionele hechting, betekenis ervan) en evaluatief (inschatten bevredigingskansen). (2) Overeenkomstig zien we drie waardeoriëntaties, die verinnerlijkte culturele standaarden zijn in de omgang met behoeftedisposities: cognitief (reguleren info), appreciatie ([emotioneel] geschikt zijn van doel) en moreel (ethisch).

Aansluitend onderscheidt Parsons vier handelingstypen: intellectueel (kennisgericht), expressief (emotioneel), moreel (ethisch) en instrumenteel (doel/waarde ~ cathectisch + appreciatie & middelen ~ cognitieve standaard; beide gekaderd door morele standaard). * Lijkt minder op Webers doelrationele dan waarderationele handelen.

De patroonvariabelen, die Parsons recupereert uit Tönnies’ tweedeling Gemeinschaft (expressief) –Gesellschaft (instrumenteel handelen), kunnen als handelingsdilemma’s gezien worden: keuzes die gemaakt moeten worden in een tweedeling van waarden om een situatie te definiëren en erbinnen te handelen, naargelang een van de twee gekozen waarden: affectief vs. neutraal, diffuus vs. specifiek, particulier vs. universeel, toegeschreven vs. verworven, collectief vs. zelf. De overgang van de linkse naar de rechtse antipode loopt gelijk met de overgang van Tönnies’ traditionele naar een moderne maatschappij, staat gelijk aan volwassen worden (belang onderwijs!). De patroonsvariabelen kunnen gebruikt worden bij de studie van persoonlijke keuzepatronen, culturele patronen en rolverwachtingen.

*Geïnstitutionaliseerde normen en waarden schrijven keuze tussen patroonvariabelen voor, afwijking is dus deviantie.

Systeemtheorie

Alle systemen hebben volgens Parsons een aantal gemeenschappelijke basiskenmerken: een wederzijdse afhankelijkheid tussen de elementen (vb. in cultuursysteem: geen waarden zonder normen, en andersom), een tendens naar orde (vandaar patronen en integratie) en een tendens naar zelfbehoud via grensbehoud (controle omgeving en interne coördinatie elementen en tendensen).



AGIL – handelingssystemen

Het uitgangspunt van Parsons’ systeemtheorie is dat ieder soort systeem aan vier basisnoden of functionele vereisten moet voldoen, wil het zich reproduceren. Een functie is dan een reeks activiteiten die bijdraagt aan het vervullen van deze behoeften. Zo kwam Parsons tot het AGIL-schema voor elk handelingssysteem: (A) Adaption, niet ondergaan maar ontlenen aan de omgeving, (G) Goal, doelbepaling + middelenmobilisatie, (I) Integration, interne afstemming en coördinatie tussen systeemelementen en (L) Latency/Latent pattern maintenance, behoud van motivatiestructurerende waarden en normen (via institutionalisering = “cultureel geheugen”).

Aan de vier functionele vereisten zijn vier systemen verbonden: (C) cultureel systeem: betekenisgeving + motiverende normen en waarden, (S) sociaal systeem, rolhandelingsinteractie zorgt voor integratie, (P) persoonlijkheidssysteem, behoeftedisposities = motivatie tot gratificatie en (G) gedragssysteem, het biologische organisme. Er bestaat een dubbele hiërarchie tussen deze systemen: van boven naar onder zien we controle, van onder naar boven is er sprake van “input” van benodigde energie. Soms voegt Parsons onderaan resp. bovenaan nog een “handelingsomgeving” toe, namelijk de fysiekorganische omgeving resp. de “ultimate reality” (ultieme zingeving).

! Waar blijft de mens? Weg gesystematiseerd: optelsom gedrag-persoon-sociale-cultuur

(1) Sociale systemen bestaan uit inter-acterende actoren die posities en rollen opnemen. Parsons’ structurele benadering komt hier tot uiting door de nadruk op positie + rol als basiseenheid, waarbij we indachtig moeten houden dat de rollen aan waarden verbonden zijn. Tegelijk ligt er een nadruk op systeembehoudende processen, zoals motivering en sanctiemiddelen, wat voortkomt uit een eerder functionalistische benadering van structurering/ordening. Vandaar: structureel functionalisme.

Cruciaal voor de ordening van sociale systemen is de koppeling van cultuur (waarden, normen: rolverwachtingen) en persoonlijkheid. Daarom is socialisatie van doorslaggevend belang, aangevuld met sociale controle. Het beeld van de conservatieve Parsons is zo ontstaan. Hij merkt echter regelmatig ook de noodzaak van voldoende rolkansen, om de “geëigende sociale plaats” te vinden, en de nood van handelingsvariatie en zelfs een beetje deviatie (tegen verstarring) op.

(2) De sturende rol van het culturele systeem, zowel binnen het persoonlijkheidssysteem (socialisatie) als het sociale systeem (normen/waarden qua interactie: rolverwachtingen), vindt dankzij betekenisdragende symbolen ook zijn uiting en samenhang in patronen. Vandaar zien we weer een driedeling: cognitieve (ideeën), expressieve (emoties, hechtingen) en waardegeladen (morele) symbolen.

(3) Het persoonlijkheidssysteem: De samenhangende elementen zijn behoeftedisposities, aangeleerde neigingen (vs. driften), waarbij we drie grote noemers onderscheiden: (i) zoeken naar waardering, liefde, (ii) na te streven geïnternaliseerde waarden en (iii) na te leven verinnerlijkte rolverwachtingen. Hieruit blijkt het persoonlijkheidssysteem sterk gesocialiseerd, passief en sociaal gedetermineerd (// Freuds superego). Kritiek: geen ruimte voor spontaniteit en individualiteit.

(4) Het gedragssysteem voedt alle andere systemen met “energie” (input), is niet louter organisme want gesocialiseerd (vb. wat is lekker? Cultureel genormeerd).

De maatschappij: In het maatschappijsysteem zien we (1) het vertrouwenssysteem als cultuur op maatschappelijk niveau (dus betekenisgeving + normen en waarden) vs. (2) de gemeenschap als socialiteit, wat maatschappelijke integratie of solidariteit moet verzekeren. Hoe wordt die loyaliteit verzekerd bij het bestaan van vele organisaties, andere collectieve eenheden en sociale ongelijkheid? Primair: via legitieme normen, zoals het recht. Sluit aan bij politieke debat over waarden- en normenvervaging en het daaruit volgende wantrouwen.

Te vergelijken met het verschil tussen sociologie (integratie in sociaal systeem, of meer bijzonder: de maatschappij) en politicologie (bepaling doelen en middelenmobilisatie: collectief bindende beslissingen = polity, want gebeurt in elke organisatie, niet per definitie gelijk aan politiek) * De maatschappij in het handelingssysteem, zie pp.

Binnen het politiek systeem gebeurt adaptie aan de omgeving d.m.v. de administratie, terwijl het doel gesteld wordt door de uitvoerende macht nadat de integratie in de vorm van articulatie van de belangen door partijpolitieke leiders gebeurd is. Dit alles volgens de latente patroononderhoud zoals het door het legislatief-juridisch apparaat gekaderd wordt (grondwet = kern, legitimeert doel).

Niklas Luhmann (1927-1998)

Niklas (eveneens) “the uncurable theorist” Luhmann volgde een opleiding als jurist, maakte carrière als ambtenaar en zou pas op latere leeftijd bij Parsons doctoreren om hoogleraar te worden. Interdisciplinaire inzichten (cybernetica, biologie: autopoiesis, vormenlogica) importerend, blies hij de systeemleer en functionalisme nieuw leven in ondanks de kritiek erop. Desondanks werd hij lange tijd weinig gerecipieerd: slechts vanaf midden jaren 90 kwam er toenemende belangstelling, met schoolvorming in Duitsland en Italië tot gevolg.



Uitgangspunten

(1) Complexiteit: exponentieel stijgend aantal relaties tussen eenheden naarmate aantal elementen toeneemt. Vandaar is er nood aan complexiteitsreductie door een selectie van relaties door te voeren, maar die selecties zijn contingent!

(2) Contingentie: wat is, zou anders kunnen zijn. Wat is, is niet noodzakelijk zo of onmogelijk, dus het is mogelijk! // Co-incidentie: toevallig samenvallend.

(3) Zin: de actualisatie van een mogelijkheid is zinvol, gezien ten opzichte van een achtergrond van potentiële mogelijkheden, een virtualiteit ervan, een mogelijkhedenhorizont.



Systeembegrip

Luhmanns eerste systeemnotie benadrukt de complexiteitsreductie, dus de elementen met hun specifieke geselecteerde (contingente!) relaties. Er zijn vier soorten systemen (machinale, organische, psychische en sociale), dus vier soorten basiselementen (resp. ?, cellen, gedachten+bewuste waarneming en publieke communicaties). Enkel binnen psychische en sociale systemen kunnen we spreken van zinvolle complexiteitsreductie. Een sociaal systeem gaan we dus definiëren als een communicatieproces van elkaar opvolgende elementen. Vandaar: een getemporaliseerde complexiteitsreductie, in de eerste plaats door een selectie van thema’s en bijdragen.

De tweede systeemnotie karakteriseert een systeem als een herhaalde basisoperatie die resulteert in de eigen aanmaak of productie van een basiselement: “zelfproductie”, of autopoiesis. Basisoperaties zijn zoals analoog met voormelde basiselementen: celreproductie, denken/bewust waarnemen en communiceren.

Waarom zijn sociale systemen nu autopoietisch, zelfproducerend? Een communicatie kan enkel blijken een communicatie te zijn in de context van een communicatieproces. Het principe van retroactieve identificatie is van toepassing: de publieke receptie blijkt slechts uit een tegen-communicatie en doet haar bestaan. Het recursief opereren van sociale systemen blijkt hier uit het feit dat de uitkomst van een eerdere communicatie het aanknopingspunt vormt voor nieuwe communicatie – nieuwe communicatie die geselecteerd moet worden uit een (constant veranderende) mogelijkhedenhorizon en daarom zinvol is. Zin is het basismedium van communicatie want “medieert” de selectie die gemaakt wordt.

Autopoiesis/zelfproductie en recursiviteit impliceren zelfreferentialiteit (vgl. contextualiteit). We onderscheiden basale zelfreferentie (naar communicaties verwijzend: reflexiviteit) en zelf-reflectie (over zichzelf reflecterend sociaal systeem, maakt communicatieve identiteit aan). De opeenvolging van operaties zorgt dan voor afgrenzing van het systeem ten opzichte van de omgeving (psychische, organische en andere sociale systemen): systeemdifferentiatie die bevestigd wordt met elke communicatie.

De combinatie van systeemdifferentiatie en zelfreferentialiteit impliceert operatieve geslotenheid: de operaties, zoals communicaties, in een sociaal systeem verwijzen enkel naar elkaar, er zijn geen uitwisselingsrelaties. “Wij”, als psychisch systeem, participeren slechts doch noodzakelijk, zijn geen lid van het systeem, maar voeren waarnemingsoperaties uit. Dit is de structurele koppeling tussen het sociale en psychische systeem, die primair via taal verloopt, “taal doet de gedachten dansen”, zorgt voor gearticuleerd denken. Daarom kan communicatie als autopoietisch beschreven worden: er bestaat verschil tussen denken en communiceren, bv. liegen (wat u zegt is niet wat u denkt!). Omdat communicatie enkel “over” omgevingselementen mogelijk is, is omgevingsopenheid slechts mogelijk door operatieve geslotenheid.



Communicatiebegrip

Luhmann wijst het zender-ontvangermodel natuurlijk af: iets is slechts communicatie in de context van andere “ietsen” die als communicaties reeds geïdentificeerd werden, waarbij elke aansluitende communicatie een impliciete confirmatie is die zelf om identificatie vraagt. Communicatie valt daarom te zien als een synthese van drie contingente selecties: van informatie (inhoud), mededeling (vorm) en begrijpen (op welke manier te begrijpen?). Een identificerende communicatie doet de vorige op twee manieren begrijpen, communicatief (meegedeelde info) en psychisch. Het laatste is niet observeerbaar, wel communiceerbaar.

Tussen twee van de communicatiecomponenten en hun manier van refereren bracht Luhmann een “homologie”/equivalentie aan. Zelfreferentialiteit staat daarin gelijk aan de mededelingskant (een communicatie roept: “ik ben een mededeling!”), externe of alloreferentialiteit slaat op de infokant (refereert aan iets buiten zich, in de omgeving). De homologie wijst dus op het dubbele onderscheid tussen systeem en omgeving.

In een vroegere visie waren handelingen Luhmanns basiselementen voor sociale systemen. In zijn revisie worden handelingen communicatieve attributies, het toekennen van het gecommuniceerd selecteren aan actoren IN communicaties. Door die toekenning te doen, gebeurt een complexiteitsreductie. Conclusie: sociale systemen = autopoiesis van communicatie + de zelfbeschrijving of interpretatie hiervan in termen van handelingen.



Sociale structuren, systemen & de maatschappij

Hoe is geordende communicatie nu mogelijk? Er moet complexiteitsreductie gebeuren, dus een structurering (inperking) van het aantal zinvolle aansluitingsmogelijkheden. Sociale structuren worden dan ook gevormd door verwachtingen en verwachtingsverwachtingen die vastgehaakt zijn aan thema’s, posities en/of personen. In onze communicatie worden verwachtingen echter niet altijd ingelost. Het hangt ervan af of we ze aanpassen of niet, dat we ze respectievelijk cognitief of normatief noemen.

Luhmann definieert drie types van sociale systemen waarin communicaties plaatsvinden: interactiesystemen (wederzijdse waarneming), organisaties (lidmaatschapscriteria + beslissingscommuniceren = zelfreferentiële basis) en de maatschappij als overkoepelend, insluitend sociaal systeem.

De maatschappij differentieert echter, en wel op verschillende manieren. Segmentair: in gelijke segmenten of subsystemen, geografisch en/of genealogisch gegrond. Rang- of stand: gelijkheid binnen subsysteem, onderlinge ongelijkheid en hiërarchie. Volgens velen (Marx, Bourdieu, …) is ook de moderne maatschappij primair rang-gedifferentieerd volgens klassen, maar hoe dan het (autonome) functioneren van onderwijs, economie, wetenschap… analyseren? Functionele: autonome subsystemen rond maatschappelijke functies of “referentieproblemen” (want verschillende communicaties naargelang de functie). Tussen functiesystemen is er ongelijkheid, maar geen hiërarchie: ze zijn horizontaal gedifferentieerd. !posities/rollen en organisaties primair in 1 functiesysteem !

De moderne maatschappij is primair functioneel gedifferentieerd, waarbinnen segmentaire differentiatie bestaat (bv. wetenschappelijke subdisciplines) en die rang- of klassendifferentiatie (re)produceert door de latent disfunctionele werking en “output” van subsystemen onderwijs en economie (door die ongelijkheid noodzakelijkerwijs als input te gebruiken). Het autonoom functioneren van de functiesystemen is maar mogelijk door een combinatie van operatieve autonomie en geslotenheid met afhankelijkheid van andere subsystemen = structurele koppelingen. Vandaar: elk functiesysteem heeft zijn functie (dat zijn referentiepunt met de maatschappij vormt), waarvan de prestaties geleverd worden aan andere functiesystemen, en een relatie van (zelf)reflectie onderhoudt met zichzelf.

Het functioneren van functiesystemen

Het functioneren van functiesystemen is slechts mogelijk door middel van communicatie tussen beroepsrollen en daaraan complementaire publieksrollen. Naast algemene uitgangspunten moet ieder functiesysteem ook een eigen kenmerkende zelfreferentiële communicatieve basisoperatie hebben. Hoe wordt het maatschappelijk geheel van communicaties gedifferentieerd tussen/naar functiesystemen?

De oplossing bestaat uit binaire codes: tweepolige schema’s die informatie trechteren. Informatie die niet beantwoordt aan een van de twee polen is irrelevant en wordt niet opgenomen in onze trechter dankzij operatieve geslotenheid. Bijvoorbeeld in de wetenschap zijn het enkel ware uitspraken waarop verder gebouwd kan worden (zelfreferentialiteit), dus preferentie woord de waarheidspool van onze binaire code. In de wetenschap zijn ware uitspraken communicatief succesvol, net als geld dat is in de economie. We noemen de geprefereerde binaire pool het communicatief succesmedium binnen een specifiek functiesysteem.

Maar hoe kunnen we nu concreet uitmaken of een uitspraak waar is en dus communicatief succesvol? Er zijn programma’s die specifieke waarheidscriteria vastleggen, theorieën en methoden in de wetenschap. Andere voorbeelden zijn prijzen voor de economie, politiek programma en verkiezingen voor de politiek en het positief recht voor het juridische deelsysteem. De binaire codes waarborgen operatieve geslotenheid, maar de programma’s zijn herzienbaar en garanderen daarom zowel openheid als interne variatie. (?)


  1   2   3

  • Talcott Parsons (1902-1979)
  • Niklas Luhmann (1927-1998)

  • Dovnload 111.03 Kb.