Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Stofstromen van stikstof en fosfaat in het beheersgebied van het Waterschap Peel en Maasvallei Analyse van de huidige toestand van de meetpunten, een balans van de vrachten van stikstof en fosfaat en een trendanalyse per stroomgebied

Dovnload 3.17 Mb.

Stofstromen van stikstof en fosfaat in het beheersgebied van het Waterschap Peel en Maasvallei Analyse van de huidige toestand van de meetpunten, een balans van de vrachten van stikstof en fosfaat en een trendanalyse per stroomgebied



Pagina3/5
Datum05.12.2018
Grootte3.17 Mb.

Dovnload 3.17 Mb.
1   2   3   4   5

2.6 Stone


STONE staat voor “Samen Te Ontwikkelen Nutriënten Emissiemodel” (Willems et al, 2005). Dit model is ontwikkeld om de stikstof en fosfaatverliezen te berekenen die uit de landbouw afkomstig zijn (Roelsma, 2006) en is ontwikkeld door het Milieu en Natuurplanbureau, het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en Wageningen University and Research. Stone is opgebouwd uit een keten van modellen. Daarnaast leveren enkele modellen informatie aan Stone. In bijlage I staan de verschillende modellen en hun ontwikkelaar en de schematische opbouw van het model.

Stone is voor het waterschap bruikbaar om de effecten te kunnen bepalen die een ander beleid in stikstof en fosfaat met zich meebrengen.




2. Rapport Witteveen en Bos


In 2003 is een rapport van het adviesbureau Witteveen en Bos gepubliceerd over de diffuse belasting van de regionale watersystemen in Limburg voor het jaar 1999.

Dit rapport is uitgegaan van meerdere stoffen dan dit onderzoek, en is uitgebreid met zware metalen, PAK en 2 bestrijdingsmiddelen. Daarnaast is het ook op grotere schaal uitgevoerd, op stroomgebied en substroomgebiedniveau. Het huidige rapport is een uitbreiding en verdieping op de nutriënten. Er zijn geen zware metalen en bestrijdingsmiddelen onderzocht.


3 Werkwijze




3.1 Inwinnen van informatie en gegevens


De gegevens die verzameld worden zijn afkomstig van het Waterschap zelf en van enkele externe bronnen. Het waterschap levert het grootste deel van de gegevens van kwalitatieve en kwantitatieve meetpunten. Voor de Eeuwselse Loop is een gedeelte van de informatie, kwantiteit en kwaliteit vanaf 2003, van het Waterschap Aa en Maas afkomstig. De gegevens voor de kwantiteit zijn gemiddelde dagwaardes in m3/s en zijn betrouwbaar behalve voor de Oostrumsche beek waar in 2003 een gedeelte niet gemeten is. Dit is aangevuld met enkele aannames die in de discussie verder zullen worden toegelicht. De kwalitatieve gegevens zijn voornamelijk maandelijkse metingen maar in het geval voor de Niers in 2003 zijn er maar 4 metingen verricht. Dit komt de betrouwbaarheid niet ten goede, wat in de conclusie verder naar voren zal komen

3.2 Ordenen van de verkregen informatie


De gegevens worden per meetpunt verzameld. Zo kan vanuit de concentratie en het debiet de vracht worden berekend die door de beek wordt afgevoerd

3.3 Analyse huidige toestand N en P voor 2004-2006


De analyse is uitgevoerd over de jaren 2004 tot en met 2006 waarbij is gekeken welke meetpunten de normen voor de KRW en de MTR overschrijden voor stikstof en fosfaat. Dit heeft geresulteerd in een scoringstabel voor al dan niet overschrijding. Daarnaast is er een tweede tabel gemaakt met daarin de mate van overschrijding. De mate van overschrijding is gebaseerd op de reductiewens waarvan de indeling van rijkswaterstaat afkomstig is.

3.4 Resultaten koppelen aan een GIS Kaart


De resultaten van de toestand zijn in een GIS kaart gezet om een ruimtelijk beeld te krijgen waar de overschrijdingen dan wel de punten die voldoen aan de norm zich bevinden.

De gegevens zijn vanuit Excel omgezet naar een Acces database bestand omdat dit is in te voegen in Arc-GIS. Voor N en P zijn er voor ieder twee “layers” gecreëerd, een voor de KRW en een voor de MTR.



3.5 Trendanalyse 1996 tot 2006


Voor de trendanalyse worden de gegevens per waterloop geordend. Het betreft hier voornamelijk 900 punten, omdat deze met een grotere regelmaat zijn gemeten dan de punten verder stroomopwaarts.

Om tot de trend te komen zijn er verschillende methoden. Zo kan er in Excel een eenvoudige trend worden bepaald. Ook kan er gebruik worden gemaakt van statistische software.

De producten die hierbij ontstaan zijn dan ook trendgrafieken per waterloop en stroomgebied en een significantiebepaling voor iedere waterloop.
Er is een selectie gemaakt onder de waterlopen om het aantal grafieken te beperken. Het gaat om de twaalf grootste waterlopen en de Eeuwselse loop welke regelmatig zijn gemeten. Voor de Eeuwselse loop is de informatie van de laatste jaren (2004 t/m 2006) verkregen via het Waterschap Aa en Maas.
Per meetpunt zijn de gegevens in een apart tabblad gezet, een voor stikstof en een voor fosfaat. Deze gegevens zijn verwerkt tot XY-grafieken om een beeld te krijgen van de richting van de trend. Deze brongegevens staan op de bijgevoegde cd onder het bestand “trendanalyse op beekniveau”.


3.6 Balansen


Voor de balans is er gebruik gemaakt van kwantitatieve meetwaardes en kwalitatieve concentraties van P en N voor de jaren 1997 (“normaal” weerjaar), 1998 (nat weerjaar) en 2003 (droog weerjaar). De keuze voor deze jaren is mede bepaald met de hulp van een hydroloog van het waterschap.

De beken die geselecteerd zijn, zijn de Niers, de Eeuwselse loop en de Oostrumsche beek. De selectie is gemaakt op basis van de bronnen van het water. Voor de Eeuwselse loop is dit gebiedseigen water, voor de Niers is dit voornamelijk aanvoer vanuit het buitenland en voor de Oostrumsche beek wateraanvoer vanuit de Maas en eigen bronnen. Deze keuze is gemaakt na een intern overleg met medewerkers van de afdeling BOA.

Voor de balansen is gekozen om een vergelijking te maken tussen de onderlinge jaren per beek en tussen de beken per jaar.

Om tot de vrachten te komen zijn er verschillende methodes mogelijk. De volgende tabel geeft de gebruikte methodes weer.


Tabel 3.1 methodes van vrachtberekening

wat

Hoe

Methode 1

Het vermenigvuldigen van de jaargemiddelde concentratie met het totale debiet over het gehele jaar

Methode 2

Het vermenigvuldigen van de kwartaalgemiddelde concentratie met het totale debiet van dat kwartaal en deze 4 waarden bij elkaar opgeteld

Methode 3

Het debiet van een meetdag vermenigvuldigd met de concentratie op die dag. Dit moet voor iedere dag waar een concentratie is gemeten worden uitgevoerd. Voor het hele jaar deze waardes gemiddeld en omgerekend naar vrachten.

Enz.



De resultaten van deze methodes zijn gemiddeld om een inschatting te kunnen maken van de grootte de vracht aan stikstof en fosfaat. Deze middeling is gebruikt bij de berekeningen



4 Resultaten




4.1 Resultaten N en P analyse 2004-2006 stromende wateren


De resultaten van de analyse zijn voor de periode van 2004 tot en met 2006 genomen om het hele beheersgebied van het waterschap weer te geven. Op basis van de KRW en de MTR zijn er in totaal zes tabellen met bijbehorende grafieken gevormd waarin de mate van overschrijding wordt weergegeven. Hiervan zijn vier grafieken en tabellen van de stromende wateren en twee voor de stagnante wateren.

De mate van overschrijding is gebaseerd op percentages van de emissiereductie van Rijkswaterstaat. De toetsing aan de KRW en de MTR mag alleen op basis van de zomergemiddelden. Dit is het gemiddelde van de metingen die in het zomerhalfjaar (april tot en met september) zijn verricht.

Ook zijn er ook punten waar geen metingen in de zomer van bekend zijn. Deze staan in de tabellen onder xx aangegeven om het beeld van alle meetpunten compleet te maken.
In bijlage II staat een uitgebreidere versie van tabel 4.1 met alle waarden per norm en normoverschrijding

Tabel 4.1 weergave kleuren en mate normoverschrijding



 Mate van normoverschrijding

reductiewens

 kleurweergave

norm

voldoet

 

1,25 x

0-20%

 

1,667 x

20-40%

 

2,5 x

40-60%

 

5 x

60-80%

 

>5x

80-100%

 

geen meting

geen meting

 

Voor de onderstaande cirkeldiagrammen geldt dat het bovenste getal de reductiewens is en het onderste getal het percentage van het totaal aantal meetpunten dat aan die range van de gewenste reductie voldoet.


De grote meetpunten worden ieder jaar gemeten, en zijn dus drie maal aanwezig in de originele tabellen en grafieken. Voor het totaaloverzicht zijn alleen de meest recente toetsing opgenomen in de tabellen en grafieken. In de giskaarten zijn alleen de meest recente toetsingen zichtbaar, als er van meerdere jaren toetsingen bekend zijn.

Tabel 4.2 MTR N stromende wateren



reductiewens

mate van overschrijding

 

voldoet

MTR

31

0-20%

1,25x MTR

15

20-40%

1,667x MTR

33

40-60%

2,5x MTR

32

60-80%

5x MTR

34

80-100%

>5x MTR

11

geen meting



16

 

totaal

172




Afb. 4.1 cirkeldiagram percentages reductiewens van N voor de MTR voor stromende wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel



Voor stikstof voldoet 15,9% van de meetpunten aan de MTR en 7,7% van de meetpunten zit op een reductiewens van 0-20%, samen minder dan 25%.



Aan de andere kant bedraagt het gedeelte van 40% tot 100% (vanaf ongeveer 2x MTR) reductiewens ongeveer 50% van alle meetpunten.

Tabel 4.3 KRW N stromende wateren

reductie wens

mate van overschrijding

 

voldoet

KRW

90

0-20%

1,25x KRW

15

20-40%

1,667x KRW

20

40-60%

2,5x KRW

16

60-80%

5x KRW

13

80-100%

>5x KRW

2

geen meting




16

 

Totaal

172




Afb. 4.2 cirkeldiagram percentages reductiewens van N voor de KRW voor stromende wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel




Voor stikstof is het verschil tussen de normen van de MTR en de KRW duidelijk zichtbaar. Voldoet onder de MTR nog maar 17% aan de norm van 2,2 mg/l, voor de KRW ligt dit percentage op 47,8% op de norm van 4 mg/l. Vooral het gedeelte van 20-80% reductiewens zijn sterk verkleind door de verruimde normering.



Tabel 4.4 MTR P stromende wateren

reductie wens

mate van overschrijding

Aantal meetpunten

voldoet

MTR

45

0-20%

<1,25 MTR

30

20-40%

<1,667 MTR

16

40-60%

<2,5 MTR

25

60-80%

<5 MTR

31

80-100%

>5 MTR

10

geen meting




15

 

totaal 

172




Afb. 4.3 cirkeldiagram percentages reductiewens van P voor de MTR voor stromende wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel



Voor fosfaat voldoet 25,1% aan de MTR van 0,15 mg/l, terwijl 16,9% de MTR tot 1,25 maal overschrijdt. Hier tegenover staat dat het gedeelte dat de MTR ongeveer 2x overschrijdt 38,4% bedraagt. Hiervoor is dus een reductie van minimaal 50% nodig om de norm te halen.



Tabel 4.5 KRW P stromende wateren

reductie wens

mate van overschrijding

Aantal meetpunten 

voldoet

KRW

39

0-20%

<1,25 KRW

27

20-40%

<1,667 KRW

22

40-60%

<2,5 KRW

27

60-80%

<5 KRW

30

80-100%

>5 KRW

12

geen meting




15

 

Totaal

172




Afb. 4.4 cirkeldiagram percentages reductiewens van P voor de KRW voor stromende wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel



Fosfaat laat na toetsing aan de KRW een percentage van 22,7% zien dat voldoet aan de norm van 0,14 mg/l. Het percentage dat de norm voor minimaal 2x overschrijdt bedraagt het percentage 40,1%



4.2 Resultaten N en P analyse 2004-2006 stagnante wateren



Tabel 4.6 MTR N stagnante wateren

Reductiewens

Mate van overschrijding

Aantal meetpunten 

Voldoet

≤MTR

50

0-20%

1,25x MTR

8

20-40%

1,667x MTR

10

40-60%

2,5x MTR

7

60-80%

5x MTR

6

80-100%

>5x MTR

1

 

Totaal

82






Afb. 4.5 cirkeldiagram percentages reductiewens van N voor de MTR van stagnante wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel



Van de meetpunten voldoet 61% van de stagnante wateren aan de MTR van stikstof en het gedeelte dat de norm minimaal 2x overschrijdt bedraagt 27,8%.



Tabel 4.7 MTR P stagnante wateren

Reductiewens

Mate van overschrijding

Aantal meetpunten 

voldoet

≤MTR

47

0-20%

<1,25 MTR

8

20-40%

<1,667 MTR

7

40-60%

<2,5 MTR

7

60-80%

<5 MTR

9

80-100%

>5 MTR

4

 

 Totaal

82





Afb. 4.6 cirkeldiagram percentages reductiewens van P voor de MTR stagnante wateren

Het bovenste getal geeft de groepen van percentages van de reductiewens weer, het onderste het aandeel




Afbeelding 4.6 en 4.7 zijn de weergave van de overschrijding van de P en N voor de stagnante wateren in het beheersgebied tussen 2004 en 2006. Deze zijn getoetst aan de MTR. Er heeft geen toetsing aan de KRW-norm plaatsgevonden omdat deze nog niet bekend zijn en er niet duidelijk is welk M type deze stagnante wateren zijn.

Er is voor de MTR normering gekozen door het gebrek aan betere normeringsystemen. Het is raadzaam om dit te koppelen aan het streefbeeld van de Provincie Limburg, maar voor dit onderzoek zou dat te veel tijd kosten, want ieder water dient apart te worden beoordeeld naar eigen normen, afhankelijk van het type water.

4.3 Resultaten GIS-kaarten

De kaart (afb. 4.9) toont de locaties en de mate van overschrijding die de MTR-norm voor stikstof van 2004 tot 2006 met de kleurindeling zoals aangegeven in tabel 4.1.

De overige kaarten met de analyse voor de KRW (N en P) en de MTR (P) staan in bijlage III.
De driehoekjes geven de stagnante wateren(M-type), en de rondjes de stromende (R-type) wateren weer.
Er is gekozen voor een kaart met MTR normering omdat deze zowel de stagnante als de stromende wateren beoordeelt, terwijl dit voor de KRW niet het geval is. Mocht na verloop van tijd de waarde voor de stagnante wateren en de typering van deze wateren bekend worden kan er met de hulp van de database een berekening worden uitgevoerd of de waterlichamen voldoen aan de norm of in welke mate de stagnante wateren niet voldoet aan de norm.
Aan de kaart is duidelijk te zien welke meetpunten al dan niet voldoen aan de norm en hoe sterk de norm wordt overschreden. De rode lijnen geven de grens aan tussen de stroomgebieden die in later verband gebruikt zijn voor de trendanalyses, terwijl de gele afbakening de grens van het waterschap aangeeft.

Ook de verschillende soorten waterlopen zijn door een kleurverschil zichtbaar van elkaar gemaakt. De donkerblauwe lijnen zijn de primaire de gewoon blauwe lijnen de secundaire waterlopen en de lichtste lijnen zijn de zogenaamde tertiaire waterlopen.






4.4 Resultaten Trendanalyse


Er is voor gekozen om trendanalyses uit te voeren om te bepalen hoe de toestand zich ontwikkeld heeft. Is er een afname over de jaren te zien of net een toename. Het laat indirect zien wat verschillende maatregelen voor effect hebben op de concentratie van een bepaalde stof, al is dit als er meerdere maatregelen zijn getroffen moeilijker te bepalen welke maatregel welk effect heeft gehad.
De trendanalyses zijn uitgevoerd voor de stroomgebieden en voor de dertien waterlopen waarvan gegevens tot en met 2006 bekend zijn. De trend is bepaald over verschillende jaarlijkse perioden te weten:

  • zomertrend

  • wintertrend

  • jaartrend

Er is gekozen voor deze indeling om het verschil tussen zomertrend en wintertrend zichtbaar te maken. In de bijlagen zijn alleen de jaartrends opgenomen omdat het rapport anders veel te uitgebreid zou worden (er zijn in totaal ongeveer 140 grafieken voor de trendanalyse).
Door dit alles zijn er zeer veel grafieken beschikbaar welke onmogelijk allemaal in dit rapport zijn weer te geven. Daarom zijn ze, twee voorbeelden daargelaten, per waterloop en stroomgebied terug te vinden in bijlage IV. Wel wordt er voor ieder stroomgebied en waterloop een conclusie getrokken uit de resultaten.

De trendanalyses die hier zijn weergegeven, zijn afkomstig van de Swalm voor Fosfaat, voor de waterlopen, en het stroomgebied Zuid Oost Maasterras voor stikstof.


In afbeelding 4.9 is de trend voor stikstof te zien voor alle gegevens uit het zuid oostelijk maasterras. Dit zijn meerdere waterlopen met ieder een verschillende afvoer en concentratie waardoor het verschil in metingen goed te verklaren is. Er is te zien dat de trend over het geheel afneemt maar dat de norm (4,0) door de trendlijn nog niet behaald is.

Afb. 4.8 Trendanalyse van stikstof voor het Zuid Oostelijk Maasterras



De concentratie fosfaat voor de Swalm is duidelijk afgenomen in de periode tot 1995
en gestabiliseerd in de periode die hier op volgde, met zelfs een lichte stijging op het einde. Om een goed beeld te krijgen van de twee verschillende trends zijn deze opgesplitst in de periode vóór 1995 en de periode erna zoals in de onderstaande grafieken te zien is.


Afb. 4.9 Trendanalyse voor fosfaat voor de Swalm




In de periode tot en met 1995 is de daling heel duidelijk zichtbaar. En de trend duidelijk aanwezig.


Afb. 4.11 Trendanalyse van fosfaat voor de Swalm vanaf 1996 tot 2006


Vanaf 1996 is te zien dat de trend gestabiliseerd tot licht gestegen is en schommelt rond de 0,1 (detectiewaarde) en de 0,4 mg/l fosfaat met uitschieters tot ongeveer 0,72 mg/l fosfaat in 2001 en 2003.


In tabel 4.8 staat in de laatste kolom de nummering van de grafieken in de bijlagen. Voor de Swalm is deze nummering niet ingevuld omdat deze al in het rapport is gebruikt
Tabel 4.8 significantie fosfaat en stikstof over de lange termijn (P 1983, N 1991)

Waterloop

P trend

Sig.1

N trend

Sig.

Afbeelding in bijlage IV

Afleidingskanaal

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

25+26

Eckeltsebeek

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Nee

23+24

Eeuwselse loop

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

1+2

Everlose beek

Geen trend

Nee

Licht negatief

Nee

21+22

Gr. molenbeek

Geen trend

Nee

Licht negatief

Nee

7+8

Lingsforterbeek

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

9+10

Neerbeek

Licht negatief

Ja

Geen trend

Nee

11+12

Niers

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

13-16

Noordervaart

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

3+4

Oostr. beek

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

19+20

Oude graaf

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

5+6

Peelkanaal

Licht negatief

Ja

Licht negatief

Ja

17+18

Swalm

Sterk negatief

Ja

Licht negatief

Ja



Tabel 4.9 significantie fosfaat en stikstof over de korte termijn (1995-2006)



Waterloop

P Trend

Sig.

N Trend

Sig.

Afleidingskanaal

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Eckeltsebeek

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Eeuwselse loop

Sterk negatief

Ja

Geen trend

Nee

Everlose beek

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee

Gr. Molenbeek

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee

Lingsforterbeek

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee

Neerbeek

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee

Niers

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Noordervaart

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Oostr.beek

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee

Oude Graaf

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Peelkanaal

Geen trend

Nee

Licht negatief

Ja

Swalm

Geen trend

Nee

Geen trend

Nee


4.5 Resultaten Stoffenbalans


Het resultaat dat hier wordt weergegeven zijn balansen voor N en P voor het jaar 2004. Op de bijbehorende CD-rom staat een volledige uitwerking van de berekening.

Er is gekozen om verschillende vrachtberekeningen uit te voeren om een goed beeld te krijgen van de vrachten die er worden gevonden. Er is besloten om te werken met de kwartaalvrachten omdat zo de seizoenen gescheiden blijven.

De gebieden waar de balansen op gebaseerd zijn staan in hoofdstuk 2 verder uitgewerkt.

De gegevens over de vrachten die vanuit de RWZI bepaald zijn, zijn afkomstig van het waterschapsbedrijf Limburg (WBL). Voor de belasting vanuit het buitenland op de Niers is gebruik gemaakt van het meetpunt op de grens. De overige bronnen zijn bepaald aan de hand van gegevens van het emissie registratie loket(ER-c). Dit zijn jaargegevens van vrijwel alle gevaarlijke of vermestende stoffen en zware metalen die er bekend zijn.



De ER-c database waarvan de gegevens van de bronnen afkomstig is, baseert zich op kentallen die worden afgeleid van de in nederland bepaalde emissie van vele stoffen. Deze kentallen worden daarna toegepast op stroomgebieden, waar het oppervlak van bekend is. Van hieruit wordt dan de vracht bepaald die er in de waterloop terecht komt.

4.5.1 Stoffenbalans Eeuwselse loop


Tabel 4.10 balans van stikstof in de Eeuwselse loop in 2003



balans Eeuwselse loop voor stikstof in 2004

vracht in

kg

%

vracht uit

kg

%

RWZI

6858

8

naar WA&M

88396

100

consumenten

112

0










landbouw

17573

20










overstort

283

0










depositie

2494

3










subtotaal

27320

31




88396

100

onbekend

61076

69



0

0

totaal

88396

100




88396

100

De grootste bekende bron van stikstof is de landbouw. Er is echter een grote onbekende bron in het gebied aanwezig.


Tabel 4.11 balans van fosfaat in de Eeuwselse loop in 2003



balans Eeuwselse loop voor fosfaat in 2004

vracht in

kg

%

vracht uit

kg

%

RWZI

2928

19

naar WA&M

15527

100

consumenten

15

0










landbouw

2482

16










overstort

27

0










subtotaal

5452

35




15527

100

onbekend

10075

65



0

0

totaal

15527

100




15527

100

Voor fosfaat zijn de RWZI en de landbouw grote bronnen.



De restbron is ruim 65%. Er is dus een andere bron die nog fosfaat levert aan de Eeuwselse loop

4.5.2 Stoffenbalans Oostrumsche beek


tabel 4.12 balans van fosfaat in de Oostrumsche beek in 2004

balans Oostrumsche beek voor fosfaat in 2004

vracht in

kg

%

vracht uit

kg

%

consumenten

197

11

naar maas

894

51

landbouw

1492

85










overstort

75

4










subtotaal

1764

100




894

51



0

0

onbekend

870

49

totaal

1764

100




1764

100



Afb. 4.13 schematisering van bronnen voor stikstof en fosfaat in de Oostrumsche beek


De balans voor fosfaat toont voor de Oostrumsche beek een onbekende post die ongeveer de helft uitmaakt van het totaal inkomende vracht. De grootste bron voor deze beek is de landbouw met 85% van de totale inkomende vracht.


Tabel 4.13 balans van stikstof in de Oostrumsche beek in 2004

balans Oostrumsche beek voor stikstof in 2004

vracht in

%

kg

vracht uit

%

kg

consumenten

5

1431

naar maas

100

28533

landbouw

67

18994










overstort

2

684










depositie

9

2685










subtotaal

83

23794




100

28533

onbekend

17

4739



0

0

totaal

100

28533




100

28533

Voor stikstof is de grootste bron ook de landbouw met 67%. Er is ook een onbekende inkomende bron welke een aandeel heeft van 17%.

4.5.3 Stoffenbalans Niers


tabel 4.14 Balans van fosfaat in de Niers in 2004

Balans Niers voor Fosfaat in 2004

vracht in

kg

%

vracht uit

kg

%

RWZI

18190

23

naar maas

61539

77

buitenland

60605

76










consument

30

0










landbouw

980

1










overstort

30

0










subtotaal

79836

100




61539

77



0

0

onbekend

18296

23

totaal

79836

100




79836

100

Uit de fosfaatbalans blijkt dat er voor de Niers een onbekende uitgaande post is. Het is een totaal van 23% op de totale vracht. De grootste bron is het buitenland met 76% van het totaal Het diagram laat de bronnen en de ontvanger van de Niers vereenvoudigd zien.




Afb. 4.14 schematisering van bronnen voor stikstof en fosfaat in de Niers



Tabel 4.15 Balans van stikstof in de Niers in 2004

balans Niers voor stikstof in 2004

vracht in

kg

%

vracht uit

kg

%

RWZI

23058

1

naar maas

2141914

91

buitenland

2313579

98










consumenten

217

0










landbouw

17339

1










overstort

263

0










depositie

2604

0










subtotaal

2357061

100




2141914

91



0

0

onbekend

215147

9

totaal

2357061

100




2357061

100

Voor de Niers is het buitenland (Duitsland) de grootste bron voor stikstof. Daarnaast is er een onbekende vracht die uit de waterloop gaat, maar deze zit binnen een marge van 10% en kan dus mogelijk worden verklaard door rekenfouten in de vrachten.
1   2   3   4   5

  • 2. Rapport Witteveen en Bos
  • 3 Werkwijze 3.1 Inwinnen van informatie en gegevens
  • 3.2 Ordenen van de verkregen informatie
  • 3.4 Resultaten koppelen aan een GIS Kaart
  • 3.5 Trendanalyse 1996 tot 2006
  • 4 Resultaten 4.1 Resultaten N en P analyse 2004-2006 stromende wateren
  • 4.2 Resultaten N en P analyse 2004-2006 stagnante wateren
  • 4.3 Resultaten GIS-kaarten
  • 4.4 Resultaten Trendanalyse
  • 4.5 Resultaten Stoffenbalans
  • 4.5.1 Stoffenbalans Eeuwselse loop
  • 4.5.2 Stoffenbalans Oostrumsche beek
  • 4.5.3 Stoffenbalans Niers

  • Dovnload 3.17 Mb.