Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Student: Robin Gerris

Dovnload 1.2 Mb.

Student: Robin Gerris



Pagina4/6
Datum25.10.2017
Grootte1.2 Mb.

Dovnload 1.2 Mb.
1   2   3   4   5   6

Tweede fase


  • cognitieve, affectieve en regulatieve activiteiten in samenhang trainen

  • overt en expliciet demonstreren van doorgaans verborgen leer- en denkactiviteiten

  • kapitaliseren op leer- en denkvaardigheden

Derde fase:

  • toetsen van denkactiviteiten en conceptie



  • Door deze principes om te zetten in een didaktisch model11 creeër je als docent ruimte voor de leerling om binnen de opdrachten eigen vraagstellingen en behoeftes toe te passen op de kennis die het vak verstrekt. Hierdoor worden de denkvaardigheden van de leerlingen getrained binnen het vakdomein beeldende kunst. Dit creeërt een activerende zelfstandigheid bij de leerling waarbij deze door constructieve fricties zoals prikkelingen en confrontaties eigen vraagstellingen en behoeftes om weet te zetten in eigen ideeën. Hierdoor bevorder je een enorme zelfstandigheid van de leerling. Dit bevordert ook de constructie op en toetsing van de eigen kennis die de leerling al beheerst.



  • Als laatste onderwijskundige bron zullen De 21st century skills worden aangekaart. De visie 12die hier gebruikt wordt is ontwikkeld door Frank van den Oetelaar en Henk Lamers. Deze ‘skills’ zijn het beste te omschrijven als de vaardigheden die in een innovatieve, hedendaagse onderwijsomgeving passen. de docent is hierbij begeleidend coach van kinderen, biedt kennis holistisch aan en vergelijkt leerlingen niet met een gemiddelde of een standaard norm. Leerlingen worden vooral vergeleken met zichzelf. Voorbeelden van de vaardigheden zijn:

  • Samenwerken, waarbij leerarrangementen worden georganiseerd waar de leerlingen samenwerken met groepsgenoten maar ook met volwassenen buiten het klaslokaal van de school. Dit geeft een goede aansluiting op de sociale behoeftes van de leerling

  • Kennisconstructie, waarbij leerlingen nieuwe informatie en inzichten kunnen combineren met wat ze al weten. Dit ondersteunt de behoefte van de Havo leerling om stof in stukjes te leren en bereidt hun voor op het beroepsveld.

  • Probleemoplossend denken en creativiteit, waarbij gericht wordt op het zoeken van oplossingen voor problemen, het afronden van een taak zonder instructies over een te volgen aanpak, of het samenstellen van een complex product dat volgens voorafgesteld eisen wordt gerealiseerd. Hierbij maakt de leerling gebruik van diverse denkmethodes binnen het ontwikkelde instrumentarium. Een verhoogd leerrendement wordt bereikt als de oplossing in de echte wereld moet worden geïmplementeerd.

  • Planmatig werken, waarbij de leerlingen vaardigheden worden aangeleerd m.b.t. zelfsturing. de leerling leert het eigen proces onderhouden en te controleren. Dit zorgt voor een ontwikkeling van de autonomie.

  • Onderzoeken, de leerlingen leren zelfstandig een onderzoek opstarten en te zoeken naar hoe ze hun eigen vraagstellingen kunnen incorpereren in het gegeven lessysteem

  • zelfreflectie, zelfsturing en analyse, waarbij door de confrontatie met het proces een verbetering en bewustwording wordt getrained.

  • Ict geletterdheid, in activiteiten kan het gebruik ict een belangrijke rol spelen. Voorbeelden daarvan zijn opzoeken, analyseren, interpreteren en synthetiseren van informatie op het internet. Deze vaardigheid heeft dus ook een samenhang met de vaardigheid kennisconstructie. Bij het vak beeldende vorming zou o.a. photoshop, animatie technieken en het gebruik van smartphones voor procesfotos een optie zijn.



  • Deze 21st century skills geven een goede aansluiting op de voorgaande onderwijstheorieën. De vaardigheid samenwerken sluit bijvoorbeeld goed aan op de basisbehoefte relatie die Ryan & Deci en Stevens stellen in hun theorieën. De vaardigheden kennisconstructie, probleemoplossend denken en creativiteit, planmatig werken en onderzoeken sluiten juist weer goed aan op competentie en autonomie. Door vertrouwen te hebben in de zelfstandigheid en mogelijkheden van de leerling geef je als docent veel uit handen, maar creeër je een verantwoordelijkheidsgevoel bij de leerling. Maar ook bij de modellen van Vermunt zijn er overeenkomsten. O.a. door het gebruik van constructieve fricties zoals prikkelingen en confrontaties in de lessituaties zal de leerling zijn probleemoplossend denkvermogen en creativiteit moeten gebruiken om met deze fricties om te kunnen gaan. Door het gebruik van zelfreflectie zelfsturing en analyse weet de leerling dan ook zelfstandig besluiten te nemen en zijn of haar handelen te verbeteren. Dit bevordert een ontwikkeling en bewustwording van het eigen leerproces.



  • Het blijkt dus dat alle onderwijstheorieën die middels een procesgericht methode werken diverse overeenkomsten hebben. Zij werken allen vanuit de onderliggende kern waarbij gekeken wordt naar de basisbehoeftes van de leerlingen. Deze worden geformuleerd als relatie, competentie en autonomie. De vaardigheden en activiteiten die worden vormgegeven door deze 3 basisbehoeftes zijn meta-vaardigheden die de leerlingen anders naar hun omgeving en zichzelf laten kijken door vakinhoudelijke kennis in relatie te plaatsen met deze omgeving. Omdat hier gesproken wordt over het vak beeldende vorming wordt deze vakinhoudelijke kennis bepaald door de domeinen en doelstellingen van het vak. Echter kan door de leerlingen hun persoonlijke vraagstellingen te laten combineren met dit vakdomein een persoonlijke relevantie voor de leerlingen gecreeërd worden en zullen de leerlingen hier ook met meer plezier en interesse aan deelnemen. Dit zorgt voor een intrinsiek gemotiveerde leerling die een actieve houding aan neemt. Een actieve leerhouding die voorbereidt op een volwaardige deelname aan het toekomstige beroepsveld of vervolgopleiding. Als docent kan je deze houding bij de leerling ontwikkelen door hun te confronteren met hun eigen vraagstellingen en behoeftes. Door o.a. bij de instructie en coaching constructieve fricties toe te passen en bij de zelfstandige verwerking de initiatieven van de leerlingen te honoreren en samenwerkingsmogelijkheden te creeëren, stimuleer je de leerling om controle te nemen over het eigen leer- en denk proces. Door de leerlingen deze controle en verantwoordelijkheid te geven zullen ze de confrontatie aan gaan en de persoonlijke relevantie van hun ontwikkeling in kunnen zien. Het is echter van belang dat je als docent de extrinsieke motivatie op een laag pitje houd zodat de verantwoordelijkheid bij de leerling wordt geplaatst. De docent heeft dus duidelijk een coachende rol bij deze vorm van begeleiding. Door het vakdomein aan te vullen met hun eigen interesses en waarden zullen zij ook met meer passie in dit proces te werk gaan. Door dit proces in banen te leiden volgens een didaktisch model zal de leerling ook houvast hebben en sterker planmatig te werk kunnen gaan. Dit geeft de leerling meer inzicht in, en dus ook beheersing over het proces.

  • Deelvraag 4

  • Waar kan de relatie gelegd worden tussen het logboek en procesgericht leren bij de lessen beeldende vorming van de bovenbouw Havo?



  • Nu zowel de doelen en behoeftes van de leerlingen en het vak gekaderd zijn in een procesgerichte begeleidingswijze, kan er gezocht worden naar een manier waarop het logboek in deze begeleidingswijze gebruikt kan worden. Daarvoor moet echter eerst de rol bepaalt worden die het logboek momenteel heeft zodat de functie beter benadrukt kan worden in de huidige leeromgeving.



  • De instrumentkeuze voor het praktijkonderzoek is gevallen op een klassikale schriftelijke enquete. Dit omdat de leerlingen directe respons geven en dus doeltreffender is. Tevens kan er direct uitleg worden gegeven als er vragen zijn. De omvang van deze proef bevat leerlingen van 2 groepen, namelijk Havo 4 en 5. Dit omdat het product wat wordt uitvoerbaar is bij deze doelgroep. De reden dat het niet op andere scholen is omdat op andere scholen andere visies gelden en dit dus niet op de ideale lessituatie van het mollerlyceum aan sluit. De omvang van de enquete bevatte 50 personen namelijk de totale grootte van de groep leerlingen die het vak beeldende vorming in de bovenbouw Havo gekozen heeft. De enquete is alleen verspreid onder leerlingen omdat het product wordt vormgegeven door de behoeftes van de leerlingen. De respons op de enquete bestond uit 46 leerlingen i.v.m. een aantal zieken. Het onderzoek is uitgevoerd op 14/2/2014.



  • Het praktijkonderzoek is ontwikkeld om te achterhalen welke opdrachten tot op heden zijn uitgevoerd in het logboek. Welke opdrachten zijn bekend bij de leerlingen, en wat vinden ze eigenlijk van het vak beeldende vorming? Door dit in relatie te plaatsen met de theorie van de vorige deelvragen schept dit een beeld van potentiële mogelijkheden waar de interesses en leerbehoeftes van de leerlingen in relatie kunnen worden gebracht met het logboek. De vragen die gebruikt zijn voor de enquete zijn als volgt:



  • Welke van de volgende opdrachten heb je wel eens uitgevoerd in je logboek?

  • De leerlingen konden door ja of nee aan te kruisen aangeven welke opdrachten ze uitgevoerd hebben in het logboek. De gebruikte activiteiten waren vormgegeven door vakgerichte vaardigheden maar ook metacognitieve vaardigheden. Dit was om feitelijke kennis te verkrijgen over de activiteiten die in relatie tot het logboek zijn uitgevoerd.

  • Wat vind jij belangrijke dingen die bij het vak beeldende vorming horen?

  • Hier staan een aantal vaardigheden, behoeftes en activiteiten beschreven waarbij de leerlingen konden aanvinken wat ze belangrijk dingen vonden die bij het vak beeldende vorming vonden passen. Deze vraag is opgesteld om te achterhalen welke activiteiten de leerlingen persoonlijk interesseerde en waar ze de relevantie zagen met het vak beeldende vorming.

  • Ben jij het eens met de volgende stellingen?

  • Door het formuleren van een aantal stellingen kon achterhaald worden wat de opinie van de leerlingen was met betrekking tot het inzicht en beheersing op hun eigen handelen.





  • Welke van de volgende opdrachten heb je wel eens uitgevoerd in je logboek? (omcirkel Ja of Nee)





  • Deze schema’s scheppen een duidelijk beeld van welke opdrachten de leerlingen uitgevoerd hebben in het logboek. Het is een combinatie van procesgerichte vaardigheden die vakinhoudelijk zijn bepaald door het ministerie van OCW, en door de gekozen onderwijstheorieën van deelvraag 3. Zoals zichtbaar hebben in het bovenste schema meer dan de helft van de leerlingen de activiteiten uitgevoerd. Bij het onderste schema zijn de laatste 3 opdrachten nog maar door weinig leerlingen uitgevoerd. Er mag dan ook gesteld worden dat het merendeel van de leerlingen wel bekend is met deze opdrachten en er al een keer eerder kennis mee heeft gemaakt. Het is dan ook wijs om deze opdrachten in het curriculum te houden. De laatste 3 opdrachten zijn echter nog niet bekend bij de leerlingen en bieden dus meer potentie om de leerlingen te prikkelen. Zij zijn namelijk nog niet bekend met deze opdrachten. Als docent kan je hier dus goed op in spelen omdat dit voor constructieve fricties zorgt binnen het vakcurriculum. Door deze opdrachten af te wisselen met de al bestaande opdrachten creeër je als docent een veilig en vertrouwd leerklimaat en ook uitdaging biedt voor de leerling om te experimenteren en hun persoonlijke drang naar ontwikkeling te tonen.



  • Aankruisen

  • Wat vind jij belangrijke dingen die bij het vak beeldende vorming horen?

  • 42

  • Leren tekenen

  • 35

  • 19

  • Leren fotograferen

  • 10

  • Leren animeren

  • 23

  • Collages maken

  • 30

  • Kritisch leren kijken naar je beeldend proces

  • 21

  • 15

  • Concepten bedenken

  • 13

  • Kunstgeschiedenis leren

  • 43

  • Vrijheid tijdens de les

  • 11

  • Een beeldend onderzoek opstarten

  • 34

  • 43

  • Plezier hebben

  • 28

  • Overleggen met klasgenoten

  • over je proces

  • 14

  • Korte of lange termijn doelen stellen voor jezelf

  • 33

  • Experimenteren met materiaal (proefjes maken)

  • 12

  • 42

  • Creatief werken

  • 2

  • Presentaties maken

  • 9

  • Aandachtig naar andere mensen luisteren

  • 3

  • Theoretische huiswerk opdrachten

  • 21

  • Praktische huiswerk opdrachten

  • 1

  • 23

  • Gestructureerde, duidelijke opdrachten

  • 13

  • Het kennen van hedendaagse kunst

  • 19

  • Zelf doelen stellen en behalen





  • De volgende vraag in de enquete had betrekking op de vaardigheden, behoeftes en activiteiten die de leerlingen belangrijk vonden tijdens de les beeldende vorming. Hierbij zijn de antwoorden waar meer dan de helft van de leerlingen (23) dit heeft aangekruist een groene kleur gegeven. Ook bij deze vraag is het zichtbaar dat meerdere kern elementen van het procesgericht leren naar voren zijn gehaald. Echter zijn ze hier niet direct in relatie geplaatst met het logboek, maar met het vak beeldende vorming zelf. Op deze manier schept het een duidelijk overzicht van waar de interesses en behoeftes van de leerlingen in relatie tot het vak liggen. De activiteiten die zij niet bij het vak beeldende vorming vinden passen zullen dus ook minder bekend bij de leerlingen zijn omdat ze het nog niet uit hebben geprobeerd in relatie met hun eigen proces. Dit biedt dus mogelijkheden tot activiteiten die uitgevoerd kunnen worden bij het vak. Het voordel is dat veel van deze activiteiten kunnen ook voorbereid worden in of achteraf geëvalueerd worden in het logboek. Hierbij moet echter worden benadrukt dat het van belang is dat de docent een verantwoording voor deze opdrachten geeft. Een goed voorbeeld hier van is ‘de krant lezen’. Er is maar 1 leerling die dit heeft aangevinkt. Dit is slechts een voorbeeld activiteit die voortkomt uit het ontwikkelen van een concept of het opstarten van een beeldend proces. Echter is dit een zeer persoonlijke activiteit die de leerling zelf mag bepalen. Doordat de resultaten van de enquete laten zien dat er maar 1 leerling is die ‘de krant lezen’ heeft aangevinkt kan deze optie zeker gebruikt worden als nieuwe mogelijkheid voor het creeëren van constructieve fricties in de les. De leerlingen zijn namelijk minder bekend met de krant dan gedacht. Het is ook bijzonder om te zien dat er weinig leerlingen ‘presentaties maken’ hebben aangevinkt. Dit is juist een goed voorbeeld wat bij het vak beeldende vorming past en wat ook een inzage in het proces van andere leerlingen kan geven. Dit biedt weer de mogelijkheid om de activiteit discussie in te voeren waarbij de leerlingen actief naar elkaar kunnen luisteren en overleggen met klasgenoten. Dit voldoet aan de basisbehoefte relatie, maar ook aan de basisbehoefte autonomie en competentie omdat de leerling hier zelfstandig de presentatie kan voorbereiden en zijn eigen persoonlijke kwaliteiten kan laten zien aan anderen. Door de leerlingen elkaar te laten beoordelen bij deze presentaties kunnen zij stukjes voor elkaar schrijven die weer in de logboeken geplakt kunnen worden om inzicht te creeëren in het proces.





  • Stellingen
    Ben jij het eens met de stelling? Zet een kruisje bij het betreffende vakje.


  • (1 = helemaal oneens, 2 = oneens, 3 = neutraal, 4= eens, 5 = helemaal mee eens)



    • 1

    • 2

    • 3

    • 4

    • 5

    • Ik kan overzichtelijk plannen en mijzelf daar aan houden



    • 4

    • 14

    • 24

    • 3

    • 1

    • Ik heb plezier tijdens de praktijklessen beeldende vorming



    • 0

    • 1

    • 6

    • 27

    • 12

    • Ik kan goed reflecteren over mijn beeldend proces



    • 2

    • 7

    • 29

    • 8

    • 0

    • 5

    • 12

    • 20

    • 6

    • 3

    • De vaardigheden/kennis die ik bij het vak beeldende vorming leer, vind ik leuk



    • 1

    • 5

    • 16

    • 18

    • 5

    • Ik kan goed naar andere mensen luisteren tijdens de les beeldende vorming



    • 2

    • 4

    • 19

    • 20

    • 1

    • 2

    • 8

    • 19

    • 13

    • 4

    • Mijn logboek is overzichtelijk, ik weet daardoor hoe ik dingen terug moet vinden



    • 4

    • 4

    • 20

    • 16

    • 2

    • Ik weet waarom ik mijn proces bij moet houden in mijn logboek



    • 0

    • 6

    • 15

    • 21

    • 4

    • 1

    • 8

    • 20

    • 14

    • 3

    • Ik vind de praktijkopdrachten onduidelijk en weet niet wat ik moet doen.



    • 7

    • 19

    • 8

    • 10

    • 2

    • Ik vind dat ik genoeg zelf mag bepalen bij de les beeldende vorming



    • 0

    • 1

    • 11

    • 21

    • 13

    • Ik snap het nut van de praktijk en theorie opdrachten



    • 0

    • 6

    • 15

    • 19

    • 6

    • Ik heb meer aan creatief werken, dan aan kunst maken.



    • 0

    • 1

    • 23

    • 17

    • 5

  • Door de leerling bij deze vragen te confronteren met hun persoonlijke visie op het vak en inzicht op hun eigen handelen wordt door deze enquete een beroep gedaan op het reflectieve vermogen van de leerling. Dit geeft inzicht op welke kwaliteiten en vaardigheden de leerlingen tot nu toe al op gedaan hebben bij het vak beeldende vorming. 4 vragen hebben een blauwe kleur omdat deze in relatie te plaatsen zijn met het logboek en wat negatiever zijn beantwoordt door de leerlingen. Als eerste 2 vragen staan ‘ik kan overzichtelijk plannen en mijzelf daar aan houden’ en ‘ik kan goed reflecteren over mijn eigen proces’. Dit zijn uiteraard een vaardigheden die, zoals bleek uit deelvraag 1, nog maar weinig pubers goed beheersen. Zij moeten dit nog ontwikkelen omdat zij pas recent denkmethodes hebben ontwikkeld om dit uit te kunnen voeren. Bij de eerste vraag kan het logboek structuur bieden door als een agenda gebruikt te worden. Bij vraag 2 kan het logboek op meerdere manieren gebruikt worden. Bijvoorbeeld in samenwerkingsverband door leerlingen suggesties aan elkaar te geven over elkaars proces en de leerling individueel hier over te laten reflecteren, maar bijvoorbeeld ook door als docent een goede verantwoording te geven voor het reflectieproces en dit ook consistent toe te passen in de lessen. Deze verantwoording is zeer belangrijk om te geven als docent. Want als gekeken wordt bij de vraag ‘ik leer bij het vak beeldende vorming kennis en vaardigheden die belangrijk zijn voor later’ is deze verantwoording niet over gekomen op leerlingen. Vaardigheden als creatief denken, het trainen van het probleemoplossend vermogen en basiskennis over kunst en cultuur is van groot belang in het latere werkveld.

  • Omdat dit niet goed gecommuniceerd wordt naar de leerlingen zien zij het persoonlijke belang niet in van de opdrachten en zullen zij minder intrinsiek gemotiveerd met deze onderdelen bezig zijn. Gelukkig is het bij de laatste blauwe vraag wel te zien dat leerlingen het grotendeels belangrijk vinden om hun proces bij te houden in het logboek. Dit is als docent mooi om te zien dat je eigen visie al deels verborgen zit in de leerlingen, maar dat het er nog volledig uitgepeuterd kan worden.



  • Het blijkt dus uit het praktijk onderzoek dat het niet voor alle leerlingen duidelijk is wat de invulling en potentie van het logboek is. Zij hebben enkele activiteiten reeds wel uitgevoerd in het logboek maar er zijn nog voldoende mogelijke opties waarbij deze gekoppeld kunnen worden. Door bijvoorbeeld de leerlingen gezamenlijk te laten evalueren over de lessen of de leerlingen elkaar te laten beoordelen en deze beoordelingen en evaluaties te noteren in het logboek creeër je van het logboek een procesgericht werkdocument. Het kan het beste bekeken worden als een werkdocument waarin alle activiteiten die bij het vak beeldende vorming worden uitgevoerd in fysieke vorm worden verzameld. En tussen de studenten worden uitgewisseld om elkaar feedback op het proces te geven. Maar ook een digitale vorm is een optie. Bij een online blog kunnen de leerlingen bijvoorbeeld met hun mobieltjes foto’s maken om hun proces weer te geven, snel informatie plaatsen over kunstenaars die ze inspireren en zijn filmpjes een stuk makkelijker te delen. Het voordeel is ook dat er geen fysiek logboek is en dat het dag en nacht beschikbaar is om te bekijken. Verder maakt het geen verschil of het digitaal of analoog is. Het belangrijkste aanknopingspunt met het procesgericht leren blijft dat het logboek een collage van ideeën en restanten van proefjes zal zijn. Persoonlijk vormgegeven door de leerling, en een weergave van de ontdekkingsreis die hij heeft gemaakt bij het vak beeldende vorming.

  • De rol van de docent bij het implementeren van het logboek is wel een sturende rol. Als de docent voortdurend nieuwe ideeën aan biedt voor opdrachten en deze in relatie brengt met het logboek zal er een structuur ontstaan voor de leerling vanwaar hij/zij uit kan werken. Het wordt dan een vast element in de lessen waarbij het bijna dient als een persoonlijke agenda. Een persoonlijk vormgegeven agenda waar alle opdrachten uit het verleden een weg vormen voor de toekomst.







1   2   3   4   5   6

  • Probleemoplossend denken en creativiteit
  • Deelvraag 4 Waar kan de relatie gelegd worden tussen het logboek en procesgericht leren bij de lessen beeldende vorming van de bovenbouw Havo
  • Welke van de volgende opdrachten heb je wel eens uitgevoerd in je logboek
  • Wat vind jij belangrijke dingen die bij het vak beeldende vorming horen
  • Ben jij het eens met de volgende stellingen
  • Ben jij het eens met de stelling Zet een kruisje bij het betreffende vakje. (1 = helemaal oneens, 2 = oneens, 3 = neutraal, 4= eens, 5 = helemaal mee eens)

  • Dovnload 1.2 Mb.