Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Stadsbestuur scherpenheuvel-zichem

Dovnload 3.17 Mb.

Stadsbestuur scherpenheuvel-zichem



Pagina3/3
Datum05.12.2018
Grootte3.17 Mb.

Dovnload 3.17 Mb.
1   2   3

2.2. Resultaten

2.2.1. Algemeen

In totaal werden 206 plantensoorten genoteerd (tabel 5 en 6) en werden in totaal 2.038 vegetatiegegevens verwerkt. Een meer gedetailleerde inventarisatie zal ongetwijfeld nog heel wat soorten aan deze lijst kunnen toevoegen gezien thans slechts een snelinventarisatie werd uitgevoerd waardoor vooral opvallende soorten werden genoteerd. Bovendien gebeurde de inventarisatie slechts in een beperkte tijdspanne. De waargenomen soorten kunnen globaal ingedeeld worden in 3 grote groepen, namelijk:




  • kruidachtige vegetaties van gesloten begroeiingen op voedselrijke tot voedselarme standplaatsen. Het betreft zowel ruderale, als meer bloemrijke en soortenrijkere vegetaties die voorkomen op vrij stabiele en matig beïnvloede bermen van enige breedte. De bermen liggen vaak gescheiden door een parallelgracht van het aangrenzende perceel of grenzen aan weiland.

  • pioniers- en storingsvegetaties op open kale of verstoorde bodems. Deze vegetaties treffen we permanent aan in de intensieve akkerbouwgebieden waar geen duidelijke scheiding is tussen akker en berm of langs smalle wegen met relatief druk verkeer waar de bermen vaak als uitwijkstrook worden gebruikt en worden stuk gereden. Tijdelijke storingsvegetaties komen voor op bermen die werden vergraven, bijvoorbeeld voor de aanleg van kabels.

  • houtige begroeiingen en kruidenvegetaties gebonden aan bos- en struweel. Binnen het onderzochte gebied betreft het voornamelijk met struweel begroeide flanken van holle wegen die een zekere ecologische rijping hebben.

Het onderzochte gebied is volgens het voorkomen van de bermtypen niet echt op te delen in grote entiteiten. Bodemkundig is het gebied wel in grote lijnen op te delen in




  • een matig droog lemig zandgrondengebied gelegen tussen de Demervallei, de Mannenberg en ten westen van de as Zichem-Scherpenheuvel,

  • en een matig gleijig zandleemgrondengebied ten zuiden van de grote weg Mannenberg-Dietsestraat en ten oosten van de as Zichem-Scherpenheuvel.

Een duidelijke relatie tussen deze bodemstructuren en de voorkomende bermtypen is niet echt terug te vinden, tenzij dan in het hoger gelegen zandleemgebied, waar meer grootschalige landbouw voorkomt en het aandeel storingsvegetaties en voedselrijke typen hoger is. Dit heeft natuurlijk ook te maken met het beheer (of ontbreken ervan) van de berm en het aanpalend grondgebruik. Met struweel begroeide holle wegen zijn slechts beperkt aanwezig en vinden we voornamelijk terug in de overgang naar de Demervallei. Verder is het voorkomende bermtype over het gehele plangebied zeer heterogeen, echter wel met een duidelijk overwicht aan type 2 (matig voedselrijk) bermvegetaties. Dit is duidelijk gerelateerd aan het gevoerde beheer (maaien met afvoer). De niet op deze wijze beheerde bermen behoren voornamelijk tot het type 1 (zeer voedselrijk) en type 4 (verstoord).


De actuele en potentiële waarde van de bermen ligt in het onderzoeksgebied sterk uiteen. Dit heeft vooral te maken met de erg heterogene kenmerken van de bermen en de ligging ervan. Deze waarden zijn sterk afhankelijk van het aangrenzend grondgebruik, de bodem en de bermbreedte. Bredere wegen zoals de Schransstraat hebben meestal ook bredere bermen en een parallelgracht waardoor de externe invloeden op de bermvegetaties sterk verminderen. Hierdoor kunnen deze beter tot ontwikkeling komen bij een gepast beheer. Dergelijke wegen en situaties komen in het onderzochte gebied slechts beperkt voor. Niettegenstaande dit kan gesteld worden dat de reeds heel wat jaren ecologisch beheerde bermen over het algemeen fraaie en goed ontwikkelde en zelfs in een aantal gevallen zoals in de Dikkenbos, waardevolle vegetaties herbergen.

2.2.2. Bermtypen

Tabel 1 geeft een overzicht van de bermtypen en overgangstypen die werden gevonden. Zoals reeds aangehaald behoort het merendeel van de beheerde bermen tot het normaal voedselrijke type. Verspreid komen, voornamelijk op de taluds, schrale bermvegetaties voor behorende tot het voedselarme type. De niet ecologisch beheerde bermen behoren vrijwel uitsluitend tot het voedselrijke en verstoorde type. Het verstoorde type komt vooral voor in de intensievere landbouwgebieden op de hogere zandleemgronden. Verder vinden we verspreid over het plangebied een beperkt aantal met struweel begroeide holle wegen met een uitgesproken bosvegetatie.




Bermtypenummer

Omschrijving

Lengte in m

% aandeel

1’

Zeer voedselrijke tot voedselrijke berm

10.715

11

1’ – 2’

Zeer voedselrijke berm met overgangen naar normaal voedselrijke berm

19.052

19,6

1’ – 2’ – 4

Zeer voedselrijke berm met overgangen naar normaal voedselrijke berm en verstoorde berm

12.033

12,4

1’ – 2’ – 3’

Zeer voedselrijke berm met overgangen naar normaal voedselrijke berm en voedselarme berm

470

0,5

1’ – 4’ + 2’ – 3’

Zeer voedselrijke berm met overgangen naar verstoorde berm en plaatselijk normaal voedselrijke berm met overgangen naar voedselarme berm

4.581

4,7

1’ – 4

Zeer voedselrijke berm met overgangen naar verstoorde berm

13.512

13,9

1’ + 5’

Zeer voedselrijke berm met elementen van houtige berm

2.026

2,1

2’

Normaal tot matig voedselrijke berm

3.396

3,5

2’ – 1’

Normaal voedselrijke berm met overgangen naar zeer voedselrijke berm

16.436

16,9

2’ – 1’ + 4’

Normaal voedselrijke berm met overgangen naar zeer voedselrijke berm en elementen van verstoorde berm

5.859

6

2’ – 3’

Normaal voedselrijke berm met overgangen naar voedselarme berm

2.767

2,9

2’ – 4’

Normaal voedselrijke berm met overgangen naar verstoorde berm

2.147

2,2

2’ – 4’ + 3’

Normaal voedselrijke berm met overgangen naar verstoorde berm en elementen van voedselarme berm

2.502

2,6

4’

Verstoorde berm

1.684

1,7


Tabel 1: In het plangebied voorkomende bermtypen en hun respectievelijke bermlengte.
De bermtypen werden op een kaart, via een GIS verwer­king, en met de topografische kaart als ondergrond, met een kleu­rencode aangebracht zodat op een over­zichtelijke wijze direct kan afgelezen worden waar de diverse vegeta­tiety­pen zich situeren. De weg- en bermkenmerken werden verwerkt in een bermfiche.
Hierna geven we een korte beschrijving van de diverse gevonden hoofdtypes:

1. Type 1: Zeer voedselrijke berm

Zeer voedselrijke bermen en bermen waarin type 1 het overwicht heeft zijn over het algemeen gesitueerd in de onbeheerde bermen of geklepelde bermen, bermen in intensief landbouwgebied (akkerbouw) en sterk door bebouwing gefragmenteerde bermen (Amerstraat, Hagelandweg, Ballaarstraat, Roeterstraat, Lobbense Molenweg). De laatste situatie heeft veelal als oorzaak sterk verontreinigd afvalwater dat in de parallelgracht wordt geloosd of tuinafval dat in de berm wordt gestort. Onbeheerde bermen en taluds onder akkerland zijn vrijwel steeds zeer voedselrijk daar landbouwmeststoffen direct hierin afspoelen. De geklepelde bermen behoren vrijwel steeds tot het type 1 daar het maaisel blijft liggen en zo veel humus vormt. De vegetatie is er soortenarm, weelderig en zeer productief met typische ruigtesoorten als Grote brandnetel, Zevenblad, Bijvoet, Boerenwormkruid, Fluitenkruid, Ruw beemdgras, Haagwinde, Hondsdraf, Gewone glanshaver, Fluitenkruid, Ridderzuring, Witte dovenetel en Kleefkruid. Plaatselijk kunnen soorten van het normaal voedselrijke type zoals Peen, Smalle weegbree, Klein streepzaad, Rode klaver in klein aantal zich stand houden. Indien de uitgangssituatie goed is en geen permanente verstoring plaatsvindt, is een verschralend beheer door twee maal te maaien en het maaisel af te voeren hier de aangewezen beheersvorm. Dit leidt reeds na enkele jaren tot een minder productieve, kortere meer soortenrijkere vegetatie, tenzij factoren als sterke voedselaanrijking, slibdoponie, overstroming met vervuild water, tuinafvalstorting, e.d. blijven duren. Klepelen van de vegetatie bevoordeligt dit vegetatietype waardoor het in stand wordt gehouden en eventueel verder door strooiselophoging uitbreidt in de directe omgeving. Op voedselrijkere gronden en in productieve vegetaties kan dikwijls reeds vrij vroeg (half mei) gemaaid worden. Hierdoor treedt een betere najaarsbloei van diverse soorten op en wordt verhinderd dat de grasmat vervilt door strooiselophoging ten gevolge van neerslaan van de vegetatie. Productieve grassen zoals Gewone glanshaver en Gestreepte witbol verliezen hierdoor tevens een groot deel van hun concurrentiekracht en nemen in volume af ten voordele van meer concurrentiegevoelige soorten. In de gemeente is dit type over het gehele grondgebied verspreid, maar heeft niet het overwicht. Wanneer we echter alle overgangstypen waarin type 1 het hoofdaandeel vormt samentellen komen we toch aan ruim 64 % van de bermen. De overgangstypen naar verstoorde bermen zijn vrijwel uitsluitend terug te vinden in het intensief akkerbouwgebied op de hogere gronden (Schuttersveldstraat, Plasbos, Heuvelweg, Lobosstraat, Eggersberg, Peggerstraat, Weg Messelbroek, Parkstraat, Prinsenbosstraat). Dit heeft te maken met het feit dat deze bermen veel worden bereden door tractoren waardoor zodebeschadiging optreedt waardoor storingssoorten zich kunnen vestigen.


2. Type 2: Normaal voedselrijke berm

De vegetatie van een groot deel van de ecologisch beheerde bermen behoort tot het normaal voedselrijke type (Tieltsebaan, Amerstraat, Lelielaan, A. Nihoulstraat) of overgangstypes. Dit zijn bermen met nog een vrij grote productiviteit. Ze zijn overwegend gelegen in open landschap zonder al te veel beschaduwing. De soortendiversiteit is, door het kleiner humusgehalte van de bodem, groter dan bij het voorgaande type, met het voorkomen van meer bloemdragende soorten. Kenmerkende plantensoorten zijn Gewone smeerwortel, Kropaar, Peen, Scherpe boterbloem, Vogelwikke, Gewone berenklauw, Smalle weegbree, Smalle weegbree, Veldzuring, Knoopkruid, Rode klaver, Gestreepte witbol, Veldlathyrus en Engels raaigras. Omwille van hun nog vrij grote biomassaproductie kan snel verdere verruiging optreden bij een slecht beheer of het achterwege laten van beheer. Verschralen door twee maal per jaar te hooien is hier eveneens de aangewezen beheersvorm. In het studiegebied komt dit type en diverse overgangstypen in 34 % van de bermen voor. Een veel voorkomend type is een overgang naar het nog waardevollere voedselarme type (type 3). Dit is vooral terug te vinden op de bermtaluds die tevens droger zijn. Fraaie voorbeelden van dit overgangstype (niet op taluds) zijn te vinden in Dikkenbos en Akkerstraat. Ook overgangen naar het meer voedselrijkere type (Lobbensestraat, Vossekotstraat, Brielstraat, F. Smeyerstraat, Vinkenberg) en het verstoorde type (Slangenberg, M. Zeelmaekersstraat, Hamerstraat) komen frequent en verspreid voor.


3. Type 3: Voedselarme berm

De soortendiversiteit aan waardevolle soorten in dit bermtype is het hoogst. Vooral in vrij voedselarme, droge zandleemgronden met een hoge zandfractie of op distiaanzandopduikingen kunnen waardevolle soorten voorkomen. Ook kunnen schrale vegetaties gevonden worden langs permanente weilanden die matig worden bemest en waar door begrazing een ‘prikkeldraadeffect’ ontstaat. In het studiegebied komt dit type regelmatig voor op taluds. Het betreft dan meestal beperkte lengtes naast overwegend normaal voedselrijke bermen. Overwegend gaat het over vrij goed gebufferde, zandige, zuid georiënteerde, steile taluds van niet met struweel begroeide (holle) wegen zoals in de Goede Weide, de Van Thienwinckelstraat, Spordel, Bredeveldstraat. Kenmerkende soorten voor voedselarme bermen zijn ondermeer Gewoon biggekruid, Stijf havikskruid, Grasklokje, Rapunzelklokje, Vlasbekje, Sint-Janskruid, Rood zwenkgras, Fijn schapegras, Schapezuring, Muizenoor, Valse salie, Gewoon reukgras, Gewone veldbies, Zandblauwtje en Hazenpootje. Door hun overwegende zuidexpositie, gecombineerd met hun bloemrijkdom en lage productie zijn het tevens warme bermen waardoor ze ook heel wat insectensoorten zoals vlinders, zweefvliegen, spinnen, sprinkhanen en graafwespen en –bijen aantrekken en herbergen. Soorten als Koninginnepage, Icarusblauwtje en Vuurvlindertje werden tijdens de inventarisaties regelmatig waargenomen. In de Roeterstraat werd tevens Tijgerspin op een schraal bermgedeelte gevonden. Deze fraaie en opvallende, warmteminnende spinnensoort is de voorbije jaren aan een spectaculaire uitbreiding in Vlaanderen begonnen waarbij vanuit de Maasvallei (Sint-Pietersberg) reeds grote delen van Limburg, Brabant en de Antwerpse Kempen werden gekoloniseerd. Echt schrale bermen dienen slechts één maal in het najaar gehooid te worden.


4. Type 4: Verstoorde berm

Bermen zijn in de eerste plaats functioneel ten opzichte van de aanpalende weg. Nutsvoorzieningen worden overwegend in de berm gelegd. Ze worden dan ook vaak vergraven. Langs smalle veldwegen worden de bermen tevens frequent bereden door uitwijkende voertuigen. Langs akkers worden ze niet enkel frequent bereden door tractoren en andere landbouwvoertuigen, ze worden tevens vaak mee geploegd en bespoten met herbiciden. Afhankelijk van de bodemsoort en het vochtgehalte treedt door deze factoren bermbeschadiging op. Vooral in het zuidelijk en oostelijk grootschalig akkerbouwgebied worden vrij grote oppervlakten van de berm verstoord en beschadigd (Weverstraat, Lobosstraat, Heuvelweg, Prinsenbosstraat, Parkstraat). Deze vormen echter slechts 1,7 % van de onderzochte bermen. Hier treedt dan ook een pioniers- en storingsvegetatie op van één- en tweejarige onkruiden of doorlevende storingssoorten waaronder veel tredplanten. Hierin vinden we ondermeer Straatgras, Kaal knopkruid, Gewone duivekervel, Zwarte nachtschade, Akkerdistel, Zilverschoon, Grote weegbree, Klein kruiskruid, Varkensgras, Echte kamille, Melganzevoet, Grote klaproos, Paarse dovenetel, Gewoon herderstasje, Tuinbingelkruid, Kroontjeskruid en Gewone melkdistel. Door het vaak massaal optreden van enkele bloemrijke soorten zoals Grote klaproos en Echte kamille, vaak na graafwerken, kunnen deze bermen tijdelijk bijzonder attractief zijn. Indien de verstoring niet over een vergraving van de gehele berm gaat, is de storingsvegetatie meestal lokaal en vleksgewijs. Het beheer van deze bermen zal niet verschillen van het gewone verschralingsbeheer waarbij gestreefd wordt naar een stabiele, soortenrijke vegetatie. Dit heeft echter enkel zin wanneer het bermen betreft die door een langsgracht gescheiden zijn van akkers.


5. Type 5: Houtige berm

Het aantal holle wegen is in het plangebied vrij beperkt. Niet steeds zijn de taluds ervan begroeid met struweel. Vooral diepe holle wegen zoals de Klottebergstraat, Kroonstraat en Spechtstraat bezitten in de meeste gevallen nog een goed ontwikkelde boom- en struikbegroeiing met een hieraan gebonden kruidvegetatie van bosgebieden zoals Gewone salomonszegel, Bosanemoon, Wilde hyacint, Klimop, Bleeksporig bosviooltje, Wijfjesvaren, Speenkruid, Grote muur, Witte klaverzuring, Gevlekte aronskelk maar ook van schaduwrijke ruigten en zoomvegetaties zoals Look-zonder-look, Robertskruid, Heggedoornzaad, Schaduwgras, Stinkende gouwe. Daar door de uitspoeling van de holle weg verschillende bodemlagen worden doorsneden treden vaak waardevolle gradiëntvegetaties op. Naast de typerende boom- en struiksoorten zoals Zoete kers, Zomereik, Gewone hazelaar, Gewone haagbeuk, Ruwe iep, Eénstijlige meidoorn, Sleedoorn vinden we er ook vaak exoten zoals Gewone robinea die in de meeste gevallen aspectbepalend optreedt en waaronder doorgaans geen waardevolle kruidlaag voorkomt. In het landbouwgebied zijn de struweel- en boombegroeiingen op de taluds vrijwel volledig gekapt en met herbiciden behandeld zodat erge verstoringen optreden waaronder sterke inspoeling van meststoffen en bodemerosie met ruderalisering en eutrofiëring (verbraming) van de vegetatie tot gevolg. Voorbeelden hiervan zijn ondermeer terug te vinden in de Roeterstraat.


2.2.3. Bespreking van enkele soorten en situaties

In het studiegebied werden verschillende waardevolle soorten en vegetaties gevonden die zeker speciale aandacht verdienen bij de uitvoering van het beheer. Hiervoor hebben we reeds gewezen op het voorkomen van waardevolle voedselarme vegetaties. Deze zijn op deze bermen ontwikkeld door een jarenlang volgehouden ecologisch beheer. Ze in stand houden en zo mogelijk in de toekomst verder ontwikkelen is dan ook aangewezen gezien ze ook als zaadbrongebied zullen fungeren bij een herstel en de ontwikkeling van de overige bermvegetaties en eventueel naastgelegen natuurgebieden.


Tabel 7 (in bijlage) geeft een overzicht van de waargenomen plantensoorten met eraan gekoppeld de zeldzaamheidsklasse volgens Stieperaere en Fransen (1982), aangepast volgens Cosyns (1994). Tevens wordt in deze tabel de socio-ecologische groep waarin de soort optimaal voorkomt, de indigeniteit en de Rode-lijst indeling weergegeven. De hieronder afgedrukte tabel 2 geeft een aantalsindeling van een groot deel van de waargenomen soorten volgens de logaritmische en rekenkundige klasse-indeling voor Noord België en de indeling volgens Cosyns. Zeldzaamheidsklasse 1 omvat de meest zeldzame soorten, in klasse 10 zijn de meest algemeen in Vlaanderen voorkomende soorten ondergebracht. De klassen 6 tot 10 zijn overwegend algemene soorten. Vooral de logaritmische indeling en de indeling volgens Cosyns geeft een beeld van de zeldzaamheid van de in het studiegebied voorkomende soorten. Uit deze tabel blijkt tevens dat een groot deel van de waargenomen soorten zeer algemeen is in Vlaanderen.


Zeldzaamheidsklasse

zz-klasse rekenkundig

zz-klasse logaritmisch

zz-klasse Cosyns

zz-klasse 1

13

-

-

zz-klasse 2

5

-

-

zz-klasse 3

10

1

1

zz-klasse 4

15

-

3

zz-klasse 5

17

1

4

zz-klasse 6

14

6

18

zz-klasse 7

17

6

22

zz-klasse 8

26

11

37

zz-klasse 9

24

33

29

zz-klasse 10

31

113

39


Tabel 2: Zeldzaamheidsklasse-indeling van de waargenomen soorten (berekend op 172 soorten).
Hierna worden enkele interessante en bijzondere, in het plangebied waargenomen soorten besproken.

1. Brede lathyrus



Brede lathyrus is nauw verwant met Boslathyrus. Deze soort wordt veel als sierplant gekweekt en geraakt hierdoor vaak verwildert en ingeburgerd. De standplaats is voornamelijk bosranden en bermen op droge, kalkhoudende of lemige grond. In ons land komr de soort zeer verspreid, maar niet algemeen voor en lijkt voornamelijk gebonden te zijn aan riviervalleien. In het plangebied vonden we ze in de bermen van de Testeltsebaan.

2. Blauwe knoop



Blauwe knoop is een soort die de laatste decennia zeer sterk is achteruit gegaan en overwegend nog terug te vinden is in natuurreservaten en in bermen. Het is een soort van grazige vegetaties op vochtige tot vrij droge, weinig of niet bemeste carbonaat- en fosfaatarme, neutrale tot matig zure zand-, leem- en veengronden. Meestal staat hij op zonnige plaatsen. Het is een kenmerkende soort voor zogenaamde ‘blauwgraslanden’: schrale, onbemeste, ’s winters natte, ’s zomers vaak oppervlakkig uitdrogende hooilanden. In bermen komt de soort vaak samen met Grasklokje voor zoals ook in het studiegebied. In ons land is de verspreiding sterk geconcentreerd in de Antwerpse en Limburgse Kempen, het Hageland, ten zuiden Samber en Maas en in de Brugse Veldzone. In het plangebied vonden we de soort in fraai ontwikkelde bloemrijke bermen in de Dikkenbos en IJsbergstraat die we volgens de bermtypologie van Zwaenepoel tot het ‘Liggend walstro – Mannetjesereprijs-type’ kunnen rekenen. De soort is zeer beheersgevoelig daar ze weinig en slechts kortlevend zaad vormt. Gezien zijn late bloeit en zaadzetting is het daarom aangewezen laat te maaien.

3. Echte guldenroede



Echte guldenroede is voornamelijk een zoomplant op matig voedselrijke, maar niet sterk zure leem en leemhoudende zandgrond. De plant is erg gevoelig voor bemesting. Zij heeft een zekere voorkeur voor hellende terreingedeelten zoals dijk-, beek- en bermtaluds. Meestal komt zij slechts met enkele exemplaren voor. In ons land komt de soort voornamelijk voor in de Antwerpse en Limburgse Kempen, het Hageland, de Brugse Veldzone en ten zuiden van Samber en Maas. In het plangebied vonden we de soort in de Groenstraat, Hoensbergstraat, Molijkestraat en Vossekotstraat.

4. Gele ganzebloem



Gele ganzebloem is afkomstig uit het Middellandse-Zeegebied en heeft zich reeds in de middeleeuwen als akkerplant over West- en Midden-Europa uitgebreid. De jongste decennia is de soort vrij sterk achteruit gegaan ten gevolge van de moderne landbouwtechnieken (chemische onkruidverdelging) waardoor ze in veel gevallen teruggedrongen is tot bermen langs akkers. Gele ganzebloem komt voor op lichte, kalkarme, maar niet te sterk zure, bij voorkeur droge, in elk geval goed doorluchte, voedsel- en vooral stikstofrijke bodem op lemig zand , sterk zandige en ontkalkte klei, löss en kalkarm duinzand. Het hoofdverspreidingsgebied in ons land zijn de Antwerpse en Limburgse Kempen, het Hageland, de Condroz en de Oostkantons. In het studiegebied vonden we de soort in Parkstraat, Spordel en Van Thienwinckelstraat.

5. Gewone hemelsleutel



Gewone hemelsleutel is een soort die nogal wat verschillende vormen kan aannemen. Vroeger werd de plant gekweekt ondermeer als wondhelend en bloedstelpend middel. Hemelsleutel is vooral een bermplant die op ruige, grazige, niet of weinig bemeste plekken langs wegen, dijken en beken groeit, vaak langs struweel. De soort is in ons land zeker geen zeldzaamheid maar komt nooit in grote aantallen voor. In de beide Vlaanderen is de soort minder verspreid dan in de rest van ons land. In Scherpenheuvel vonden we de soort in de Kroonstraat en Tiensestraat.

6. Grasklokje



Grasklokje is een plant van warme, droge, zonnige, grazige standplaatsen op verschillende lichte, minerale, zowel matig zure als kalkrijke grondsoorten. Zeer arme en zeer voedselrijke standplaatsen worden gemeden, leemhoudende gronden krijgen vaak de voorkeur. Het verspreidingsgebied in ons land is zeer sterk afgetekend in het oostelijk deel van Vlaanderen en ten zuiden van Samber en Maas. De plant staat steeds in gesloten vegetaties die echter niet te dicht en te hoog uitgroeien. De soort is tegenwoordig bijna volledig teruggedrongen tot bermen waar het vaak samen voorkomt met Gewoon struisgras, Sint-Janskruid, Knoopkruid, Vlasbekje, Gewoon duizendblad zoals dit ook in verschillende bermen binnen het plangebied het geval is waar we de soort is terugvonden (Bredeveldstraat, Dikkenbos, Engelenberg, F. Smeyersstraat, IJsbergstraat, Roeterstraat, Steenweg Diest, Van Thienwinckelstraat).

7. IJzerhard



IJzerhard is van oorsprong een Zuideuropese soort die een belangrijke medicinale waarde bezat als heler van verwondingen met ijzeren wapens. Tegenwoordig is de soort een kosmopoliet die echter in onze streken in achteruitgang is. Het meest komt de soort nog voor op zonnige, min of meer stikstofrijke, kalkhoudende leemgronden zoals dijken en wegbermen in de leemstreek en de Scheldepolders. De plant verdraagt goed berijden. In het plangebied vonden we de soort in de bermen van de Groenstraat.

8. Muizenoortje

Alhoewel Muizenoortje globaal gezien geen zeldzame soort is, vormt het toch een indicator van schrale, zandige voedselarme bermen en taluds. Daar de soort steeds gebonden is aan kortgrazige vegetaties vinden we de plant vaak onder prikkeldraad. Door een ecologisch maaibeheer wordt deze soort zeker bevoordeligd. Uitgebreide Muizenoortjesvegetaties vinden we binnen het plangebied ondermeer terug op de taluds en schrale bermen van de Bredeveldstraat, Goede Weide, Oude Tiensebaan, Tiensestraat en Van Thienwinckelstraat.


9. Muskuskaasjeskruid



Muskuskaasjeskruid is een verwilderde Zuid-, Midden- en West-Europese plant die zich vooral ontwikkeld in grazige bermen en langs hagen. De natuurlijke verspreiding in ons land is de Maasvallei ten zuiden van Samber en Maas. In het plangebied vonden we de soort in de Heuvelweg.

10. Rapunzelklokje



Rapunzelklokje staat op grazige plaatsen en in de zoom van struweel op vrij droge, lichte, humushoudende, matig voedselrijke, vaak kalkhoudende en niet sterk zure bodem. Om de soort in stand te houden moet er blijvend een geschikt kiemingsmilieu voorhanden zijn, namelijk open plekken in de vegetatie. Het is dan ook voornamelijk een berm- en dijkplant. De verspreiding in ons land komt grotendeels overeen met de leem- en zandleemstreek van Midden-België en Lotharingen. In het plangebied is de soort zeker niet zeldzaam maar is toch voornamelijk terug te vinden in de ecologisch beheerde bermen van ondermeer Akkerstraat, A. Nihoulstraat, Ballaarstraat, Bredeveldstraat, Dikkenbos, Groenhoefstraat, Groenstraat, Hoensbergstraat, Holleblokstraat, IJsbergstraat, Koestraat, Koningin Astridstraat, Lobbensestraat, Maasstraat, Processieweg, Spordel, Steenweg Diest, Testeltsebaan, Vinkenberg, Vossekotstraat, Weg Messelbroek en Wijnputstraat.

11. Schermhavikskruid



Schermhavikskruid is een plant van droge, meestal kalkarme maar niet sterk zure zand- en leemgronden. De standplaats is zonnig of licht beschaduwd, humusarm en open, vaak op de rand van door uitloging ontkalkte hellingen. Het hoofdverspreidingsgebied is de Kempen en Zandig Vlaanderen. De soort is thans een uitgesproken bermplant geworden die in de nazomer opvalt door zijn uitbundige bloei. In het studiegebied is de soort vrij algemeen. We vonden hem ondermeer in de Amerstraat, Bredeveldstraat, F. Smeyersstraat, Groenstraat, Kerkstraat, Lobbensestraat, Maasstraat, Processieweg, Roeterstraat, Schuttersveldstraat, Spordel, Tieltsebaan, Tiensestraat, Vinkenberg, Weg Messelbroek en Zeelmaekerstraat.

12. Stijf havikskruid



Stijf havikskruid staat op allerlei, voedselarme tot matig voedselrijke, meestal kalkarme grondsoorten, variërend van uitgesproken zuur tot vrijwel neutraal. Hij vertoont een voorkeur voor lemige bodem. Als bermplant staat hij zowel op licht beschaduwde plaatsen, als in volle zon, vaak samen met Knoopkruid en Dauwbraam. In ons land is de soort wijd verspreid met uitzondering van West- en Oost-Vlaanderen. In het plangebied is het eveneens een algemene verschijning met vaak een aspectbepalende bloei. We vonden de soort in de A. Nihoulstraat, Ballaarstraat, Bredeveldstraat, Brielstraat, Dikkenbos, Groenhoefstraat, Groenstraat, Holleblokstraat, IJsbergstraat, Koestraat, Molijkestraat, Op ’t Hof, Oude Tiensebaan, Plasbos, Schransstraat, Steenweg Diest, Tieltsebaan, Tiensestraat, Van Thienwinckelstraat, Vinkenberg, Vossekotstraat en Wijnputstraat.

13. Struikhei



Struikhei is een kalk- en carbonaatmijdende plant en is kenmerkend voor stikstof- en fosforarme grond en is gevoelig voor bemesting. De plant is te vinden op droge tot matig vochtige, zonnige standplaatsen. Het verspreidingsgebied in ons land is in hoofdzaak de Pleistocene dekzandrug van West- en Oost-Vlaanderen, de Kempen, het Hageland en ten zuiden Samber en Maas. In het plangebied vonden we de soort in het talud van de berm van de Engelenberg.

14. Veldkruidkers



Veldkruidkers is een soort van warme, zonnige open bermen en dijktaluds, voornamelijk op leemgronden en kalkhoudende zandgrond. In ons land heeft de soort haar hoofdverspreiding in de Condroz en Fagne-Famenne. In Vlaanderen komt ze voornamelijk in de Zennevallei, de Demervallei en Netevallei voor. In het plangebied vonden we de soort in de Wijnputstraat.

15. Wilde bertram



Wilde bertram is een plant van grazige tot tamelijk ruige vegetaties op zonnige, vochtige tot natte, maar niet blijvend onder water staande, ’s zomers vaak licht uitdrogende plaatsen. Het meest groeit de soort op laagveen, rivierklei, leem en humusrijk zand. Vroeger werd de scherp smakende wortelstok gekauwd tegen kiespijn. De verspreiding in ons land komt in grote lijnen overeen met de Kempen, de riviervalleien en ten zuiden Samber en Maas. In het plangebied vonden we de soort in de Roeterstraat.

16. Witte munt



Witte munt is een soort van zonnige, min of meer open plaatsen in ruderale vegetaties op vochtige tot vrij droge, stikstofrijke, lemige grond. Vaak wordt de soort aangetroffen in bermen. In ons land is het verspreidingsgebied voornamelijk geconcentreerd in de kuststreek en de (zand)leemstreek. In Scherpenheuvel troffen we de soort aan in de IJsbergstraat.

17. Zandblauwtje



Zandblauwtje is een van de meest karakteristieke bewoners van kalkarme zandgronden. Het groeit op zonnige, droge, open tot grazige terreinen op matig zure tot vrijwel neutrale, humus- en voedselarme, grove tot lemige zandgronden. Tegenwoordig is het in de eerste plaats een bermplant waar het voornamelijk op zandige taluds, vaak samen met Fijn schapengras, Schapenzuring, Hazepootje, Muizenoor en Biggekruid terug te vinden is. De bloemen vormen een belangrijke nectarbron voor veel insectensoorten. De soort is in haar verspreiding in ons land sterk gebonden aan de pleistocene zandgronden van West en Oost-Vlaanderen, de Kempen, Brabant en Zuid-België. In de bermen van Scherpenheuvel vonden we de soort in de Akkerstraat, A. Nihoulstraat, Ballaarstraat, Dikkenbos, Spordel en Vinkenberg.

2.3. Huidig beheer

Het grootste deel van de bermen worden reeds sinds 1986 ecologisch beheerd wat inhoud dat ze twee maal per jaar worden gemaaid met afvoer van het maaisel. Ook de rijkswegen die door de gemeente lopen worden ecologisch beheerd. Alle maaiwerken worden in uitbesteding uitgevoerd door loonwerkers. Jaarlijks worden deze werken via een bestek met offertevraag, openbaar aanbesteed. De eerste maaibeurt vangt aan vanaf ongeveer 20 mei en de tweede vanaf ongeveer 20 september. Voor de eerste maaibeurt die vroeger valt dan het bermbesluit bepaald, is geen toelating aangevraagd. Deze vroege maaidatum heeft zeker geen negatief effect op de bermvegetaties, vaak integendeel. Verschraling vindt hierdoor sneller plaats en agressieve soorten worden beter onderdrukt. Alle ecologische maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd met een maai-opzuigcombinatie. De aannemer is verantwoordelijk voor de afzet van het bermmaaisel. Hiervoor worden afspraken gemaakt met landbouwers. Dit is echter niet meer toegestaan. Zwerfvuil vormt niet echt een probleem. Regelmatig worden de bermen opgeruimd door de gemeentediensten. De niet ecologisch beheerde bermen, overwegend gelegen in intensief landbouwgebied of bij bewoning, worden sporadisch door de gemeente geklepeld. Dit gebeurt één tot twee maal per jaar, afhankelijk van de noodzaak. Bij elke maaibeurt worden ook de bermen van de langsgrachten gemaaid.


Volgens het bestek worden over het gehele grondgebied van de gemeente 88,69 km berm (waarvan 62,026 km binnen het plangebied gelegen) en 29,07 km bermgreppels (waarvan 15,296 km binnen het plangebied gelegen) gemaaid via uitbesteding en komen er ongeveer 1.400 hindernissen voor. Deze worden volledig vrijgesteld van opgaande vegetatie.
Langsgrachten worden niet systematisch geruimd. Dit gebeurt indien de noodzaak zich voordoet waarbij dan vaak puntsgewijze wordt ingegrepen. De ruimspecie wordt meestal afgevoerd naar op te hogen terreinen of dergelijke.
Herbiciden worden enkel gebruikt om kasseiwegen onkruidvrij te houden. Er wordt één maal per jaar gespoten in april.

3. Visie

3.1. Algemeen

In het verzinnen van argumenten tegen het toepassen van een natuurvriendelijk bermbeheer werd en wordt steeds een grote creativiteit aan de dag gelegd, alhoewel dit in de gemeente Scherpenheuvel zeker niet het geval is daar reeds sinds 1986 ecologisch bermbeheer wordt toegepast. De belangrijkste argumenten die steeds tegen het toepassen ervan naar voor komen zijn grosso-modo de volgende:




  • ecologische bermbeheer is financieel niet haalbaar;

  • ecologisch bermbeheer is technisch en praktisch moeilijk uitvoerbaar;

  • ecologisch beheerde bermen zijn slordig van uitzicht;

  • ecologisch beheerde bermen zijn een bron van ergernis voor de landbouwers daar ze een massa onkruidzaden produceren;

  • ecologisch beheerde bermen vormen een gevaar voor de weggebruiker daar het uitzicht wordt belemmerd en ze brandgevaar opleveren;

  • ecologisch beheerde bermen bevorderen het sluikstorten.

De praktijk leert echter dat mits enige creativiteit, goede wil en een goede planning, toch gemakkelijk aan de vereisten van het besluit kan voldaan worden en dat de meeste tegenargumenten gebaseerd zijn op onwetendheid en onjuiste informatie. Bovendien is door de toegenomen vraag van openbare besturen om de bermen ecologisch te beheren ook de bedrijfswereld, meer specifiek de constructeurs van machines, zich gaan toeleggen op het ontwikkelen en perfectioneren van aangepaste machines zodat ook de laatste jaren hierin een enorme evolutie heeft plaatsgevonden. Op technisch vlak stellen de problemen zich vooral nog op het niveau van de beperkingen voor het maaien bij slechte weersomstandigheden, alhoewel zich hieromtrent ook nieuwe ontwikkelingen voordoen. Het grootste probleem vormt thans nog de verwerking van de enorme volumes bermmaaisel. Ook het probleem van de verkorte maaiperiode kan opgevangen worden door het uitwerken van een beheersplan dat specifieke en meest geschikte maaitijdstippen voorop stelt per vegetatietype of doeltype. Zo kan het interessant zijn bepaalde bermtypen vroeger te maaien dan officieel toegelaten zodat een betere spreiding van de werkzaamheden kan bekomen worden en tevens een kostenbesparing kan gerealiseerd worden. Een afwijking van het besluit moet dan wel aangevraagd worden.


Aan de hand van gegevens die door het gemeentebestuur ter be­schikking werden gesteld, werd een overzicht gemaakt van de huidige manier van werken bij het beheer van de ber­men. Knelpunten met de visie en het voorgestelde beheer werden op deze manier ach­terhaald, geanalyseerd en aangepast.
Om te kunnen komen tot een beheers- en inrichtingsplan voor het gebied waarin diverse maatregelen worden aangereikt, vond een verdere uitwer­king van de visie plaats. Hiertoe wordt het plange­bied opgesplitst in actie- en beheersgebie­den die, voor wat betreft proble­matiek of systeemrela­ties, eenheden vormen en die op beheersniveau kunnen worden aange­pakt.
Naast het oplossen van knelpunten werden tevens voorstellen uitge­werkt voor het behoud, de ontwikkeling en de verster­king van de natuurwaarden. Daartoe werd een beheers- en inrichtingsplan opgesteld. Wat betreft de te maaien bermen werd voor de bepaling van de maaitijd­stippen gekozen voor een functionele en rationele werkwijze. Dit levert voor de ontwikkeling van de bermvegetaties geen bijzondere problemen op gezien een bermve­getatie vrijwel nooit een zeer stabiele vegetatie is maar door allerlei invloeden permanent evolu­eert naar andere bermty­pe-vegetaties, die bij een goed beheer, in de meeste gevallen evenwaardig zijn. Bij deze afwe­ging werd rekening gehouden met de kansrijkdom van de betreffende bermstrook. Op deze manier werd verhinderd dat een te versnipperde werk­methode voor het beheer moet gehan­teerd worden met een verhoging van de kosten tot gevolg.

3.2. Beheersdoelstellingen

Hoewel bij het opstellen van het beheersplan van de samenstelling en de ingeschatte kansrijkdom van de bermvegeta­ties werd vertrokken, werd bij het vastleggen van de beheersrichtlijnen eveneens rekening gehou­den met fauna-elementen, in het bijzonder met insecten en kleine zoogdie­ren. Er be­staat een duidelijke relatie tussen de diversi­teit van de bermflora en de fauna. Structuur in de vegetatie (zowel horizontaal als verti­caal) blijkt een grotere invloed op de samenstel­ling van de fauna te hebben dan de soortensamenstelling.


De verhoging van de soortenrijkdom in zowel flora en fauna staat in het beheer centraal. Tevens spelen veiligheidsaspecten een belangrijke rol. Om dit op alle niveaus te verwezenlijken, behoort het tot stand brengen van een veelzijdi­g en rijk gestructureerd bermmilieu tot de belangrijkste beheersdoelstellingen. Dit houdt wel in dat toegevingen worden gedaan ten gunste van de fauna, die leiden tot een iets geringere plantenrijkdom door bijvoorbeeld iets ruigere stroken te behouden. Anderzijds leidt dit tot een verhoogd bloei-aspect hetgeen de landschappelijke waarde van het gebied ten goede komt. In het hooibeheer wordt overwegend weinig aandacht geschon­ken aan structuur­vari­atie in de bermvege­tatie. Waar deze wel voorkomt is ze veelal het gevolg van beplanting en niet van spontane ontwikkeling. Uiteraard worden soms beperkingen opgelegd door de fysieke toestand van de berm en de beschikbare ruimte. Het creëren van gedifferentieerde overgangsmilieus is enkel in brede bermen mogelijk, waar voldoende mogelijkheden voor de uitgangs­voorwaarden kunnen worden geschapen. Overgangssi­tuaties ontstaan door de regel door extensivering van het beheer naar de omliggende terreinen toe en door toepassing van verschillende beheersme­thoden. Deze structuurvariatie kan binnen de gemeente Scherpenheuvel vooral gerealiseerd worden op de grazige taluds van holle wegen. Elders zijn de bermen smal tot zeer smal en is differentiatie onmogelijk.
Naast het verhogen van de natuurwaarde van de bermen, dient ongetwijfeld ook de haalbaarheid van de maatregelen bekeken te worden.

4. Praktische uitwerking van het bermbeheersplan

4.1. Algemeen

In een bermbeheersplan worden beheersad­viezen gegeven. Per berm worden de meest gunstige beheersregimes beschreven en afgestemd op de lokale situatie en de praktische uit­voerbaarheid. Het is de bedoeling om opti­maal gebruik te maken van de van nature aanwezi­ge verschillen in vegetatie en bodem. In een maaischema met bijbehorende kaarten wordt per periode aangegeven wanneer dient gemaaid te worden, op welke strook en over welke afstand of oppervlakte. Het rationeel plannen van maaischema’s moet leiden tot een efficiënter gebruik en besteding van middelen en materieel. Het beheersplan is bovendien zodanig uitgewerkt dat het bij de aanbesteding van de werkzaamhe­den als basis voor de offerte-aanvraag kan dienen.


De ingezamelde informatie werd per straat in tabellen en op kaarten verwerkt en gerangschikt. Er werd bij deze snelinventarisatie geen onder­scheid gemaakt tussen de bermen langs beide zijden van de weg, evenals een verdere onderverdeling van de bermstroken in aparte types, indien deze al zouden voorgekomen hebben. Wanneer wel opvallende verschillen op het terrein aanwezig waren (bijvoorbeeld struweelbegroeiingen) werden deze wel aangeduid. Deze fijnschalige indeling was momenteel niet noodzakelijk, alhoewel via het aanduiden van overgangstypen hieraan grotendeels tegemoet gekomen werd. Een groot deel van de bermen is vrij uniform van breedte en bodemsamenstelling. Bovendien is in de praktijk een kleinschalig beheer, gezien de inzet van machines en de beperkte beheersperiode, niet zondermeer uitvoerbaar. In dergelijke gevallen moeten één of meerdere vegetaties worden opgeofferd om een toereikende maaioppervlakte en rationeel maaischema te bekomen. Vandaar dat ten behoeve van de uitvoerbaarheid soms stroken met verschillende kenmerken bij elkaar werden gevoegd en werd gekozen voor het meest gunstige beheerstype. Bij de beheersvoorstellen werd tevens geen rekening gehouden met de landschappelijke aspecten, meer specifiek straatbeplantingen temeer deze binnen het onderzochte gebied vrijwel niet voorkomen. Dit behoorde niet tot het bestek van deze studie alhoewel we hierover wel enkele uitspraken en voorstellen willen formuleren.

4.2. Beheersmethoden

4.2.1. Uitwendig beheer

1. Ruimen van beken en grachten

Bij het schonen van parallelgrachten wordt de baggerspecie dikwijls op de bermen van de naastliggende wegen gestort. Dit leidt meestal tot een verruiging van de bermen met soorten als Grote brandnetel, Harig wilgenroosje en Rietgras. Het een en ander is niet zozeer het gevolg van het uitspreiden dan wel van de vervuiling en de voedselaanrij­king van de bodem met slib (ZWAENEPOEL, 1993). Immers bij een goede waterkwaliteit kan slibdeponie bloemrijke ruigtkruidenvegetaties opleveren met o.a. Moerasspirea en Echte valeriaan.


Bij het ruimen van sloten moet zoveel mogelijk de ruimingsspecie op de landbouwgronden gedeponeerd worden. In het geval van ruiming van met rioolwater vervuilde beken dient dit slib eerst op haar verontreiniging geanalyseerd te worden en indien bepaalde parameters overschreden worden moet het afgevoerd worden naar een zuiveringsinstallatie. Door de transport- en stortkosten worden de uitvoeringskosten sterk verhoogd. Indien de normwaarden niet worden overschreden maar het slib toch van bedenkelijke kwaliteit is moet het zo ver mogelijk van de gracht verwijderd worden om directe inspoeling van de aanwezige nutriënten tegen te gaan. Een extensivering van het beekbeheer en een verder doorgevoerde waterzuivering zijn dan ook wenselijk.
Momenteel worden op geregelde tijdstippen de belangrijkste langsgrachten geruimd. Dit gebeurt door de gemeente door middel van een hydraulische kraan. De ruimspecie wordt op het aanpalende landbouwperceel of op de wegberm gespreid. De niet permanent watervoerende grachten worden samen met de aanpalende wegbermen gemaaid. Door enerzijds dit geregeld schonen en maaien van de grachten en anderzijds de vaak sterke meststofinspoeling, komt in deze grachten vrijwel geen waardevolle en zelfs zeer monotone vegetatie voor bestaande uit voornamelijk Glanshaver, Grote brandnetel en Heermoes. Deze beekkanten worden dan ook in een aantal gevallen, indien ze aan landbouwgebied palen, door de landbouwers bespoten met overwegend totaalherbiciden. Zij worden, wanneer ze grenzen aan ecologisch beheerde bermen, samen met de berm op ecologische basis beheerd door maaien en afvoeren. De resultaten hiervan zijn echter niet bijzonder. De oevers van permanent watervoerende beken met een goede waterkwaliteit verdienen zeker een ecologisch beheer. Binnen het onderzoeksgebied zijn de mogelijkheden echter beperkt of onbestaande.

2. Wegverkeer

Door het natuurbehoud wordt veelal gepleit voor het onverhard laten van paden en wegen. Bij slechte wegen worden evenwel heel vaak de bermen aangetast door uitwijken­de landbouwmachines, lokaal verkeer en wandelaars, die een minder gehavende doorgang langsheen de berm verkiezen. In zulke gevallen is het zinvoller te kiezen voor een verbetering van (een deel van) de weg door (gedeeltelijke) (half)verharding, maar dan op een wijze die het minst schade toebrengt en aangepast is aan het landschap, ruimte laat voor vegetatieontwikkeling en niet leidt tot een verhoogde verkeersintensiteit. De nog bestaande onverharde holle wegen en landbouwwegen blijven best zo behouden. Plaatselijk kunnen ten behoeve van het landbouwverkeer eveneens wegverbeteringen aangebracht worden in halfverharding of kunnen periodiek nivelleringen uitgevoerd worden. Betoneren of asfalteren van deze wegen leidt echter tot sterke landschappelijke en natuurhistorische waardevermindering en tot verhoging van het sluikverkeer. Parkeer- en uitwijkplaatsen moeten worden aangelegd op plaatsen waar geen botanische of andere waarden aanwezig zijn.


3. Wegonderhoud

Het strooien van zout langs de wegen bij vriesweer kan vooral langs grote en drukke wegen soms negatieve gevolgen hebben voor de bermvegetatie. Doorgaans zijn deze gevolgen eerder beperkt of van geen tel, dit in tegenstelling tot wat soms wordt beweerd (ZWAENEPOEL, 1993). Hoe dan ook moet zorgvuldig (frequentie en dosering) worden omgegaan met strooizouten daar deze uitspoelen naar de langsgrachten en hierin het dierenleven (o.a. vissen) negatief kunnen beïnvloeden. De toepassing van nat zout is te verkiezen boven droog zout (salinezout en steenzout) omdat het minder milieubelastend werkt. Mogelijk kan in de toekomst het gebruik van calcium-magnesi­um-acetaat een goed alternatief vormen.


Wanneer bermen door continue aanvoer van bodemdeeltjes en ophoging van strooisel te hoog aangroeien waardoor de goede afwatering van de weg in het gedrang komt, kan de berm machinaal afgeplagd worden. Dit wordt vrij frequent toegepast. Hierdoor ontstaat een kale bodem waarop zich de eerste jaren een pioniersvegetatie zal vestigen. Deze kan zeer bloemrijk zijn en is te vergelijken met verstoorde bermen. Na enkele jaren zal de vegetatie zich sluiten en zullen grassen en meerjarige kruiden de bovenhand nemen. Bij het afschrapen moet erop gelet worden dat zo weinig mogelijk losse grond achter blijft of de bodem zo min mogelijk geroerd of omgewoeld wordt. Dit stimuleert de vestiging van hinderlijke soorten zoals Akkerdistel, Grote brandnetel en Ridderzuring. Het afschrapen van bermen met een zeer waardevolle vegetatie of met bepaalde bijzondere en zeldzame soorten moet vermeden worden. De evolutie van de berm zal tevens afhangen van de diepte waarop hij is afgeplagd. Bij ondiepe afplagging zal de herkolonisatie voornamelijk gebeuren vanuit de zaadbank in de bodem. Bij diepe afplagging zullen de eerste jaren vooral windverbreiders zich in de berm vestigen daar de zaadbank grotendeels is afgevoerd. Het afplaggen zelf gebeurt best met een bermfrees waarbij een vlak snijvlak wordt gevormd. Teveel achterblijvende losse grond en teveel omwoeling van de berm verhoogt de kans tot vestiging en massale uitbreiding van Akkerdistel. Afplaggen van de berm kan ook positieve effecten hebben in zeer voedselrijke bermen. Hierdoor wordt een rijke toplaag afgevoerd waardoor minder aangerijkte grondlagen aan de oppervlakte komen te liggen. Hierop kan zich een schralere vegetatie ontwikkelen.

4.2.2. Inwendig beheer

1. Niets doen

De beheersmaatregel "niets doen" omhelst het ongemoeid laten van de bermstructuur en vegetatie. De vegetatie kent dan een natuurlijke dynamiek en evolutie. Voor bermen die reeds langer worden beheerd, kan het staken van het beheer verstoringen teweegbrengen en vrijwel steeds leiden tot een vermindering van de soortenrijkdom (MELMAN et al., 1990; VERLINDEN, 1980). Een aantal dominerende soorten zoals Gewone glanshaver en Grote brandnetel breidt gemakkelijk(er) uit doordat ze profiteren van het verhoogde humus en strooiselgehalte in de bodem en de hierdoor toenemende vochtigheid. De vervilting van de bodem zorgt er tevens voor dat de zwakkere soorten niet meer kunnen kiemen of groeien. Dit betekent niet dat de maatregel bij voorbaat moet afgewezen worden. Onder bepaalde omstandigheden - zoals bossituaties - of in eerder soortenarme milieus of op voedselarme bodems is dit soms te verantwoorden. Bepaalde plantensoorten hebben baat bij deze vorm van beheer.


Als natuurvriendelijke maatregel komt niets doen in het geval van Scherpenheuvel in aanmerking voor de sterk beboste delen van holle wegen waar zich dan een bosflora kan ontwikkelen (bv. Klottebergstraat) en voor een aantal landbouwwegen die minder kansrijk zijn (bv. Parkstraat, Spordel, Ballaarstraat) of waar een ruigere vegetatie wenselijk is ten behoeve van specifieke soorten, zowel flora als fauna (bv. Roeterstraat, Prinsenbosstraat).

2. Maaien en hooien

1. Algemeen

Door de intensivering van de landbouw is de oppervlakte aan extensief beheerde graslan­den sterk afgenomen. Met het verdwijnen van de soortenrijke graslanden, wonnen bermen met dit type grasland aan belang. Het beheer dat oorspronkelijk door landbouwers werd uitgevoerd en meestal uit een extensief graas- en maaibeheer bestond is veelal door lokale overheden overgenomen. Om economische en verkeerstechnische redenen werd het beheer geïntensiveerd en zuiver praktisch bekeken: de berm werd meerdere malen per jaar geklepeld en het maaisel in de berm achtergelaten.


Zondermeer klepelen van de bermen zonder dat het maaisel wordt afgevoerd, zoals dit in het verleden en nog vaak gebeurt, is in alle opzichten een slechte zaak. De vegetatie en de bodem worden hierdoor teveel beschadigd en het maaisel blijft op de bermen achter. Hierdoor wordt door ophoping van afgestorven organisch materiaal een dikke strooisellaag gevormd die een ideale voedingsbodem vormt voor ruigtesoorten zoals Grote brandnetel, Kleefkruid en Akkerdistel, soorten die juist niet gewenst zijn, zeker niet in een overwegend akkerbouwstreek. De vervilting van de bodem zorgt er tevens voor dat de zwakkere soorten niet meer kunnen kiemen of groeien. Het aantal soorten neemt hierdoor sterk af. Doordat het organisch materiaal goed vocht vasthoudt, wordt de bodem tevens vochtiger waardoor zich bramen en houtige gewassen gaan vestigen. Geen beheer voeren heeft ongeveer dezelfde resultaten. Het verruigingsproces zal echter iets langer duren. Door het jarenlange toepassen van deze beheersvormen voor de bermen langs wegen, dijken en op taluds, is het ook niet verwonderlijk dat momenteel vrijwel overal in Vlaanderen een ruige, soortenarme en weinig aantrekkelijke bermvegetatie voorkomt.
Het verschil tussen maaien en hooien ligt dus in het al dan niet afvoeren van het maaisel. Hooien is erop gericht om bepaalde graslandtypen in stand te houden of de bodem te verschralen. Het verschralingsbeheer wil de biomassaproductie verminderen en de concurrentie­verhouding tussen soorten verbeteren. Bij een verlaging van de nutriëntenbe­schik­baarheid zal de vegetatiestructuur veranderen: laagblijvende soorten en rozetplanten nemen geleidelijk aan toe (VERKAAR et al., 1988) en de hoeveelheid stikstof in het blad verlaagt (VERKAAR, 1987). Zo'n beheer vraagt afhankelijk van de bodemsoort een langere periode (EVERTS et al., 1984) doordat telkenmale slechts kleine hoeveelheden nutriënten worden onttrokken (BAKKER, 1987). Deze laatste vaststelling laat de vraag soms open of het verschra­lings­beheer op termijn steeds het gewenste effect zal bereiken, vermits ook andere factoren (verkeer, luchtdepositie, grondwaterpeilverlaging, inwaai van meststoffen) tot aanzienlijke voedselaanrijking kunnen leiden.
Gezien deze bedenkingen is het de vraag of binnen de gemeente Scherpenheuvel het wenselijk is dat alle bermen ecologisch dienen beheerd te worden of dat er eerder geopteerd dient te worden enkel de actueel waardevolle en potentieel kansrijkste bermen ecologisch te beheren of verder als dusdanig te beheren. Een aantal bermen behoren immers tot grasvegetaties op voedselrijke bodems, zijn zeer smal, worden permanent verstoord en grenzen aan akkergebieden. Op deze bermen zijn de ontwikkelingskansen eerder gering. Twee keer hooien per jaar is veruit de belangrijkste maatregel en het meest aangewezen om een verschraling in te leiden. Belangrijk bij maaien en afvoeren is naast het verschralend effect ook het opener worden van de vegetatie waardoor zaden beter kunnen kiemen en tot ontwikkeling komen. Veel soorten zijn lichtkiemers die in ruige bermen niet of moeizaam tot ontwikkeling komen. Als maatregel komt hooien in aanmerking voor vrijwel alle onderscheiden vegetatie- en bermty­pen, met uitzondering van de houtige bermen.
In de gemeente Scherpenheuvel worden vrijwel alle bermen, ook deze van de meeste veldwegen twee maal per jaar gehooid of geklepeld vanaf half mei. De plaatselijke natuurbehoudsbeweging maakt bezwaren tegen het feit dat het maaien te vroeg wordt aangevangen, wat niet conform is met het Bermbesluit. Van deze officiële maaidata kan echter afgeweken worden mits toelating en na voorlegging van een bermbeheersplan. De vroege maaidatum is voor de meeste bermvegetaties zeker geen nadeel, in veel gevallen zelfs een voordeel zeker wanneer vertrokken wordt van voedselrijke en hoog productieve bermvegetaties. Verschralen gaat dan het snelst. Ook heel wat soorten van waardevolle bloemrijke bermen profiteren vaak van vroege maaiing door daarna extra bloeistengels te vormen en een meer uitbundige najaarsbloei te vertonen (bv. Rapunzelklokje). Op basis van de resultaten van de inventarisatie van alle bermen binnen het thans onderzochte deelgebied van de gemeente, kunnen we stellen dat het juist dankzij de vroege maaidatum is dat een groot deel van de ecologisch beheerde bermen een fraaie vegetatie herbergen. Dit beheer kan in grote lijnen, mits enkele bijsturingen, gecontinueerd worden. De permanent verstoorde bermen in intensief landbouwgebied behoeven omwille van hun geringe kansrijkdom geen ecologisch beheer. Zij kunnen wel van belang zijn voor akkeronkruiden zoals Gele ganzebloem. In dit opzicht werd ook de beheerskaart opgemaakt (kaart 3).
2. Maaiperiode

Door de maaidatum te manipuleren kan invloed worden uitgeoefend op de floristische samenstelling van de vegetatie. De keuze van het tijdstip bepaalt dus in belangrijke mate de resultaten van het hooibeheer. Vroegtij­dig maaien verhindert soms de bloei en/of de zaadvorming in het voorjaar maar kan dit in een aantal gevallen stimuleren voor de najaarsbloei. Laattijdig maaien leidt meestal tot een soortenafname en verruiging. Bij de vaststelling van de maaidata is rekening gehouden met de fenologische kenmerken van de vooropgestelde soorten, waarbij voornamelijk bloei en zaadvorming doorslaggevend zijn, maar waarbij ook rekening werd gehouden met insectenpopulaties. In het algemeen wordt er pas gemaaid na de zaadvorming van de voorjaarbloeiers en als de grassen bloeien. Het beste maaitijdstip voor voedselrijkere bermvegetaties ligt zodoende tussen half mei en half juli voor de eerste maaibeurt en begin september en half oktober voor de tweede. Ook de laatbloeiers kunnen dan nog tot ontwikkeling komen. Voor voedselarmere vegetaties kan de maaidatum verlaat worden tot juli - augustus zodat ook maar één maaiing noodzakelijk is. Hiervoor hebben we reeds gewezen op de resultaten van een aangehouden vroege maaiing in de gemeente Scherpenheuvel. Afgezien van de goede floristische resultaten, kan door een vroege maaiing ook een belangrijke kostenbesparing gerealiseerd worden.


De diverse vegetatietypes vereisen in principe een verschillend beheer voor wat betreft het behoud van de actuele types, maar ook voor wat betreft de ontwikkeling van meer waardevollere types die op deze bodems kunnen voorkomen. Zo kunnen de in hoofdzaak voorkomende en te verwachten bermtypes van voedselrijke bermen, het best reeds vanaf half mei – begin juni worden gemaaid. Hierdoor zal nog een uitgebreide tweede bloeiperiode kunnen gevormd worden. Een vroege maaiing verhindert dat door legering van de vegetatie teveel strooisel in de berm achterblijft. Ook tussen verspreide bebouwing kan het aangewezen zijn vroeger te maaien om sluikstorten van groenafval (gazonmaaisel) tegen te gaan. Naarmate de bermen verschralen kan het maaitijdstip eventueel verlaat worden tot half juni of in bepaalde gevallen kan de eerste maaibeurt zelfs achterwege gelaten worden. De tweede maaibeurt kan uitgevoerd worden vanaf begin september tot eind oktober.
Het uitvoeren van het meest geschikte beheer voor elk voorkomend bermtype is praktisch moeilijk te organiseren en zou de kostprijs zeer sterk doen stijgen. Bovendien is het uitvoeren van een optimaal beheer per bermtype meestal weinig relevant gezien, op een aantal uitzonderingen na, geen unieke types voorkomen en de meeste types van grazige bermen overgangstypes zijn naar vaak nog meer waardevollere types. Daarom is het weinig zinvol om een sterk versnipperd beheer te gaan voeren met alle gevolgen van dien voor wat betreft de werkplanning en de kostprijs. Een zekere veralgemening van het beheer is in het studiegebied zeker mogelijk. Het tijdstip van maaien is bij ecologisch bermbeheer voor de meeste bermtypes eerder ook van ondergeschikt belang. Veel belangrijker is de afvoer van het maaisel. Bovendien is de plantengroei en productie van jaar tot jaar aan variaties onderhevig ten gevolge van de weersomstandigheden.
De ecologisch te beheren bermen kunnen, aan de hand van de productiviteit, de soortensamenstelling en het beste maaitijdstip, opgedeeld worden in twee groepen, namelijk deze die reeds vanaf half mei – begin juni worden gemaaid en deze die pas in september worden gemaaid. Deze indeling is als volgt:


Maaien vanaf half mei – begin juni en begin september

Maaien vanaf half september

Amerstraat (deel)

Amerstraat (deel)

A. Nihoulstraat

Dikkenbos

Ballaarstraat

Eikstraat

Bredeveldstraat

F. Smeyersstraat (deel)

Brielstraat

Heuvelweg

Dijk

IJsbergstraat

Eggersberg

Kerkendijk

Eikeveldstraat

Lobosstraat (deel)

Engelenberg

Parkstraat

F. Smeyersstraat (deel)

Processieweg

Goede Weide

Spordel

Groenhoef

Vosselaar

Groenstraat




Hagelandweg




Hammekensstraat




Hammerstraat




Hoensberg




Holleblokstraat




Kerkstraat




Koestraat




Krekelbroekstraat




Krijkelberg




Kroonstraat (deel)




Kwalijkstraat




Lelielaan




Lobbensestraat




Maasstraat




Miskruisstraat




M. Janssensstraat




Molijkestraat




M. Zeelmaekerstraat




Op ’t Hof




Oudestraat




Oude Tiensebaan




Pannestraat




Peggerstraat




Pelgrimstraat




Plasbos




Prinsenbosstraat




Prinsendreef




Puttestraat




Reyndersveldweg




Roeterstraat




Rootstraat




Schuttersveldstraat




Sint-Berchmansstraat




Slangenberg




Steenweg Diest




Testelsebaan




Tiensestraat




Tieltsebaan




Vinkenberg




Voetweg




Vossekotstraat




Weg Messelbroek




Weverstraat




Wijnputstraat





Tabel 3: Opsplitsing van de te maaien bermen volgens maaitijdstip.
Voor de eerste reeks van bermen, te maaien vanaf half mei en begin september, is het noodzakelijk een toelating tot afwijking van het Bermbesluit te vragen. Dit dient schriftelijk te gebeuren op het volgende adres:
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

Departement Leefmilieu en Infrastructuur

Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer

Afdeling Natuur

De Ferrarisgebouw

Koning Albert II-laan 20 bus 8

1000 Brussel
Hierbij dient verwezen te worden naar het opgemaakte bermbeheersplan.

3. Maaifrequentie

De bestendiging van het gekozen beheer is belangrijker dan het handhaven van exact hetzelfde tijdstip (ZWAENEPOEL, 1993). De maaifrequentie hangt vooral af van de productie van de planten en daarmee van de hoeveelheid voedingsstoffen die aan de bodem worden toegevoegd. Als algemene stelregel geldt dat later en minder frequent kan worden gehooid naargelang de vegetatie schraler is. Vegetaties op schrale bodem worden eenmaal per jaar gehooid. Bermen op voedsel­rijke gronden worden tweemaal per jaar gehooid. Meer dan twee hooibeurten per jaar wordt afgeraden. Enkel om civiel-, zoals de wegstabiliteit, of verkeerstechnische redenen, zoals het vrijhou­den van paaltjes met reflectoren en verkeersborden of omwille van de zicht­baar­heid bij kruispunten en de begaanbaarheid van bermen, kan van het hooiregi­me worden afgeweken. De intensiever te maaien oppervlakte moet steeds tot een minimum worden beperkt.


Voor het beheer van ruigtestroken wordt naar extensivering van het maaibeheer gestreefd. Dit betekent dat een ruime en gefaseerde maaifrequentie wordt nagestreefd van eenmaal hooien om de twee à drie jaren. Ook ten behoeve van insecten is het aangewezen bermdelen laat of slechts één maal per jaar te maaien.
Een tweede maaibeurt is op voedselrijke bodem zeker vanuit ecologisch en verkeerskundig oogpunt noodzakelijk. De voorgestelde maaidata leveren ook geen problemen op in verband met de distelbestrijding en de uitzaai ervan in aangrenzend akkerland. De vegetatie zal in de meeste gevallen reeds voor eind juni, wanneer distels moeten vernietigd zijn, gemaaid zijn. Bovendien is deze vrees vaak overdreven vermits distels slechts over een beperkte afstand zaad verspreiden (Lotz, 2000). Het is meestal zaadloos pluis dat via de wind grote afstanden kan overbruggen. De inventarisatie van de bermen leert bovendien dat wel overal Akkerdistel in de bermen voorkomt, maar dat deze slechts in kleine aantallen aanwezig is. Waar hij toch massaal optreedt, heeft recent meestal een bodemverstoring plaatsgevonden en is de explosie slechts van tijdelijke aard. Op deze plaatsen kunnen tussentijdse en lokale maaiingen uitgevoerd worden.
De soortentoename en de productiviteitsvermindering evolueren het snelst bij twee maaibeurten per jaar. Bermen op zware gronden (leem, klei) geven voor wat de soortensamenstelling betreft sneller en gunstiger resultaten dan op zandige bermen. Het omgekeerde geldt voor wat betreft de productieafname. De meest soortenrijke vegetaties hebben een productie droge stof tussen 3 en 5 ton/ha/jaar.
Binnen het onderzochte gebied liggen slechts enkele holle wegen die deels enkel als landbouwweg worden gebruikt. Deze zijn deels begroeid met struweel, andere delen (taluds) zijn grazig. Voor deze wegen opteren we ofwel geen beheer te voeren of slechts één maaibeurt uit te voeren waarbij langs houtige vegetaties slechts één maaibreedte langs de kant van de weg wordt genomen, en de grazige taluds volledig worden gemaaid indien ze maximaal 3 m breed zijn. Bredere taluds worden ofwel beplant met struweel of worden periodiek gemaaid waarbij slechts om de 2 à 3 jaar de gehele vegetatie wordt gemaaid. Hierdoor blijven ten behoeve van insecten overjarige vegetaties behouden wat van belang is als overwinteringsgebied. Door periodiek te maaien zal de bermvegetatie slechts tot op een bepaald niveau verruigen.
4. Maaibreedte

Gezien de beperkte breedte van de bermen zal het over het algemeen volstaan om één maaibreedte (1-1,2 m) te maaien. Algemeen wordt geopteerd om bij elke maaibeurt telkens het gehele vlakke deel van de berm te maaien. De grachttaluds (indien een langsgracht aanwezig) worden eveneens bij elke maaibeurt gemaaid indien hierop geen talud op aansluit. Taluds en grachttaluds die hierop aansluiten worden enkel bij de eerste maaibeurt volledig gemaaid. Deze taluds zijn overwegend schraler. Bij de tweede maaibeurt worden ze ongemoeid gelaten. Hierdoor blijft de aanwezige vegetatie de winter overstaan. Dit is belangrijk voor vele insectensoorten die hierin in alle stadia kunnen (over)leven. Bij het gebruik van maaiers met afzuigsysteem worden ook veel insecten opgezogen en afgevoerd. Door het overlaten van overjarige vegetaties en ruigere stroken kan herkolonisatie van de gemaaide strook worden versneld. Het jaarlijks maaien zal verhinderen dat (te sterke) verruiging van deze taluds optreedt.





Figuur 1: Voorstel maaischema wegen met bermtaluds.
5. Verwerking van het maaisel

Het afvoeren van de snede vormt een essentieel onderdeel van het hooibeheer en is belangrijker dan het tijdstip of de frequentie van het hooien (VERLINDEN, 1980). Het laten liggen van maaisel veroorzaakt voedselaanrijking en leidt tot verruiging. Dit betekent niet dat het maaisel onmiddellijk moet worden afgevoerd, maar het mag ook niet te lang blijven liggen (ongeveer een week). Het ter plaatse laten drogen van het maaisel heeft het voordeel dat het minder volume en gewicht inneemt en gemakkelijker kan behandeld worden. Indien het maaisel langer blijft liggen bestaat echter de kans op inrotten van de vegetatie en wordt het oprapen en afvoeren van het maaisel door doorgroei, bemoeilijkt. In het geval om verkeers­technische redenen door de gemeente of derden vroegtijdig werd gemaaid (klepelen), moet het maaisel dat op de gemaaide strook is achtergebleven, alsnog mee worden afgevoerd. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd zou de zogenaamde narijping van zaden bij het tijdelijk laten liggen van het maaisel, geen verschil uitmaken in soortensamenstelling ten opzichte van het in één maal maaien en oprapen van het maaisel.


Het best wordt het maaisel in één werkgang samen met het maaien afgevoerd. Het maaisel wordt dan direct opgevangen in de opvangwagen achter de maaiapparatuur. Gezien de te maaien afstanden zal het volume maaisel ook navenant zijn. De biomassa van grasland varieert sterk naargelang de bodemsoort en de klimatologische omstandigheden. De productie/ha/jaar droge stof varieert bij niet ecologisch beheerde bermen tussen 2 (zandgrond, heischrale vegetatie) tot 9 (kleibodem, vochtige ruderale ruigte) ton, wat overeenkomt met een gewicht van ongeveer 3,5 tot 15 ton nat maaisel/ha. Bij droging (hooien) treedt ongeveer 30 % gewichtsverlies op. 1 ton hooi komt ongeveer overeen met 20 m³ nat maaisel. Voor de gemeente Scherpenheuvel moeten we rekenen op een productie van ongeveer 7-9 ton nat maaisel/ha/jaar daar de productie in de ecologisch beheerde bermen reeds sterk is verminderd. Bij een verschralend beheer in normale omstandigheden kan reeds na drie jaar een productievermindering optreden tot ongeveer 50 % zodat ook de kostprijs gevoelig zal kunnen gedrukt worden. Daarna zal deze productie nog iets verder dalen bij aanhoudend ecologisch beheer, waarna een stabilisatie zal optreden. 1 ton nat bermmaaisel neemt ongeveer 6 m³ volume in (ongeveer 170 kg/m³). Dit volume wordt bij een maaicombinatie samengedrukt tot ongeveer 3 à 400 kg/m³. Een silagewagen kan ongeveer 20 tot 25 m³ maaisel bevatten. Om 1 wagen te vullen kan, in het geval van Scherpenheuvel, ongeveer 5 tot 7 km maailengte gereden worden. Bij de tweede snee bedraagt de gemaaide lengte ongeveer 12 tot 15 km. De ideale rijsnelheid bedraagt 3 km/u. Zo zal bij de eerste maaibeurt de opvangwagen na ongeveer 3 uur en bij de tweede maaibeurt na 4 uur vol zijn. Een berekening leert ons dat, indien alle door ons voorgestelde ecologisch te beheren bermen binnen het thans onderzochte plangebied worden gemaaid, de maailengte ongeveer 68,5 km berm en 17,8 km langsgracht bedraagt. Rekening houdende met de bermbreedte en de langsgrachten bedraagt de totale maailengte voor de maaibeurt in mei 140 km, voor de tweede maaibeurt in september bedraagt de maaiafstand 116 km. Dit komt neer op een jaarproductie die gemaaid wordt van ongeveer 70 ton nat maaisel voor de mei-maaiing en 46 ton nat maaisel voor de septembermaaiing. De verwerking van een dergelijke hoeveelheid kan niet direct grote problemen opleveren.


Foto 1: Lossen van het vers gemaaide, sterk samengedrukt bermmaaisel


Het gebruik van het maaisel als veevoeder is omwille van de geringe verontreinigingsgraad te verantwoorden, maar in de praktijk moeilijk haalbaar. De bermen dienen dan als hooiland te worden beheerd waarbij extra handelingen (keren en persen) noodzakelijk zijn. Dit is enkel rendabel indien grote oppervlakten, brede bermen beschikbaar zijn wat binnen het onderzochte gebied niet het geval is. Storten van het maaisel op een stortplaats categorie 2 is duur en daarom moeilijk haalbaar. Bovendien wordt bermmaaisel vaak niet aanvaard op een stortplaats. Ook verbranden in een verbrandingsoven is duur en de meeste ovens aanvaarden geen bermmaaisel. Storten is enkel te verantwoorden indien grote hoeveelheden zwerfvuil in het maaisel aanwezig zijn, wat in dit geval niet zo is. Meer en meer wordt het maaisel aangewend als groenbemester waarbij het na een uitsijpelingsperiode, wordt ondergeploegd. Een probleem hierbij is de grote hoeveelheid onkruidzaden die in de akkerbouw ongewenst zijn. Deze worden echter via een normale chemische onkruidbehandeling gemakkelijk onderdrukt. Het gebruik als groenbemester is echter sinds het van kracht zijn van VLAREA (1 juni 1998) verboden.
Composteren van het maaisel is een vijfde verwerkingsmogelijkheid. De laatste jaren is de composteringcapaciteit sterk toegenomen maar in een aantal streken nog ontoereikend. Deze zal in de toekomst zeker nog moeten toenemen om de transportkosten te kunnen drukken. In een tijdspanne van ongeveer 4-6 maanden kan van bermmaaisel een hoogwaardige compost verkregen worden die voldoet aan de door het Ministerie van Landbouw gestelde kwaliteitsnormen. Echter de laatste tijd wordt vanuit OVAM meer en meer bezwaar gemaakt tegen het composteren van bermmaaisel en wordt dit vooral nog toegestaan indien ook voldoende houtsnippers (verbetering C/N verhouding) worden verwerkt. Recente proeven hebben echter aangetoond dat bermmaaisel over het algemeen geen probleem vormt i.v.m. verontreinigende stoffen.
6. Materieel

Wil men uitsluitend het ecologisch belang van de bermen nastreven dan moet het maaien en afvoeren in twee afzonderlijke arbeidsgangen plaatsvinden. Dieren krijgen dan voldoende kansen om te ontsnappen en zaden kunnen narijpen en uitvallen, alhoewel dit laatste in de praktijk niet echt bewezen lijkt.


Het beheer dient dus gericht te zijn op maaien en droog of nat afvoeren van het maaisel. De gebruikte maaiapparatuur moet zodanig gekozen worden dat geen beschadiging van de zode optreedt en dat het maaisel gemakkelijk en goed kan afgevoerd worden. Klepelen en daarna het maaisel trachten af te voeren geeft hierbij geen voldoening daar de grasmat vaak teveel beschadigd is en teveel strooisel in de berm achterblijft waardoor onvoldoende kan verschraald worden. Maaien met een messenbalk met het later afvoeren van het maaisel, al dan niet na droging, geeft goede resultaten maar is arbeidsintensief en is in het geval het maaisel gedroogd wordt, ook sterk weersgebonden. Daarom worden momenteel vrijwel overal de maai-opzuigcombinaties ingezet waarbij in één werkgang de berm gemaaid en opgekuist wordt doordat het maaisel dadelijk in een vergaarbak opgevangen wordt. De laatste jaren worden aan deze machines belangrijke verbeteringen aangebracht zodat een betere afstelling mogelijk is en waarbij ook bij natte weersomstandigheden, wanneer het maaisel zwaar is, kan gewerkt worden waardoor de beperkende factor weersomstandigheden sterk wordt gereduceerd. Deze apparatuur met vijzels is bovendien vanuit ecologisch opzicht beter daar minder zaden en dieren opgezogen worden. Onder deze voorwaarden en mede de kostprijs in acht genomen is het gebruik van deze machine verder te verantwoor­den. De beste resultaten worden verkregen bij het gebruik van slagmaaiers voorzien met een verkleinrotor en bij het gebruik van een Schots-toestel. Dit is een omgebouwde klepelmaaier, waarbij de klepels vervangen zijn door kleine mesjes en het maaisel niet op de grond opgezogen wordt. Hierdoor vallen de ongewervelden grotendeels op de grond en de gewervelden kunnen ontsnappen. Voor het fijnere werk rond straat­meubilair en palen kan gebruik worden gemaakt van een bosmaai­er. Het is niet noodzake­lijk dat ook rond bomen volledig wordt gemaaid. Dit voorkomt beschadi­ging van de stambasis en het geeft variatie in de verticale vegetatie­struc­tuur van de berm. Verschillende insecten en kleine zoogdieren maken hiervan gebruik. Bij het niet uitvoeren van dit bijwerken ontstaat wel een visueel minder verzorgde berm wat reacties van bewoners kan opleveren. Wanneer toch wordt geopteerd rond bomen te maaien dient de bosmaaier voorzien te worden van een boombeschermer. Dit is een cirkelvormige stevige metalen stang met de doorsnede zo groot als het mes die op de bosmaaier wordt gemonteerd.