Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina16/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   78

Maar er is hier geen tractaat geweest; of, zoo er een aangegaan is, dan is de koning buiten den kring zijner bevoegdheid gegaan; en is het nietig en van onwaarde. De paus is het kerkelijk hoofd der roomsch‑catholijken. De onderwerping aan hem, in een meerderen of minderen graad van ondergeschiktheid, is een geloofspunt voor hen: de trouw aan hetgeen zij den Apostolischen Stoel noemen. Dit kan niet worden weggeredeneerd. De koning, ofschoon wij het onnoodig en gevaarlijk achten, kan, ter regeling van die onderwerpen waarop hij als koning invloed behoort te hebben, in overleg treden met den paus als oppersten kerkvoogd eener hier te lande bestaande en talrijke gezindheid, zonder hierdoor zich te vernederen46, of zijn vorstelijk gezag in de waagschaal, of zijn protestantsch karakter terzijde te stellen. De vorst is verpligt bij dit overleg de regten en de zelfstandigheid der kerk in het oog te houden; het kan raadzaam zijn daarbij de meeste inschikkelijkheid te voegen; maar de betrekking van overheid en onderdaan behoort geenszins verloren te gaan.47 Dat de paus vorst is van den Kerkelijken Staat, dat hij zich als den stadhouder Gods en als het opperhoofd der Christelijke kerk beschouwt48, doet niets ter zake. Hier is hij de vertegenwoordiger, de woordvoerder, de zaakwaarnemer der roomsch‑catholijken en niets meer49; hij spreekt in den naam van onderdanen tegen den vorst en hierom mag door hem geen hooger toon dan die van onderdaan worden gevoerd. Op die wijs kan de koning50, ook na beraadslaging met den paus, aan zijne roomsch‑catholijke ingezetenen toestaan al wat regt en billijk is; maar wanneer hij den paus als vorst tegen zich over en als zijnsgelijken51 erkent, als hij met hem een bilateraal contract en een eigenlijk gezegd verbond sluit, dan onderwerpt hij in al hetgeen de belangen der Roomsch‑Catholijke kerk betreft, dat is: in bijna alle gewigtige aangelegenheden, zichzelven en den staat aan een buitenlandsch gezag, of deelt met den paus de souvereiniteit.

Aldus erkent en vestigt men het gezag eener vreemde52 mogendheid, in hetgeen tot den kring onzer eigene bemoeijenissen behoort. Men brengt tot het volkerenregt een onderwerp hetgeen eigenaardig tot het staatsregt53 behoort; men vernedert de Kroon, en stelt de rust en veiligheid des lands op het spel. Het concordaat verbreekt de grondwettige gelijkheid der gezindheden. Wij wenschen wel niet onderdanige hervormden54, maar toch hervormde onderdanen te zijn; doch het staat ook aan andere gezindheden niet vrij zich boven den vorst te verheffen. Wij een verzameling van onderdanen; zij eene mogendheid tegenover den vorst.55 Wij een geoctroijeerd reglement56; zij een mutueel verdrag.57 Doch bovendien, dergelijke omkeering van begrip en betrekking kan, in het belang van den ganschen staat, niet worden geduld. De koning was en de koning is tot het sluiten van een verbond met den paus onbevoegd.58 De Staten‑Generaal, als bewaarders der grondwet, zijn gehouden er zich tegen te verklaren, en voor zoover dit hun mogelijk is, te verzetten59; en het verdrag, het moge dan feitelijk ten uitvoer worden gelegd, heeft geenerlei verbindende kracht.

Ongrondwettig.60 Ongeoorloofd; en daarbij zeer ongeraden. Reeds door het gerucht alleen is de spanning toegenomen op eene waarlijk schrikbarende wijs.61 Algemeen gevoel van weêrzin bij de protestanten. Niet zoozeer omdat hierbij letter en geest der grondwet uit het oog verloren wordt; maar dewijl men ligtelijk ontwaart dat, door de officiële erkenning van den paus, de invloed der roomsch‑catholijken zeer wordt versterkt. En dit wil men niet meer. Vele omstandigheden hebben in de laatste jaren zamengeloopen om het oog te ontsluiten. Men ziet dat men veel, teveel prijsgegeven heeft; dat de Roomsch‑Catholijke kerk van de toepassing der liberale beginsels ruime winst heeft getrokken62; men verlangt geenerlei onbillijkheid, geen terugnemen van iets dat naar verkregene regten gelijkt; doch, bij het besef dat men de maat der toegeeflijkheid volgemeten heeft, is men ongezind tot meerder gunstbetoon geworden; bij de bewustheid dat de vijand, terwijl men sliep63, tot aan de poort is gedrongen, is men besloten nu tenminste geen voet meer te wijken.64 Daarin ligt de reden van den tegenstand die zich allerwege vertoont.

En is men welligt ten onregte voor den voortgang van het roomsch‑catholicisme bevreesd? Er is, ondanks de hooggeroemde eenheid van deze kerk, zooveel, ik zeg niet verscheidenheid, maar strijd van beginsels, dat het onbillijk zou zijn een algemeen oordeel erover te willen vellen. Tweederlei beginsel: hetgeen er christelijks in is overgebleven; en het roomsche bijgeloof, hetwelk dat christendom telkens verduistert en bederft. Verschil, naarmate het een of het ander den boventoon heeft. Verre van ons het goede te willen miskennen; zoovele godvreezenden ook in die kerk die, door al de nevelen heen, op de groote waarheden zien. In Duitschland ook thans. Meerdere verdraagzaamheid en christelijke liefde; zucht over de dwalingen en het bijgeloof; wensch naar verbetering en hervorming eener diep verbasterde kerk. Maar ook het tegenovergestelde. Het bijgeloof; list en sluwheid; geweld. Het pausdom der middeneeuwen; het streeft weêr om alles aan banden te leggen; om geestelijk en wereldlijk gezag aaneen te voegen; Gods Woord te onthouden; en de voortreffelijkheid der godsdienst wordt in de terugkeering tot alle bijgeloovigheden gezocht.65 Zóó is het in Frankrijk. Zóó in Engeland. En zou het ook niet hier te lande evenzoo kunnen zijn? Het was tot dusver zóó niet. Wij mogen onze roomsch‑catholijke landgenooten roemen: bezadigd, verdraagzaam, vredelievend. Wij hebben vrede gehad; uit meer dan ééne oorzaak. De meerderheid der protestanten; de wederzijdsche laauwheid; vroeger de ijzeren arm der overheid. Maar thans: de aard van het roomsch‑catholicisme in België is niet geruststellend. En ook hier: hatelijke toon van sommige bladen; bijgeloovigheden die men gemeend zou hebben lang vergeten te zijn; overdreven eisschen; onbetamelijke proselytenmakerij. Uitlegging van de grondwet op eene zeer bedenkelijke wijs.

Gelijke bescherming? Voorzeker, in deelgenootschap aan ambten, enz. Doch ook niet meer. De grondwet heeft zelfs rijkelijk voorzorgen en behoedmiddelen; en ofschoon ik het weinig grondwettig acht aan twintig leden eener bestaande gezindheid66, omdat zij met een nieuwlings opgerigt kerkgenootschap67 zich niet vereenigen kunnen, gemeenschappelijke godsdienstoefening te ontzeggen, zoo geloof ik echter dat de overheid, door letter en zin der staatsregeling, ruimschoots met middelen voorzien is om eene kerk die den staat op onbehoorlijke wijs zou willen overheerschen, binnen de perken te houden en te bedwingen. Maar al ware dit zoo niet, wat zou het baten! Zoo men ons, bij zeer logische gevolgtrekking, kon aantoonen dat, krachtens die gelijke bescherming, elke kerk zich, overeenkomstig haar eigenaardige grondtrekken moet kunnen vestigen en uitbreiden; dat tot het wezen der Roomsche kerk eerst de bisschoppelijke inrigting, vervolgens de vrijheid van geestelijke vereenigingen behoort; het rondgaan der processiën, het oprigten van kloosters, het ongestoord aalmoes vragen der bedelmonnikken; en aan het einde eener lange reeks van eisschen, het verdrijven der protestanten uit het protestantsche land, gelooft men dat hierdoor het meerendeel der bevolking zou worden overreed? Of zou er dan een beroep op regten worden gedaan heiliger nog dan de grondwet van 1815? Men moet met dit argumenteren voorzigtig zijn. De liberalen in Frankrijk hadden aan den koning, van hun standpunt af, zeer duidelijk getoond dat hij aan hun leidband moest gaan. Karel X ontsprong den band; het is zoo tot zijn verderf. Maar de uitkomst68 zou welligt omgekeerd zijn, wanneer de meerderheid der bevolking, in het gareel van spitsvindige redeneringen geslagen, en aldus tot aan den rand des afgronds gebragt, gedwongen werd zich in veiligheid te stellen.

Het is te betreuren dat men de zaak heeft begonnen. Hierdoor [heeft men] de protestanten vereenigd tegen zich; onvergenoegd en wantrouwend gemaakt. Alle de roomsch‑catholijken vereenigd onder den paus en een overwigt aan de pausgezinde en jesuïtische partij. De gezindheden tegen elkander in het harnas gejaagd. Maar nu is de zaak uit haar verband. Wat nu te doen?69

De zaak doorzetten? Welnu, dan is er terstond een steunpunt voor de roomsch‑catholijken om verder te dringen. Elke concessie wordt de grondslag voor verderen eisch. Geen bevrediging dan in den ondergang der Protestantsche kerk en in den triumf van het geestelijk gezag. Elk punt van overeenkomst zal eene reeks van geschilpunten doen ontstaan. En de protestanten? De ijverloosheid [zal] in ijver, in opgewondenheid [worden] veranderd. De dwaalbegrippen en de gruwelen der Roomsche kerk zullen opgehaald worden. Ernstige vermaning; dringende opwekking. Verbittering zal toenemen door den toenemenden aandrang der roomsch‑catholijken. Nu houde men de kracht der driften en hartstogten in het oog. Zoo dat concordaat kan ten uitvoer worden gelegd, zoo er al bisschoppen ingevoerd kunnen worden, innerlijke beroerten staan voor de deur; de minste aanleiding is genoegzaam; en elke maatregel der regering kan het sein worden van bloedvergieten en burgerkrijg.



Aanmerkelijke wijziging van het concordaat [?]70 Dit beteekent niets. Men kan bepalen dat er geen bisschop te Amsterdam, dat er geen aan deze zijde onzer rivieren zal zijn; het kwaad, het eigenlijke en voorname kwaad ligt niet in deze of gene bepaling, maar in den aard en het wezen van een concordaat; in datgene wat van elk concordaat onafscheidelijk is.

Het schuiven op de lange baan? Dit is een geliefkoosd middel, als men in verlegenheid is. Maar het is een middel dat niet baat, een geneesmiddel waardoor de ziekte verergert; een heulsap waardoor de wond gevaarlijker wordt en het kwaad invreet en ongeneeslijk wordt. Voorwendsels, uitvlugten, uitstel, eisschen die niet ingewilligd kunnen worden. Wat zal het uitwerken? Noodzakelijkheid om toch eenmaal te bukken; verontwaardiging der roomsch‑catholijken. Het geheim eener dergelijke handelwijs wordt zóó spoedig openbaar. Eene sluwheid die bedrogen uitkomt, en beschaamd. Er is geen ander middel dan nietigverklaring van het concordaat en de behandeling der Roomsch‑Catholijke kerk naar regt en billijkheid.71 Het is moeijelijk voor een gouvernement schuld te bekennen; aan iedereen te zeggen dat het schuld gehad heeft. Dit is zoo; het is moeijelijk; het is niet vereerend schuld te hebben; maar minder vereerend nog wanneer iedereen het, en met grond, aan het gouvernement zegt.

Alle de regten [behoren de roomsch‑catholijken te] behouden. Vrije briefwisseling met Rome. Vrijheid van het onderwijs der geestelijken. Meerdere ruimte voor de oprigting van lagere scholen. Dit is het best voor de roomsch‑catholijken zelven. Alleen op die wijs kunnen zij vrijheid blijven genieten.72 Zij zouden ligt alles verliezen door teveel te willen hebben. Aldus kunt gij voortgaan met veroveringen te maken.

Wij protestanten zijn zeker niet gehouden lijdelijk te dulden wat tegen de grondwet en tegen den aard van het Nederlandsche vaderland strijdt. Maar laat ons betere waarborgen zoeken. De bijbel is van de scholen geworpen. De geschiedenis is vervalscht; en in de zoogenaamde kerk is het vergund de christelijke belijdenis terzijde te stellen en te bespotten. Nemen wij het zwaard des Geestes73 bij de hand. Voor de waarachtige evangelieprediking moet Babel vallen.74 Bevestigen wij elkander in de eenheid des geloofs, niet in gedwongen vereeniging der gezindheden, niet in episcopaalsche vormen, of wat dies meer zij. Geen concordaat vreezen wij, met den bijbel in de hand. Desniettemin wenschen wij voor den koning, voor het vaderland, en ook voor onze roomsch‑catholijke landgenooten dat eene onderhandeling afgebroken worde die, in haar gevolgen, ligtelijk den val van het huis van Oranje, den ondergang des vaderlands, en voor roomsch‑catholijken zoowel als voor protestanten allerlei ellende teweegbrengen zou.
IV. Over het concordaat II
Niet overbodig75 [dit onderwerp te behandelen]; vermits de vrees, wel verre van verdwenen te zijn, nog aangewakkerd is. Ik wensch te onderzoeken of Z.M. ertoe verpligt is; of zij er de bevoegdheid toe heeft; en of er een middel is om, zonder een concordaat, aan den eisch der grondwet en aan de regten der gezindheden te voldoen. Ik wensch de gemoederen geenszins in beweging te zetten; maar veeleer tot kalmte en bedaarden zin weder te brengen. Men heeft te weinig de bedoelingen des konings en de handelwijs der roomsch‑catholijken in het oog gehouden.

Er is allezins reden om te onderstellen dat Z.M. gemeend heeft dat de overeenkomst tot stand gebragt zijnde, beraadslaging nutteloos en uitvoering pligtelijk was. Laat ons het tegendeel bewijzen; maar niet vergeten dat, zoo er in de toepassing, onzes erachtens, is gedwaald, het beginsel evenwel waaruit de handeling voortgekomen is, van trouw en edelmoedigheid getuigt.

Wat de roomsch‑catholijken betreft, het is onbillijk hen, ten aanzien dezer zaak, hard te willen vallen. Immers is het overbekend dat, hoedanig ook de handelwijs van sommigen moge zijn geweest, de tijding door de meesten hunner geenszins tegemoet gezien was. De poging om zich, ten koste der protestanten, te verheffen, kan hun, in dit opzigt, niet te laste worden gelegd.

Wat is er van dat concordaat van 1827? Hoe is het ontstaan? Welke was de hoofdinhoud? Hoedanig zijn de gevolgen geweest? Door een onverlaat. Vooroordeel zeer natuurlijk. Aan het eind eener reeks van maatregelen. Die reeks [was een aaneenschakeling van] misslagen. De grootste misslag [was het concordaat]. Eenvoudige terugneming76 en uitvoering der grondwet. In plaats hiervan handhaving en zich in nieuwe moeijelijkheden [begeven:] De G[erlache].77

De hoofdinhoud. In twee woorden geschetst: het belang van het oude protestantsche N[ederland] werd aan dat van het roomschgezinde België ten offer gebragt. [Men deed dit om] den toorn der roomsche geestelijkheid te bezweren. Ongerijmdheid der innige vereeniging, maar Noord‑Nederland moest voor die dwaling der staatkunde boeten.



De inhoud in bijzonderheden. Groote invloed [zou de koning hebben] op de benoeming der bisschoppen.78 Uit drie. [Men gaat daarbij van de veronderstelling uit] of dat de paus79 altijd zorgt iemand op de lijst te plaatsen, die niet al te partijdig voor de roomsch‑catholijken, niet al te vijandig tegen den koning der Nederlanden zij; of dat het mogelijk is uit drie ongeschikte personen eene goede keuze te doen. Maar de koning weigert: welnu! coadjutoren.80 De gevolgen? Het oogmerk was zich met den paus te verstaan. En terstond [was er] tweedragt. De Besluiten van [18]2581 te redden. Een voor een [zijn ze] teruggenomen. De roomschen te bevredigen. Teleurstelling verbitterde: oorzaak der unie.

En in Noord‑Nederland? Men zweeg. Ik verdedig dat stilzwijgen niet. Ik weet en erken de onwaardigheid van het gedrag in [18]28 en [18]29 door de Staten‑Generaal gehouden. Maar de natie. Zij steunde op haar vorst, op het huis van Oranje, op haar vertegenwoordigers; zij kon niet denken dat hare belangen zoo werden miskend. Ik verdedig ook dit niet. Daarbij men zag het naderend onweder. In de bezwaren werd reeds als een voorklank der oproerkreten gehoord. Men begreep dat het concordaat, bij zoo menigerlei schok, nog weinig stevigheid had. Maar zoo men eens in 1829 het inleiden der bisschoppen in Noord‑Nederland beproefd had? Ik weet niet, ik gis niet; ik bepaal mij met te zeggen dat nu Nederland zich om Oranje geschaard heeft; en dat, zoo België is verloren gegaan, men toch Oud‑Nederland81a heeft behouden en aan Oranje getoond heeft dat de band der gehechtheid niet spoedig kan worden geslaakt.

Deze historische herinneringen zijn na dertien jaren niet overtollig. Na [18]30 [waren ze] bijna vergeten; de eenige indruk, [die overbleef was die] der onuitvoerlijkheid. Ziet hoe sterk die indruk moet geweest zijn. Het kan niet worden ontkend; elk jaar [stond een post ervoor] op de begrooting. In 1840. En echter, na dertien jaren uitstel, de mare: het concordaat zal ten uitvoer worden gelegd; was het alsof uit onbewolkten hemel een donderslag het verbaasde vaderland doorklonk.



Maar welke [is] de reden dan toch voor zulk een vreemd verschijnsel? De roomsch‑catholijken bevoorregten [is het streven]; maar de koning weet dat de steun is in de protestantsche bevolking. De roomschen kunnen niet beweeren dat zij òf in getal, òf in vermogen de meerderheid hebben. Doch met België? Wie zou dien wensch onnatuurlijk achten? Ik beweer de onmogelijkheid niet; evenwel op zulke wijs zijn pogingen om België te herwinnen het zekere middel om Holland te verliezen.82

Doch ik laat dit terzijde. Dergelijke veronderstelling [is] onnoodig. Ik herzeg het: de heiligheid der tractaten [is de reden]. Loffelijk. Ongewoon. Het belang van den staat [gaat tegenwoordig] bovenal. Om de omstandigheden? Wat meer heeft men er niet al om gedaan? De grondwet zonderling nageleefd. Of toen ook wij in 1830, om aan het revolutionaire bewind van Frankrijk te behagen, de verbonden met een wettig koning83 aan flarden hebben gescheurd. Nu [wil men] prijsselijke naauwgezetheid [betrachten]. Doch het lofwaardige der bedoeling is geen genoegzame waarborg voor de deugdelijkheid der daad. Onderzoek [is noodig] om niet medegesleept [te worden]; opdat wij niet, uit een dwaalbegrip ten aanzien onzer verpligting, noodeloos verrigten wat nadeelig is voor den staat, of zelfs, terwijl wij meenen regt aan sommigen te doen, inderdaad onregt doen aan de tegenpartij.84

De koning [is] niet verpligt. [Het concordaat is] vervallen. Waarom? Omdat het rijk der Nederlanden niet meer bestaat? Dit zou ik niet durven beweeren. Integendeel. En de schuld kleeft erop ook van het concordaat. Maar desniettemin [zijn er] verander[ingen opgetreden]. Thans [is de toestand] ellendig; doch [dit is] te wijten niet aan het systema. In 1815 ook vergrooting van grondgebied. Thans echt Nederlandsche staat. Tractaten [kunnen gesloten worden], in zoover zij niet met de aard van het rijk [strijdig zijn]. Geen art. 13385, maar ook geen concordaat. Doch de grondslag [ligt] niet in het voortdurend bestaan van het rijk; [maar] in de vereeniging [der noordelijke en zuidelijke gewesten]; toegepast op de N[ederlandsche] g[rondwet]. De paus zelf: Nog een gewigtige grond, dien ik anders niet ligt zou aangevoerd hebben. Zelfs de ultracatholijken erkennen het. De koning is onbevoegd.

1. Als protestant.86 Geen daad nadeelig voor het protestantsche geloof [mag door hem verricht worden]. Geen verbond met den paus.87 Wel [sluit men zo'n verbond,] als men de waarde van dat geloof niet kent en gevoelt. [Als het in] vormen slechts [bestaat].

2. Als prins van Oranje‑Nassau. Als men den aard h[unner]88 handelingen kent.

3. Als koning.89 Napoleon90 kon het.

4. Als constitutioneel monarch. Constitutie is een verdrag. [Stemmen] over elk concordaat, enz. [uit] Utrecht: `Het concordaat91 wordt door den Vorst gesloten, niet met zijne onderdanen, maar met eenen buitenlandschen Magthebber. Immers den Paus als Landsbisschop, maar tijdelijk te Rome toevende, te beschouwen is eer vernuftig, dan met de waarheid overeenkomstig te noemen' (p. 10). Dan met elk genootschap een verdrag.92

In de geschiedenis: onpartijdigheid der protestanten. Ranke, . . .93, partijdigheid der roomsch‑catholijken. Philips II het model van een roomsch‑catholijk vorst. Willem I van een constitutioneel protestantsch vorst. De meeste verdraagzaamheid, behalve wanneer zij tegen het evangelie gerigt wordt.

Hoe beschouwen wij de Roomsche kerk? Calvini Institutio IV, p. 212.94 Is het alleen eenige bijgeloovigheid van weinig gewigt? Of [gelooven wij] dat zij in de leer der zaligheid dwaalt; het evangelie ten ondersteboven heeft gekeerd. Dat ja nog chr[istendom?] s[chijnt?]94a en dat men naauwelijks behouden kan worden. De rigting [is] tegen het zuiver evangelie; een antichr[istendom]. Hoe [dachten] de voorvaders? [Er is] bekrompenheid of behendigheid geweest; naar de toenmalige vooroordeelen. Waar overmagt der roomsch‑catholijken [is], daar is de vrije belijdenis van het evangelie in gevaar.95

Geestelijk en wereldlijk gezag; ontheiliging van den staat en Verweltlichung der kerk. Argumentatie uit het oudere regt der roomsch‑catholijken: Haller [, Restauration der Staats‑Wissenschaft2] IV, 357.96 Een verdragpligtige. Twee souvereiniteiten. In geestelijke en wereldlijke [zaken]. Door geene spitsvindige redeneringen te ontzenuwen. De souvereiniteit [wordt] gedeeld. Een buitenlandsch gezag erkend. [Ik ben] niet bevreesd voor twee bisschoppen, maar wel voor de omverwerping van het Nederlandsche staatsregt. Ziet in andere landen: Frankrijk. Waar de roomsch‑catholijke godsdienst [godsdienst] van staat [is]. Engeland en Pruissen. Alleen hier [zou de paus zijn gezag uitoefenen]. En toch er moet gelijkheid wezen ten aanzien der betrekking op den staat. Bezoldiging?

De koning als protestant. Lid der Hervormde kerk. Welke is die belijdenis? Dat erge dwalingen [door de Roomsche kerk geleerd worden]. En dat bepaald het pausselijke [systeem verwerpelijk is]. Antichrist. En deze [koning] zal nu die geestelijke mogendheid huldigen! Een verbond met haar aangaan. Nuttigheidshalve? Het zijn slechts vormen? Maar ook de martelaren [niet vergeten]. Dan tenminste met reserves [het verbond aangaan] (zonder opzet, maar treffend de aanstelling van een roomsch‑catholijk gezant97, zoodat de koning, om tot den paus98 te naderen, catholijk wordt).

De schroomelijkste gevolgen; allerlei quaestiën. Een verdrag (en toch geen vrede) tusschen krijgvoerende partijen. De koning in de Nederlandsche constitutie is neutraal; maar Rome erkent geen neutraliteit: die niet voor ons is, is tegen.99 Laat ons toch op den aard van het pausdom letten. Geen rijk van geest en in waarheid100; door verbreiding van het evangelie. Maar een zeer stellig en regtstreeksch oppergezag; een aardsch koningrijk. De roomsch‑catholijke vorsten moeten haar gehoorzamen en de ketters verdelgd worden. Overal, in plaats van God de mensch [op den voorgrond]. Aan den paus [moet men] meer gehoorzaam zijn; geen eed [hoeft men] te houden tegen de belangen der Roomsche kerk.101 De koningen der aarde [zijn] aan Christus onderworpen; dus aan den paus. Hooger gezag dan de overheid die het zwaard niet tevergeefs draagt.102 Wie vader of moeder liefheeft [boven Mij, is Mijns niet waardig . . .103]. Het verstand gevangen geven onder de gehoorzaamheid Chr[isti]104. De Schriften verdraaijen tot hun eigen verderf.105 Die strekking is nog dezelfde. Listig, sluw of geweldig106, als hij de overmagt heeft.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.