Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Stadsbestuur scherpenheuvel-zichem

Dovnload 3.17 Mb.

Stadsbestuur scherpenheuvel-zichem



Pagina2/3
Datum05.12.2018
Grootte3.17 Mb.

Dovnload 3.17 Mb.
1   2   3

Inhoud




Inhoud 1

1. Inleiding 3

1.1. Aanleiding en doelstellingen 3

1.1.1. Aanleiding 3

1.1.2. Doel van het project 4

1.2. Overzicht van de werkfasen: methode en basisinformatie 5

1.2.1. Inventarisatie 5

1.2.2. Planvorming 5

2. Inventarisatie 6

2.1. Methode 6

2.2. Resultaten 8

2.2.1. Algemeen 8

2.2.2. Bermtypen 9

1. Type 1: Zeer voedselrijke berm 10

2. Type 2: Normaal voedselrijke berm 10

3. Type 3: Voedselarme berm 11

4. Type 4: Verstoorde berm 11

5. Type 5: Houtige berm 12

2.2.3. Bespreking van enkele soorten en situaties 12

1. Brede lathyrus 13

2. Blauwe knoop 13

3. Echte guldenroede 13

4. Gele ganzebloem 14

5. Gewone hemelsleutel 14

6. Grasklokje 14

7. IJzerhard 14

8. Muizenoortje 14

9. Muskuskaasjeskruid 15

10. Rapunzelklokje 15

11. Schermhavikskruid 15

12. Stijf havikskruid 15

13. Struikhei 16

14. Veldkruidkers 16

15. Wilde bertram 16

16. Witte munt 16

17. Zandblauwtje 16

2.3. Huidig beheer 17

3. Visie 18

3.1. Algemeen 18

3.2. Beheersdoelstellingen 20

4. Praktische uitwerking van het bermbeheersplan 21

4.1. Algemeen 21

4.2. Beheersmethoden 21

4.2.1. Uitwendig beheer 21

1. Ruimen van beken en grachten 21

2. Wegverkeer 22

3. Wegonderhoud 22

4.2.2. Inwendig beheer 23

1. Niets doen 23

2. Maaien en hooien 23

1. Algemeen 23

2. Maaiperiode 25

3. Maaifrequentie 27

4. Maaibreedte 28

5. Verwerking van het maaisel 29

6. Materieel 31

7. Maaischema en maaiafstanden 33

3. Recreatief gebruik 33

4. Aanbesteding van het beheer en kosten 34

1. Bestek 34

2. Kosten 34

5. Beplanten 35

6. (Her)aanleg van (nieuwe) bermen 36

5. Bedreigingen en knelpunten 38

5.1. Gebruik van herbiciden 38

5.2. Voortijdig maaien van bermvegetaties 38

5.3. Beschadiging van de wegberm 38

5.4. Branden van de wegberm 39

5.5. Verstoring van de wegberm 39

6. Conclusies en samenvatting. 40

7. Literatuur 43

8. Bijlagen 45





1. Inleiding

1.1. Aanleiding en doelstellingen

1.1.1. Aanleiding

Op 27 juni 1984 werd door de Vlaamse Regering een besluit uitge­vaardigd betreffende maatrege­len inzake natuurbehoud op de bermen beheerd door publiek­rechtelijke rechtspersonen. Dit besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 okto­ber 1984. Per omzendbrief van 4 juni 1987, 21 mei 1991 en 9 juni 1998 werden door de bevoegde Ministers bijkomende verduidelijkingen gegeven betref­fende de toepassing en draagwijdte van dit Besluit.


Het besluit bepaalt dat publiekrechtelijke rechtspersonen eraan gehouden zijn een natuurvriende­lijk beheer toe te passen op de bermen die hun eigendom zijn of aan hun beheer werden toevertrouwd. Dit houdt voornamelijk in dat het maaien gebonden is aan bepaalde perioden, namelijk niet vóór 15 juni of 15 september (artikel 3), het afvoeren van het maaisel verplicht is binnen de 10 dagen (artikel 3) en het gebruik van biociden verboden is (artikel 2). Het besluit stelde aanvankelijk de bermbe­heerders voor grote technische en financi­ële problemen daar bijvoorbeeld de maaiperiode in principe sterk wordt ingekort van ongeveer 7 maand naar 5 maand en er onvermijdelijk ook vereisten werden gesteld aan de gebruikte maaiapparatuur, waardoor het slechts uitzonderlijk werd opgevolgd. Doordat aanne­mers hierop gingen inspelen en ook de publieke opinie hieromtrent is gewijzigd, komt hierin geleidelijk aan verandering. Het beheer houdt voornamelijk in dat over het alge­meen een verschralend beheer wordt gevoerd door de bermen oordeel­kundig te maaien en het maaisel af te voeren. Andere bermen kunnen dan weer ongemoeid gelaten worden of beplant worden met bomen of struiken, afhankelijk van de situatie, de bodemsa­menstelling en de ligging. In een aantal gevallen kunnen spontane ontwikkelingen gestimuleerd worden.
Ondanks dit besluit wordt in Vlaanderen ecolo­gisch ­bermbeheer nog niet veralgemeend toegepast. Het proportionaliteitsbeginsel wordt vaak als argument aange­haald om geen natuurvriendelijk beheer toe te passen. Vaak berust de argumentatie hiervoor op misverstanden en onwetendheid. Eén hiervan is het denkbeeld dat ecologisch beheerde bermen synoniem zijn voor brandnetel- en distelruigten terwijl in werke­lijk­heid bij het klassieke klepelen van de bermen juist ruigtesoorten zoals Akkerdistel en Grote brandnetel sterk worden bevoordeligd. Ook de veilig­heid en de kostprijs worden geregeld ingeroepen als reden voor het niet toepassen van dit besluit.
Al bij al is dit een spijtige zaak daar weg- en dijkbermen in veel landelijke gebieden een belang­rijke refugia (kunnen) vormen voor vele planten- en diersoor­ten en tevens verbindingszo­nes zijn tussen verschillende (natuur)ge­bieden. Boven­dien kan een goed bermbeheers­plan in een aantal gevallen leiden tot een besparing op de beheers­kosten zoals deze voortkomen volgens de klassieke beheersmetho­den. Vooral bermen op zandig en voedselarm substraat bieden hiervoor mogelijk­heden.
De gemeente Scherpenheuvel past reeds sinds een vijftiental jaar (vanaf 1986) een ecologisch gericht bermbeheer voor een groot deel van haar wegen toe. Hiervoor werd in 1986 een bermbeheersplan opgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente. De inventarisatiegegevens gingen echter verloren zodat geen vergelijking met de huidige situatie kan gemaakt worden, wat ongetwijfeld interessante informatie zou opgeleverd hebben. Het gevoerde beheer heeft, zoals verder zal blijken, alleszins reeds een bijzonder positief effect op de aanwezige vegetaties afgeworpen.

1.1.2. Doel van het project

Het opstellen en bijstellen van een verantwoord en onderbouwd bermbeheers­plan en het onderzoeken van de floristische waarden en potenties van de bermen in de gemeente, is een volgende stap in het voornemen van het gemeentebestuur om het ecologisch gericht bermbeheer te optimaliseren. Dit kadert tevens binnen de acties die in het Gemeentelijk Natuurontwikkelingsplan van 1996 werden opgenomen. Bepaalde - vooral actueel en potentieel ecolo­gisch waardevolle - bermve­getaties vragen een aangepast beheer, waaraan het huidig gevoerde beheer, dat zich vooral vanuit financieel oogpunt rond vroege maaidata concentreert, onvoldoende tegemoet komt. Door een gericht beheer kan de ontwikkeling van specifieke kruiden en soortenrijke bermen verder worden gestimuleerd. Er kan – indien dit nodig blijkt om bepaalde vegetaties te behouden of te ontwikkelen - gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om van de standaardvoor­schriften af te wijken, zoals dit ten behoeve van het natuurbeheer door het bermbesluit wordt mogelijk gemaakt (artikel 4). Meer genuanceer­de en aan de lokale situatie aange­paste beheersregimes moeten het huidige uniforme maaibe­heer vervangen. Het toepassen van een ecologisch beheer op alle bermen heeft vaak echter weinig zin daar niet alle bermen even kansrijk zijn. In totaal worden via uitbesteding in de gemeente Scherpenheuvel circa 88,7 km bermen gemaaid waarvan 62 km binnen het plangebied van deze opdracht. In het kader van deze opdracht werden echter 97,2 km bermen en 17,8 km langsgreppels geïnventariseerd. Bermen die onder het beheer van de provincie en het gewest vallen werden niet mee opgenomen. Vele bermen zijn gelegen in sterk bebouwde regio’s of intensieve landbouwgebieden waardoor permanent over de wijze van beheer conflicten ontstaan met de buurtbewoners of landbouwers. Ook spelen in een aantal situaties veiligheidsaspecten een grote rol, dit in verband met de zichtbaarheid, bijvoorbeeld aan wegkruisingen, verkeersborden, e.d. Bermen die in een bebouwde kom zijn gelegen dienen daarenboven niet volgens het bermbesluit beheerd te worden.


Om een zicht te krijgen op voornamelijk de floristische en landschappelijke waarde van de bermen op het grondgebied van de gemeente Scherpenheuvel, werd een snelinventari­sa­tie van de vegeta­tie, begroeiingen en beplantingen uitgevoerd van alle bermen binnen een vooraf afgebakend deelgebied van de gemeente, namelijk ten zuiden van de Demer. Deze inventarisatie omvatte de gehele breedte van de berm met inbegrip van de eventueel aanwezige parallel­gracht die de scheiding met de naastliggende (landbouw)gronden uitmaakt.
De verkregen inventarisatiege­gevens resulteren in een typering van de bermvegetatie, de inschatting van de (potentiële) waarde en kansrijkdom van de bermen en in de opmaak van een beheers- en inrichtingsplan voor deze bermen, dat aanvaardbaar en haalbaar is voor de beheer­der van deze gronden. Dit beheers- en inrich­tingsplan houdt praktische voorstellen en maatregelen in ter verhoging van de natuur- en land­schaps­waarden van de bermen, rekening houdende met de specifieke functies ervan zoals de stevigheid van de weg, de natuurbehoudswaarden en de recreatieve moge­lijkheden.

1.2. Overzicht van de werkfasen: methode en basisinformatie

De uitvoering van het project doorliep de volgende stappen:


- inventarisatie

- planvorming (inrichtingsplan en maatregelen)


Elk van deze stappen lichten we hierna in het kort toe.

1.2.1. Inventarisatie

De inventarisatie houdt de survey van alle bermen binnen het afgebakende gebied in aan de hand van de topografische kaarten, bodemkaarten en het terreinbezoek. Tijdens dit terreinbezoek werden de meeste in de berm voorkomende plantensoorten genoteerd, evenals de kenmerken van de berm en de weg. Aan de hand hiervan werd een bermtype toegekend en werden de bermen opgesplitst in voor de vegetatie niet (potentieel) waardevolle bermen en potentieel en actueel waardevolle bermen. Alle gegevens werden op kaarten en in een databestand (Access) verwerkt.


1.2.2. Planvorming

Na het verwerken van de basisgegevens werd het meest geschikte beheer per berm(strook) bepaald. Tevens werden gegevens verzameld aangaande het thans gevoerde beheer, het machinepark, de werkplanning en het arbeidsvolume. Deze gegevens resulteerden in een beheerskaart en werkplanning waarbij in belangrijke mate rekening werd gehouden met de praktische en financiële haalbaarheid.


2. Inventarisatie

2.1. Methode

De gemeente bezit verschillende tientallen kilometer wegbermen gelegen op het grondgebied Scherpenheuvel en de deelgemeenten Averbode, Testelt, Messelbroek en Zichem. In een eerste fase van projectuitvoering werden de bermen in de deelgemeenten Testelt en Averbode (ten noorden van de Demer) niet geïnventariseerd. In totaal werden ongeveer 97,2 km berm geïnventariseerd. De bermen zijn overwegend smal tot zeer smal (maximum 1 m). Enkel de taluds van holle wegen en weginsnijdingen zijn breder en zijn vaak tot 5 m breed. Deze zijn soms begroeid met struweel maar zijn overwegend grazig van karakter. Op inventarisatiekaarten werden op het terrein nauwkeurig alle opgaande begroeiingen, vegeta­tieverschillen en snel te inventariseren en dominante plantensoorten opgete­kend. Soortenrijke bermen werden nauwkeuriger geïnventariseerd. Daarnaast werden ook aantekeningen gemaakt over de breedte van de berm, specifieke terrein­ken­mer­ken, aantastin­gen, aard en breedte van de weg, uitgevoerd beheer, gebruik van de aanpalende gronden, verkeersintensiteit, e.d. Al deze gegevens werden verwerkt in een bermfiche. Aan de hand van de meest kenmerkende plantensoor­ten en hun voorkomen, werd het type van berm bepaald en met een beheers­model verbonden. Gezien de planteninventarisatie geen detailinventarisatie betrof, werd voor de typering van het bermtype geen gebruik gemaakt van de uitgebreide 37-delige indeling van de typen zoals opgesteld door Zwaenepoel (1993), maar van de 5-delige indeling zoals deze door het Vlaamse Gewest wordt gehanteerd. Deze indeling omvat:




  • zeer voedselrijke bermen (type 1),

  • normaal voedselrijke bermen (type 2),

  • voedselarme bermen (type 3),

  • verstoorde bermen (type 4),

  • houtige bermen (type 5).

In principe komen alle types min of meer in het studiegebied voor, alhoewel de eerste twee types (met een overwicht van type 2) en de verstoorde bermen zeker de meerderheid uitmaken. In het akkerbouwgebied op de plateau’s overheersen de verstoorde bermen daar deze vaak mee met het akkerbouwgewas worden bespoten, worden bereden met tractoren en overwegend zeer smal zijn. Voedselarme bermen vinden we terug op de zandige taluds van weginsnijdingen. Het aandeel van type 5 is beperkt tot enkele holle wegen. Opvallend is wel het bloem- en soortenrijk karakter van de bermen die reeds lange tijd ecologisch worden beheerd.


De inventarisatie werd uitgevoerd eind augustus van 2001. Door deze najaarsinventarisatie komen in de soortenlijst voornamelijk soorten voor die in het najaar bloeien. Een aantal voorjaars- en zomerbloeiers zijn op dit tijdstip niet meer of slechts nog beperkt vegetatief aanwezig waardoor ze vaak over het hoofd werden gezien. Om een volledig beeld de verkrijgen van de bermvegetatie zouden twee inventarisatierondes (mei-juni en augustus-september) aangewezen zijn. Omwille van de kostprijs hiervan werd een tweede inventarisatieronde niet uitgevoerd. Dit belet echter niet dat toch een goed beeld kon gevormd worden van de waarde van de bermen.




Kaart 1: Situering van het studiegebied.

1   2   3

  • 1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstellingen
  • 1.1.2. Doel van het project
  • 1.2. Overzicht van de werkfasen: methode en basisinformatie
  • 1.2.1. Inventarisatie
  • 1.2.2. Planvorming
  • 2. Inventarisatie 2.1. Methode

  • Dovnload 3.17 Mb.