Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Student: Robin Gerris

Dovnload 1.2 Mb.

Student: Robin Gerris



Pagina3/6
Datum25.10.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   2   3   4   5   6

Deelvraag 3

Hoe zorg ik dat de leerlingen van Havo 5 hun proces beheersen en begrijpen door het gebruik van hedendaagse onderwijsmethoden
De transitie van een industrieële samenleving naar een kennisgerichte samenleving heeft voor een kanteling7 gezorgd in de manier waarop de mens met elkaar samen werkt. Het is dan ook een logisch gevolg dat deze verandering zich ook uit in het onderwijs. Waar eerst klassikaal frontale kennisoverdracht waarbij de leerling vooral als passieve ontvanger van deze kennis gezien centraal stond, wordt nu vooral de nadruk gelegd op het actieve leren waarbij de leerling deels zijn eigen leerproces mag bepalen.. Dit betekent dat het resultaatgerichte onderwijs een wisseling heeft gemaakt naar het procesgericht leren. Uit de antwoorden van deelvraag 1 bleek ook dat de leerling hier behoefte aan heeft. De leerling wil namelijk het instrumentarium aan denkmethodes oefenen en hier mee leren om gaan. Hij heeft ook een grote behoefte aan transfer (het beoefenen van theorie in praktijkstituaties) en wil door contact en samenwerking met de peergroup en de docent zichzelf spiegelen (reflectieve, samenwerkings- gerichte en ontwikkelingsgerichte vaardigheden) zodat o.a. de ontwikkeling van een persoonlijkheid (persoonlijke, individuele ontwikkeling) gestimuleerd wordt. Door te kijken naar een aantal hedendaagse onderwijstheorieën kan er achterhaald worden hoe de leerlingen het beste hun eigen proces leren beheersen en begrijpen. De visie 8van het Mollerlyceum op de meest gewenste begeleidingssituatie is er een waar procesgericht werken, autonomie en competentie van de leerling centraal staat. Door de leerling zo veel mogelijk uit te dagen en te prikkelen willen ze een optimale individuele ontwikkeling stimuleren. Op deze manier leren de leerlingen om hun eigen talenten en kwaliteiten te ontdekken. Daarbij krijgt de leerling ook de kans om zichzelf breed te ontwikkelen en voorbereiden op een eventuele vervolgopleiding op het HBO, een plaats waar kennisconstructie, ontwikkeling van eigen leerdoelen en beheersing van het proces het curriculum vorm geven.

.

Dit brengt ons bij de eerste theorie die op deze motivatie van de school aansluit. De zelf-determinatietheorie (ZDT) van E. L. Deci en R. M. Ryan. Zij stellen dat de mens een drang heeft tot een actieve houding waarbij de uitdaging opgezocht wordt en nieuwe ervaringen worden gestapeld op kennis die al opgedaan is. Dit creeërt een samenhangend zelfbewustzijn waarbij competentie, relatie(verbondenheid) en autonomie als de basisbehoeften worden gezien. Als deze 3 psychologische behoeftes niet ondersteund of verstoord worden heeft dit een grote inslag op de leeromgeving. Als deze echter in sterke maten aanwezig zijn binnen de leeromgeving brengen deze een optimale motivatie, actieve deelname en een beter prestatievermogen teweeg. Volgens deze metatheorie heeft iedereen namelijk behoefte aan motivatie. Dit kan bepaald worden door zowel extrinsieke als intrinsieke factoren. De extrinsieke motivatie komt voort uit externe factoren zoals beloningen en cijfers of de meningen van anderen. De intrinsieke motivatie komt voort uit interesses, nieuwsgierigheid en persoonlijke waarden. Dit betekent dat de intrinsieke motivatie beter zorgt voor de ondersteuning van passie, creativiteit en aanhoudende inspanningen. De theorie benadrukt dat er diverse extrinsieke en intrinsieke bronnen van motivatie en geeft een beschrijving van de rollen de cognitieve, sociale en individuele verschillen in ontwikkeling door een uitleg van 5 formele theorieën9. Ook geeft de ZDT een blik op hoe de sociale en culturele factoren de de wilskracht en initiatief van een persoon om met een taak bezig te zijn beïnvloeden. De theorie stelt dat door het geleidelijk weg te nemen van extrinsieke motivatie en de leerling te confronteren met vragen die een intrinsieke motivatie teweeg brengen de leerling zichzelf eerder gemotiveerd zal voelen om te leren. De leerling zal hierdoor meer gaan kijken wat hij/zij écht belangrijk vindt. Dit kan geactiveerd worden door te spelen en ontdekken tijdens de lessen. Dit zorgt voor meer plezier, passie en interesse in de lessen en een veilige leeromgeving. Hierdoor komt de leerling achter zijn/haar eigen intrinsieke motivaties en leert wat hij/zij belangrijk vindt. Door als docent te geloven in de competentie van deze leerlingen is een groot vertrouwen nodig, maar als je geen verwachtingspatroon creeërt dan zal de leerling geen actieve houding aannemen. Juist omdat de leerling een behoefte heeft naar zelfontdekking moet deze houding ook optimaal gestimuleerd tijdens de lessen. Deze theorie geeft een goede aansluiting bij het vak beeldende vorming omdat beide de leerlingen confronteren met deze persoonlijke vraagstellingen. De theorie verklaart de behoeftes van de leerlingen in de vorm, en het vak bepaalt de inhoud door het in relatie met de voorbijgaande en actuele kunstgeschiedenis te plaatsen.


Het volgende schema is een goede visuele weergave van de theorie.
Door vertrouwen te hebben in de persoonlijke doelstellingen en behoeftes van de leerling en ze hier een keuze vrijheid in te geven zal de leerling eerder zichzelf confronteren met eigen doelen en waarden (autonomie). Deze zullen op zijn beurt door samenwerking (relatie) met de peergroup gedeeld worden en zal de leerling zelfbewust worden van deze confrontatie. Dit leidt tot een internalisatie van deze waarden. Het is ook zichtbaar uit het schema dat als de leerling volledig alleen gelaten wordt en niet begeleid bij dit proces er geen verwachtingspatroon is. De leerling moet weten waar hij aan toe is en een verantwoording beseffen. Dit kan alleen door deels gecontroleerde motivatie vanuit de docent. Door als docent op te treden als coach (extrinsieke motivationele factor) en je eigen waarden als voorbeeld te geven treedt een confrontatie met het proces op, en gaat de leerling nadenken over welke waarden hun eigen zijn. De leerling zal op deze manier het proces beter leren beheersen en inzicht in het eigen handelen krijgen.

Een andere theorie die ook spreekt over relatie, competentie en autonomie als basisbehoeftes voor ontwikkeling van de mens in het onderwijs is de didaktische theorie van het adaptief onderwijs. De theorie die hier beschreven wordt is in 1994 geïntroduceerd in het nederlands onderwijs door prof. Dr. Luc Stevens Hij heeft zijn ideeën ontleend aan de ideeën van de motivatiepsycholoog Deci. De 3 basisbehoeftes relatie, competentie en autonomie worden als volgt omschrijven bij het adaptief onderwijs.



  • Bij relatie wordt verstaan dat de leerling zich geaccepteerd voelt, er bij horen en en het gevoel welkom te zijn. Dit uit zich bijvoorbeeld in het contact tussen de docent en de leerlingen. Als de docent aan de leerlingen laat weten dat hij beschikbaar zijn voor vragen, naar hen willen luisteren, belangstelling tonen voor de achtergrond van de leerlingen, afspraken met leerlingen nakomen, discreet om gaan met persoonlijke informatie creeërt dit een goede verstandshouding en vertrouwens relatie tussen de docent en de leerling. Dit biedt de mogelijkheid om van elkaars kwaliteiten, kennis en vaardigheden te leren.

  • Bij competentie wordt verstaan dat de leerlingen ontdekken dat ze de taken die ze moeten doen, aankunnen. Door als docent de leerlingen actief te laten deelnemen tijdens de lessen, ruimte te geven aan verschillende werkstijlen, een blijk te geven van hoge verwachtingen die aansluiten bij de mogelijkheden en talenten van leerlingen en het stellen van vragen die uitnodigen tot reflectie laat je als docent een blijk van vertrouwen zien. Een vertrouwen in de mogelijkheid die de leerling heeft tot zelfontwikkeling. Het zorgt ervoor dat je de stof van de lessen samen met de leerlingen kunt ontwikkelen en hun vragen en antwoorden als bouwstenen kunt gebruiken.

  • Bij autonomie wordt verstaan dat de leerlingen (voor een deel) hun eigen leergedrag zelf kunnen sturen. Als docent kan je initiatieven van de leerlingen honoreren, de ideeën van de leerlingen waarderen en er wat mee doen, uitdagen om eigen oplossingen te bedenken, ze confronteren met keuzes in het lesmateriaal, ze mee laten bepalen hoe het klaslokaal wordt ingericht, en organisatorische zaken toevertrouwen aan de leerlingen. De rol als docent kan hierbij als coach gezien worden. Consistent de leerlingen betrekken en confronteren met hun eigen vraagstellingen en deze ook betrekken bij de lessen zorgt er voor dat de leerling zich begrepen voelt.

Deze vorm van onderwijs wil door het gebruik van deze basisbehoeftes een veilig pedagogisch leerklimaat creeëren.voor de leerlingen om op hun eigen manier en tempo kennis op te doen. Dit betekent dat de docent zijn didaktisch, organisatorisch en pedagogisch handelen af stemt op deze 3 basisbehoeftes. Op deze manier wordt er een vorm van onderwijs gecreeërd waar de leerlingen gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan. De kerndoelen krijgen als volgt vorm:




  • De leerling te laten leren door informatie dusdanig aan te bieden dat het bij de leerling past met als visie dat de leerling beter leert als de leerstof op de leerling is afgestemd en op zo'n manier wordt aangeboden dat het de interesse van de leerling heeft.

  • Kennis en lessen minder statisch maken, maar door samenwerken, afwisseling en proefjes de leerling enthousiasmeren voor datgene wat geleerd moet worden.

  • Het aanspreken, stimuleren en ontwikkelen van de eigen verantwoordelijkheid en zelfvertrouwen van de leerling.


Deze matrix is een weergave hoe de 3 basisbehoeftes van het adaptief onderwijs toegepast kunnen worden bij interactie, instructie, en de klassenorganisatie. Een interessant gegeven aan deze theorie is dat wel suggesties geeft bij welke activiteiten de basisbehoeftes toegepast kunnen worden, maar dat de docent hier zelf zijn eigen vorm aan kan geven.
Een goed voorbeeld van een procesgerichte didaktiek die aansluit op de didaktiek van Stevens is het model van Jan Vermunt. Vermunt komt met de volgende definitie10 voor procesgericht leren:
procesgericht opleiden is gericht op het in samenhang instrueren van vakinhoudelijke kennis en van denkstrategieën om die kennis op te bouwen, te veranderen en te gebruiken. Het bevordert congruenties en constructieve fricties en vermijdt destructieve fricties. Doel is ervoor te zorgen dat lerenden de juiste denkactiviteiten verrichten om te leren. Centraal staat een geleidelijke overdracht van controle over het instructieleerproces van de opleiding naar de lerende. De belangrijkste taak is niet langer het overdragen van kennis, maar het initiëren, begeleiden en beïnvloeden van de denkprocessen die mensen gebruiken om te leren’.
Met de denkprocessen die mensen gebruiken om te leren spreekt Vermunt over metacognitieve vaardigheden. Metacognitieve vaardigheden zijn de kennis en vaardigheden die een leerling nodig heeft om zijn eigen leergedrag te controleren en aan te sturen. Het gaat om vaardigheden als het oriënteren op een taak, doelen stellen, plannen, jezelf monitoren, het resultaat evalueren, en reflecteren op het eigen handelen. Door het ontwikkelen van een begeleidingsmodel heeft Vermunt een vakdidaktische toepassing gevonden om deze metacognitieve vaardigheden te activeren, stimuleren en dus te ontwikkelen tijdens het uitvoeren van de lessen.

Hij maakt onderscheid in algemene en specifieke principes. De eerste zijn gedurende het het gehel onderwijsproces relevant en de specifieke principes zijn alleen gedurende een bepaalde fase in werking, waarna ze door andere vervangen worden.


Algemene principes:

- trainen van denkvaardigheden gesitueerd in een vakdomein

- cognitief leerlingschap en afnemende ondersteuning: leerlingen stimuleren om zelf de controle over hun leer- en denkprocessen over te nemen

- ontwikkelen van het mentale leermodel

- rekening houden met de leeroriëntatie (persoonlijke doelstellingen en intenties van studenten)

- bevorderen van transfer



De specifieke principes:

Eerste fase:

  • diagnosticeren van denkstrategieën en vakinhoudelijke concepties

  • aansluiten bij leerstijlen en preconcepties

  • creëren van constructieve fricties
1   2   3   4   5   6

  • Algemene principes
  • De specifieke principes

  • Dovnload 1.2 Mb.