Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina11/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   78

55 

Aanhalingstekens van de bewerker. Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 12; Aan de kiezers [De Vries no. 96] V, 6; Adviezen 1856/7 II, 17; 21; 31/2; 38; 52; 63; 68; 156; 168; 269*; Verspreide geschriften II, 208; Brieven van Wormser I, 283; Rapport (van de commissie), p. 11. Er komt geen tweede tegenwerping of het moest zijn, dat de these `De opvoeding moet niet met het onderwijs verward worden' als zodanig bedoeld is en eveneens tussen aanhalingstekens geplaatst zou moeten worden. Met de tweede helft van die zin zou dan Groens weerlegging beginnen.

56 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 35; Bijdrage tot herziening, p. 14.

57 

Zie n. 19. Cf. Parlementaire studien I, 4, 23.

58 

Cf. Adviezen 1840, p. 85‑87; De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 51.

59 

Robert Peel prees in een rede te Glasgow op 13 jan. 1837 `that system of education, which taught the first lesson of infancy in the book of life and founded moral obligations on the revealed will of God'(De maatregelen3, p. 12, 2; Nederlander no. 563, 1380, 1403 (28 april 1852, 20 dec. 1854, 19 jan. 1855)). Cf. Adviezen 1856/7 II, 181; 197.

60 

Edward Geoffrey Smith Stanley (1799‑1869), sinds 1851 14e graaf van Derby. Hij verdedigde het christelijk onderwijs aldus: `By education I do not mean the mere acquisition of temporal knowledge - the mere instruction which enables a man to improve his social condition in life . . . Valuable as such instruction may be, when I speak of education, I speak of that education which includes the culture of the mind and of the soul, laying the foundation of all knowledge on the basis of Scripture and evangelical truth' (Nederlander no. 520; 1403, 8 maart 1852, 19 jan. 1855).

61 

Groen voert beiden steeds ten tonele als voorstanders van christelijk onderwijs. Hij moet dus bedoelen, dat het gewraakte `systema' in hun geschriften als `reeds oud' beschreven wordt. Cf. Van Bommel, Exposé, p. 20; 22; 31; 177; 234; 294 e.v.

62 

Zie Groens aant. bij p. 32 van het rapport van De Kock.



63 

Versta: is nodig.



64 

Versta: minimum. Cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 98, 30.

65 

Bedoeld is de memorie van Meylink d.d. 12 dec. 1840; cf. Langedijk, De geschiedenis, p. 41; Witlox, De Katholieke staatspartij II, 41/2. De samenvatting van dit stuk in de derde bijlage bij Van Wijckerslooths Nota (zie Rapport, p. 30/1). Men verwarre deze memorie niet met het pas in 1841 gepresenteerde `Klagtenboek' van Meylink (zie bibliografie s.v.). Cf. De Bruin, Het ontstaan, p. 121/2.

66 

Misschien toespeling op Aristophanes' comedie De Wolken (= Nubes).

67 

Zie n. 40.



68 

Het lid der commissie C. L. van Wijckerslooth van Schalkwijk, sinds 1833 bisschop van Curium (op Cyprus); cf. Briefw. II, 338, 2; Adviezen 1856/7 II, 241*; Bijleveld, Verscheidenheden, p. 111.

69 

Adress[anten]?



70 

Zie Groens aant. bij p. 27 van het rapport van De Kock: `Onderzoek van de requesten'.



71 

Marginale aant. van Groen: `Niet bevreesd voor de meerdere vereen[iging] van st[aat] en kerk, de meerdere concurrentie, verscheidenheid van gezindh[eid].'



72 

Groen doelt op de rooms‑katholieken; cf. Adviezen 1840, p. 79; `Ik vind de meeste klagten der R. Catholijken overdreven, sommige ten eenemale ongegrond . . .'

73 

Versta: De koning wilde - door mij te benoemen - ook aan de bezwaren van de Afgescheidenen tegemoet komen, ofschoon zij geen adressen m.b.t. het onderwijs ingezonden hadden. Cf. Verspreide geschriften II, 158.

74 

Versta: Voor de orthodoxe protestanten, die ik hier vertegenwoordig, is het zinvoller vragen te stellen dan te petitioneren.



75 

Cf. Bijdrage tot herziening, p. 90.

76 

Het algemeen‑christelijke, zoals de Wet van 1806 dat voorschreef.



77 

Sc. predikanten.



78 

Versta: nu wel.

79 

Kort begrip der christelijke religie, in de Statenvertaling afgedrukt achter de Drie formulieren van eenigheid. Op de Algemeene boekenlijst, p. 53 (ed. 1815) komt ook een Kort begrip der bijbelsche geschiedenissen voor (zie bibliografie).

80 

Hieronymus komt in Groens oeuvre vrijwel niet voor. De twee plaatsen in de Nederlander (no. 887 en 1084) zijn irrelevant. Misschien las Groen Iets over de noodzakelijkheid van het godsdienstig onderwijs in de scholen, waar op p. 35 Hieronymus' aansporing tot het lezen van de H.S. benut wordt.

81 

Augustinus verschijnt nu eens in de rol van evenknie dan weer van voorloper van de reformatoren bij Groen. Cf. Beschouwingen, p. 57; Aan de Hervormde gemeente, p. 9; 143; 151; Handboek, p. 189; Het Nederlandsche zendelinggenootschap, p. 88; Brieven van Da Costa I, 68.

81a 

Cf. O'Malley, Schets, p. 36(*).

82 

Cf. Joh. 5, 39.



83 

Cf. 2 Tim. 3, 15; Aan de kiezers [De Vries no. 96] VI, 12; Nijmeegsch schoolblad VII (1850/1), 48.

84 

Groen citeert hier de editie van 1838. Het bewuste citaat (I, 41/2) is identiek met I, 28/9 van de uitgave van 1837. Het is reeds gedrukt in Briefw. II, 240, 3.

85 

Cf. Filipp. 1, 18; Bijdrage tot herziening, p. 87; 91; Bruins Slot, G. v. P. bij het herstel, p. 24; 26.

86 

Marginale aant. van Groen: `Onverschillig of christelijk?'



87 

`Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.'

88 

Men leest aldaar sub art. 7 van het Schul‑Reglement für die niedern katholischen Schulen in den Städten und auf dem platten Lande von Schlesien und der Grafschaft Glatz vom 18. May 1801: `In solchen gemischten Dörfern ertheilt der Schullehrer allen Kindern, ohne Unterschied der Religion, den Unterricht im Lesen, Schreiben, und allen solchen Kenntnissen, die nicht zur Religion gehören. Zu Lesebüchern sollen solche gewählt werden, die nichts von den Unterscheidungs‑Lehren einer oder der andern Religion enthalten. Desgleichen müssen sich alle Kinder zu den gemeinschaftlichen Gebete oder Gesange bei dem Anfange oder Ende der Schule vereinigen, wie solches hergebracht ist, doch musz dieser Gebet oder Gesang nichts einseitiges einer Religions‑Parthei enthalten. In der Religion ertheilt der Schullehrer, aber nur den Kindern seines Glaubens, Unterricht; die Kinder der andern Parthei bleiben in den dazu bestimmten Tagen oder Stunden weg . . .'

89 

Versta: zou ons tevreden stellen. Zie n. 38.



90 

Bedoeld is II, 69/70 van Philopaedus, Vrijmoedige brieven (zie bibliografie). Langedijk, Bibliographie no. 474 en De geschiedenis, p. 29 schrijft het werk toe aan C. Pothoff. In het Levensbericht van Mr. Cornelis Pothoff van H. J. Nassau (Geschriften I, 213‑218) is hieromtrent niets te vinden. Groen ontleende het vermeende auteurschap van H. W. C. A. Visser, een Fries schoolopziener, waarschijnlijk aan A. de Jager, Bedenkingen, p. 27. Maar zowel de wijze waarop Philopaedus over Visser spreekt (zie b.v. III, 17 en 66) als zijn verwerping van het gebruik van de bijbel op de openbare school (I, 29 e.v.) verhinderen hem met Visser te identificeren. Men leest t.a.p.: `Het is eene waarheid, dat vele onderwijzers in Godsdienst en Bijbelkennis aanmerkelijk zijn afgenomen. Het is eene waarheid, dat de scheve gang, welke (en was dit wel te verwonderen?) de verbetering van het onderwijs aanvankelijk ging, veel heeft toegebragt, om de onderwijzers tot de beoefening der wetenschappen te bepalen, en daarin eene hooge volmaaktheid te zoeken; zonder ooit geleerd te hebben, wat het is, de kinderlijke ziel te vormen, door vroegtijdige opleiding tot godsdienstigheid en deugd'.

91 

Sc. de normaalschool alias kweekschool.



92 

Men leest in I, 51 (ed. 1838): `En Hollande, on fuit tout ce qui a l'air théorique et spéculatif comme un luxe stérile, surtout dans l'éducation, et on s'attache à la réalité, c'est‑à‑dire, ici, aux habitudes qu'on s'applique à former par un exercice continuel. Au contraire, en Allemagne, où le génie de la spéculation domine, il n'y a pas une seule école primaire élementaire où, sous les formes les plus simples, la vérité chrétienne, qui est faite pour les pauvres d'esprit comme pour les savants, ne soit enseignée dans ses principes dogmatiques les plus généraux et dans ses conséquences morales, comme le ferme fondement des moeurs privées et publiques. J'incline du côté de l'Allemagne. J'avoue que cette a[b]solue séparation de l'école et de l'église ne me parait pas meilleure que leur confusion. Il y aurait encore un juste milieu à saisir, que la Hollande est loin de réaliser.' Het direct voorafgaande (I, 50 = I, 36 in ed. 1837) vindt men gedrukt in Briefw. II, 340, 3. In I, 88 schrijft Cousin: `J'étais surtout curieux de voir comment s'enseignaient la morale et la religion dans le système hollandais, sans dogmes positifs pour la religion, ni sans abstractions métaphysiques pour la morale.' Hij krijgt dit antwoord: `On inculque la morale et la religion à toute occasion; il n'y a d'enseignement positif que celui de l'histoire biblique. Chacun des faits de cette histoire est naturellement la matière de réflexions pieuses qui développent le sentiment moral et le sentiment religieux.' Toch behoudt Cousin zijn twijfel over deze Hollandse methode: `je préfère toujours la méthode allemande, un enseignement moral et religieux, très‑général, où on n'entre pas dans le détail des dogmes particuliers, mais où l'on fait connaître régulièrement les principales vérités de la morale et de la religion chrétienne avec les traits principaux de son histoire . . .' Cf. Hofstede de Groot, Over de verhouding, p. 58.

93 

Dit gallicisme komt meer voor bij Groen en zijn tijdgenoten; cf. Briefw. II, 381.

94 

Zie n. 3.



95 

Hs. abusievelijk: `190'.



96 

Zie n. 4.



97 

Zie n. 13.



98 

Sc. Van Wijckerslooth.



99 

Cf. Rapport, p. 25, 4e al. v.o.

100 

Versta: in die mate als.



101 

Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 52.

102 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p.232; Handboek, p. 680; Grondwetherziening, p. 454; Lamennais, Oeuvres complètes II, 143; Guizot, Histoire parlementaire I, 249.

103 

Versta: zouden door `alle christenen' in het leven geroepen worden tegen `zulke (atheistische) scholen'.



104 

Zie n. 3.



105 

`De Staten worden belast met de uitvoering der wetten opzigtelijk de bescherming der verschillende godsdienstige gezindheden, en derzelver uitwendigen eeredienst, het openbaar onderwijs en armbestuur . . .'



106 

Sc. van 1806.



106a 

Van die weigering was Groen `bijna overtuigd'; cf. Verspreide geschriften II, 170.

107 

Versta: verlangt wettelijke regeling van het onderwijs.

108 

Van 14 juni, 14 aug. en 20 nov. 1825. Cf. De Nooij, Eenheid, p. 282. Zie ook n. 18 van no. 15.

109 

Sc. de koning. Cf. Verspreide geschriften II, 165; `het eenig steunpunt.'

110 

Versta: de veronderstelling, dat het veiliger zou zijn de zaak bij K.B. te regelen.



111 

Deze brochure - oorspronkelijk in de vorm van vijf artikelen verschenen in de Cath. Ned. Stemmen van 1837 - is van de hand van Theodorus Brouwer; cf. Boekholt, Het lager onderwijs, p. 210. De eisen waren (waar de katholieken geen eigen school konden hebben): 1. `Dat aan de Catholijke kinderen enkel lezen (en dit uit onschadelijke boekjes) schrijven en rekenen worde geleerd, en, 2. dat deze kinderen de school verlaten, wanneer de onderwijzers hunne predikatiën over geschiedenis en zedeleer beginnen . . .' (geciteerd naar de C.N.S., p. 130). Dit citaat ook bij De Kock, (De kerk, p. 256), die op p. 243‑257 over deze brochure handelt. Zie ook Batavus, Geest en strekking, p. 23 e.v.

112 

Versta: verder gaande tegemoetkoming aan de eisen van de roomsen; cf. Briefw. II, 363.

113 

Marginale aant. van Groen: `Welligt eene vaste bepaling naar de 2/3 der bevolking. Dan een normaaltermijn: Ne[i]geb[aur, Das Volks‑Schulwesen,] p. 43'. Groen heeft de artikelen 4‑6 van het reeds in n. 88 genoemde Schul‑Reglement op het oog: `4. Was die Religion der Schullehrer betrifft; so setzen Wir hiermit fest: dasz in der Regel jede Religions‑Parthei einen eigenen Schullehrer ihres Glaubens haben solle, dasz daher in katholischen Dörfern der Schullehrer katholisch, so wie in protestantischen, protestantisch seyn müsse. 5. Für ganz katholisch oder ganz protestantisch soll auch ein Dorf gehalten werden, wenn gleich zur Zeit der Publication dieses Reglements der sechste Theil der Stellen‑Besitzer zur andern Religions‑Parthei gehörte. Auf nachmalige Religions‑Veränderungen der Stellen‑Besitzer soll hierbei nicht geachtet werden, und ist das Datum der Publication dieses Edicts zum Normal‑Termin für die Religion des Schullehrers anzunehmen. 6. In Dörfern vermischter Religion, wo nehmlich die Religions‑Verschiedenheit der Stelle[n]‑Besitzer gröszer ist, als das § 5 angegebene Verhältnisz, soll der Schullehrer von der Religions‑Parthei seyn, von welcher derselbe bisher gewesen, und entscheidet hier wieder der bemeldete Normal‑Termin . . .'

114 

Marginale aant. van Groen: `Welke is de geest der Wet? Jus constitutum? De vereeniging van alle christelijke gezindheden in de school; niet op een antichristelijk, onchristelijk, protestantsch, maar op een gemeenschappelijk christelijk terrein. Met uitsluiting van de joden en tegenover het ongeloof. In de aanwijzing van dat terrein heeft men gedwaald. Onverschillig [is het] of de makers der Wet in die dwaling al dan niet hebben gedeeld: zij hebben het christelijk beginsel gehuldigd. Anders zou de stelling dat alle goede zedekunde christelijk is, elk gebed christelijk moet zijn, weinig voegen in eene Wet die geen aanstoot wil geven. Het doel is geweest aan de kinderen gezamenlijk een godsdienstig en zedekundig onderrigt te geven dat, zonder eenige gezindheid te ergeren, nuttig zou zijn voor allen, zorg te dragen dat de onvolledigheid van dit onderrigt op andere wijs aangevuld werd.



De joden mogen niet in deze hinderlijk zijn (het protestantsche onderwijs heeft men aan de vereeniging der roomsch‑catholijken, maar geen[s]zins het christelijk onderwijs aan de vereeniging met de Israëliten ten offer gebragt). H[ofstede] de Groot [, Bedenkingen], p. 8; 10. Geene klagten tegen dit systema.

Noch de Afgescheidenen noch de zoogenaamde naauwgezette protestanten, noch de roomsch‑catholijken hebben geklaagd over te weinig. Noch de artikelen van het synode van Dordt, noch de aanbidding van Maria of van de heiligen. Ook niet over teveel. Men scheen juist die positieve strekking te willen.

Indien men nu wil, hetzij om de Israëliten, hetzij om de toegenomen naauwgezetheid der roomsch‑catholijken, uitsluiting van het godsdienstig onderwijs, dan wil men iets strijdig met de letter en den geest van de Wet, met de uitvoering: met de interpretatie die er de catholijken zelve aan gegeven hebben. En dat, op grond eener uitlegging van de grondwet waarvoor wij, Gode zij dank, tot dusver bewaard zijn gebleven.



Dit kan niet bij Besluit. Toch eene reuzenschrede, zoo wij het onderwijs van een positief of negatief valsch terrein op een christelijken grondslag kunnen brengen'.

Ter toelichting van deze lange aant. slechts het volgende: 1. De onderscheiding van jus constitutum (positief recht) en jus constituendum (recht dat idealiter zou moeten gelden) vindt men dikwijls bij Groen. Zie b.v. Handboek, p. 191; Het regt der Hervormde gezindheid, p. 187; Ong. en rev., 2e dr., p. 110; Briefw. III, 193; 646; Bellefroid, Inleiding, p. 18. 2. Men leest bij Hofstede de Groot t.a.p. op p. 8: `Voorheen vond onze Staat zijne zedelijke eenheid in eene heerschende Kerk, welke vóór de 16e eeuw de Roomsch‑Katholijke was, in de 16e de Hervormde werd. Toen er geene heerschende Kerk meer was sinds 1796, gevoelde de Regering, dat zij de zedelijke eenheid van het volk moest bewaren door gemeenschappelijke beschaving, die wel niet Roomsch‑Katholijk of Hervormd, maar toch Christelijk behoorde te zijn. Zóó voerde de Regering een lager onderwijs in, op algemeen‑Christelijke grondslagen gebouwd; terwijl aan de bij ons inwonende Israelieten gelijke burgerlijke regten en dus ook een eigen stelsel van onderwijs werd verleend, zonder dat hun gering getal de nationale eenheid behoefde te breken. Op deze wijze verkregen wij een nationaal onderwijs voor alle Christenen, met eene uitzondering ten behoeve der Israelieten, voor welke godsdienstige Israelietische scholen werden opgerigt, overal, waar zij talrijk genoeg waren, om dit der moeite waardig te kunnen achten'. Op p. 10: `De wet wil, dat men de kinderen algemeen‑godsdienstige en zedelijke en vooral algemeen‑Christelijke beginselen in de scholen leere kennen, op prijs stellen en volgen. Die algemeen‑godsdienstige beginselen bestaan in eerbied en liefde voor God, liefde voor alle menschen, dienstvaardigheid, ingetogenheid, nederigheid, enz. Die algemeen‑Christelijke beginselen leert men de kinderen kennen uit die zaken, waarin alle Christenen overeenstemmen (en deze zullen toch wel de gewigtigste zijn?), uit de Bijbelsche geschiedenis.' In een noot a.l. betoogt Hofstede, dat het door Groen (Adviezen 1840, p. 83) verlangde leerstellige onderwijs opgesloten ligt in de verhalen der bijbelse geschiedenis.

115 

Marginale aant. van Groen: `Het moet blijken dat de bezwaren ook der Afgescheidenen en andere protestanten zijn onderzocht.' Zie over de Afgescheidenen Verspreide Geschriften II, 158; 169; 171.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.