Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina13/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   78

176 

Zie n. 139.



177 

Deze bladzij correspondeert met p. 260/1 van de nouv. éd. (1833): `Mais si, en face de nos écoles primaires communales, il se présente des personnes qui, sans avoir passé par nos écoles normales, veulent à leurs risques et périls établir aussi des écoles privées, il est évident que non‑seulement il faut tolérer, mais qu'il faut encourager tous ces établissemens particuliers . . . Cette concurrence ne peut qu'être utile sous tous les rapports . . . Ainsi tous les intérêts sont conciliés, les devoirs de l'état et les droits des familles . . . Il ne faut imposer à quiconque veut élever une école primaire privée que deux conditions, dont nulle école publique ou privée ne peut être affranchie, le brevet de capacité donné par une commission d'examen, et la surveillance du comité cantonal et de l'inspecteur du département.'



178 

Hs. abusievelijk: `Negebauer'. Men leest t.a.p. sub no. 25 Ministerial‑ Rescript über Simultan‑Schulen: `Die Erfahrung hat gelehret, dasz in Simultan‑Schulen das Haupt‑Element der Erziehung, die Religion, nicht gehörig gepflegt wird, und es liegt in der Natur der Sache, dasz dieses nicht geschehen kann [onderstreping van Groen]. Die Absicht, durch solche Schulen gröszere Verträglichkeit unter den verschiedenen Glaubensgenossen zu befördern, wird auch selten, oder niemals erreicht; vielmehr artet jede Spannung, die unter den Lehrern verschiedener Confession, oder zwischen diesen und den Eltern der Schuljugend ausbricht, gar zu leicht in einen Religionszwist aus, der nicht selten eine ganze Gemeine dahinreiszt; anderer Uebel, die mit Simultan‑Schulen verbunden sind, nicht zu gedenken . . . Dergleichen Anstalten können daher nicht Regel seyn . . .' (27 april 1822). Zie ook II, 178.

179 

Groen heeft er in no. 27. Cabinetsordre über Simultan‑Schulen aangestreept: `Ich [Frederik Willem III] habe zwar . . . Ihre Ansicht genehmigt, dasz die Vereinigung der Schulen weder der einen noch der anderen Confession aufgedrungen werde; es kann aber kein Bedenken finden, die Vereinigung zu befördern, wenn der Mangel an hinreichenden Fonds die zweckmäszige Einrichtung von Confessions‑Schulen hindert, und die Gemeindeglieder beider Confessionen über die Organisation einer Simultan‑Schule einverstanden sind . . .' (23 maart 1829).

180 

De bedoelde bladzij (lees echter: I, 34; cf.n. 25 van no. 69) komt overeen met p. 183 van de nouv. éd. (1833) van Cousins Rapport‑Allemagne: `Si les membres de petites sectes chrétiennes veulent se séparer de la société à laquelle elles appartiennent naturellement et établir des écoles particulières, on le leur permettra, sous la condition de prouver qu'ils ont les moyens suffisans pour entretenir ces écoles, et qu'ils satisfont complétement aux obligations de la société de laquelle ils relèvent.'

180a 

Zie Rapport, p. 12 r. 2 v.o. Volgens Van Swinderen, Gronden I, 18 waren de `Stenden van Pruissen' tegen splitsing der scholen naar gezindheden. Cf. Brugsma, Vrijheid van onderwijs?, p. 24.

181 

Deze bladzij correspondeert met p. 191 van de nouv. éd. (1833).



182 

Het woord Simultan‑Schule komt op p. 191 niet voor. Groen baseert zijn bewering waarschijnlijk op deze bepaling: `La différence de religion dans les écoles chrétiennes produit nécessairement des différences dans l'enseignement religieux. Cet enseignement sera toujours approprié à l'esprit et aux dogmes du culte auquel l'école appartient.' Zie p. 176/7 over de Simultan‑Schulen.



183 

Zie Oosthoek s.v. Agenden; Lexikon der deutschen Geschichte s.v. Agendenstreit; Kist, De christelijke kerk, p. 260 en 266 (2e dr. p. 313 en 320).

183a 

Cf. Parlementaire studien II, 373.

184 

Kist.


185 

Cf. Thiersch, Ueber den gegenwärtigen Zustand I, 273‑275 over het gymnasium te Heidelberg; p. 275‑277 over het lyceum te Mannheim. Beide scholen waren gemengd‑christelijk.

186 

Of godsd[ienst]?



187 

Zie Rapport, p. 21.

188 

Zie Rapport, p. 20 sub art. 8a en b.

189 

Wellicht hoort hierbij de marginale aant. van Groen: `De leesboekjes. De protest[antsche] rigting. Maar `de prot[estanten] zouden zoo iets niet geduld hebben; hiertoe behoort de christ[elijke] onderw[ijzer] der cath[olijken].'?! Waarlijk over 't alg[emeen] niet te klagen. Gedurige voortgang; alleen nu eenige reactie. De tegenstelling berust op miskenning onzer beg[insels]. Wij hebben diezelfde chr[istelijke] onderw[ijzers]. Slechts ééne uitzondering; en die is bij ons meer volkomen; dewijl wij aan geen vertegenw[oordiging] de magt toekennen om tusschen vorst en volk te treden. Opstand. Maar wat wij vòòr den opst[and] hebben geduld.' Zie voor het laatste Ong. en rev., 2e dr., p. 150.

190 

Cf. Hemkes, Handboek I, 109 sub 13: `Het toezigt over de Bijzondere Scholen der eerste Klasse (Art. 3 no. 1), is, voor zoo verre er geen gevestigd opzigt over bestaat, opgedragen aan den Schoolopziener van het District (Art. 5) of aan de Plaatselijke Schoolcommissie (Art. 10) maar blijft, voor zoo verre over dezelve een gevestigd opzigt aanwezig is, aan hetzelve toevertrouwd . . .'

191 

Zie Rapport, p. 20.

192 

Versta: zijn wel geporteerd voor splitsing van de openbare school.



193 

Men leest bij De Maistre, Considérations (1822), p. 199: `Enfin, c'est ici la grande vérité dont les Français ne sauroient trop se pénétrer: le rétablissement de la monarchie, qu'on appelle contre‑révolution, ne sera point une révolution contraire, mais le contraire de la révolution.' Radowitz, Gespräche, p. 388 schrijft dit gevleugelde woord ten onrechte toe aan De Montlosier. Ook de veelvuldige toeschrijving aan De Bonald berust op een vergissing. Cf. Beschouwingen, p. 207; Ong. en rev., 2e dr., p. 225 (**); Grondwetherziening, p. 532; Nederlander no. 115 (11 juli 1850) en 191 (11 febr. 1851); Le parti, p. 76; Brieven van Da Costa II, 54; Gerlach, Von der Revolution I, 199, 6; II, 535, 1. Zie ook n. 11 van no. 46.

194 

Abraham des Amorie van der Hoeven; cf. Briefw. I, 418, 1; II, 178, 8. Hij had reeds op de eerste vergaderdag (13 dec. 1840) een `hartelijke toespraak' gehouden; cf. Domela Nieuwenhuis, Leven, p. 150.

194a 

Cf. Amorie van der Hoeven, Verspreide geschriften, p. 222.

195 

Zie n. 134.



196 

Versta: Veeleer ben ik etc.



197 

Versta: was ik geheel tevreden met de toestand van het onderwijs.



198 

Versta: thans heb ik wel critiek op het bestaande.



199 

Of godsd[ienstig] onderrigt? Zie n. 186.



200 

Geen enkel aanknopingspunt gevonden in archief en literatuur over de schoolstrijd.



201 

Deze combinatie van auteur en titel hebben we bibliografisch niet thuis kunnen brengen, hoewel de titel Leven van Jezus (of gelijksoortige: De geschiedenis van Jezus etc.) vele malen voorkomt; cf. Meylink, Officiële geschiedenis, p. 361‑363; Catalogus . . . van boeken . . . nagelaten door . . . Willem Bilderdijk, p. 29 no. 133. Indien alleen de titel juist is, is het verleidelijk aan Schrants gelijknamige - op de Index geplaatste - schoolboekje te denken. Cf. Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, 89‑91; 318, 2; 348; Schrant, Het leven van Jesus verdedigd; Julius, De vrijheid, p. 35; Albers, Geschiedenis I, 267/8; Van Bommel, Essai, p. 123; Rogier, Terugblik I, 217; II, 174 e.v. Indien we vasthouden aan de auteursnaam, kunnen we kiezen tussen J. A. F. Schmidt en J. C. von Schmid. Van eerstgenoemde verscheen in 1844 De reizen van onzen Heer en Zaligmaker Jezus etc. (zie bibliografie). Dit werk wordt enkele malen genoemd in Van Oosterzee, Het leven van Jezus (zie register s.v. Schmidt). Het was vertaald naar het in 1833 verschenen origineel Die Reisen Jesu etc. Het ligt (ondanks de afwijkende spelling) meer voor de hand aan de - eveneens uit het Duits vertaalde - Bijbel voor kinderen van de r.k. auteur Johannes Christoph von Schmid te denken. Cf. Brill, Adres, p. 248; 305‑308; Brugsma, Kort overzigt, p. 233; Spijker in Van Voorst‑Spijker, Tweetal memoriën, p. 60; Zal de wetgever . . .? p. 61; Van Swinderen, Gronden I, 8; Waarheid in liefde 1837, p. 613; 833; Nijmeegsch schoolblad I (1844/5), 29; Heldring, De bijbel op school; Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 218; Julius, De vrijheid, p. 35; Van Koetsveld, Bede, p. 18.

202 

Zie n. 6.



203 

Marginale aant. van Groen: `Het ond[erwijs] door den schoolm[eester] fakultatief.'

204 

Versta: door de Wet van 3 april 1806.



205 

Versta: Ik stel voor toe te voegen aan etc.



206 

De Notificatie van Van Stralen (Langedijk, Bibliographie no. 110 en p. 363 s.v. Schoolorde (Algemeene); gedrukt bij Hemkes, Handboek I, 145‑147). Art. 6 werd reeds geciteerd in n. 8.

207 

Versta: deze ontevredenheid.



208 

Versta (hier en in het vervolg): reden tot ontevredenheid geven.



209 

Hs. onduidelijk. Misschien: `redevoeringen'.



210 

Zie n. 143.



211 

Marginale aant. van Groen: `Hierin is geen systema hoegenaamd. Waarom voor de gealimenteerden vrijheid van eigene catholijke of herv[ormde] scholen en voor de gegoede burgers niet?'



212 

Marginale aant. van Groen: `daar waar er behoefte is'. Versta: moet het stichten van scholen vergund worden.



213 

Cf. Hemkes, Handboek I, 114/5.

214 

Hiernaar werd aldus verwezen in art. 25 van de Wet van 1806: `Alle degenen, die nalatig of onwillig zijn, om aan het bepaalde bij de vier voorgaande Artikelen te voldoen, vervallen in de straffen, bij Art. 18 der Wet vastgesteld' (Hemkes, Handboek I, 115).

215 

Coll[atus?]: vergeleken met [?]



216 

Cf. Hemkes, Handboek I, 352. Het gaat hier om het slot van art. 6: ` . . . te waken dat men zich in die scholen van geen boek bediene, hetwelk iets bevatte strijdig met de maatschappelijke orde of de zeden, of wel dat aan de eene of andere der gezindheden, waartoe de kinderen behooren, aanstoot zoude kunnen geven'.

217 

`De Speciale Beroepingen, Aanstellingen en Admissiën, geschieden door daartoe bevoegde Personen of Collegiën, in dier voege, als nader bij het Huishoudelijke Reglement (Art. 20 vermeld) zal worden bepaald; zoo echter, dat geen Beroeping, Aanstelling of Admissie zal mogen geschieden, buiten behoorlijke voorkennis en medeweten van, en voorafgaande vertooning der bewijzen van Algemeene Toelating aan de Schoolopziener van het District of de Plaatselijke Schoolcommissie' (Hemkes, Handboek I, 102).

218 

Hs. abusievelijk: `zullen'.



219 

`Ter vervulling der in vervolg van tijd openvallende Schoolopzieners‑plaatsen, leveren de respective Commissiën eene Nominatie van twee Personen in bij het Departementaal Bestuur, hetwelk dezelve, voorzien van zoodanige bedenkingen, als het dienstig mogt oordeelen, en voorts, zulks verkiezende, vermeerderd met één of twee Personen, inzendt bij den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken, die deze Nominatie aan den Raadpensionaris voordraagt, om daaruit één Schoolopziener te vekiezen' (Hemkes, Handboek I, 99/100).

220 

Marginale aant. van Groen: `Protestantsche kerk? - de prot[estantsche] gez[indheid] die de meerderheid bezit. `Cf. Nassau, Vlugtige gedachten, p. 9; Een woord van waarschuwing, p. 76‑124. Ondanks zijn voorkeur voor de uitdrukking (Ned.) Hervormde kerk vindt men de hier gewraakte terminologie ook wel bij Groen. Zie b.v. no. 49 (p. 669, 677, 688 en 694) en Parlementaire studien I, 7,26.

221 

Deze sluitende aanhalingstekens zijn door de bewerker toegevoegd.



222 

Versta: mogen in aanmerking komen voor een benoeming tot schoolopziener.



223 

Cf. Hemkes, Handboek I, 107/8. Het art. handelt over het `plaatselijk opzigt over de Lagere Scholen en het Onderwijs.'

224 

Deze drie woorden zijn door Groen onderstreept en van een vraagteken in margine voorzien.



225 

Gez[indte]?



226 

Versta: Ik kan mij niet etc.



227 

Deze verwijzing is niet duidelijk. Zij lijkt niet op Reglement A te slaan.



228 

Niet letterlijk gevonden. Wellicht vrije weergave van de `écoles sincèrement et sérieusement chrétiennes' van Cousin. Zie Over het ontwerp, p. 164 en n. 54.

229 

Marginale aant. van Groen: `Met eigene scholen wijde deur open voor nieuwe bezwaren. Voortdur[ende] bijdrage voor de openb[are] sch[ool], gering locaal [van de eigen school er?] tegenover.' Cf. Rapport, p. 11.

230 

Van der Hoeven citeert hier naar de Ned. vert. van het rapport van Luxemburg, zoals deze voorkomt in Cousin, Over het openbaar onderwijs, p. 79‑105. De Ned. vert. ook in de Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs van 1831, p. 198‑258.

231 

Marginale aant. van Groen: `De gemoedelijke protest[anten] zouden niet tevrede zijn?' Het vraagteken is in de geest van Des Amorie van der Hoeven, niet van Groen.



231a 

Bedoeld is weer art. 226 van de grondwet van 1815, dat 224 werd in die van 1840. Reeds aangehaald in n. 3. Cf. Verspreide geschriften, II, 166.

232 

Versta: in de gelegenheid te stellen tot de oprichting van eigen scholen.



232a 

Of bijv[oorkeur]?



233 

Waarschijnlijker dan afs[chaffing] of afs[cheuring].



234 

Marginale aant. van Groen: `eenigermate chr[istelijke] strekking, zoodat de jood desnoods kan toegelaten worden (ontjoden en ontchristenen?)'.



235 

Sc. `en uwen naaste(n) als uzelven'. Cf. Matth. 22, 39; 10, 37; Adviezen 1856/7 I, 437; II, 258*; Brugsma, Kort overzigt, p. 221; Clemens, Iets over het lager onderwijs, p. 6; Van Otterloo, Bijdragen, p. 238; 291; 341; Vier brochures over het onderwijs, p. 670; Nijhof, De onafscheidelijkheid, p. 23.

235a 

Sic! Versta: De toepassing van deze leer is het middel met behulp waarvan de lagere school voorbereidt op het latere leven.



236 

Het hs. heeft i.p.v. a‑e: 1‑5.



237 

`De eerste aanstelling der Leden van elke Commissie, als ook die der nieuwe bij eene eventuële vermeerdering van derzelver getal, zal geschieden door den Raadpensionaris' (Hemkes, Handboek I, 99).

238 

Zie n. 231a.



239 

Cf. Zwaan, G. v. P., p. 628 s.v.

240 

Cf. Kist, De christelijke kerk, p. 173 e.v. (2e dr. p. 203 e.v.).

241 

Cf. Kist, De christelijke kerk, p. 282 (2e dr. p. 343); Verzameling van stukken, p. 274.

242 

Sc. van kerk en staat; cf. Kist, De christelijke kerk, Register p. 306 s.v. (2e dr., p. 163 van de `bladwijzer' s.v.).

243 

Cf. Kist, De christelijke kerk, p. 112 (2e dr. p. 136); 253 (2e dr. p. 303/4); 257 (2e dr. p. 309).

244 

In verband met het jus canonicum ligt het in de rede aan roomse `Afgescheidenen' te denken. Kist critiseert protestantse separatisten in Duitsland en Nederland op p. 232 (2e dr. p. 276) en p. 110 van de Aanteekeningen in de 2e dr. Hij schijnt te bedoelen, dat alle afscheidingsbewegingen voortkomen uit weerzin tegen kerkrecht in welke vorm dan ook.



245 

Kist zinspeelt hiermee waarschijnlijk op De imperio summarum potestatum circa sacra van Hugo de Groot; cf. De christelijke kerk, p. 252 (*) (2e dr. p. 303); Le Roy, Vrijmoedig woord, p. 27.

246 

Cf. Ong. en rev., 2e dr., p. 244.

247 

Groen heeft t.a.p. twee passages aangestreept: (1) `L'Université fut fondée par la loi du 10 mai 1806, qui décréta l'établissement d'un corps enseignant [onderstreping van Groen] . . .' (2) `. . . il n'y a aucun enseignement qui ne soit placé sous sa surveillance: elle [de keizerlijke universiteit] exerce cette surveillance selon des règles déterminées par des fonctionnaires revêtus de son autorité. L'Université, considérée sous ce grand point de vue, n'est autre chose que le gouvernement appliqué à la direction universelle de l'instruction publique . . .' Kist bedoelt vermoedelijk, dat Van Bommels afkeurende beschrijving van het napoleontische gouvernementsmonopolie een impliciete lofrede op de Hollandse vrijheid van onderwijs inhoudt.

248 

Sc. van Napoleon. Of univ[erseele]? Blijkens de potloodaantekeningen achterin zijn exemplaar was `Université' voor Groen het trefwoord m.b.t. p. 169, zodat de lezing `univ[ersiteit]' de voorkeur verdient.

249 

Groens bron niet gevonden.



250 

Niet duidelijk of men moet aanvullen: bezwaarlijk of aanvaardbaar.

251 

Versta: propageert.



252 

Versta: Ook hij is geporteerd voor etc.



253 

Hs. abusievelijk: `Wijgkersloot.' Hij had reeds op 21 of 22 dec. 1840 het woord gevoerd in de commissie ter inleiding van het hoofdzakelijk door Van Vree opgestelde Ontwerp van ampliatiën en alteratiën (Rapport, p. 19‑23). Cf Witlox, De Katholieke staatspartij II, 43; De onderwijsstrijd, p. 67.

254 

Niet gevonden.



255 

Of b[isschop]?



256 

Zie Rapport, p. 24.

257 

Marginale aant. van Groen: Cath[olijke] St[aat], Noord‑Brab[ant]. Sasse van Ysselt.' Laatstgenoemde was lid van de Provinciale Staten van die provincie en van de Dubbele Kamer van 1840. Zijn daar gehouden redevoering over de verdrukking der katholieken bij Witlox, De Katholieke staatspartij I, 339‑341. Cf. Briefw. I, 183, 1; II, 397, 4. Misschien moet gelezen: `Cath[olijke Nederlandsche] St[emmen]. Cf. Briefw. II, 88, 4.

258 

Marginale aant. van Groen: `Wij dreigen ook niet, maar voorzigtigheidshalve. Men moet de protest[anten] niet opwekken, niet tergen. Ik geloof dat de r[oomsch‑] c[atholijken] te weinig gedachtig zijn aan hunne positie hier te lande.' Groen waarschuwde ook in 1849: `wanneer ik mij op een onpartijdig standpunt plaats, met ter zijdestelling van godsdienstige gezindheid, juist dan zou ik tot de Roomsch‑Katholijken in ons Vaderland zeggen: let op den specialen toestand waarin gij in dit land verkeert; let op de omstandigheid dat het niet mogelijk is, in welk land ook, het heden van het verleden te scheiden . . .' (Adviezen 1856/7 II, 292). Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 135.

259 

Zie p. 605 over de `pièces justificatives'. Het laatste woord is onleesbaar. Marginale aant. van Groen hierbij: `De aanmerking is van den bisschop zelven'.



260 

Sc. van de grondwet van 1815: `Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arme kinderen aan de aanhoudende zorg der Regering bevolen. De Koning doet insgelijks, van de inrigtingen dien aangaande, jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten‑Generaal geven'. Hierbij een marginale aant. van Groen: `Die `schorremorrie' zijn kinderen die tot christenen gevormd moeten worden. Men wil het niet als verpligting.'

261 

Marginale aant. van Groen: `Bedreigingen? Nescio. De Fransche invloed was niet zoo sterk? De geestel[ijkheid] vreesde zeer voor der liber[alen] invloed. En het leger? En de schutterijen? De grieven niet zóó sterk; factice gedeeltelijk. Daar was toch tolerantie. Vergelijkenderwijs.'

262 

Cf. Adagiarius, Latijnsche citaten, p. 160.

263 

Marginale aant. van Groen: `Christus onder een deksel. Men leze slechts het N[ieuwe] Test[ament].' Zie n. 85.



264 

Het onderwijsmonopolie van de Nederlandse regering. Zie n. 151 en 247.



265 

Marginale aant. van Groen: `maar in uw school?'



266 

Sc. van Van Bommel, Exposé. Deze bladzijden handelen over de normaalschool.

267 

Van Bommel hanteert deze formule in Exposé, p. 72; 234/5; 495. Hij ontleende haar aan Guizot; cf. Adviezen 1856/7 II, 23; Guizot, Mémoires III, 69. Zie ook De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 68, 1 waar eveneens Exposé, p. 234 (er staat abusievelijk `224') in vertaling aangehaald wordt.

268 

Marginale aant. van Groen: `Vrijheid van het georganiseerd ligchaam. Veelhoofdige of eenhoofdige autocratie.' Cf. Zwaan, G. v. P., p. 632 s.v. autocratie.

269 

Het K.B. no. 14 van 2 aug. 1815 regelde de organisatie van het hoger onderwijs in de noordelijke provinciën. De tekst in Staatsbladen van het koningrijk der Nederlanden over de jaren 1813‑1840, p. 95‑102; Stuart, Jaarboek van 1815 II, 217‑268; cf. Briefw. I, 94, 2; Luttenberg 's chronologische verzameling I (1813‑1850), kol. 161. De Franse tekst bij Cousin, De l'instruction publique (1838) II, 129‑188, de Duitse bij Thiersch, Ueber den gegenwärtigen Zustand III, 250‑307. De aanhef van dit K.B. luidt: `Geëxamineerd hebbende het rapport der commissie, bij Ons besluit van den 18 January 1814 no. 66, belast met het ontwerpen eener organisatie van het hooger onderwijs . . .' Cf. Briefw. I, 125, 3 over het op 6 juli 1815 aan de koning aangeboden rapport. Zie ook n. 432.

269a 

Cf. Rapport, p. 36, 3e al. v.o.; Verspreide geschriften II, 164 en 177 over het `Gouvernements‑monopolie.'

270 

Marginale aant. van Groen: `De twee klagten kunnen wel tegelijk plaatshebben. Een dorstige.'

271 

Marginale aant. van Groen: `Strekking van het tegenwoordig systeem van wetgeving te veranderen.'

272 

Marginale aant. van Groen: `De Wet zou, in zeker opzigt, blijven voor cath[olijken] en oncathol[ijken], in een ander opzigt, vervallen voor cath[olijken] en oncath[olijken].'



273 

Zie p. 622 i.f.



274 

Marginale aant. van Groen: `Alle de bijzonderheden van het plan zijn van latere zorg.'



275 

Versta: vrijheid.



276 

Zie n. 188.



277 

Bedoeld is Rapport, p. 33‑35.

278 

Marginale aant. van Groen: `Vrijheid van oprigting van eigene sch[olen bestaat momenteel?] niet. Vrijheid van de bijz[ondere] sch[olen], met leerstellig onderrigt te vereenigen. De openb[are] en bijz[ondere] scholen, de plaatsel[ijke] comm[issie] of het opzigt over bijz[ondere] sch[olen].



279 

Zie Rapport, p. 33 r. 7‑1 v.o.

280 

Marginale aant. van Groen: `De bijz[ondere] scholen kunnen leerstellig onderrigt hebben. Dubieus.'



281 

Marginale aant. van Groen: `Vrijheid [is er] niet. Maar of de . . . sch[olen] die, volgens de bepal[ingen] der Wet toegelaten zijn? Bij oogluiking.' Misschien staat er `afz[onderlijke]' vóór sch[olen].



282 

Zie n. 3.



283 

Marginale aant. van Groen: `De reg[ering] moet de eigene sch[olen] ondersteunen!'



284 

Van de Wet van 3 april 1806; cf. Hemkes, Handboek I, 99.

285 

Van de Wet van 3 april 1806; cf. Hemkes, Handboek I, 102.

286 

Zie n. 143 en 210.



287 

Cf. Hemkes, Handboek I, 105.

288 

Het BW (1839) bepaalde in art. 353 o.a.: `De ouders zijn verpligt hunne minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden . . .' De verwijzing naar art. 369 is raadselachtig, aangezien dat handelt over het vruchtgenot. Cf. Rapport, p. 34 r. 14 v.o.; De Bruin, Het ontstaan, p. 222.

289 

Zie n. 119.



290 

Zie n. 3. Marginale aant. van Groen: `Hoogstens aan allen onderwijs aanbieden, maar niet opdringen.'

291 

Zie n. 4.



292 

`De belijders der onderscheiden Godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen'.



293 

Zie n. 260.



293a 

Deze samenvatting sub a‑c is - misschien later - door Groen met potlood aangebracht. Ook de letters A en B (gevolgd door `Onderwijzer') zijn zo toegevoegd.



294 

Loi portant organisation de l'Instruction primaire van 28 juni 1833. De tekst van deze wet bij Gréard, La législation I, 236‑245 en bij Thiersch, Ueber den gegenwärtigen Zustand III, 334‑353. Cf. Grimaud, Histoire, p. 240‑246. Groen citeert hier het begin van art. 1: `L'instruction primaire élémentaire comprend' etc. De cursivering is van hem afkomstig. Hij heeft `l'instruction morale et religieuse' onderstreept bij Thiersch (III, 344). Zie ook Guizot, Mémoires III, 79; 423; Cousin, Rapport fait à la Chambre des Pairs, p. 107.

295 

Men vindt inderdaad precies dezelfde bewoordingen in art. 2 van Rogiers `projet de loi sur l'enseignement primaire, présenté aux Chambres, le 31 juillet 1834.' Ook de `bijvoeging' maakt deel uit van art. 2, dat daarna besloten wordt met deze regel: `Le voeu des pères de famille sera toujours consulté et suivi en ce qui concerne la participation de leurs enfants à l'instruction religieuse'. Dit wetsontwerp is afgedrukt in Nothombs rapport van 1842, verschenen o.d.t. Etat de l'instruction primaire en Belgique etc. (zie bibliografie s.v.), p. 274‑277 en in Thiersch, Ueber den gegenwärtigen Zustand III, 394‑400. Groen heeft hier dezelfde woorden onderstreept als in III, 344. Cf. Pasinomie III, 5 (1835), p. 291 sub no. 652; Moniteur belge du 1er août 1834.

296 

De protestanten. Hieruit blijkt, dat sub 2 jan. 1841 Groen weer aan het woord is.



297 

De geestelijken van de verschillende gezindten.



298 

Sc. van zijn kerkgenootschap.



299 

Versta: De kinderen zouden dan met drie soorten van onderwijs gevenden te maken krijgen.



300 

Versta: zou een doopsgezind onderwijzer zonder bezwaar kunnen geven.



301 

Sc. de belijdenis omtrent de doop.



302 

Sc. met het onderwijzersambt.



303 

`Tot alle andere bedieningen zijn alle de ingezetenen, zonder onderscheid, benoembaar, welke geboren Nederlanders zijn . . .'



304 

De anticlericale partij wilde alle geestelijken uitsluiten van het schoolopzienersambt.



304a 

Wellicht hoort de marginale aant. van Groen: `doch waarborgen' hierbij. Zie o.a. p. 645 en 647 voor het woord `waarborgen'.

305 

Zie n. 36 resp. 6.



306 

Zie n. 143.



307 

Versta: speciaal gediend met vrijheid van onderwijs.



308 

Marginale aant. van Groen: `Duodecimos en folianten. Maar toch constateren.'



309 

Slecht leesbare marginale aant. van Groen: `gr[ond]w[et] . . . gesch[eiden?]'



310 

Groen combineert Matth. 28, 19 met Mk. 16, 15.



311 

Tot de taak van de overheid wordt daar o.a. gerekend `de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst . . . het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het Woord des Evangelies overal te doen prediken . . .'



312 

Zie Nijhoffs geschiedenislexicon. s.v. Staatsgezinden.

313 

Zie n. 243.



314 

Zie n. 277.



315 

Gewoonlijk bij Groen in malam partem. Zie b.v. Adviezen 1856/7 II, 304; 427. Hier in bonam partem.

316 

Zie p. 628.



317 

Cf. Handboek, p. 683: `De nationaliteit, dikwerf in hooger kringen naauwelijks merkbaar, was, op verre na, waar het kerk en vaderland gold, niet uitgedoofd bij het volk.'

318 

Versta: is de Nederlandse natie onder Franse overheersing geraakt. Cf. Handboek, p. 673; 682/3.

319 

Zie p. 626.



320 

Versta: en niet om die reden etc.



321 

Zie n. 143.



322 

Men leest t.a.p.: `Mij komt het verkeerd voor, de bestaande wetten en reglementen, aan welke zoo heerlijke vruchten te danken zijn, te willen opgeven voor eenen maatregel, die, ook bij den besten uitslag, niet meer dan gedeeltelijk . . . vergoeden kan, hetgene door den alomvattenden arm der wet zoo volkomen zou te herstellen wezen.' Cf. Adviezen 1840, p. 88.

323 

Vermoedelijk is de betekenis: Zelfs tegen zijn zin zal men zijn kinderen naar de bijzondere school zenden. Cf. De Raadt, Lager onderwijs, p. 237: `En wanneer het kwaad zal wortel geschoten hebben, zal het niet meer de geestdrijver alleen wezen, die dus handelt. Zelfs de weldenkende zal zich verpligt achten van zijne zijde te doen wat binnen zijn bereik valt.' Cf. Adviezen 1840, p. 89.

324 

Subject: de regering.



325 

Versta: gemengde, maar toch positief‑christelijke.



326 

Sc. van de `strenge roomsch‑catholijken.'



327 

Versta: Ik ben verbaasd etc.



328 

Men leest t.a.p.: `Welke beginselen der teedere jeugd worden ingeprent, kan aan Christelijke ouders, ook aan Protestantsche en Katholijke ouders, als zoodanig, niet onverschillig zijn . . . De wet wil, dat men de kinderen algemeen‑godsdienstige en zedelijke en vooral algemeen‑Christelijke beginselen in de scholen leere kennen, op prijs stellen en volgen.' Zie ook n. 114.



329 

Men leest t.a.p.: `De voorstanders toch van ons schoolwezen bestempelen met dien naam [godsdienstig onderwijs] het onderwijs in Christelijke waarheden en voorschriften, welke door alle Christenen gelijkelijk beleden en aangenomen worden.'



330 

Geen tegenstelling met de vorige zin, maar met `overdrevene concurrentie.'



331 

Sc. scholen.



332 

Auteur van De l'état de l'instruction primaire et populaire en Belgique. Terwijl Groen het bij Van Bommel houdt, zweert O'Malley (Schets, p. 44 (*)) bij Ducpétiaux. Cf. Verspreide geschriften II, 173; Van Bommel, Kort begrip, p. 37‑43.

333 

De Raadt citeert t.a.p. uit Ducpétiaux, De l'état I, Dédicace, p. X: `Qui s'occupe chez nous d'instruction primaire? Quelques congrégations religieuses, quelques communes isolées, quelques hommes dont les efforts individuels sont dès lors condamnées à l'impuissance. Mais de vues d'ensemble, de système bien coordonné, il n'en est question.' Cf. Brugsma, Vrijheid van onderwijs?, p. 10.

334 

Cf. Ducpétiaux, De l'état I, Dédicace, p. VII: `L'éducation populaire est le corollaire du système constitutionnel représentatif. En effet, il ne suffit pas que le peuple ait des droits, il importe encore de le mettre à même de les exercer avec discernement.'

335 

Cf. De Raadt, Lager onderwijs, p. 384: `Zoo vindt men er [in het werk van Ducpétiaux] uittreksels uit Provinciale rapporten, die voor Nederlanders, welke, ter zake van het onderwijs van België willen leeren, curieuse berigten behelzen.' Het spreekt vanzelf, dat verschillende van de t.a.p. geuite klachten ook op Nederland van toepassing waren. Welke `zaken' Groen voor ogen stonden, is niet met zekerheid te zeggen.

336 

Men leest t.a.p: `L'action du gouvernement ne s'étend plus que sur les écoles qui en recoivent des subsides; le reste est abandonné au bon vouloir des particuliers et au caprice des conseils communaux . . .'



337 

`Plusieurs ont à peine les premières notions des connaissances dont ils se font les professeurs . . . presque partout les instituteurs sont exclusivement choisis par les parens, souvent fort mauvais juges en fait de capacités.'



338 

Cf. Efeze 4, 2.



339 

De Raadt citeert er uit het rapport van een deskundige (Kay) over het schoolwezen in Manchester omstreeks 1838: `Zoo ver mijne waarnemingen strekken bestaat er voor de mindere klasse geene school, waar echt godsdienstig onderwijs, zuiver zedelijke opleiding en toereikend onderwijs in datgene, wat behoefte is voor die klasse vereenigd zijn.'



340 

Kennelijk was Wijnbeek als deskundige op deze zitting aanwezig. Sinds 1832 was hij `Inspecteur der Latijnsche Scholen en van het Middelbaar en Lager Onderwijs' (Hemkes, Handboek I, 366). Wijnbeeks ideeën over het rapport blijken uit zijn brief d.d. 22 jan. 1841, afgedrukt bij Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 225.

341 

Sc. kwekelingen.



342 

Sc. per jaar. In 1853 ` 200 à 240'; cf. Briefw. III, 973 i.f.

343 

Zie n. 6 en 36.



344 

Cf. Jouanneau, Recueil no. 486: `La raison ou le motif de la loi venant à manquer, la loi manque.' Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 56.

345 

Zie n. 3.



346 

Niets over deze nota gevonden. Misschien is er verband met de `twisten over godsdienst' o.a. te Oldenzaal waarvan De Kock (De kerk, p. 279) gewag maakt.

347 

Niets hierover gevonden.



348 

Niet gevonden om welke Mollendorf en welke vertaling het hier gaat.



349 

Cf. Witlox, De Katholieke staatspartij II, 48 i.f.; De onderwijsstrijd, p. 74‑76.

350 

Marginale aant. van Groen: `eigenlijk ``Universitates gaudent jure privatorum''.'



351 

Zie n. 139.



352 

Zie n. 287.



353 

`In alle andere gevallen zal de Gouverneur der Provincie, na zich te hebben verzekerd, dat de bestaande verordeningen behoorlijk zijn opgevolgd, tot de beroeping, aanstelling of admissie dadelijk laten overgaan' (Hemkes, Handboek I, 350).

354 

Zie n. 216.



355 

Had van 1839‑1866 (ook) een relatie met de Duitse Bond. Zie Nijhoffs geschiedenislexicon s.v. Limburgse Kwestie.

356 

Sc. van de Wet van 3 april 1806 (Hemkes, Handboek I, 102).

357 

Hs. abusievelijk: `school'.



358 

Cf. Hemkes, Handboek I, 104/5.

359 

Marginale aant. van Groen: `Al wat persoonlijk [is], terzijde stellen'.



360 

Waarschijnlijk is de Amsterdamse pastoor M. A. van Steenwijk bedoeld. Deze liet in 1835 Lessen en evangelien (zie bibliografie) verschijnen. Zie de twee art. over hem in NNBW II, 1364/5; X, 966/7; cf. Manning, De betekenis, p. 32; Rogier, Beschouwing, p. 269‑271; Droës, Katholiek Nederland, passim.

361 

Marginale aant. van Groen: `De Gedep[uteerde] St[aten] v[an] N[oord‑] Br[aband] zouden, geloof ik, niet geheel tevrede zijn. Hun stijl is ingewikkeld; niet zeer openhartig. Zij ondersteunen het verzoek der kerkvoogden. Zij vragen geene onbepaalde vrijheid; examens; maar toch meer dan V[an] d[er] H[oeven] geeft.' Dit adres in ARA, 5e afd., no. 90, exh. 10 aug. 1840; cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 238 sub b. Onder ARA, G.v.P., no. 35 bevindt zich Groens eigenhandige samenvatting van hun adres o.d.t. Adres der Gedeputeerde Staten van Noord‑Braband, van 31 julij [1840]: `Zij klagen over den geringen invloed der Gedeputeerde Staten en den overwegenden invloed der schoolopzieners. In Noord‑Braband waar (behalve het district van Heusden) bijna allen roomsch‑catholijk zijn, telt men onder de elf schoolopzieners zeven protestanten. Zij verlangen dat, op de rapporten beide van gemeentebesturen en schoolopzieners, aan de Gedeputeerde Staten worde overgelaten om de keuze der gemeentebesturen goed te keuren of in onderhandeling met hen te treden; alsmede om die onderwijzers die aan hunne bestemming niet voldoen, te ontzetten. Ten ware Z.M., naar aanleiding van het Besluit van 1830, ook aan de onderscheidene kerkgenootschappen de bevoegdheid toekenne, om, ten hunnen koste, afzonderlijke scholen voor het lager onderwijs daar te stellen. Dit verzoek geschiedt op last der Provinciale Staten.'

362 

Sc. van de vrijheid tot stichting van `eigene kerkelijke scholen'.



363 

Marginale aant. van Groen: `Als de Israëlieten; maar ook als de Maatsch[appij] v[an] 't nut van 't alg[emeen]. Maar aan het verlangen der kerkv[oogden] wordt niet voldaan. Ook [kan] niet [gesproken worden van] wegneming hunner bezwaren.'



364 

Hun scholen vielen onder art. 3,1 van Reglement A (Hemkes, Handboek I, 105). Blijkens p. 623 en Rapport, p. 10 bedoelt Des Amorie van der Hoeven: Hun scholen verkeren thans in vervallen staat.

365 

Versta: behandelen.



366 

Marginale aant. van Groen: `Slechts autorisatie! Eene vrijheid met autorisatie: dat is geene vrijheid. De slaaf heeft eene onbepaalde vrijheid, behoudens autorisatie van zijn' meester.' Cf. Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 71/2; Verspreide geschriften II, 170.

367 

Sc. 3,1. Zie n. 287 en 352.



368 

De Wet van 3 april 1806.



369 

Marginale aant. van Groen: `Althans hangt alles af van den aard der autorisatie. Men vraagt ons: Wilt gij liberté illimitée? Ik keer de vraag om.'

370 

Marginale aant. van Groen: `Het geldt hier een hooger belang dan de oprigting van stoombooten en dilig[ences]. [Het onderwijs is] geen tak van nijverheid. Het [komt neer op het] dwingen van een deel der bevolking om op uwe scholen te gaan.'



371 

Versta: de bevoegdheid tot stichting van scholen toekomt.



372 

Marginale aant. van Groen: `Ik wil geene lib[erté] ill[imitée]. Examens; inspectie; straffen; geene onchrist[elijke] leer. Nu [is er] geene behoorlijke vrijheid. Art. 1 van het Besl[uit] v[an] 1827. Ik geef alle noodige waarborgen aan den staat tegen onbekw[aamheid], onzedel[ijkheid], oproerige, ongodsd[ienstige] strekking. Maar ik wensch tevens de weigering om andere redenen onmogelijk te doen zijn: die vague weigering, waarachter elke beweegreden zich kan verschuilen. Dat willekeurige.' Daar geen van de drie m.b.t. het onderwijs in 1827 uitgevaardigde Koninklijke Besluiten (Hemkes, Handboek I, 342‑346) in aanmerking komt, moet aangenomen worden, dat Groen zich verschrijft en ook hier het Besluit van 27 mei 1830 (waarvan art. 1 de autorisatie regelt) op het oog heeft. Zie over de `liberté illimitée' ook Verspreide geschriften II, 172; Adviezen 1840, p. 78.

373 

Marginale aant. van Groen: `Nu de belangrijke concessie. V[an] d[er] H[oeven] wil ze ten onzen gevalle terugnemen. Hoe! Overtuigd van het heilzame? Voor ons! Wij vragen meer; wordt ons hierom het mindere onthouden? Wij wenschen al wat ter betere uitvoering van art. 228 strekt.' Met `ze' moeten Van der Hoevens principiële bezwaren tegen kerkelijke scholen bedoeld zijn.

374 

Zie n. 260.



375 

Cf. Jak. 2, 5.



376 

Cf. Luk. 6, 20; Matth. 5, 3.



377 

Cf. Matth. 11, 5. Marginale aant. van Groen: `Wij zijn zeer voor de armen; maar niet uitsluitend. Vele bijbelplaatsen; maar armen van geest; en de rijke wordt niet uitgesloten. De rijke! Maar die niet gealimenteerd is, is nog niet rijk. Wij verliezen het grootste gedeelte der bevolking uit het oog; de meervermogenden zijn grootendeels onvermogend.'

378 

Marginale aant. van Groen: `Privilegium. Een voorregt: de vraag is niet of de h[eer] v[an] d[er] H[oeven] zoodanige school beter acht. Het is eene vrijheid uitsluitend aan hen. Ik heb er niet tegen, maar ik zou wenschen ook aan anderen.'

379 

Versta: Wij behoeven ons slechts in te spannen opdat etc.



379a 

Of `un[e]'?



380 

Zie n. 267.



381 

Marginale aant. van Groen: `Geen atmosphère théologique. Er is zooveel misverstand dat wij tenminste moeten trachten het te voorkomen. Neen! Geen kweekscholen van godgeleerdheid of onverdraagzaamheid. De eenvoudige waarheden voorgedragen met liefderijken zin. Maar atm[osphère] relig[ieuse], dat is: positief‑godsd[ienstig] en niet die religiosité, waarin alle waarheid verdwijnt. Die dampkring is te fijn, te luchtledig; daarin zouden zij ook stikken. Alg[emeene] gesch[iedenis]. Het standpunt v[an] Bossuet, of liever van den catech[ismus], of van den b[ijbel]. Vad[erlandsche] gesch[iedenis].'

382 

Sc. van hun eigen roomse scholen.



383 

Marginale aant. van Groen: `c. Men zal kunnen antwoorden: algemeene verpligting en algemeen voorregt. De regtmatigheid van het bezwaar.'



384 

Marginale aant. van Groen: `d. De r[oomsch‑] c[atholijken] wenschen het niet. En evenwel de geestelijkheid vraagt het. Ik neem de mogelijkheid aan dat er groot verschil is tusschen de leeken en de geestelijkheid. Maar a. Zeer bedenkelijk daarop af te gaan, en de zijde der leeken te kiezen, wanneer de geestelijkh[eid] handelt volgens de leer en den eisch van haar kerk. Dit systema is ons in België noodlottig geweest. Men sprak evenzoo in 1825. Reyphins en Dotrenge. b. Welken waarborg hebben wij van de zelfstandigheid der leeken? Nu reeds zien wij hunne ondergeschiktheid.' Zie over de oppositie van Reyphins en Dotrenge Handboek, p. 823; 845; Witlox, De Katholieke staatspartij I, 121; 165; 219; Stokman, De religieuzen, p. 299; Albers, Geschiedenis I, 281; 325; 347; De Gerlache, Histoire, I, 415‑425. Over Reyphins Briefw. I, 298, 3; over Dotrenge Briefw. I, 231, 5.

385 

Marginale aant. van Groen: `De protest[anten] op zeer weinige uitzond[eringen] na begeeren het niet. De Afgescheidenen. Alle de prot[estanten] die geen waarborg vinden in den tegenw[oordigen] gedesorganiseerden toestand van de Herv[ormde] kerk. Maar de aard der quaestie heeft men uit het oog verloren. Wij vragen opheffing van dwang. Nu is het niet genoeg dat anderen zeggen: ``Wij begeeren die opheffing niet, omdat wij er geen letsel van hebben.'' Niet bij numerieke meerderheid [dergelijke quaesties beslissen]. Is er dwang, zijn de klagten regtmatig? Op zeer weinige uitzond[eringen] na, begeerde men ook niet de opheffing der maatregelen tegen de Separatisten. Door dit stelsel ontstaat elke verdrukking, want eene verdrukking, waar de numerieke meerderheid tegen is, houdt vanzelf op.' Cf. Domela Nieuwenhuis, Leven, p. 151 over de verlegenheid van Willem II met het rapport.

386 

Zie n. 262.



387 

In het art. van Beresteyn, Het geslacht Van Goudoever, is geen aanknopingspunt met het lager onderwijs te vinden. De Utrechtse hoogleraar A. van Goudoever was echter tevens schoolopziener, zoals blijkt uit Cousin, De l'instruction publique (1838) I, 103. Bake maakt geen melding van dit feit in zijn Levensberigt.

388 

Niet duidelijk wie hier bedoeld wordt.



389 

Misschien het adres van 2 jan. 1841 (Langedijk, Bibliographie no. 289).

390 

Zie n. 361.



391 

Marginale aant. van Groen: `e. Is het een zaak van gewetensvr[ijheid] dan zoo algemeen mogelijk. Maar die algem[eenheid] is onwaarschijnlijk. Indien bijna niemand het begeert.'



392 

Marginale aant. van Groen: `Hier de aanhaling over België. Maar niet die vrijheid.' Niet duidelijk welke aanhaling Groen op het oog heeft.

393 

Versta: zijn er nog vele andere deskundigen die dezelfde mening zijn toegedaan. Zie n. 332/3.



394 

De titel Vrijheid van onderwijs komt dikwijls voor in Langedijks Bibliographie; cf. p. 344/5. Een `brief' valt daar echter niet bij te ontdekken.

395 

Marginale aant. van Groen: `De geheele natie stelt het op hoogen prijs. Met uitzonderingen. De goede vruchten. Feit[h] te Amst[erdam]. Maar de gansche toestand van onze bevolking [is treurig]. Vraagt het aan onze leeraars. Lezen en schrijven? Godsd[ienst]kennis? Zedelijkheid?'



396 

De naam Feit komt in Beresteyns Repertorium niet voor. Vermoedelijk is Rhijnvis Feith (1806‑1876), lid van de Amsterdamse gemeenteraad, bedoeld. Cf. Vorsterman, Stam‑ en wapenboek I, 277.

397 

Marginale aant. van Groen: `f. De gr[ond]wet geeft de meest mogelijke ruimte. Openbaar. De regering zorgt dat er openb[are] scholen zijn, in evenredigheid met de behoefte.'



398 

Zie n. 143.



398a 

Zie n. 36 resp. 6.



399 

Sc. van Groen. Zie p. 622; 634 e.v.



400 

Zie n. 32, 34 en 37.



401 

Sc. art. 23 van Reglement A.



402 

Sc. op christelijk onderwijs in het algemeen en `onderwijs in het Leerstellige' in het bijzonder.

403 

Kist deed als preadviseur in de synodale vergadering van 8 juli 1842 inderdaad een voorstel om `aan de Godsdienstige opleiding der schooljeugd de noodige uitbreiding te verschaffen.' Cf. Hand. 1842, p. 23/4; 54/5.

404 

Niet duidelijk of hier in algemene zin van een vluchtige `schets' gesproken wordt dan wel op de titel van een bepaald boekje over vaderlandse geschiedenis gedoeld wordt.



405 

Misschien was er in de commissie gesproken over het slot van het Onze Vader, de z.g. doxologie (Matth. 6, 13b), die in de belangrijkste hs. ontbreekt. Waarschijnlijker is het, dat de inlassing in het schoolprogramma van bepaalde doxologieën, zoals die voorkomen in christelijke liturgieën, bedoeld wordt. Dit voorstel zou zeer goed door Des Amorie van der Hoeven gedaan kunnen zijn. Deze besloot immers ook de door hem geleide kerkdiensten `soms met eene doxologie, korte Godsverheerlijking in plaats van een nagebed'; cf. Domela Nieuwenhuis, Leven, p. 107.

406 

Waarschijnlijk h.l. in de betekenis van richting. Een andere mogelijkheid is, dat gedoeld wordt op het `schooltoezigt'; cf. Rapport, p. 27.

407 

Versta: Ik adviseer de predikanten uit te nodigen om zitting te nemen in etc.



408 

Cf. Van Bommel, Exposé, p. 561: `Quant à l'instruction secondaire, la loi doit également donner aux pères de famille qui confieront leurs enfans aux colléges communaux, aux écoles industrielles communales, aux écoles spéciales de l'état, la plus complète garantie d'une éducation morale et religieuse.' Zie ook n. 1 a.l. (waar Groen de woorden `la plus complète garantie' heeft aangestreept) en p. 562, 563 en 565.

408a 

Marginale aant. van Groen: `voor wie de tweede?'



409 

Sc. van elders dan via de aan de commissie ter hand gestelde stukken aangevoerd.



410 

In de nu volgende notities is Groen weer aan het woord.



411 

Zie n. 73.



412 

Van De Kock. Zie voor Groens samenvatting van dit rapport Bijlage B.

413 

Van De Pélichy, d.d. 1 aug. 1840, no. 2 (D 200/geheim); cf. Rapport, p. 2; Hemkes, Handboek I, 379. Groens samenvatting van dit rapport in Bijlage A.

414 

De Haagse arts E. S. Stein; cf. Briefw. V, 344, 7; Kuiper, Geschiedenis, p. 74.

415 

Van A. de Jager (zie bibliografie s.v.), reeds genoemd in n. 90.



416 

Zoals uit de tekst van het rapport blijkt, werd Groens wens niet vervuld.



417 

Cf. Bijdrage tot herziening, p. 90: `De vereeniging der Gezindheden op de scholen is noodlottig; Verspreide geschriften II, 161; 167; 172; Over het ontwerp, p. 153; Antwoord aan J. de Bosch Kemper, p. 26; `Adviezen 1840, p. 56/7; 85; Het regt der Hervormde gezindheid, p. 149; Aan de kiezers [De Vries no. 96] II, 2. Zie ook n. 221 van no. 96.

418 

Versta: mag onderwezen worden.



419 

Of godsd[ienst]onderrigt?



420 

Versta: Dat is automatisch het geval etc.



421 

Sc. van de tiendaagse `week' der Franse revolutie; cf. De Tweede Kamer en de volksopvoeding, p. 102, 2.

422 

Dit woord werd in de negentiende eeuw vaak als onzijdig beschouwd. Zie b.v. het Algemeen reglement van 1816, Tweede afdeeling. Van het Sijnode (Van Loon, Het algemeen reglement, p. 225).

423 

Sc. al die uren geven.



424 

Potloodaant. van Groen hier rechts onder: `Ik ben genoodzaakt het te zeggen. Ik vrees het niet.' Hij zinspeelt op de in 1836 verschenen verhandeling van P. van der Willigen (zie bibliografie).



425 

Deze vraag keert telkens terug in Groens latere geschriften. Zie n. 9 van no. 69.



426 

Zie n. 147.



427 

Zie n. 398a.



428 

Sc. zoals Groen ze begeerde.



429 

Zie n. 119 en 289‑292.



430 

Van den godsdienst (art. 190‑196).

431 

Zie n. 3.



432 

Zie n. 269. Het Besluit is ondertekend door (Willem I en) A. R. Falck. Kemper was een van de acht leden der commissie die bij K. B. van 18 jan. 1814 no. 66 ingesteld was om een rapport te leveren over het hoger onderwijs. De tekst van het laatstgenoemde K.B. in Bijvoegsel tot het Staatsblad, nieuwe uitg., 1e serie, p. 15. Art. 2 van het K.B. van 2 aug. 1815 luidde: `Het staat ieder, die zich daartoe geschikt voelt, vrij, in de onderwerpen van dit onderwijs aan anderen onderrigt te geven, doch, bij de tijdsberekening der studiën, zal alleen in aanmerking komen het onderwijs, genoten van inrigtingen, door algemeen gezag gevestigd en erkend.' Ook de katholieken zagen Kemper als de kampioen voor vrijheid van (middelbaar en hoger) onderwijs. Cf. Witlox, De Katholieke staatspartij I, 198; II, 260.

433 

Handelt over de twee klassen van de `Bijzondere Scholen'. Zie n. 287; 352; 367.



434 

In de wetsontwerpen van 13 oct. en 26 nov. 1829 werd onderscheid gemaakt tussen huiselijk en openbaar onderwijs. Het laatste bestreek zowel de `gouvernementsinrichtingen' als de bijzondere scholen. De aanmatiging lag dus hierin, dat (ook) het bijzonder onderwijs tot het openbare gerekend werd. Cf. De Nooij, Eenheid, p. 110; 134; Thorbecke, Aanteekening (1906) II, 295; Witlox, De Katholieke staatspartij I, 149, 1.

435 

Hs. abusievelijk: `I, p. 305'. Thorbecke betoogt er op p. 305 van de eerste druk (die in één deel compleet is; cf. 2e dr. II, 295) m.b.t. art. 226 van de grondwet van 1815: `Men drong niet door, men hield zich aan de oppervlakte, en gaf een voorschrift, dat, als een flaauw overblijfsel van een krachtig, hoezeer vormloos, voorstel, zoo min mogelijk zeide. Het openbaar onderwijs: is openbaar dat van Staatswege, of in 't gemeen al wat met open deuren wordt gegeven? In de taal der wet heeft het woord zijne bepaalde, staatsregtelijke beteekenis, waar de zin niet duidelijk de andere eischt. En hier spreekt ook de zin voor de eerste. Der regering wordt aanbevolen, voor het publiek onderwijs aanhoudend zorg te dragen, in de behoefte of verbetering er van gestadig te voorzien. Is de inrigting van het publiek onderwijs aan het Gouvernement alléén gelaten? Het artikel treedt in die vraag niet.'

436 

Sc. De l'instruction publique en Hollande (zie bibliografie).

437 

Men leest t.a.p. (ed. 1838): `Quoique ma principale occupation au siége du gouvernement hollandais ait été l'étude du système général de l'instruction publique en Hollande, je ne pouvais entièrement négliger les écoles particulières qui se présentaient à moi à la Haye.'



438 

Zie n. 294.



439 

Cf. Gréard, La législation I, 236.

440 

Aanhalingstekens door de bewerker toegevoegd. Groen citeert hier waarschijnlijk een uitspraak van `de drie leden'. In het Rapport komt zij niet voor.

441 

De jury's waren in het zuiden ingesteld bij K.B. van 9 sept. 1817. Cf. Hemkes, Handboek I, 300; De Nooij, Eenheid, p. 49; Stokman, De religieuzen, p. 41‑46.

442 

Zie voor de gedachtengang p. 628; voor de uitdrukking Harrebomée, Spreekwoorden II, 223.

443 

Reeds geciteerd in n. 139. Twee marginale aant. van Groen hierbij: [1.] `Deze autorisatiën zullen niet dan om zeer gewigtige redenen kunnen geweigerd worden; en zullen in allen gevalle vóór zoodanige autorisatie te weigeren, de redenen der weigering, door tusschenkomst van B[innenlandsch] D[epartement], aan onze beoordeeling moeten worden onderworpen.' [2.] `De aut[orisatie] zal niet geweigerd worden dan om zeer g[ewigtige] redenen, die vooraf, door tusschenkomst v[an] B[innenlandsch] D[epartement], aan onze beoordeeling zullen w[orden] ond[erworpen]; zoodat de zaak, binnen twee maanden na de aangifte, geheel afgedaan zij.' De eerste aant. bevat vermoedelijk de door Piepers voorgestelde additie, de tweede Groens voorstel. De termijn van twee maanden vindt men niet terug in het rapport van de commissie. Zie Rapport, p. 9.

444 

Versta: vereist.



445 

Geen enkel aanknopingspunt gevonden.



446 

Hier is weer art. 4 van Reglement A bedoeld. Daarin wordt ook gehandeld over de huisonderwijzers, die `het zij in hunne eigene, het zij aan de huizen van anderen, aan eenen of meerdere leerlingen in eenig gedeelte van het Lager Onderwijs, boven in Art. 1 omschreven, onderrigt geven' (Hemkes, Handboek I, 106). Cf. De Raadt, Lager onderwijs, p. 373.

447 

Interpretatie van `aan eenen of meerdere leerlingen.'



448 

Uit het vervolg blijkt, dat er nieuwe stukken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en van de Raad van State ingekomen waren.



449 

Zie n. 447; Rapport, p. 14.

450 

Deze circulaire van Van den Ende `over het examineren in de Fransche taal' is afgedrukt in Hemkes, Handboek II, 108‑123.

451 

Cf. Hemkes, Handboek I, 118: `Men zoude echter aan de woorden van de wet een of meerdere leerlingen eene te uitgebreide beteekenis geven, indien men vermeende, dat dezelve den Huisonderwijzer veroorlooven vele leerlingen tevens te onderwijzen. Neen, al wat het voorkomen verkrijgen zou van Schoolonderwijs is hem verboden; de zamenvoeging der woorden een en meerdere brengt ook reeds mede, dat met het laatste niet dan weinige kunnen bedoeld zijn, het welk men, mijns inziens, hoogstens op drie of vier zou moeten bepalen.'

452 

Zie n. 139.



453 

De koning gaf daarin de volgende toelichting op art. 1 en 2 van het K.B. van 27 mei 1830: `. . . Wij verklaren bij deze, dat de bedoeling van Ons Besluit van den 27 mei 1830 (Staatsblad No. 9) is geweest, om de vergelijkende examens, bij het toelaten van onderwijzers voor bijzondere scholen van de tweede klasse, in den regel bij te behouden . . .' (Hemkes, Handboek I, 360).

454 

Hier is Reglement B (Verordeningen op het afnemen en afleggen der Examens van degenen, welke Lager Onderwijs begeeren te geven in de Bataafsche Republiek) bedoeld. Art. 22 regelt de `Algemeene Toelating' van school‑ en huisonderwijzers; art. 23 handelt over de examens voor de `drie lagere Rangen van Schoolonderwijzers' (Hemkes, Handboek I, 127/8).

455 

Weer van Reglement A. Zie n. 446.



456 

Uit Groens résumé valt niet op te maken om welke verklaring het gaat. Misschien is zij vervat in de tussen aanhalingstekens geplaatste formulering van de volgende zin.



457 

Niet duidelijk of dit als nieuwe formulering dan wel als toevoeging van art. 4 van Reglement A voorgesteld werd.



458 

Zie n. 446.



459 

Aanhalingstekens van de bewerker. Deze woorden komen voor in art. 4 (n. 446).



460 

Zie n. 190.



461 

Versta: niet alleen.



462 

Hs. abusievelijk: `om'.



463 

Zie n. 116.



464 

Zie Rapport, p. 1‑15.

465 

Zie p. 611.



466 

Marginale aant. van Groen: `Raad van onderwijs?'



467 

De school van Prinsen te Haarlem.



468 

Waarschijnlijk is de constituering van de `gemengde staatscommissie' (n. 466) bedoeld.



469 

Of administr[ator]? Bedoeld is de `kerkvoogd' Henricus den Dubbelden, sinds 1831 `administrator apostolicus' van Den Bosch; cf. Katholieke encyclopaedie IX, 463/4. Hier moet zijn tweede adres aan de koning d.d. 31 dec. 1840 bedoeld zijn. Cf. Witlox, De Katholieke staatspartij II, 21.

470 

Niet duidelijk wie hier door Groen geciteerd wordt.



471 

Zie Rapport, p. 1.

472 

Zie Rapport , p. 1/2.

473 

Hs.: `zich zouden'. Men kan ook vóór de zin denken: `De commissie meent, dat etc.'



474 

Marginale aant. van Groen: `zaak'.



475 

Sc. spreken.



476 

Zin aangevuld met behulp van Rapport, p. 2 r. 8‑6 v.o.

477 

Aangevuld naar Rapport, p. 2 i.f.

478 

Zie Rapport, p. 3 al. 1.

479 

Zie Rapport, p. 3 al. 3.

480 

Zie Rapport, p. 3 al. 4.

481 

Zie Rapport, p. 3 al. 5.

482 

Zie Rapport, p. 3 al. 7.

482a 

Aangevuld naar Rapport, p. 3 r. 12‑11 v.o.

483 

Zie Rapport, p. 3 r. 5 v.o.

484 

Zie Rapport, p. 4, 3e al. v.o.

485 

Zie Rapport, p. 4 al. 5.

486 

Zie Rapport, p. 5 r. 2.

487 

Zie Rapport, p. 7 al. 2.

488 

Zie Rapport, p. 6 sub b; p. 7 sub d.

489 

Sc. der gezindheden.



490 

Hoewel de vergelijking met n. 454 zich opdringt, lijkt de context in de richting van art. 23 van Reglement A te wijzen. Zie n. 6.

491 

Sc. art. 22 van Reglement A. Zie n. 36.



492 

De nu volgende zin staat niet onder Kist, maar in margine. Aanhalingstekens van de bewerker.



493 

Deze suggestie (van Kist?) werd vermoedelijk gedaan in het sub 16 jan. 1841 genoemde `stuk van prof. Kist'. Hiermee moet zijn Nadere beoordeeling van de Nadere toelichting van Van Wijckerslooth (Van Vree) bedoeld zijn. Cf. Witlox, De Katholieke staatspartij II, 45; De onderwijsstrijd, p. 69. Zie voor de Nadere toelichting: Rapport, p. 35‑38.

494 

Geen afschrift hiervan sub ARA, G. v. P., no. 35. Witlox geeft de vindplaats van Kists stuk niet op.



495 

Des Amorie van der Hoeven, Van der Capellen en Kist. Zie Rapport, p. 10 r. 7.

496 

Zie Rapport, p. 11, 3e al. v.o.

497 

Het is onduidelijk waarmee deze c correspondeert. Groen vat hier het vijfde punt van de drie leden samen; cf. Rapport, p. 12/3.

498 

Zie Rapport, p. 12 r. 5 v.o.; Verspreide geschriften II, 170; Thiersch, Ueber den gegenwärtigen Zustand I, 26‑40.

499 

Zie n. 414; Rapport, p. 15 r. 3.

Noten bij Bijlage A en B van no. 47.



1 

Zie n. 413. Een copie van het rapport van De Pélichy in ARA, Kabinet des konings, inv.‑nr. 4533 (sub 19) als no. 2/D 200 geheim, exh. 23 nov. 1840 La E58 (= no. 3 van de `Lijst van stukken' behorende bij het rapport van de op 12 nov. 1840 benoemde staatscommissie). Het rapport van De Pélichy beslaat 28 p. Cf. Lastdrager, Bijdrage, p. 14; Boekholt, Het lager onderwijs, p. 214; 352 n. 130; Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 238 sub e.

2 

Sc. Reglement A. Zie n. 6; Rapport, p. 7; 9.

3 

Zie n. 216; Rapport, p. 4; 7 sub e; 9.

4 

De naam van deze Arnhemse advocaat die bij K.B. van 8 dec. 1839 tot schoolopziener benoemd was, wordt door De Pélichy niet genoemd, maar aangeduid met `de schoolopziener, wiens geschrift, getiteld Oproer en priesterdwang het doorslaandste bewijs van zijnen onverzoenbaren en blinden haat, jegens de Katholijke kerk en haar opperhoofd, heeft ten toon gespreid . . .' Cf. Briefw. II, 346, 1; Boekholt, Het lager onderwijs, p. 212 e.v.; Korevaart, Het dagblad, p. 167 n. 43.

5 

Sc. van de r.k. `kerkvoogden' en de Gedeputeerde Staten van Noord‑Braband.



6 

Zie n. 3; Rapport, p. 5.

7 

Zie n. 119.



8 

Zie n. 412. D.d. 20 nov. 1840. Copie in ARA, Kabinet des konings, inv.‑nr. 4533 als no. 530/geheim (sub 64). Dit hs. telt 95 p. Cf. Van der Giezen, Een halve eeuw, p. 239 sub g, samengevat op p. 134 en bij Witlox, De onderwijsstrijd, p. 44/5. Zie ook Boekholt, Het lager onderwijs, p. 226. Dit rapport van De Kock was identiek met dat van 11 nov. 1840 (no. 507/zeer geheim). Cf. Hemkes, Handboek I, 377; Witlox, De onderwijsstrijd, p, 44, 1; Lastdrager, Bijdrage, p. 14.

9 

[with appendices and plans of school‑houses 1839‑1840]. (London, Her Majesty's Stationary Office, 1840.) Cf. De Raadt, Lager onderwijs, p. 13; 191 e.v.; 229; 293. In deze Minutes werd op p. 50 over de Hollandse scholen beweerd, dat `Biblical history . . . and religious and moral instruction are imparted in all . . .'; cf. De Raadt, Lager onderwijs, p. 195; rapport van De Kock, p. 13.

10 

Sc. van 27 mei. Zie n. 139.



11 

Een citaat van bijna twee blz. uit De l'état de l'instruction primaire waarvan een gedeelte is aangehaald in n. 333. Zie het rapport van De Kock, p. 24/5.

12 

Zie het rapport van De Kock, p. 26: `Te dien opzigte kan ik mij wel vereenigen met het gevoelen van den roomsch‑catholijken Ramon de la Sagra: `Il suffit de laisser l'instruction primaire abandonnée à l'instruction particulière pour que les partis politiques, les Sectes religieuses se saisissent des écoles pour les exploiter à leur profit et dans l'intérêt de leurs vues exclusives'.'



13 

Lees: [Rapport‑Allemagne] I, 227 (= p. 394 in de nouv. éd. van 1833).

14 

Cf. O'Malley, Schets, p. 8.

15 

Zie n. 6 van Bijlage A.

16 

Zie n. 260.



17 

Zie het rapport van De Kock, p. 49 e.v.



18 

A. A. Reael; cf. Briefw. II, 397, 8; Witlox, De Katholieke staatspartij II, 23; 310.

19 

Tekst in De Visser, Kerk en staat III, 668‑672; cf. Hemkes, Handboek I, 175/6.

20 

Zie n. 361.



21 

Zie het rapport van De Kock, p. 61.



22 

Sc. van de provinciale schoolcommissie.



23 

Zie n. 162.



24 

Versta: normaalschool (kweekschool); cf. Sluys, Geschiedenis, p. 90, 1; 251, 2. Zie n. 408a.

48

1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.