Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina15/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   78

I. Adres aan koning Willem II2
De ondergeteekenden3, leden der Nederlandsche Hervormde kerk, achten zich, als Nederlanders, als getrouwe onderdanen, en vooral ook als christenen verpligt, met den meesten eerbied, met de meeste openhartigheid, en met den meesten ernst aan U.M. te onderwerpen hunne bezwaren en hun protest tegen de vernieuwing en tenuitvoerlegging van een concordaat met den Pausselijken Stoel.

Zij vertrouwen dat er tot zoodanigen maatregel bij U.M. slechts eene beweegreden mogelijk is: de zucht om regtvaardig te zijn jegens allen; de onderstelling dat de overeenkomst in 1827 gesloten ook thans nog, behoudens eenige wijzigingen, haar kracht ten volle behoudt.

De ondergeteekenden zijn van het tegendeel en bovendien (het zij met bescheidenheid gezegd) van het ongeoorloofde en verderfelijke van den maatregel op de navolgende gronden overtuigd.

Omdat een concordaat geenszins kan worden beschouwd als een tractaat met eene vreemde mogendheid, maar niet anders is dan eene verordening waarbij de aangelegenheden eener hier te lande erkende gezindheid, met overleg en goedkeuring van haar kerkelijk opperhoofd, op meer geregelden voet worden gebragt.

Omdat bovendien de bedoeling der contractanten, namelijk de eenparige regeling der aangelegenheden van de Roomsche kerk in het gansche rijk, door de afscheuring van België vervalt.

Omdat hetgeen van 1827 tot 1830 plaatsgehad heeft bezwaarlijk met eene getrouwe naleving van het concordaat aan de zijde van Rome en van degenen op wie zij invloed uitoefent, overeen kan worden gebragt.

Omdat, indien men in 1827 gemeend heeft van het protestantsche Holland ook nog dit offer aan de Roomsche kerk en aan4 de staatkunde van het rijk, gelijk het toen bestond, te kunnen vergen, een soortgelijke eisch in de hoogste mate bedenkelijk wordt, nu Holland, ten gevolge onzer heillooze vereeniging met het roomsch‑catholijke België in een toestand van uitputting en in velerlei moeijelijkheden verkeert; nu het voor beproefde trouw en veelvuldige opoffering een ander loon dan het miskennen zijner tederste en heiligste belangen verwacht; en vooral ook nadat er, wij mogen het niet verzwijgen, omstandigheden zich opgedaan hebben, waarbij het nationaal en protestantsch gevoel beleedigd is geworden op de meest grievende wijs.5

Omdat elk concordaat, uit den aard der zaak, èn door den grondslag waarop het de regten der Roomsch‑Catholijke kerk vestigt, èn door de gevolgen die het onvermijdelijk na zich sleept, eene verbreking is der grondwettige gelijkheid der gezindheden, en zulks ten voordeele eener kerk welke door U.M., noch als vorst uit het huis van Oranje‑Nassau, noch als lidmaat der Hervormde kerk, noch als constitutioneel monarch, bij voorkeur mag worden beschermd.

Omdat elke begunstiging van dien aard, waardoor zelfs in de gewone maatschappelijke zamenleving de goede verstandhouding tusschen roomschen en protestanten in de waagschaal gesteld wordt, welligt zeer spoedig eene gevaarlijke spanning teweegbrengen zou in een land welks regering, om kracht en duurzaamheid te hebben, niet behoort te vergeten dat het, om der godsdienst wille, door Uwer Majesteits godvruchtige voorvaders vrijgestreden werd; dat men er de strekking der Roomsche kerk ook door de ondervinding der voorgeslachten kent; en dat men, Gode zij dank! er ook nog in onze dagen niet geheel onverschillig is aan het geloof voor hetwelk zoovelen, op dezen protestantschen bodem, het leven, hetzij op den brandstapel, hetzij op de slagvelden veil gehad hebben.

De ondergeteekenden zijn overtuigd dat deze vrijmoedige opgave6 door U.M. hun ten goede zal worden geduid; zij meenden niet langer te mogen wachten ook bij het aanschouwen der beweging die zich in de gemoederen, sedert eenigen tijd, openbaart; en zij eindigen met den hartelijken wensch dat U.M., niet uit toegeeflijkheid, maar uit overtuiging, een onderhandeling afbreke wier gevolgen, in hun noodlottigen aard, maar geenszins voorzeker in hun uitgestrektheid berekenbaar zijn.


II. Verhouding van kerk en staat7
Te midden der verwarring van begrippen, welke thans met betrekking tot de regtskundige zijde der aanhangige questiën heerscht, komt het mij voor dat een zekere maatstaf, ter toetsing der zoo uitéénloopende meeningen, alleszins wenschelijk, en ook te vinden is.

Het is mij duidelijk, dat de revolutie, na alles omgekeerd te hebben, een nieuw zoogenaamd staatsregt heeft doen ontstaan, waarvan het zoo hier als elders een hoofdbeginsel is geweest, dat de kerk in deszelfs uiterlijke betrekking aan het staatsgezag is onderworpen.

Dit blijkt, dunkt mij, overvloedig uit eene onbevooroordeelde beschouwing van de praktijk, welke ten dezen, sedert 1795 is gevolgd, en van de interpretatie, welke ook aan de grondwet, sedert de restauratie is gegeven.

Ik erken, dat dit stelsel wel niet altijd met doorgaande consequentie, vooral niet met betrekking tot de Roomsch‑Catholijke kerk is toegepast; maar hierin, gelijk in al het andere, is het revolutionaire staatsregt inconsequent geweest.

Derhalve te beweeren, dat volgens de grondwet de kerken hier te lande, op grond van derzelver gelijkstelling vorderen kunnen datgene, wat tot derzelver wezen onontbeerlijk is: dit komt mij voor te zijn, als beginsel te stellen, dat de grondwet het onafhankelijk bestaan der kerken en derzelver vrije zelfstandigheid, als van den staat gescheidene corporatiën heeft gewild, of intact heeft gelaten.

Men zegt: de grondwet bepaalt niets daaromtrent; men vindt er geene argumenten in noch voor, noch tegen deze meening; 't is dus zaak, dat degenen, die gezonde, en door de herkomst der eeuwen beproefde beginsels verdedigen zich het stilzwijgen der grondwet ten nutte maken, om datgene te verkrijgen, wat het ware regt en de natuur der dingen gebiedend vordert.

Ik zou dit kunnen toegeven, indien men in abstracto te onderzoeken had, wat de grondwet inhield, of niet inhield; doch moet men deze beschouwen in verband met hare wording en de geschiedenis van het gansche revolutionaire tijdperk, dan kom ik tot een geheel ander besluit.

Ik zie, dat sedert de revolutie, ten aanzien van godsdienstige begrippen, bij den staat volslagen onverschilligheid is geweest, dat de ontwerpers der grondwet het bestaan van onderscheidene gezindheden hebben erkend8, (let wel dat hier van geene kerken, ook niet van derzelver vrijheden of regten gesproken wordt). Men zag niet duidelijk in dat eene gezindheid (verbo een onstoffelijk iets) eene ware invleesching noodig had om een geheel te kunnen vormen. Over den geest matigde men zich niets aan, dáár verlangde men niets mede te maken te hebben. Maar over het vleesch kende men zich hier meer, daar minder, overal eenig staatsgezag toe: en geen wonder: zonder dien toch moest er, volgens de revolutionaire theorie, een imperium in imperio9 ontstaan. Daarvan wilde men niet weten. Men begreep echter, dat geene der gezindheden door overwigt der andere lijden moest, en waarborgde dus van de neutrale hoogte, of laagte, waarop men zich geplaatst vond, aan alle gelijke bescherming.10

Hierin, maar ook hierin alleen, was, dunkt mij, door de grondwet eene beperking van het staatsgezag, daargesteld. Men zou hiertegen kunnen aanvoeren: de grondwet heeft toch het bestaan van alle onafhankelijke ligchamen niet willen afschaffen. De heemraadschappen, de gewestelijke en gemeentebesturen zouden hunne huishoudelijke aangelegenheden, onafhankelijk van staatsgezag blijven beheeren. De ridderschappen zijn hersteld, etc.

Zeker getuigen de bepalingen, welke deze onderwerpen betreffen, eensdeels, dat bij sommige ontwerpers der grondwet nog traditiën bestonden, overblijfsels der oude beginselen, en dat zij niet alle in het enge keurslijf der revolutionaire consequentie ruimer adem hebben kunnen halen; anderdeels, dat men de noodzakelijke gevolgen niet inzag, waartoe de valschheid van het gansche stelsel leidde, en grondregels heeft getracht te paral[l]elliseeren, welke uit den aard der zaak strijdig waren. Maar de tegenwerping geldt, dunkt mij, dan ook alleen voor de genoemde onderwerpen. En ik vind geene vrijheid, om, per analogiam te besluiten, dat men daarom ook het onafhankelijk en zelfstandig bestaan eener hetzij Protestantsche, hetzij Katholijke kerk zou hebben gewild, in strijd met de kennelijk te dien aanzien heerschende begrippen en meeningen. 't Geen spoedig met de Hervormde kerk is gevolgd11 heeft dit genoeg bewezen. Met de Katholieke kerk is men aan die beginselen niet zoo getrouw gebleven; doch kan men daarom geacht worden, dezelve geheel en al te hebben vaarwel gezegd? Vele feiten en omstandigheden bewijzen het tegendeel.

Hoe is het mogelijk, dat staatslieden, die in eene nieuwe staatsregeling de regten en vrijheid der kerken hadden willen erkennen, zoodanig als de eeuwen die hadden daargesteld, van zoo gewigtige aangelegenheid geene melding zouden hebben gemaakt, daar de geringste en ongeleerdste der ledematen van die instellingen, dummodo echte ledematen, zich aan dat zelfstandig bestaan ten hoogste gelegen laten liggen.

Neen men heeft toen en ook sedert dat niet gewild; doch thans heeft de tijd geleerd, wat toen duister was, of niet wilde geweten worden, dat de afscheiding van twee noodwendig verbonden zaken, te weten gezindheid en kerkbestaan, eene hersenschim was, die niet dan in ongeloof en onverschilligheid eene tijdelijke realisatie kon vinden.


III. Over het concordaat I12
Sedert lang heeft geen onderwerp de algemeene aandacht in gelijke mate gespannen als het concordaat.13 Allerwege de gemoederen verontrust. Geen wonder: het geldt de verhouding der gezindheden onderling en tot den staat14, het geldt eene zaak waarvan een ieder gevoelt, dat zij regtstreeks of zijdelings hemzelven in de meest gewigtige en teedere belangen betreft. Geen onderwerp dat zooveel tegenkanting opgewekt heeft. En ook dit is niet vreemd. Want iedereen berekent ligt wat de verwezenlijking teweegbrengen zou, daar reeds de mogelijkheid der zaak spanning, wantrouwen, en verdeeldheid heeft doen ontstaan.

Ik acht die tegenkanting regtmatig; gewettigd en voorgeschreven door de staatsregeling en door het pligtgevoel van elk protestant, ik zou kunnen zeggen, van elk Nederlander, die den koning eert15, het vaderland liefheeft, en prijs op evangelische beginselen stelt. Thans nog tijdig. Liever nu met kalmte overwegen, eer de zaak tot stand gebragt is, dan zich later te beklagen; met de drift, opgewondenheid, en bitterheid die zich dan zoo ligt in de uitdrukking van droefheid en teleurstelling mengt. Openlijk.16 Dergelijke zaken niet in 't geheim. Aller belang op het spel. Aller aandacht opgewekt. Men zou door geheimzinnigheid de angstige gewaarwording verhoogen; en zich berooven van het nut eener opzettelijke toelichting. Vooral noodig, waar anders zoo ligt de schijn eener soort van zamenspanning der protestanten jegens de roomsch‑catholijken zou kunnen ontstaan. Ik wensch mijne bezwaren aan alle mijne landgenooten open te leggen, en er is niets onder dat ik niet aan elken welgezinden verlang te zeggen, en aan elken kwalijk gezinden zeggen durf.

Voor mij is het spreken, welligt meer nog dan voor anderen, pligt.17 Meermalen heb ik op de handhaving van de regten der roomsch‑catholijken gedrongen. Doch ik wensch niet dat mijn stilzwijgen thans aanleiding geve tot misverstand, alsof ik onder die regten begrepen zou achten, hetgeen ik integendeel als aanmatiging en onregt beschouw. Ook in het protestantsche Nederland moet regt geschieden aan allen; ook aan den roomsch‑catholijken, maar geen begunstiging; gelijke bescherming18, maar geene onderwerping aan de Roomsch‑Catholijke kerk.19 Ik verzet mij tegen het concordaat, omdat ik het als een eersten en gewigtigen stap tot zoodanige onderwerping beschouw.

Ik neem niets terug van hetgeen ik meermalen ten voordeele mijner roomsch‑catholijke landgenooten gezegd heb. En ik kan mij dus geenszins vereenigen met een groot deel der bedenkingen en redeneringen welke te dezer gelegenheid in het midden gebragt zijn. Ik kan niet toestemmen dat de Roomsche kerk in een toestand van ondergeschiktheid aan den staat zou moeten worden gebragt, dien ik onvereenigbaar acht met de verhouding welke tusschen staat en kerk behoort te bestaan; onvereenigbaar met het wezen en aanwezen eener kerk. Ik kan het geenszins wenschelijk achten dat die kerk van regten worde beroofd, wier vrije uitoefening tot de vrijheid van godsdienst en geweten behoort. Ik kan in de miskenning van de regten der Gereformeerde kerk geen reden vinden om op de miskenning van de regten ook der Roomsche kerk, bij wijze van grondwettige gelijkstelling, te dringen. De gelijkheid bij de grondwet bedoeld, is eene gelijke bescherming: eene gelijke handhaving, niet eene gelijke vernietiging der regten die zij aan allen toegekend heeft. En zoo velen te dezer tijd, zeer teregt, geene volkomene emancipatie zouden verlangen voor de Gereformeerde kerk, dewijl zij ons slechts in een veel erger juk zou doen vallen, geeft deze tijdelijke weerzin ons geen billijken grond om aan anderen de vrijheid te onthouden, welke door ons als grondwettig aangemerkt wordt.20

Ik kan mijne goedkeuring niet hechten aan de voorstellingen eener Roomsch‑Catholijke kerk, waarbij de paus bijna terzijde wordt gesteld, of eener Nationale‑Catholijke kerk21 die zich een bloot‑episcopaal bestuur zou laten gevallen. Ik heb weinig op met de aanhalingen uit een Van Espen22, of De Pradt23; van ongeloovigen, of liberalen, of ook wel van roomsch‑catholijken die op den weg zijn van protestantsche christenen te worden. Vermaningen van dien aard zullen weinig baten; veeleer wantrouwen wekken; wij kunnen ons in die inwendige twisten niet mengen24; het is niet door eene raadgeving buiten den kring der kerk dat men een schisma24a bevorderen zal. En wij hebben gelijke bescherming beloofd ook aan de Roomsche kerk die, volgens de kerkvergadering van Trente, den paus als haar wettigen opperkerkvoogd erkent. Alle redeneringen, waarbij men, in de verlegenheid geraakt zijnde, thans de regten der roomsch‑catholijken tracht, op kunstmatige wijs, te beperken en terug te nemen hetgeen men, teregt of ten onregte, gaf, acht ik onjuist, verkeerd, geschikt om aan de meest regtvaardige zaak een schijn van onregt bij te zetten. Ik verwerp ze, niet slechts uit eigenbelang; omdat ze straks ook op de kerk waartoe ik behoor, toegepast kunnen worden; maar ook uit regtschapenheid; en liever zag ik de grondwet als onuitvoerlijk verscheurd dan ze telkens door alle partijen, naar tijdelijk belang, verwrongen te zien. Ik stem dus gereedelijk in met het beginsel om regtvaardig te zijn jegens allen; en om tegen aanmatiging een waarborg te zoeken, niet in kleingeestig afdingen op hetgeen men met billijkheid eischt, maar in vorstelijke trouw25 en grootmoedigheid, waardoor tevens dankbaarheid en ontzag ingeboezemd wordt. Ik heb mij in deze verandering van staatkunde verblijd; ofschoon die vreugde zeer is getemperd toen men, in de vermeende toepassing van dit beginsel, er metterdaad van afgeweken is en in aangelegenheden van hoog gewigt, wier opzettelijke overweging zeer wenschelijk zou zijn, ook datgene waarop de roomsch‑catholijk geen regt had, toegestaan heeft.26 Doch, dit daargelaten, de staatkunde zelve is lofwaardig. Na dit standpunt aangewezen te hebben, ga ik over om de tenuitvoerlegging van het concordaat van 1827 aan het belang des vaderlands en aan de eisschen van het Nederlandsche staatsregt ter toetse te brengen. Hiertoe is het noodig het concordaat van 1827 van naderbij te beschouwen.27

En vooreerst heeft men welligt te weinig gelet op het verband waarin het staat tot de overige maatregelen die het gouvernement genomen heeft ten aanzien der roomsch‑catholijken. Die handelwijs is eene reeks van misslagen geweest. In 181628, door het geweld, ter vestiging, zoo men dacht, van de grondwet gebruikt; in 1825 door de Besluiten waarmede men zelfs de opleiding der geestelijkheid aan den band wilde leggen, had men bij de roomsch‑catholijke bevolking een misnoegen opgewekt hetwelk, na langdurige minachting, eindelijk vrees had doen ontstaan. Het concordaat zou het geneesmiddel zijn. Onregt in sommige zaken zou door begunstiging op andere punten worden vergoed. Maar, indien dit het voorname doel geweest is, dan blijkt hieruit dat bij de staatkunde die men thans aangenomen heeft, een concordaat overbodig is geworden; er is geen geneesmiddel noodig waar de ziekte opgehouden heeft, en ook geen compensatie komt te pas, wanneer het onregt hersteld en de schuld afgedaan is.



Ten anderen moet men wel in het oog houden de betrekking die het concordaat tot het oude Nederland, tot ons vaderland

had. Dit werd aan de vermeende behoefte van België en aan de eenvormigheid van het tweeslachtig rijk ten offer gebragt. België moest een concordaat hebben, en dus, waarom niet? zou het toegepast worden op de noordelijke gewesten. Trouwlooze vijanden zouden welligt ten koste van trouwhartige vrienden bevredigd kunnen worden. Ik erken de moeijelijkheid waarin het oppermagtig bevel tot innige vereeniging van strijdige bestanddeelen de regering sedert 1815 had gewikkeld; doch die moeijelijkheid scheen eindelijk terzijde gesteld; het oogenblik was daar dat de schaal ten voordeele van België niet slechts overhellend, maar geheel overgeslagen scheen; en, zonder de scheuring van 1830, ware Nederland van lieverlede geheel onder den invloed en de heerschappij van het roomsch‑catholijke en Franschgezinde België geraakt. Het was juist hierin dat voor velen de waarde van het concordaat bestond. Maar thans gaat ons de behoefte van België niet aan; behoort de eenvormigheid, die de Conferentie29 ons dwaasselijk opgelegd had, niet meer [tot ons nadeel te strekken]; en thans, na zooveel opoffering en leed, ten gevalle van België, ten gevolge van die heillooze vereeniging, ten gevolge van den heilloozen opstand, verlangt het protestantsche Nederland iets anders dan een concordaat.30 Ik wil niet vragen of de roomsch‑catholijken in 1830 overal pligtmatige gezindheden aan den dag gelegd hebben; niet vragen of de trouw der Noord‑Brabantsche geestelijkheid met de vrees voor liberale dwaalbegrippen en zelfs met de voortdurende inlegering van 100/m[ille] man31 in eenig verband heeft gestaan; ik erken gaarne de verdiensten die ook roomsch‑catholijken gehad hebben; maar het protestantsche Nederland heeft toch ook regt om voor trouw en opoffering te worden beloond; en om niet in de meest tedere en heilige belangen, een grievend onregt te ondergaan.

Eindelijk de gevolgen. De koning32 heeft er, bij de roomsch‑catholijken niets bij gewonnen. Hij is desniettemin gedwongen geweest één voor één zijne Besluiten in te trekken, na er langen tijd bij te hebben volhard. De oude bezwaren zijn dezelfde gebleven; een aantal nieuwe moeijelijkheden zijn ontstaan. Reeds de uitvaardiging van het concordaat door den paus bragt eene quasi‑geheime circulaire33 te voorschijn, waardoor de klove die men gemeend had te dempen, bleek wijder geworden te zijn. Hoe meer verwachting, hoe meer teleurstelling, hoe meer verbittering en toorn. De spanning hierdoor ontstaan heeft een zeer gewigtigen invloed op de volgende gebeurtenissen gehad; het concordaat is een hoeksteen der unie geweest. En welke gevolgen zou het gehad hebben, indien het inderdaad ten uitvoer ware gelegd; indien men beproefd had den bisschop van Amsterdam in zijn zetel te stellen34; indien oud‑Nederland, hetgeen in 1827 nog voortsluimerde, door het jubelend lied van paapsche outerslaven opgewekt was . . . Niets van dit alles heeft toen plaats kunnen hebben35; het kwaad is bij den oorsprong gekeerd; maar zich op dit gebied der gissing te wagen is thans welligt, ter waarschuwing, niet overbodig of ongepast.

Het concordaat van 1827 is dus een misslag, die men, als redmiddel, bij eene gansche reeks van misslagen heeft gevoegd. Waardoor het vaderland beleedigd is geworden. En die wel verre van eenig nut aan te brengen een nieuwe en rijke bron van moeijelijkheden en onheilen is geweest. Niemand heeft zich dus kunnen voorstellen dat dit concordaat, zoo beklagelijk in oorsprong, in strekking, in gevolgen, thans, na dertien jaren, weder in het leven zou worden geroepen. Zoo onbegrijpelijk [was het] dat, hoewel het niet stellig ingetrokken was, hoewel jaarlijks hiervoor eene post op de begrooting werd geplaatst36, hoewel er zelfs beschikkingen in verband met de aanstaande uitvoering genomen werden, niemand er eenig gewigt aan gehecht heeft, niemand ondersteld heeft dat men in goeden ernst daarop bedacht zou kunnen zijn, en de mare dat er onderhandelingen over plaats zou[den] hebben, door het gansche vaderland als een donderslag klonk.

Alleen de wensch om regtvaardig te zijn jegens allen; de gedachte aan de heiligheid der verbonden en dat men verpligt is ook aan vijanden woord te houden. Loffelijk beginsel. Prijzenswaardige naauwgezetheid. Te meer, dewijl men er ons in de laatste tijden niet aan had gewend37: toen een zegevierende opstand een genoegzame grond scheen ter onmiddellijke erkenning van een opgeworpen bewind.38 Maar, heeft men gedwaald, het is goed ongelijk aan zichzelven te worden. En, indien het verbond gerekend kan worden nog te bestaan39, dan is het niet geheel ten onregte dat men het na tien jaren, eigener beweging, uit het stof opgedolven heeft. Indien hier een tractaat is, dan is het door latere gebeurtenissen ten eenemale vervallen.40 De grondslag is weg: de vereeniging der noordelijke en zuidelijke gewesten. Het oogmerk bestaat niet meer: `opdat p. 46'.41 Doch er is meer. Een tractaat behoeft niet gehouden te worden ten aanzien van hem die het door vijandelijkheden verbreekt.42 Letten wij op het gedrag van den paus en van degenen op wie zijn invloed bijna alvermogend is. Ik doe hulde aan de opofferingen ook door zoovele roomsch‑catholijken ten behoeve van het vaderland gedaan. Ik onderzoek niet of er op dit betoon van vaderlandsliefde talrijke uitzonderingen zijn geweest; of het behoud der rust in Noord‑Brabant met de aanwezigheid van het leger in eenig verband heeft gestaan. Liefst laat ik dit een en ander terzijde. Maar hoe is het in België geweest? Hebben daar de roomschen geen deel gehad in den opstand? Hebben de geestelijken aldaar tot gehoorzaamheid aan den wettigen koning openlijk en ook onder de hand opgewekt en vermaand? Heeft de opperherder der Roomsch‑Catholijke kerk zijn ongenoegen op eene doeltreffende wijs geopenbaard?43 Of, zoo deze vragen ontkennend moeten beantwoord worden, is er dan in dit een en ander, alsmede in de erkentenis van vorst Leopold, vóórdat het tractaat van 1839 was gesloten, geenerlei grond om het concordaat van 1827 als vernietigd te beschouwen?

Het rijk der Nederlanden is geenszins vernietigd; het blijft in de getrouwe provinciën bestaan44; maar toch in een gewijzigden vorm. Men behoort ons dus niet langer op te dringen hetgeen door die wijziging vervalt. Zijn er verkeerde instellingen en verderfelijke verordeningen, ten gevolge der vereeniging met België daargesteld, zoo is er nu tenminste geen noodzakelijkheid om die te behouden. In dit opzigt had de herziening der grondwet ruimer moeten zijn. Eene meer Nederlandsche herziening: nu hebben wij èn de Eerste Kamer45, èn hetzelfde omslagtig beheer nog behouden. Het is alsof niets van het eigenaardige teruggenomen en al het vreemdsoortige op vaderlandschen bodem gehandhaafd behoort te worden. Voorrang aan de Protestantsche kerk ware natuurlijk en billijk, historisch en nationaal geweest. In de plaats hiervan geeft men ons het concordaat. Ten gevalle van België is oud‑Nederland met het concordaat begiftigd, laat mij liever zeggen, vergiftigd geworden; en nu zal het zich van het fenijn niet mogen ontdoen?
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.