Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Stofstromen van stikstof en fosfaat in het beheersgebied van het Waterschap Peel en Maasvallei Analyse van de huidige toestand van de meetpunten, een balans van de vrachten van stikstof en fosfaat en een trendanalyse per stroomgebied

Dovnload 3.17 Mb.

Stofstromen van stikstof en fosfaat in het beheersgebied van het Waterschap Peel en Maasvallei Analyse van de huidige toestand van de meetpunten, een balans van de vrachten van stikstof en fosfaat en een trendanalyse per stroomgebied



Pagina4/5
Datum05.12.2018
Grootte3.17 Mb.

Dovnload 3.17 Mb.
1   2   3   4   5

5 Conclusie




5.1 Conclusie analyse roulerend meetnet 2004-2006 stromende wateren

De mate van kwaliteit van de wateren wordt gesteld door verschillende normen. Eerst waren de normen van de 4e nota waterhuishouding van toepassing welke 0,15 mg/l voor P-totaal was en 2,2 mg/l voor N totaal. Er zijn nu ook normen voor de Kaderrichtlijn Water bekend welke voorlopig gesteld zijn op 4,0 mg/l voor totaal stikstof en 0,14 mg/l voor totaal fosfaat voor stromende wateren.

Door deze verruiming van de norm op totaal stikstof voldoen meer wateren aan de norm voor de KRW dan voor de norm van de MTR. Het betreft 52,3% van de wateren die aan de KRW norm niet overschrijden tegen 18,0% dat de MTR norm niet overschrijdt.

Er is uit deze gegevens te concluderen dat de soepelere normering een gunstig invloed heeft op het aantal wateren dat aan de norm voldoet, maar er moet nog veel werk verricht worden om de overige wateren ook aan de norm te laten voldoen.


Voor fosfaat geldt het tegenovergestelde als voor stikstof. De norm is iets strenger geworden en dat is ook te zien aan het aantal waarnemingen dat aan de strengere KRW norm voldoet. Voor de MTR-norm overschrijdt 26,2% de norm niet terwijl voor de KRW-norm dit percentage op 22,7% ligt. Er moet dus veel gebeuren om de wateren aan de norm voor P te laten voldoen.

De oorzaak van het niet halen van de norm is voor veel waterlopen terug te koppelen aan het feit dat ze veelal door landbouwgebied lopen. Er vind meer bemesting plaats van de omliggende, natuurlijke, gronden en ook de waterlopen zelf worden af en toe mee bemest door agrariërs.



5.2 Conclusie analyse roulerend meetnet 2004-2006 stagnante wateren

De stagnante wateren zijn er procentueel beter aan toe dan de stromende wateren. Bijna 60% voldoet aan de norm voor P en ruim 60% voldoet aan de norm voor N. Dit betreffen wel de normen van de MTR, omdat er voor de KRW niet bekend is wat het watertype is en welke normen hier aan gekoppeld zijn.



Veel van deze stagnante wateren zijn gelegen in natuurlijke gebieden waardoor er minder belasting van N en P plaatsvindt en er dus meer wateren aan de MTR voldoen.

5.3 Conclusie trendanalyse stroomgebieden


Onder deze paragraaf worden de conclusie bepaald over de trendanalyse van de stroomgebieden. Voor ieder stroomgebied is de trend bepaald en hieruit is een conclusie getrokken. Helaas is het niet mogelijk geweest om te bepalen of de trend al dan niet significant is waardoor dit niet vermeld kan worden voor de stroomgebieden. Voor de dertien waterlopen is dit wel gelukt.

5.3.1 Brabantse afwatering


Voor dit stroomgebied geldt dat er voor P een afname te zien is over het gehele vlak. Voor N is een veel minder sterke afname te zien (bijlage IV afb. 27+28)

5.3.2 Groote Molenbeek


Het stroomgebied groote molenbeek laat voor P een lichte afname zien, terwijl voor N de afname wat duidelijker zichtbaar is. (bijlage IV afb. 29+30)

5.3.3 Haelensebeek


De afname in N voor het stroomgebied Haelensebeek is goed waar te nemen. Voor P is de afname in concentratie minder sterk terug te vinden. (bijlage IV afb. 31+32)

5.3.4 Loobeek/Oostrumsebeek


Er zijn bij fosfaat enkele uitschieters te zien waardoor de afname niet goed zichtbaar is, maar die is er wel. Voor N is de afname beter zichtbaar. (bijlage IV afb. 37+38)

5.3.5 NO Maasterras


Over het gehele beeld gezien neemt de concentratie fosfaat toe, terwijl de concentratie stikstof net afneemt. (bijlage IV afb. 33+34)

5.3.6 NW Maasterras


Het noord westelijk maasterras laat voor fosfaat een stijging in de concentratie zien terwijl voor stikstof net een duidelijke afname is te zien. (bijlage IV afb. 35+36)

5.3.7 Roggelsebeek


De concentratie fosfaat neemt licht af over de periode1983 tot en met 2006, terwijl de concentratie stikstof net toeneemt. (bijlage IV afb. 39+40)

5.3.8 Tungelroysebeek


Het stroomgebied Tungelroysebeek laat voor stikstof en fosfaat een daling zien in de concentratie (bijlage IV afb. 41+42)

5.3.9 ZO Maasterras


Het zuid oostelijk maasterras laat voor fosfaat een afname zien over de volledige periode.Dit is ook waar te nemen voor stikstof. Wel is bij stikstof een hogere serie waarnemingen te zien die zijn terug te leiden naar het waterlichaam de Niers (bijlage IV afb. 43+44)

5.3.10 ZW Maasterras


Voor fosfaat is er een afname in de concentratie in het zuid westelijk maasterras. Stikstof laat echter een stijging zien in de concentratie (bijlage IV afb. 45+46)


5.4 Conclusie trendanalyse waterlopen


Waar hoofdstuk 5.3 de stroomgebieden behandelt, worden in dit hoofdstuk de grotere waterlopen én de Eeuwselse loop behandelt. Dit komt voornamelijk doordat deze vrijwel continu zijn gemeten en de rest niet. Voor de Eeuwselse loop geldt dat de gegevens gedeeltelijk uit eigen materiaal komen, maar vanaf 2004 van het waterschap Aa en Maas. Het punt van deze metingen is overeenkomstig met het meetpunt van Waterschap Peel en Maasvallei.

Een negatieve trend houdt in dat de concentraties dalen en een positieve trend geeft aan dat de concentraties aan het stijgen zijn. De term norm die hier wordt gebruikt heeft betrekking op de waardes voor de KRW (N=4mg/l , P=0,14mg/l).




5.4.1 Trends Fosfaat


Er is in dit geheel een waterloop die een sterke negatieve trend laat zien, namelijk de Swalm. Dit komt voornamelijk door de periode tot 1995 waarbij de concentratie hard is afgenomen. Maar na die periode is de concentratie gestabiliseerd omdat er geen verdere maatregelen effect hebben op deze concentratie.
Een achttal waterlopen laat een licht dalende trend zien, het betreft het afleidingskanaal, de Eckeltsebeek, de Oostrumsche beek, het Peelkanaal, de Niers, de Neerbeek, de Oude Graaf en de Noordervaart.
Een viertal waterlopen, waaronder de Eeuwselse loop en de Groote Molenbeek hebben geen trend.

5.4.2 Trends Stikstof


Voor stikstof is het makkelijk te concluderen dat op één waterloop na alle waterlopen een licht dalende trend laten zien. Alleen de Neerbeek heeft geen trend.

5.4.3 Trends vanaf 1995


Er zijn enige verschillen tussen de lange en korte trendperiode. Zo laat voor fosfaat alleen de Eeuwselse loop een dalende trend zien voor de trendperiode vanaf 1995, terwijl alle andere geen trend laten zien terwijl dit in de trend van 1983 net omgekeerd het geval is. De Swalm reageert net tegenovergesteld, over de lange periode is de trend voor fosfaat sterk negatief, maar als de trend wordt bepaald vanaf 1995 is er voor de Swalm geen trend meer voor fosfaat.
Voor stikstof is het verschil tussen geen trend en een licht negatieve trend minder groot. Opmerkelijk is dat de Eckeltsebeek over de lange periode niet significant is maar vanaf 1995 net wel.

5.4.4 Bijzondere gevallen


De Lingsforterbeek laat in de grafieken een lichte stijging zien voor stikstof en fosfaat. De toetsing laat echter zien dat stikstof een licht negatieve trend heeft en voor fosfaat net geen trend.

5.5 Conclusie stoffenbalans


In dit hoofdstuk wordt de conclusie getrokken van de stoffenbalansen van de drie waterlopen. Er dient rekening te worden gehouden dat de betrouwbaarheid van deze getallen niet gegarandeerd is. Alleen de RWZI is een vaststaand feit, omdat hier heel constant wordt gemeten. De overige bronnen zijn afkomstig van de emissieregistratie database, welke is gebaseerd op landelijke kentallen. De berekening van de uitgaande vracht is gemaakt aan de hand van (gemiddelde) kwartaalmetingen voor de kwaliteit en de debieten. Hierbij zijn de debieten zeer betrouwbaar, omdat deze per dag worden bepaald.

5.5.1 Eeuwselse loop


Voor zover bekend wordt de Eeuwselse loop gevoed door de RWZI en door afvloeiing van landbouwgebied waardoor de concentraties aan N en P behoorlijk hoog zijn. De grootste bron (bijna 70%) is echter niet bekend. Mogelijke bronnen zijn het grondwater,de drainering van de omliggende agrarische gebieden of een combinatie van deze twee.

5.5.2 Niers


De Niers wordt in Duitsland gebruikt als effluentkanaal van RWZI’s. Ook in Nederland is er een RWZI die loost op de Niers. De grootste bron is dan ook het buitenland (Duitsland red.). Als er voor de Niers een verbetering moet komen, zal dit dan ook in overleg met de bovenstroomse waterkwaliteitsbeheerder moeten worden overlegd.

Er is voor de Niers ook een vracht voor stikstof en fosfaat waarvan niet bepaald kan worden waar deze vracht naar toe gaat.


5.5.3 Oostrumsche beek


De Oostrumsche beek wordt voor een gedeelte gevoed door water uit de maas en voor de rest uit bronnen en ligt in landbouwgebied. De grootste bron van fosfaat en stikstof is de landbouw en voor fosfaat is dit ook de landbouw.

Er valt op dat er bij fosfaat een uitgaande fractie van de vracht is die niet bekend is. Omdat er geen onderzoek is gedaan naar de reden van dit fenomeen kan er geen duidelijke bron reden worden aangegeven. Mogelijk gaat het om binding aan metalen, of om opname van planten. Voor stikstof is er een vracht waarvan niet bekend is waar deze vandaan komt. Een mogelijke bron is het grondwater, maar ook hier is geen verder onderzoek naar gedaan.


5.5.4 Verschillen tussen de waterlopen


Het verschil tussen de waterlopen is van meerdere factoren afhankelijk, zoals het debiet en de soort bronnen. Maar ook de lengte van een waterlichaam is een oorzaak van het verschil. Ook kan men denken aan het verschil in landgebruik, of het mestbeleid dat in een bepaald gebied gehanteerd wordt.

5.6 Overall conclusie



Over de lange termijn zijn er voor veel waterlopen verbeteringen opgetreden wat betreft de concentraties van N en P. Voor de meetpuntanalyse in de periode 2004-2006 voldoet 47,8% aan de KRW-norm voor stikstof, en 22,2% aan de KRW-norm voor fosfaat. Het aantal wateren dat aan beide normen voldoen bedraagt 25 (14,5%) voor de gehele periode.

De balansen laten zien dat de vrachten per waterloop zeer verschillend zijn, wat ook afhankelijk is van de wateraanvoer en de bronnen van eutrofiëring.


6 Discussie en aanbevelingen

6.1 Discussie

6.1.1 Meetpuntanalyse


Naast de KRW-norm en de MTR norm is er nog een derde mogelijkheid tot toetsing, namelijk de streefwaarde. Voor de volledigheid is deze ook uitgewerkt, maar niet in het rapport bijgevoegd. De resultaten en de conclusie voor de streefwaarde zijn te vinden in bijlage IV en zijn toegepast op de stagnante en stromende wateren

De streefwaarde is verbonden aan de NW4 en heeft geen band met de KRW normering.


In de analyse van de meetpunten zijn de meetpunten waar geen zomergemiddeldes bepaald zijn geworden toch meegenomen. Deze beslissing is genomen omdat het de bedoeling is dat alle meetpunt meegenomen worden die in deze periode zijn gemeten.

6.1.2 Trendanalyse


Bij de trendanalyse zou er rekening gehouden moeten worden met de detectielimiet. Dit is pas laat in het proces onderkend maar is slechts gedeeltelijk hersteld geworden. Opvallend is dat de detectielimiet voor P vanaf 1995 0,1 mg/l bedraagt terwijl de norm op 0,14 (KRW) is bepaald. Hierdoor kan een duidelijke trend niet worden weergegeven. Dit is dan ook onderkend in de conclusie van de trends waar dit voorkomt. Ter vergelijking, de hoogte van de detectielimiet is in de periode voor 1995 veel lager, namelijk 0,03 mg/l P. Uiteindelijk is er gekozen om de detectielimieten aan te houden door het tijdgebrek en de late inschatting hiervan.
Er is gekozen om de detectielimiet aan te houden omdat, ondanks dat deze vrij hoog zijn, deze toch onder de waarden van de normen liggen. Andere mogelijkheden waren het halveren van de meetwaarden die op de detectielimiet vielen of het geheel weglaten van de waarden die op de detectielimiet liggen.

6.1.3 balansen


De nauwkeurigheid van de berekeningen voor de balansen is nogal discutabel. De bronnen zijn afkomstig van het emissieregistratie centrum, en zijn gebaseerd op kentallen.

De bepaling van de uitgaande vracht is ook niet optimaal. Er zijn maar 12 kwalitatieve metingen gedaan per jaar en in het geval van de Niers slechts 4. Hierdoor wordt het moeilijk om een goede bepaling te maken van de uitgaande vracht. De balansen dienen daarom als een indicator waar de grootste bron, zodat er door het waterschap maatregelen worden opgelegd of overleg kan worden gepleegd met beheerders van bronnen die niet in het beheersgebied liggen.



6.2 Aanbevelingen


Om een afname van stikstof en fosfaat te verkrijgen zijn er verschillende mogelijkheden, afhankelijk van de bron en hoeveel die specifieke bron “levert” aan het systeem.

Oplossingen voor de landbouw zijn het verder verscherpen van het mestbeleid en het instellen van grotere mestvrije zones langs de waterlopen. Dit laatste is voor het waterschap een directe actie die de vracht aan stikstof en fosfaat naar beneden kan halen.

Voor de RWZI’s is het gebruik van helofytenfilters een mogelijkheid om de concentratie N en P te verminderen. Dit riet kan vervolgens voor andere doeleinden worden gebruikt, zoals dakbedekking en biogas. Deze helofytenfilters kunnen ook geplaatst worden bij overstorten, zodat het effect van de overstorten minder wordt. Dit is alleen mogelijk bij overstorten waar voldoende ruimte is om een helofytenfilter te kunnen plaatsen.

Voor een aantal rivieren is er een sterke buitenlandse aanwezigheid vast te stellen zoals de Niers en de Swalm. Het is een moeilijk punt om dit punt zelf aan te pakken, maar in overleg met de bovenstrooms gelegen waterbeheerder, een belangrijk punt in de Kaderrichtlijn Water, is het wel mogelijk om er iets aan te doen.

Atmosferische depositie van stikstof vindt ten alle tijden plaats, alleen de mate van de vracht is anders dan de natuurlijke situatie. Er zijn mogelijkheden om dit aan te pakken, maar dat is voor het waterschap alleen een ondoenlijke taak en moet landelijk dan wel internationaal worden aangepakt. Daar dit maar een klein aandeel is zal dit geen groot effect hebben op het totaal.

De lozingen van stikstof en fosfaat door bedrijven en particulieren zijn aan te pakken door het minder verstrekken van WVO-verguningen en het stellen van strengere eisen aan deze vergunningen, zoals het verplicht plaatsen van een helofytenfilter mogelijk in combinatie met de toepassing van een individuele behandeling afvalwatersysteem (IBA-systeem) tussen de uitlaat en de beek zodat de vracht aan stikstof en fosfaat wordt verminderd.


Daarnaast is er ook een onbekende factor in het spel, namelijk het grondwater en dan met name het diepere grondwater. Hier zijn amper concentraties en vrachten van bekend terwijl het diepe grondwater toch zeer uitgebreid aanwezig is. Onderzoek naar de vrachten in het (on)diepe grondwater is dan ook wenselijk om de balansen in orde te kunnen krijgen.


Verklarende woordenlijst

Nutriënt: een voedingsstof die planten nodig hebben om zich te voeden. Voorbeelden hiervan zijn nitraat en fosfaat


Eutrofiëring: het voedselrijk worden van water en land
Significantie Als een resultaat significant is dan is de conclusie statistisch verantwoord
Totaal stikstof: Totaal stikstof beslaat alle soorten stikstof die in het water en de bodem aanwezig zijn. Het gaat om nitraat, nitriet, ammonium en Kjelldal stikstof
Totaal fosfaat: Onder totaal fosfaat worden orthofosfaat en gebonden fosfaat verstaan.
Non gouvernemental Een organisatie die geen binding heeft met de regering van

organisations een land.




Literatuurlijst




  • Brochure van de Europese Commissie (2002)

“De Kaderrichtlijn Water: In ieders belang”

ISBN 92-894-3042-7




  • Witteveen en Bos (2003)

Inventarisatie van de diffuse belasting van het regionale watersysteem in Limburg

RM133-1/groc2/012




  • D. van der Molen, P. Boers, N. Evers (2006)

KRW-normen voor algemene fysisch-chemische kwaliteitselementen in natuurlijke wateren

H2O 25/26 2006

Gebruikte websites

http://www.lenntech.com/stikstof-cyclus.htm

http://www.lenntech.com/fosforcyclus.htm

http://www.lenntech.com/Irrigatie/irrigatiewater-nutrienten.htm




Bijlagen

Bijlage I STONE modellen

Bijlage II Klasse, kleurweergave en waarden reductiewens voor MTR, KRW en streefwaarde

Bijlage III GIS-Kaarten

Bijlage IV Overige resultaten trendanalyse

Bijlage V Resultaten voor de streefwaarde


Bijlage I STONE

In STONE zijn onder meer de volgende modellen gebruikt:



  • Mest en Ammoniakbeleid (MAM) LEI

  • Nationaal grondwatermodel NAGROM RIZA

  • FARMMIN Plant Research Int.

  • CLEAN RIVM

  • OPS/SRM RIVM

  • SWAP

  • QUADMOD

  • ANIMO

Bijlage II: Klasse, kleurweergave en waarden reductiewens voor MTR, KRW en streefwaarde.





klasse

 

Reductie

wens


 Mate van normoverschrijding

MTR N (mg/l)

KRW N (mg/l)

streef N (mg/l)

MTR P (mg/l)

KRW P (mg/l)

streef P (mg/l)

1

 

Voldoet

norm

2,2

4

1

0,15

0,14

0,05

2

 

0-20%

1,25x norm

2,75

5

1,25

0,1875

0,175

0,0625

3

 

20-40%

1,667 x norm

3,67

6,67

1,67

0,25

0,23

0,083

4

 

40-60%

2,5 X norm

5,5

10

2,5

0,375

0,35

0,125

5

 

60-80%

5 x norm

11

20

5

0,75

0,7

0,25

6

 

80-100%

>5 x norm

 >11

>20

>5

>0.75

>0.7

>0.25

9

 




geen meting

 xx

 xx

 xx

 xx

 xx

 xx


Bijlage III GIS-Kaarten

Onder deze bijlage zijn de GIS-kaarten te vinden voor de MTR P, de KRW N en de KRW P voor zowel de stromende als de stagnante wateren. Voor de kaarten van de KRW zijn alleen de stromende wateren te zien. De reden hiervoor is de afwezigheid van de normen en typering van de stagnante wateren.






Afb. 1 Overzichtskaart meetpuntanalyse voor stikstof aan de norm van de KRW (4,0 mg/l)



Afb. 2 Overzichtskaart meetpuntanalyse voor fosfaat aan de norm van de MTR

1   2   3   4   5

  • 5.2 Conclusie analyse roulerend meetnet 2004-2006 stagnante wateren
  • 5.3 Conclusie trendanalyse stroomgebieden
  • 5.3.1 Brabantse afwatering
  • 5.3.4 Loobeek/Oostrumsebeek
  • 5.3.8 Tungelroysebeek Het stroomgebied Tungelroysebeek laat voor stikstof en fosfaat een daling zien in de concentratie (bijlage IV afb. 41+42) 5.3.9 ZO Maasterras
  • 5.4 Conclusie trendanalyse waterlopen
  • 5.4.3 Trends vanaf 1995
  • 5.4.4 Bijzondere gevallen
  • 5.5.4 Verschillen tussen de waterlopen
  • 6 Discussie en aanbevelingen 6.1 Discussie
  • Verklarende woordenlijst
  • Bijlagen
  • Bijlage II: Klasse, kleurweergave en waarden reductiewens voor MTR, KRW en streefwaarde.
  • Bijlage III GIS-Kaarten

  • Dovnload 3.17 Mb.