Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Student: Robin Gerris

Dovnload 1.2 Mb.

Student: Robin Gerris



Pagina2/6
Datum25.10.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   2   3   4   5   6

De aandacht neemt toe. Dit betreft zowel de selectieve als de verdeelde aandacht. De adolescent kan zich beter op de kern van het probleem richten.

  • Het concentratievermogen neemt toe.

  • Het geheugen neemt toe. Zowel het kortetermijngeheugen als het langetermijngeheugen kunnen meer vasthouden. Er wordt een systeem aangebracht waardoor de adolescenten zelfstandig onderwerpen kunnen onthouden en ophalen. Hierdoor kan o.a. beter discussie gevoerd worden en kan de adolescent zelfstandig ezelsbruggetjes bedenken voor het leren.

  • Er kan beter planmatig en systematisch werk verricht worden. Er kan voor het betreffende moment een betere keuze gemaakt worden welke strategie het beste is. Wat hier wel vermeldt moet worden is dat adolescenten minder moeite hebben met het plannen in het hier en nu. Vooruit plannen of een actie ondernemen waarvan later de consequenties blijken is lastiger.

    Op sociaal gebied vinden er ook een groot aantal veranderingen plaats. Er zijn 2 belangrijke invloedssferen te constateren die de belangrijkste rollen in deze ontwikkeling spelen. De ene wordt vertolkt door de ouders, de andere door de vriendengroep of ‘peergroup’. Deze invloedssferen leven beide naast elkaar. De ouders hebben bijvoorbeeld invloed op morele waarden, schoolkeuze en opvattingen over de maatschappij. De peergroup heeft o.a. invloed op uiterlijk vertoon, keuze van muziek en taalgebruik. Doordat de adolescenten los komen van hun ouders, gaan ze zich steeds meer richten op hun nieuwe generatiegenoten. Dit komt onder andere omdat ze op zoek gaan naar een levensgezel, maar ook omdat ze in het onderwijs jarenlang in elkaars gezelschap zijn. Zolang je adolescent bent zoek je namelijk mensen om je gevoelens bij te delen. Omdat de adolescenten voornamelijk in contact zijn met de peergroup zullen zij eerder hun gevoelens met elkaar delen. In het huidige internet tijdperk heeft deze rol ook een andere bijkomstigheid. Ze kunnen in principe 24 uur per dag met elkaar verbonden kunnen zijn. Vaak zullen deze gevoelens dus ook gedeeld worden op digitale netwerken zoals facebook, twitter en instagram. Hier communiceren de adolescenten met elkaar over het leven, hier en nu en zonder enig vast verband. Er gaat van vrienden een socialiserende werking uit, die doorloopt tot in de volwassenheid. Hierdoor speelt de peergroup een belangrijke rol in het leren van o.a. rekening houden met anderen, luisteren naar andere meningen, op je standpunt blijven staan, conflicten oplossen, en toegeven als je iets fout hebt gedaan. Daarnaast is er een persoonlijkheidsvormende werking van de peergroup. Jongeren krijgen zelfkennis door de reactie die ze bij anderen oproepen en bouwen daardoor een zelfbeeld op van de dingen die ze belangrijk vinden. Ook de docent op school speelt hier een belangrijke rol. De adolescenten ervaren dat er pas een goede werksfeer gerealiseerd kan worden als er zowel goed contact is met de ‘peergroup, als de docent.



    Persoonlijkheidsveranderingen De ontwikkeling naar een individu

    Persoonlijkheid is een verzamelbegrip wat duidt op hoe iemands eigenschappen als een eenheid innerlijke structuur vormen. Bij de adolescenten zijn er diverse factoren van invloed op de persoonlijkheids vormende processen. Onder andere de opvoedingsstijl van de ouders en de temperamentsverschillen van het individu. Een temperament kan het beste worden omschreven de manier waarop iemand zijn gedrag afstemt op zijn omgeving, oftwel de manier van opstelling in het leven. Globaal zijn er 3 hoofdtyperingen van temperamenten te onderscheiden, maar hierbij moet rekening gehouden worden dat dit niet voor ieder individu hetzelfde zal zijn.




    • Iemand die zich het makkelijkt gedraagt als de omgeving door en door vertrouwd is en snel van zijn stuk is in nieuwe situaties.

    • Iemand die zich in onbekende situaties snel aanpast en het juist plezierig vindt om nieuwe prikkels te krijgen.

    • Iemand die niet afkerig is van wat nieuw en onbekend is maar wel de tijd nodig heeft om rustig te wennen.

    Verwant aan deze temperamentsverschillen zijn de individuele persoonlijkheidskenmerken van de adolescenten. Om een goed beeld te krijgen van de individuele persoonlijkheidskenmerken die leerlingen hebben, kan worden gekeken naar het vijf-factoren model. Dit model geeft 5 overkoepelende factoren waarbij individuele persoonlijkheidskenmerken in geplaatst kunnen worden. Deze 5 factoren zijn onderverdeeld in 2 termen die elkaars tegenpolen zijn waarbij elke mogelijke bedenkbare persoonlijkheid wordt gevormd door deze factoren. Het is echter wel belangrijk om in acht te nemendat de mate waarin deze per individu aanwezig zijn sterk kunnen verschillen. Het kan zich uiten in zowel extremen, als gemiddelden.




    • Extraversie - Introversie.

    • Mildheid - Bazigheid.

    • Ordelijkheid - Wanordelijk.

    • Emotionele stabiliteit - Emotionele instabiliteit.

    • Autonoom - Niet autonoom.

    Deze factoren moeten bekeken worden als hoofdcategorieën van woorden die wij gebruiken om anderen te beschrijven. Als men bijvoorbeeld spreekt over uitbundig, ingetogen, stil, luidruchtig dan kan dit ingedeeld worden bij extraversie – introversie. Met deze persoonlijke bagage van eigenschappen kan de leerling, mits uitgegaan wordt van een reguliere situatie, een regulerend Ego, een zo positief mogelijk zelfbeeld en een geïntegreerd gevoel van indentiteit ontwikkelen.

    Nu er een omschrijving van het Havo onderwijs is en de cognitieve, sociale en emotionele gebieden van de adolescent onderzocht zijn, kan er gekeken worden naar hoe deze zich uiten in een schoolse omgeving. Het mollerlyceum had een profilering van een Havo 5 leerling aanwezig op de school. Deze is als uitgangspunt gebruikt en is aangevuld met de gevonden kennis, vaardigheden, behoeftes en ontwikkelingen van de doelgroep. Deze profilering3 is een overzichtelijke en handige houvast voor de docent om te gebruiken tijdens de lessen. Om een duidelijk onderscheid te maken in verschillende domeinen van begeleiding is er in deze profilering een verdeling gemaakt in instelling, niveau & intellectuele capaciteiten en de aanpak & vaardigheden van de leerlingen.
    Uit het verzamelde materiaal kan er nu een duidelijke profilering maken van de Havo 5 leerling. Hieruit blijkt dat de Havo 5 leerling soms nog in de laatste fase van de pubertijd zit, maar nog vol in ontwikkeling is als adolescent. Op cognitief gebied ontwikkelen zij een nieuw instrumentarium aan denkwijzes en willen dit ook toepassen in de uitvoering van hun opdrachten. Bij het maken van deze opdrachten toont de leerling enige zelfstandigheid waarbij deze problemen herkent, vaardigheden op roept en deze toe past. Hierbij wordt kritisch naar de gevonden oplossing en de eigen manier van werken gekeken. de resultaten van de opdrachte zullen boven reproductieniveau uitstijgen, echter moet de stof wel in stukjes gehakt worden. Bij deze opdrachten wil de leerling zowel algemene, als toegepaste kennis leren en hierbij wil de leerling een groot gevoel van succesbeleving en zinvolheid ervaren. De leerling stopt met het werken aan een opdracht als hij of zij daar naar eigen inzicht voldoende tijd en aandacht heeft besteedt.
    Naast de ontwikkelingsspurt op cognitief gebied zijn de leerlingen op sociaal/emotioneel gebied ook intensief bezig om zichzelf te ontwikkelen tot een individu. Terwijl de adolescent zich op een eigenzinnige manier aanpast aan de omgeving, is er veelvuldig contact met o.a. leeftijdsgenoten uit diverse peergroupen. Door dit contact leert de leerling om een eigen persoonlijkheid en sociale vaardigheden te ontwikkelen. Het internet speelt hier in het hedendaags milieu een belangrijke rol bij. Op deze manier kan de leerling namelijk te allen tijde in contact blijven met de sociale omgeving.
    Om een praktische toepassing van de profilering te hebben, worden deze elementen ondergebracht in 3 verschillende domeinen. Deze domeinen bestaan uit de volgende begrippen:


    • Instelling, waar het onderscheid wordt gemaakt tussen belangstelling, inzet en ontplooiing en ambitie

    • Niveau/intellectuele capaciteiten wat onderverdeelt wordt in abstractievermogen, inzicht en doorzettingsvermogen

    • Aanpak/vaardigheden waar h et concentratievermogen, het lesgedrag en de manier waarop het huiswerk gemaakt wordt aangestipt.

    Deze praktische toepassing van de profilering is handzaam voor de docent en kan ten alle tijden een functioneel overzicht bieden van de capaciteiten en behoeftes van de leerling. Dit kan bijvoorbeeld als hulpmiddel dienen voor het ontwikkelen van lesdoelen of een inhoud geven aan het vakcurriculum. Deze profilering bevindt zich in de bijlage.



    Deelvraag 2

    Wat zijn de actuele doelen voor het vak beeldende vorming bij Havo 5?
    Om te achterhalen wat het betreffende domein van het vak is moet er gekeken worden naar de doelen van het vak. De school heeft echter een advies van het ministerie opgepikt en wil dit in de toekomst graag gebruiken voor de inhoud van het vak beeldende vorming. Dit advies draagt de naam ‘de kunst van het nieuwe’. Om een overzicht te maken van deze actuele doelen zal er dus een koppeling gemaakt worden tussen de doelen die er nu zijn en de toevoeging van de gewenste doelen. Doordat het om de doelgroep Havo 5 gaat, zijn de doelen van het examen gebruikt als uitgangspunt.

    Het vak beeldende vorming heeft altijd 2 inhoudelijke componenten, een theoretisch deel en een praktijkdeel. De inhoud van deze componenten wordt vormgegeven door de doelen die het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt aan de betreffende sector in het onderwijs. Omdat de samenleving nooit stil staat en zichzelf consistent ontwikkelt, is het ook de bedoeling dat het vakcurriculum vernieuwend blijft en aansluit op het werkveld in de samenleving. In 2012 heeft het ministerie daarom een nieuw advies gepubliceerd met betrekking tot een vernieuwend curriculum in de kunstensector. Dit advies draagt de titel ‘De kunst van het nieuwe’. Het Mollerlyceum wil dit advies gebruiken om het vakcurriculum vorm te geven. De gewenste situatie hierbij is dat er een betere synthese is tussen praktijk en theorie. Echter wordt er momenteel voor het praktijkgedeelte beeldende vorming de ‘nieuwe stijl’ gehanteerd. Dit betekent automatisch dat voor de kunsttheoretische lessen de inhoud wordt vormgegeven door het vak kunst algemeen. Door deze tweedeling in theorie en praktijk kan geconstateerd worden dat er geen volledige synthese aanwezig is. Hier is de school echter wel naar op zoek. Om nieuwe doelen voor het vak te realiseren waarbij deze synthese wel aanwezig is, zal er dus een vergelijking gemaakt moeten worden tussen de doelen van ‘de nieuwe stijl’ en ‘de kunst van het nieuwe’.


    Bij de kunstvakken nieuwe stijl staan naast de ‘oude’ kunstvakken muziek, handvaardigheid, tekenen en textiele werkvormen vier ‘nieuwe’ kunstvakken: kunst (drama), kunst (dans), kunst (beeldende vormgeving) en kunst (muziek). Het bijzondere is dat hier een tweedeling gemaakt wordt tussen theoretische kennis, en praktijkgerichte kennis en vaardigheden. Dit is gebeurt door de invoering van het vak Kunst algemeen waarbij het theoretische component bestaat uit de behandeling van

    de algemene theorie (cultuurgeschiedenis) van beeldende kunst en vormgeving, muziek, dans en theater. Aan de hand van zes invalshoeken worden zes onderwerpen bestudeerd. Kunst Algemeen wordt afgesloten met een centraal examen terwijl de school het beeldende examen verzorgt. De beschrijving voor de vakken kunst algemeen en de kunst van het nieuwe wordt gedaan aan de hand van 3 verschillende domeinen. vaardigheden, vaktheorie, en onderwerpen. Deze domeinen komen zowel bij de kunst algemeen, kunstvak de nieuwe stijl en de kunst van het nieuwe overeen.



    Het kerncurriculum voor de kunst van het nieuwe 4is echter nog niet ontwikkeld. Dit zorgt ervoor dat het niet mogelijk is om dit als uitgangspunt voor de lessen te gebruiken. Hierdoor zijn de actuele doelen voor het vak bepaald doordat het vakcurriculum bestaat uit de inhoud van beeldende vorming ‘de nieuwe stijl’ 5en ‘kunst algemeen’6. Naast de eerder genoemde vakgerichte kennis en vaardigheden bereiden de verscheidene kunstvakken de leerlingen voor op een volwaardige participatie aan de maatschappij. Dit komt door de algemene competenties die aangeleerd worden zoals onder andere het reflecteren en evalueren, het creatief en probleem oplossend denken en werken. Door middel van onderzoeks gerichte vaardigheden, procesmatig werken en een begrip voor culturele verscheidenheid leren de leerlingen op een andere manier naar zichzelf en de maatschappij kijken. Ze krijgen daarbij inzicht in de wijze waarop cultuur en maatschappij invloed uitoefenen op verschillende kunstdisciplines en hun onderlinge relaties.
    Zoals ook zichtbaar is uit de doelstellingen van het OCW draagt het vak beeldende vorming bij aan het aanleren van vaardigheden die de leerlingen door het gebruik diverse denkmethodes en perspectieven een probleemoplossend vermogen leert ontwikkelen. Door de leerlingen de mogelijkheid te geven om eigen probleemstellingen mee te nemen in het beeldend proces, leert de leerling deze in relatie te plaatsen met contexten als de voorbijgaande en actuele kunstgeschiedenis en het mogelijke beroepsveld waarin de leerling terecht kan komen. Deze vaardigheden zorgen er voor dat de leerling een houding leert ontwikkelen. Een houding waarbij hij of zij anders leert kijken naar de dingen die in het dagelijkse leven voorbij komen.
  • 1   2   3   4   5   6

  • Er kan beter planmatig en systematisch werk verricht worden.
  • Persoonlijkheidsveranderingen De ontwikkeling naar een individu
  • Deelvraag 2 Wat zijn de actuele doelen voor het vak beeldende vorming bij Havo 5

  • Dovnload 1.2 Mb.