Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina18/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   78
-----

NOTEN 49
1 



ARA, G. v. P., no. 33 (De Vries no. 44). Het eerste - zeer beknopte - bericht omtrent de uitvoering van het concordaat verscheen op 30 dec. 1840 in het Algemeen Handelsblad. Groen maakt er op dezelfde dag melding van (Briefw. II, 368). Daar de door hem aangehaalde brochures in 1841 verschenen zijn, is er geen reden om één of meer van deze stukken - in navolging van De Vries - vòòr 1841 te dateren. De uitdrukking `na dertien jaren' heeft geen bewijskracht, omdat die ook in diverse in 1841 verschenen pamfletten voorkomt (Het dreigende gevaar, p. 5; Kints, Het goed regt, p. 60; Van Voorst, Het concordaat, p. 21). Cf. Albers, Geschiedenis I, 445; Briefw. V, 107, 7; Handboek, p. 845; 847. Behalve de hier afgedrukte en no. 48 bevinden zich onder no. 33 nog de volgende stukken:

a. Een adres van de Waalse kerkeraad van Den Haag (cf. De Vries, p. 53 sub 1). Zie ook Briefw. II, 381 en 956, 3 over een adres van de Waalse kerkeraad te Amsterdam.

b. Vier velletjes met aantekeningen van Groen over de E[dinburgh?] Rev[iew?] van dec. 1840. Ze handelen voornamelijk over het katholicisme in Ierland en Engeland en over het pausdom.

2 

Zie De Vries, p. 53 sub 3, eigenhandig ontwerp. De vele verschillen met het uiteindelijk verzonden adres (Briefw. V, 110‑112) rechtvaardigen de opname in de Bescheiden. Veel andere adressen over het concordaat zijn afgedrukt in Rüter, Rapporten I, 114‑116; 131‑140; 154‑168; 191‑208.

3 

Cf. Briefw. V, 110, 1.

4 

Hs. onduidelijk. Na `en' of `in' is een woord over het oorspronkelijke heen geschreven. In het zinsverband zou `in naam [van]' goed passen.



5 

Door het huwelijk van Willem I met de roomse gravin d'Oultremont; cf. Bijdrage tot herziening, p. 135/6; Handboek, p. 889; Parlementaire studien III, 97; Ned. Ged., 2e serie, V, 290, 1; Briefw. II, 289; 307/8; V, 100, 2; Colenbrander, Gedenkstukken X, 1, 531‑548; X, 2, 472‑475; 483‑517; 550; X, 3, XXX; 382; 694 s.v. Oultremont; X, 5, 707/8; Rüter, Rapporten I, 1; 50; 147‑152; Zeldam Ganswijk, Bijdragen II, 505‑507; Geen vrees voor het concordaat p. 3; Een woord van waarschuwing, p. 56/7; Roppe, Een omstreden huwelijk, p. 118.

6 

In het hs. is `hunner bedenkingen' doorgestreept.



7 

Zie De Vries, p. 53 sub 2. Niet in Groens hand. Aant. van Groen op de omslag: `Nog nazien.'

8 

In art. 189 van de grondwet van 1840; cf. De maatregelen3, p. 56.

9 

Zie n. 28 van no. 39.



10 

Zie art. 134 van de grondwet van 1814 en art. 191 van de grondwet van 1815.



11 

De caesaropapistische organisatie bij K.B. van 7 jan. 1816; cf. Handboek, p. 780; Ernstig woord, p. 9; Een gesprek over het concordaat, p. 6; Hofstede de Groot , Het goed regt, p. 7; Kist, Over het ongrondwettige, p. 42; Royaards, Brief, p. 259‑261; Den Tex, Regtsvragen, p. 157/8; Antwoord, p. 315/6.

12 

Zie De Vries, p. 53 sub 4. Titel ontleend aan de inhoud.

13 

Ter oriëntatie in deze omvangrijke gelegenheidsliteratuur (die ook menige `dichterlijke uitboezeming' bevat) het volgende. Alleen de als zelfstandige publicatie in 1841 verschenen geschriften zijn in het onderzoek betrokken. Tegen het concordaat waren vrijwel alle protestantse scribenten, maar ook enkele nationaal‑katholieken c.q. jansenisten. Zie de bibliografie s.v. Bretschneider, Broes, Capadose, Christophilus, Het concordaat; Nederlands vrees en verwachting, Het dreigende gevaar, Eert de waarheid, Ernstig woord, Gedachten van een' leek, Geen vrees voor het concordaat, Hofstede de Groot, Naschrift, Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, Iets over het: Wij zullen ons regt doen gelden, Is nu alle vrees voor het concordaat verdwenen?, De Jezuiten en het concordaat, Koenen, Geen concordaat met Romen!, Limburg Brouwer, De concordaten, Nog een volkslied, De Pragmatieke sanctie, Eene stem uit Noord‑Braband, Stemmen over elk concordaat, De teekenen des tijds, Tegenschrift op de zedig‑vrijmoedige bedenkingen, Vertrouwelijke brief, Voorst Het concordaat, Waakt protestanten!, Wangenmüller, Jozef II, Een woord van waarschuwing, Zoo als 't met de zaak nu staat, Zuylen van Nijevelt, Neêrlands schrikbarende ongevoeligheid. Vòòr het concordaat: Beroep op het gezond verstand, 's Gravenweert, Alle vrees, Haan Hettema, Het concordaat, Kints, Het goed regt, Linde, Een woord, Snuifje aan de hedendaagsche Don Quixotten, Waarom geen concordaat met Rome? Een woord aan alle weldenkende en wezenlijke christelijke lezers. Een tussenpositie wordt ingenomen door diverse materiaalverzamelingen en neutrale, voorlichtende geschriften: Het concordaat en de pausselijke bulle, Een gesprek over het concordaat, Verzameling van officiele stukken, Vredewoord. Slechts een fractie van deze literatuur is door Knuttel geregistreerd. Cf. Gorris, Le Sage II, 155, 4.

14 

Marginale aant. van Groen: `De verhouding tusschen protestanten en catholijken is, meer welligt dan elders, in het rijk der Nederlanden eene zaak van het hoogste belang. Mijne denkbeelden [heb ik] meermalen in weinige woorden zamengetrokken: ``alles geven waar zij regtmatige aanspraak op hebben.'' De koning [is] afkeerig van die staatkunde welke bekrimpen en afdingen [wil] en die, terwijl zij in kleinigheden waant gewonnen te hebben, in de meest gewigtige zaken om den tuin wordt geleid.'



15 

Cf. Van der Linde, Een woord, p. 14.

16 

Marginale aant. van Groen: `Adressen, petitiën. Bij ons hatelijk geworden. Misbruik veroordeelt het gebruik niet. Geenszins alsof ieder burger deel had aan de regering, maar ieder die zijne regten miskend of bedreigd acht, heeft regt om zich te beklagen. Vrijheid van klagen. Zelfs aan de consistoriën op grond van art. 151. Intusschen heb ik een afkeer van al wat naar onbescheidenheid gelijkt.' Groen rechtvaardigt zichzelf hier o.a. tegenover Van der Brugghen, die `tegen het petitioneren' was (Briefw. II, 384). I.p.v. art. 151 moet art. 161 van de grondwet van 1815 bedoeld zijn. De aanhef luidt: `Ieder ingezetene heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen . . .'

17 

Van der Brugghen betwijfelde, dat agitatie tegen het concordaat `pligtmatig' was (Briefw. II, 392). Cf. Beroep op het gezond verstand, p. 2; De teekenen des tijds, p. 3; Een woord van waarschuwing, p. III.

18 

De interpretatie van art. 191 der grondwet van 1815 kon nogal uiteenlopen; cf. Bretschneider, Over de grondslagen, p. 41, 10; Capadose, Ontboezeming, p. 21; 34; Janssens, Het Herenbolwerk, p. 60; Kints, Het goed regt, p. 58/9; Lanjuinais, Dissertation, p. 70; Stemmen over elk concordaat, p. 13; 24; De teekenen des tijds, p. 7.

19 

De schrijver van Iets over het: Wij zullen ons regt doen gelden, p. 9 noemt het concordaat `de onderwerpende overeenkomst van onzen (ook der Protestanten) Landsvorst, met het buitenlandsch hoofd eener kerk, welke die Protestanten geregeld, jaarlijks, openlijk en plegtig, vervloekt en ter helle doemt.'

20 

Cf. Kints, Het goed regt, p. 43: `En wil men dan den Katholijken een juk op de schouderen drukken, waartegen de Protestanten zelve zich hoeden moeten?'

21 

Sympathie daarvoor bij Christophilus, Gedachten, p. 27/8; Gedachten van een' leek, p. 10; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 19; Een woord van waarschuwing, p. 121.

22 

Oud‑katholiek Vlaams theoloog (1646‑1728). Hoofdwerk: Jus ecclesiasticum universum (zie bibliografie). Cf. Royaards, Brief, p. 295; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 32; Albers, Gechiedenis II, 66; 83; Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, 19; 91; 188, 1; 192; 251; Broes, De kerk en de staat IV, 1, 324; 326; IV, 2, 486/7.

23 

Sc. uit zijn op de Index geplaatste Les quatre concordats (zie bibliografie). Cf. Colenbrander, Gedenkstukken IX,2, 202; Albers, Geschiedenis I, 168, 1; Lindeboom, Protesten, p. 100, 1.

24 

Marginale aant. van Groen: `De staatsie en de pracht, de zinnelijke vertooning kunnen wij niet beletten.'



24a 

Cf. Gerlache, Histoire du royaume II, 166‑170 over `projets de schisme' die Willem I al vóór 1825 gekoesterd zou hebben. Verschillende Duitse protestantse vorsten gaven daartoe in 1818 het voorbeeld. Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, p. XVI‑XXV verspreidt licht over deze zaak.

25 

Sc. van Willem II.



26 

Marginale aant. van Groen: `Concordaat. Verdrag. Poging van den vorst om den paus te beperken; van den paus om veld te winnen. Opperlandsbisschop; maar hier is meer: Kerkelijk Archief I,290 sq.' Men leest t.a.p. in Royaards' art. Vergelijking etc. : `Verschillend is daarom de onderlinge betrekking der Contractanten. Staan daar de Landsvorst en de Paus tegen over elkander, als twee Souvereinen, die elk hunne onderdanen hebben in de landen, de een als geestelijk, de ander als wereldlijk Souverein, hoedanig de Roomsche Stoel dezelve vaak wil doen voorkomen, dan zou zulks hoogst nadeelig kunnen zijn voor den Staat en de regten der Volkeren. Maar elders zijn het staatsovereenkomsten, waarbij de Landvorst wil regelen, of liever, zijne toestemming wil geven tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden zijner Roomsche onderdanen, en daartoe onderhandelingen aangaat met dat genootschap, en daarin met den Bisschop van Rome, als een door hetzelve erkend Hoofd der Roomsche Geloofsgenooten, vooral omtrent die zaken en belangen, waarbij de Staat in aanraking komt met de Kerk. Uit dit oogpunt zijn het ook voor den Vorst geene Concordaten, of vredesverdragen tusschen twee gelijkmagtige ligchamen, maar Conventien (staatsovereenkomsten). Doch zij zijn dit ook even min voor den Paus, die althans met Protestantsche Vorsten, als ketters, geene Concordaten sluit. Hierdoor echter komt het zoogenaamde Papaal‑stelsel boven het Episcopaal‑stelsel uit, daar de Paus hierdoor beschouwd wordt als Algemeen‑Bisschop, van wien al de Bisschoppen hun gezag ontleenen. Zoo erkent hem de Roomsche Vorst. De Protestant integendeel ziet in hem den Opper‑Landsbisschop, schoon buitenslands gezeteld.'

27 

Marginale aant. van Groen: `Een onverlaat, met wiens naam ik het papier niet bezoedel, en van wien ik alleen melding maak om ons in deze zaak een treffend blijk te doen opmerken dat waar men een misdadiger tot onderhandelaar kiest met onverschilligheid omtrent de regtmatige verontwaardiging van de natie, Gods zegen op de onderhandelingen niet rust.' Bedoeld is A.P.F.G. de Vis(s)cher de Celles, van 1826‑1829 Nederlands gezant bij het Vaticaan. Cf. Albers, Geschiedenis I, 148 e.v.; 337. Groens oordeel over hem was zeer ongunstig. Cf. Handboek, p. 759; 1813 in het licht der volkshistorie herdacht, p. 35; Ned. Ged. I en II, passim; Briefw. I, 887 s.v. Celles. Zie ook Christophilus, Gedachten, p. 20; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 28; De teekenen des tijds, p. 5.

28 

Cf. Handboek, p. 814;821/2.

29 

Van Londen in 1815.



30 

Marginale aant. van Groen: `De inhoud. De koning is bedrogen geworden; zijn invloed op de keus nietsbeduidend.' Toespeling op het Recht van placet. Het concordaat van 1827 bepaalde m.b.t. de keuze der bisschoppen in art. 3: `Zoo dikwerf de Aartsbisschoppelijke of een Bisschoppelijke stoel zal openkomen, zullen de kapittels dier kerken, binnen den tijd van eene maand, te rekenen van den dag der vacature af, ter kennis van Z.M. den Koning brengen de namen der kandidaten, tot de Nederlandsche geestelijkheid behoorende, welke zij waardig en bekwaam zullen oordeelen, de Aartsbisschoppelijke of Bisschoppelijke Kerk te bestieren, en welke zij zullen weten, met zoodanige vroomheid, kunde en beleid begaafd te zijn, als bij de wetten der Kerk, in de Bisschoppen vereischt wordt. Indien echter bij toeval eenige der kandidaten aan Z.M. den Koning minder aangenaam mogten zijn, zullen de kapittels hen van de lijst schrappen, zoo nogtans dat er een voldoende getal van kandidaten zal overblijven, waaruit een nieuwe Aartsbisschop of Bisschop zal gekozen worden.' Zie Het concordaat en de pausselijke bulle van 1827, p. 8; Concordaat gesloten te Rome den 18e junij 1827, p. 131/2; Verzameling van officiele stukken, p. 6/7; Albers, Geschiedenis I, 535/6; Royaards, Vergelijking, p. 327/8. Paus Leo XII maakte echter in zijn concordaatsbul van 17 aug. 1827, waardoor hij de op 18 juni 1827 te Rome getekende conventie zijnerzijds bekrachtigde, van dit Recht van placet geen melding. De tekst van deze bul in Het concordaat en de pausselijke bulle van 1827, p. 14‑31; Lanjuinais, Dissertation, p. 30‑41; Concordaat, gesloten te Rome, p. 136‑152; Verzameling van officiele stukken, p. 10‑21; Albers, Geschiedenis I, 534‑545 (zonder het begin).

31 

Cf. Handboek, p. 870.

32 

Willem I; cf. Handboek, p. 851/2.

33 

Van Van Gobbelschroy d.d. 5 oct. 1827, gedrukt in Verzameling van officiele stukken, p. 28‑31; Broes, De kerk en de staat IV, 2, 611‑614; De Ultramontaan 4 (1829), p. 283‑288 (met enkele schampere noten van Le Sage; cf. Gorris, Le Sage II, 283); Lanjuinais, Dissertation, p. 82‑85 (Franse tekst); Münch, Vollständige Sammlung II, 452‑454 (Franse tekst); Van Bommel, Trois chapitres, p. 78‑81 (Franse tekst); cf. p. 55/6;62; Terlinden, Guillaume Ier II, 151‑154; cf. p. 350; 359; 414. Zie ook Briefw. I, 172, 5; Handboek, p. 845; Royaards, Vergelijking, p. 330, 48; Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 10; Kints, Het goed regt, p. 68; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 30/1; De teekenen des tijds, p. 14 (*); Albers, Geschiedenis I, 221‑230; Gerlache, Histoire du royaume I, 444‑446; II, 163.

34 

Cf. Bijdrage tot herziening, p. 118/9; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 37/8; De teekenen des tijds, p. 16/7; Van Voorst, Het concordaat, p. 16; Colenbrander, Gedenkstukken X, 2, 516.

35 

Marginale aant. van Groen: `Men heeft toen gezwegen, omdat het naderend onweder aller gedachten bezig hield.'



36 

Cf. Verzameling van officiele stukken, p. 55; 's Gravenweert, Alle vrees, p. 5.

37 

Marginale aant. van Groen: `[toen] de grondwet zeer zonderling nageleefd is geworden.'



38 

Zie Ned. Ged. II, 45; Handboek, p. 861 over `het systema des faits accomplis'. Groen heeft het bewind van Lodewijk Filips op het oog.

39 

Marginale aant. van Groen: `Vernietigd. Royaards, Kerkelijke Archief III, 671'. Royaards schrijft t.a.p.: `Wie zegt ons, hoevele Concordaten na verloop van eenige jaren onder de antiquiteiten zullen behooren? - Althans het Nederlandsche Concordaat, als een der offers door Holland aan België gebragt, en voor het geheele Koningrijk geschikt, verloor deszelfs kracht; en geenszins is te verwachten, dat men in den tegenwoordigen toestand des lands door een nieuw Concordaat al de gevaren zou willen terug voeren, welke het oude scheen te bereiden, of een nieuwen steun geven aan de Hierarchie van onze dagen.'

40 

Marginale aant. van Groen: `hij kan niet als'. Waarschijnlijk slaat dit op de koning, die in vier hoedanigheden (als protestant etc.) onbevoegd is tot het sluiten van een concordaat. Zie p. 685. De meeste brochureschrijvers deelden Groens mening, dat het concordaat van 1827 vervallen was. Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 5; Capadose, Ontboezeming, p. 16; Christophilus, Gedachten, p. 25; Een gesprek over het concordaat, p. 12‑16; Iets over het: Wij zullen ons regt doen gelden, p. 10, 2; Kints, Het goed regt, p. 18; Stemmen over elk concordaat, p. 34; Den Tex, Regtsvragen, p. 147‑156; 179; Van Voorst, Het concordaat, p. 20. Da Costa schreef n.a.v. Broes' brochure: `Ongelukkig is het evenwel, wanneer men (bij alle billijkheid) te doen heeft met eene partij, die een reeds gesloten tractaat toch maar in handen heeft' (Brieven van Da Costa I, 70).

41 

Cf. Van Voorst, Het concordaat, p. 20: `Wij vragen aan elk, die 's Konings verpligting op den genoemden grond aanneemt, of hij dan niet weet, dat het in 1827 gesloten Concordaat toepassing op de Noordelijke Gewesten was van hetgeen in de Zuidelijke reeds bestond; en alleen gesloten om onze vereeniging met België; opdat, zoo als de Pauselijke Bul zegt: in één en denzelfden Staat de kerkelijke zaken op ééne en dezelfde wijze zouden geregeld en behandeld worden?' Cf. Een gesprek over het concordaat, p. 17; Kints, Het goed regt, p. 19; Hofstede de Groot, Naschrift, p. 11; Concordaat, gesloten te Rome, p. 142; Verzameling van officiele stukken, p. 14; Albers, Geschiedenis I, 537 i.f. Niet duidelijk welke bron Groen voor zich had.

42 

Marginale aant. van Groen: `O[bjectie]: `Het concordaat [is] een verdrag. Dus art. 58 der grondwet.' R[efutatie]: Aangenomen: dan nog: is hier de restrictie niet toepasselijk? Zouden de Staten‑Generaal hier geen inzage hebben? Niet slechts op het strictum jus letten. In vroeger tijd, bij elke onderhandeling, waar slechts regtstreeks of zijdelings de algemeene belangen betrokken waren, hoorde men de burgerijen, de predikanten. `Erigé en loi nationale par un décret du Corps législatif.' Art. 58 van de grondwet van 1815 luidt: `Insgelijks wordt aan den Koning opgedragen het regt om alle andere verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen. Hij geeft daarvan kennis aan de beide kamers der Staten‑Generaal, zoodra hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten. Ingevalle de verbonden en verdragen, in tijd van vrede gesloten, mogten inhouden eenige afstand of ruiling van een gedeelte van het grondgebied des Rijks of van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen, worden dezelve door den Koning niet bekrachtigd, dan na dat de Staten‑Generaal op dezelve hunne goedkeuring hebben gegeven.' Cf. Capadose, Ontboezeming, p. 11‑13; 18‑20 over dit artikel. Het Franse citaat vergeefs gezocht in Les constitutions . . . de la France en de universele Collection van Dufau.

43 

Marginale aant. van Groen: `Br[oes, De kerk en de staat] IV, 2, p. 622. De paus getrouw aan het concordaat.' Broes zegt t.a.p.: `Ik mag niet nalaten ten slotte eene proef te herinneren van getrouwe aankleving aan het gesloten Concordaat, welke Z.H. [Gregorius XVI] onlangs [1832] gegeven heeft door de keus van den nieuwen Aartsbisschop [van Mechelen: Sterckx] niet te willen bekrachtigen, ten zij de Koning der Nederlanden daaraan zijne toestemming zou gegeven hebben.'

44 

Marginale aant. van Groen: `Ik ben het eens met dit systema; en het was niet noodig er van af te gaan om ons, door eene wezenlijke herziening der grondwet gelijk die in verband met de veranderde omstandigheden had plaats moeten hebben, instellingen te geven overeenkomstig met de behoefte van den wederom echt‑Nederlandschen staat. Doch het concordaat rust niet op het voortdurend bestaan van het rijk.'



45 

Cf. Beschouwingen, p. 200. Zie ook n. 83 van no. 35.

46 

Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 15; Capadose, Ontboezeming, p. 23: Dit concordaat is `zulk eene vernedering voor het Doorluchtig Huis van Oranje . . .'

47 

Marginale aant. van Groen: ``Eene buitenlandsche magt die in de landen zou heerschen'; vgl. Kerkelijk Archief III, p. 745.' Royaards zegt t.a.p.: `En dien onbepaalden Monarch der Katholike Kerk huldigen de Europesche Staten in de 19 Eeuw! zij beslisten dus door de Staatkunde een vraagstuk der eeuwen. - Vaak beschikten ook hier de Vorsten met den Paus over de regten van derden, t.w. der Bisschoppen, wier regten op den Paus werden overgebragt. Men erkende dus eene buitenlandsche magt die in de landen zelve zou heerschen; men erkende een Monarch, of Repraesentant, die onderdanen heeft in alle landen, en grondvestte daardoor op nieuw een gezag, dat zich over gansch Europa zou uitstrekken.'

48 

Marginale aant. van Groen: `De paus kan den koning afzetten: Fénelon, [Oeuvres] I, p. 393'. Men leest t.a.p. aan het begin van cap. 39 van Fénelons De summi pontificis auctoritate dissertatio: `Patet episcopos, perinde ac summos pontifices, id sibi juris tribuisse, ut principes laicos deponerent.' Hij bespreekt daarna allereerst het bekende advies van paus Zacharias aan de Franse grandes m.b.t. de vervanging van Childerik III door Pepijn III de Korte. Cf. Lanjuinais, Dissertation, p. 4 over de pretenties der pausen `de distribuer les royaumes, partager les régions de la terre et destituer les rois et autres chefs des Etats chrétiens.'

49 

Marginale aant. van Groen: `Concordaat: Von Haller [, Restauration der Staatswissenschaft2] IV, p. 419 sqq. Erkentenis van 's pausen oppergezag: p. 421; alleen roomsch‑catholijk v[orst vindt] hulp bij andere mogendheden: p. 426.' Op p. 419 beginnen uitvoerige uiteenzettingen over de betekenis van de concordaten. Op p. 421 leest men over de tot dan toe (1822) afgesloten concordaten: `freundliche Verkommnisse, denen wahrscheinlich noch mehrere andere folgen werden, und die auch darin für unsere Zeiten merkwürdig sind, dasz sie, als mit dem Römischen Stuhle unterhandelt und geschlossen, eine öffentliche Anerkennung seiner oberhirtlichen Eigenschaft in sich enthalten, und eine neue Epoche der catholischen Kirche begründen, die gleichsam aus ihren Trümmern aufersteht und abermal auf den Felsen Petri gebauet wird.' Op p. 426 zegt Haller van de Roomse kerk: `sie kann . . . auf die Gemüther der Gläubigen und oft sogar der Ungläubigen wirken, sie dadurch von der Sache des feindselig gesinnten Fürsten entfremden, demselben seine nächsten Freunde und Gehülfen entziehen, und ihn eben dadurch schwächen oder vielleicht gar auf seine persönlichen Kräfte beschränken; sie findet oft Hülfe bey andern weltlichen Potentaten, die an ihrem Platze kämpfen, oder wenigstens ihre Fürsprache und ihre kräftige Vermittlung eintreten lassen . . .'

50 

Marginale aant. van Groen: `Bij de de gratie Gods weggelaten. En echter Haller [, Restauration der Staatswissenschaft2] I, p. 87 en Leo [, Lehrbuch der Geschichte des] Mittelalter[s], p. 654.' Haller zegt t.a.p.: `. . . die deutschen Fürsten unter Ludwig dem Bayern erklärten gegen den Pabst: ``imperialem dignitatem et potestatem esse immediate a solo Deo . . .'' Sie verstanden darunter nichts anders, als dasz die Macht der Fürsten, so wie die Verschiedenheit der menschlichen Kräfte und Glücksgüter, überhaupt nicht durch künstliche Mittel von den Menschen selbst geschaffen, sondern durch die Natur der Dinge, d.h. durch die göttliche Ordnung von selbst gegeben sey.' Bij Leo (I, 654) leest men, dat bovengenoemde Lodewijk IV van Beieren in 1338 op een rijksdag te Frankfurt verslag deed van zijn onenigheid met paus Benedictus XII. In aansluiting hierop besloot men `das Reich bei seinen Ehren, Freiheiten und Herkommen zu schützen.' Op een latere rijksdag te Frankfurt werd een nog scherpere wet gemaakt: `postquam aliquis eligitur in imperatorem sive regem . . . statim ex sola electione est rex verus et imperator Romanorum censendus et nominandus, et eidem debet ab omnibus imperio subiectis obediri . . . plenariam habet potestatem, nec Papae sive sedis apostolicae, aut alicuius alterius approbatione, confirmatione, auctoritate indiget vel consensu.' Duynstee heeft een heel deel (2) gewijd aan deze `Lodewijk de Beier' in zijn 's Pausen primaat in de latere Middeleeuwen.

51 

Cf. Lanjuinais, Dissertation, p. 2: `Mais que la puissance civile, celle qui fait les lois, pactise sur la religion d'égal à égal, avec un pontife qui, à ce titre, ne peut traiter comme puissance, . . . cela est difficile à comprendre.'

52 

Marginale aant. van Groen: `Doch, zeggen de roomsch‑catholijken, de paus is geen vreemdeling: Haller [, Restauration der Staatswissenschaft2] IV, p. 245, 396.' Haller betoogt in n. 5 van p. 245: `Es sind die Feinde der Religion und Kirche, welche stets von dem Römischen Hof, von einer fremden Macht u.s.w. sprechen, sobald von dem Pabst die Rede ist. Man kann sie auch an diesem affektirten Sprachgebrauch erkennen. Für Catholiken ist der Pabst keine Fremde, vielweniger eine auswärtige Macht.' Op p. 396 leest men: `Für Mitglieder der allgemeinen christlichen Kirche ist übrigens der Pabst keine fremde Macht; für sie ist niemand fremd als wer sich auszer ihr befindet, oder die Wölfe die in ihrem eigenen Schoosze auftreten. An irgend einem Ort musz einmal der Pabst als Oberhaupt der Kirche wohnen, und est fällt ins ungereimte, dasz ihn deswegen jeder Fürst, ja sogar jede Stadt, jedes Dorf, solle als fremd betrachten können. Seine mäszige weltliche Macht und die Freyheit, deren er in seinem Wohnsitz genieszt, ist noch keinem Staate schädlich gewesen; sie ist vielmehr die Garantie seiner Unparteylichkeit, der Schutz und Schirm der ganzen Christenheit; gerade durch sie wird er allen gemein und niemanden fremd . . .'

53 

Marginale aant. van Groen: `Geen volkerenregt: Münch [, Vollständige Sammlung] I, 7'. Men leest t.a.p.: `Die Konkordate können weder als völkerrechtliche, noch als privatrechtliche Verträge angesehen werden; nicht als völkerrechtliche: da der Pabst, als Oberhaupt der katholischen Kirche und ausserhalb seines weltlichen Staates, nicht als gleicher Souverän zu einem bestehenden selbstherrlichen Staate betrachtet werden kann, und seine Stellung als Fürst des Kirchenstaates hier keinen Einfluss übt . . .' Cf. Een gesprek, p. 19: `Het is dus geen volken‑regtelijk, maar een staats‑regtelijk verdrag'; Den Tex, Regtsvragen, p. 156; Antwoord, p. 318.

54 

Toespeling op Broes' Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 17: `Onderdanige Hervormden! ook de keus van den Theologischen Professor gaat van den Koning uit. De keus van den man, die uwe Leeraars en Predikers zal opleiden en vormen, is zelfs van uw advies uitgesloten.' Cf. Capadose, Ontboezeming, p. 23/4.

55 

Marginale aant. van Groen: `Geen geloof aan ketters. Cf. Von Haller [, Restauration der Staatswissenschaft2] IV, p. 254.' Men leest t.a.p. in n. 8: `Wie kann man behaupten, dasz die catholische Kirche den irreligiosen Satz aufstelle: `haereticis non habenda fides', da ihre Mitglieder ja vor unsern Augen Griechischen, Protestantischen, ja selbst Mahometanischen und heydnischen Königen und Kaysern, die doch schon durch sich selbst excommunicirt sind, gehorchen, gegen sie alle weltliche Pflichten treu erfüllen und zu jeder Zeit erfüllt haben.'

56 

Sc. Het Algemeen reglement van 1816 voor de Hervormde kerk.

57 

Marginale aant. van Groen: `Twee souvereine magten: Broes [, De kerk en de staat] IV, 2, p. 546.' T.a.p. handelt Broes over de houding van de aartsbisschop van Mechelen in 1817: De Méan `spoort zijne geloovigen in een' herderlijken brief ten dringendste aan, om aan de bevelen van Z.M. den besten Koning onbepaald zich te onderwerpen; - zoo verre die namelijk zullen uitgaan van de eene der twee souvereine magten, welke de eene voor het geestelijke, de andere voor het wereldlijke, in het Rijk der Nederlanden van Gods wege zijn ingesteld.'

58 

Marginale aant. van Groen: `Is het voor de roomsch‑catholijken wenschelijk? De Maistre [, Du pape etc.] II, p. 355 [= Oeuvres IV, 355]. Twist tusschen papaal en episcopaal stelsel beslist: Kerkelijk archief III, p. 744'. De Maistre zegt t.a.p., dat veel Fransen behept zijn met het vooroordeel `que toutes les Eglises du monde catholique, celle de France exceptée, sont des esclaves du Vatican . . . Dans le dernier siècle surtout, on trouve à peine un gouvernement catholique qui n'ait disputé quelque chose à Rome.' De prelaten ten tijde van Bossuet onderzochten `l'autorité du pape' en waren `notoirement irrités contre le Pontife'. Men vindt deze passage in hoofdstuk XIV van het tweede boek van De l'église gallicane. De Maistre zelf was ingenomen met het concordaat van 1817; cf. Oeuvres IV, 379. Royaards betoogt t.a.p.: `Hanover zoowel als Zwitserland, Nederland evenzeer als Pruissen, huldigde den Bisschop van Rome als Hoofd der Katholike Christenheid, - en erkende daardoor voor het oog der Volkeren het Papaal stelsel boven het Episcopale, en vestigde het Ultramontanisme onwillekeurig of zonder het zelf te willen en te wenschen, en tevens onmerkbaar op de stevigste grondslagen!'

59 

Cf. Een gesprek, p. 19.

60 

Zie over de ongrondwettigheid de twee brochures van Hofstede de Groot, Capadose, Ontboezeming, p. 34‑37; Lanjuinais, Dissertation, p. 70; Santo Domingo, Les conséquences, p. 30; Eene stem uit Noord‑Braband, p. 13; Van Voorst, Het concordaat, p. 6; Van Zuylen van Nijevelt, Neêrlands schrikbarende ongevoeligheid, p. 37.

61 

Marginale aant. van Groen: `Wij wenschen de rust te kunnen behouden. Mogelijk; maar zóó niet. De gansche bevolking in protestanten en niet‑protestanten verdeeld.'



62 

Marginale aant. van Groen: `Kunnen de roomsch‑catholijken zich in goeden ernst beklagen? Over de staat welligt, evenals wij; minder dan wij; maar over de gezindh[eden]?' Het enkelvoud: (protestantsche) gezindh[eid] is ook verdedigbaar.



63 

Het thema van het uit de slaap ontwakende protestantse Nederland ook in Het dreigende gevaar, passim; Ernstig woord, p. 5; 7; 13; Geen vrees voor het concordaat, p. 4; Nog een volkslied, p. 4; Eene stem uit Noord‑Braband, p. 16; Vertrouwelijke brief, p. 8; Waakt protestanten!, passim; Van Zuylen van Nijevelt, Neêrlands schrikbarende ongevoeligheid, p. 34; 69.

64 

Marginale aant. van Groen: `Eene bevoorregte gezindheid; eene magtige gezindheid, eene veld winnende en dreigende gezindheid.' Zie over de `voorregten' Capadose, Ontboezeming, p. 23; Lanjuinais, Dissertation, p. 69; Stemmen over elk concordaat, p. 47.

65 

Marginale aant. van Groen: `kirchlich‑politische Theorie: Ranke [, Fürsten und Völker] III, 182 sq.' In het zesde boek van dit werk wijdt Ranke een paragraaf aan de `Kirchlich politische Theorie' van de Contrareformatie (p. 177‑188). Op. p. 182 leest men: `Die Jesuiten trugen kein Bedenken die fürstliche Macht vom Volke herzuleiten. Mit ihren Lehren von der päpstlichen Allgewalt verschmolzen sie die Theorie von der Volkssouveränetät zu Einem Systeme.'

66 

Groen doelt op art. 291 van het Wetboek van strafregt; cf. De maatregelen3, p. 59: `Betaamt het, dat, in Nederland en onder een Vorst uit een bij uitnemendheid Godsdienst‑ en vrijheidlievend Geslacht, geen twintig menschen zonder toestemming van het Gouvernement een gebed, een lofzang tot God mogen heffen?' De overeenkomst tussen de situatie van de Afgescheidenen en van de rooms‑katholieken in Nederland werd door velen opgemerkt. Cf. Capadose, Ontboezeming, p. 32; Eert de waarheid, p. 5; Ernstig woord, p. 7; Gedachten van een' leek, p. 12; Kints, Het goed regt, p. 33; Tegenschrift, p. 18; Van Voorst, Het concordaat, p. 19.

67 

Sc. de Hervormde kerk in 1816; cf. De maatregelen3, p. 16; 40.

68 

Sc. in Nederland.



69 

Marginale aant. van Groen: `Het raadzame? Waarborg tegen de suprematie des pausen, die thans onbeperkt is. Waarmede zal die nu beperkt worden? Door onafhankelijke bisschoppen? Misbruiken! Maar kunnen die door den paus niet afgeschaft worden; en zoo niet, welnu . . . bisschoppen.'



70 

Marginale aant. van Groen: `Die wijzigingen, volgens uw systeem, geheel in 's pausen hand.'



71 

Marginale aant. van Groen: `Eene geplaceteerde bulle?' Cf. Is nu alle vrees voor het concordaat verdwenen?, p. 14 waar als compromis voorgesteld wordt: `een Bestuur der Roomsch‑Catholijke Kerk door middel van geplaciteerde Bullen; waarbij de Paus verklaart en verlangt, wat Zijne Heiligheid voor de Roomsch‑Catholijke Kerk in de Nederlanden nuttig en noodig acht, en de Koning bereidvaardig toestaat, wat Zijne Majesteit met eene gelijke bescherming en vrijheid der verschillende Godsdiensten in het Rijk niet strijdig, en met de belangen van den Staat bestaanbaar acht.' Zie ook Royaards, Vergelijking, p. 297 e.v. over verschillende geplaciteerde bullen; Stemmen over elk concordaat, p. 30.

72 

Marginale aant. van Groen: `Alleen dan kunnen de roomsch‑catholijken ruimschoots vrijheid hebben, als de ultras en de jesuïten terzijde [worden gesteld:] Ranke [, Fürsten und Völker] IV, 222.' T.a.p. handelt Ranke over het voornemen van paus Pius VII om het concordaat van Fontainebleau (d.d. 25 jan. 1813) te herroepen. Wellicht moet `225' gelezen worden, waar Ranke de politieke betekenis van `die feierliche Herstellung der Jesuiten' (door Pius VII in 1814) uiteenzet.

73 

Cf. Ef. 6, 17.



74 

Cf. Jes. 21, 9; Openb. 14, 8.



75 

Marginale aant. van Groen: `Het is ook hier een strijd; en eer dat de overwinning is behaald, mag het zwaard niet uit de hand worden gelegd. Het beslissend oogenblik is dáár. De aankomst van C[apaccini]. Het protesteren ook na de daad: Velen zullen het overbodig achten. Mijne stem bij die van zoovele mijner landgenooten te voegen [acht ik pligtmatig]. Mij dunkt dat bij zoodanig onderwerp, eer het zwijgen dan het spreken verontschuldiging behoeft. De vrees is niet verdwenen, maar aangewakkerd. Strijd. Het beslissend oogenblik. Hoewel ook na [de daad bezinning noodig blijft]. Bedaard [moeten we blijven]. [Ons rustig] neêrzetten. Twee dingen in het oog houden.

Objectie: [De zaak] geheel aan den koning overlaten.

Refutatie: Dit [mag] niet. In een constitutioneel rijk.

Objectie: Persoonlijk [moeten we ons] tot den koning [wenden].



Refutatie: Dit [is] niet genoeg. In 't geheim [levert men dan strijd] tegen de r[oomschen]! Voor mij in 't bijzonder [is strijd met open vizier pligt]. Ik ben zoo ver gegaan als een protestant kon. En ik geloof dat het concordaat juist tegen die staatkunde [ingaat] welke ook Z.M. toegedaan is.' De internuntius Capaccini kwam op 19 mei 1841 in Den Haag aan `met last van den Paus, om over de zaak van het Concordaat met de Nederlandsche Regering te onderhandelen, en daarin over zoodanige wijzigingen overeen te komen, als welke de veranderde omstandigheden mogten vorderen' (Verzameling van officiele stukken, p. 70); cf. Albers, Geschiedenis I, 431; Bosscha, Het leven van Willem den Tweede, p. 659; Geen vrees voor het concordaat, p. 5; Is nu alle vrees voor het concordaat verdwenen?, p. 3; Rüter, Rapporten I, 222, 3.

76 

? Hs. onduidelijk. Waarschijnlijk is de zin: Intrekking van het voorstel tot het sluiten van een concordaat was geboden.



77 

Deze conjectuur wordt ondersteund door Gerlache, Histoire du royaume I, 443: `Certes, si la loi fondamentale eut été loyalement exécutée, un concordat était inutile, car il y avait dans cette loi assez de liberté pour les cultes et pour le gouvernement. Et si le roi eut rétabli de son propre mouvement, comme on l'en priait, l'ordre qu'il avait troublé par ses arrêtés, il pouvait étouffer dans leur germe des questions irritantes, que le concordat allait réveiller. Mais enfin, puisqu'il n'avait suivi ni l'une ni l'autre de ces deux voies, un concordat offrait un dernier moyen de pacification.'

78 

Cf. Verzameling van officiele stukken, p. 28.

79 

Leo XII.


80 

Marginale aant. van Groen: `[Men wordt] grovelijk verschalkt, als men met den paus in fijnheid wedijveren wil.' Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 14: `Is er bij den Bisschopszetel een Coadjutor noodig, ook dien stelt de Paus aan.' Zie ook Stemmen over elk concordaat, p. 30; 32; Albers, Geschiedenis I, 540.

81 

Cf. Briefw. I, 172, 5. Zie ook n. 108 van no. 47.

81a 

Cf. Gerlache, Histoire du royaume I, p. XIV: `. . . Guillaume ne fut jamais roi des Pays‑Bas; il ne fut roi que de la vieille Néerlande.'

82 

Cf. Van Voorst, Het concordaat, p. 17.

83 

Karel X.


84 

Cf. Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 15: `een onregt aan de Christelijke Kerk des lands gepleegd door den Vorst en den Paus.'

85 

Van de grondwet van 1814: `De christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.'



86 

Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 17; Van Voorst, Het concordaat, p. 11; Van Zuylen van Nijevelt, Neêrlands schrikbarende ongevoeligheid, p. 36; Kleijntjens, Verzet, p. 103; Sage ten Broek, Het protestantismus, p. 87.

87 

Marginale aant. van Groen: `Zoo hij verpligtingen heeft jegens den paus, hij heeft er ook jegens de grondwet die hij bezworen heeft, het protestantsche Nederland dat eerbiediging ook zijner regten mag eisschen, en jegens God die hem op den troon gesteld heeft.'



88 

Of h[arer] d.w.z. van het huis Oranje‑Nassau. Dezelfde Oranje‑sentimenten bij Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 18; Christophilus, Gedachten, p. 39; Het concordaat; Nederlands vrees en verwachting, p. 6; Van Voorst, Het concordaat, p. 12; Zoo als 't met de zaak nu staat, p. 6.

89 

Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 15.

90 

Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 8; Fiévée, Correspondance politique X, 10; 's Gravenweert, Alle vrees, p. 20; Stemmen over elk concordaat, p. 16; Albers, Geschiedenis I, 421/2; Gerlache, Histoire du royaume II, 154/5; Alison, History of Europe IV, 332/3; 347, 1.

91 

Dit woord is door Groen toegevoegd.



92 

Cf. Stemmen over elk concordaat, p. 14: `Alléén door de bestaande orde van zaken geheel omtekeeren, en met elk Genootschap een verdrag aantegaan, schijnt, ingeval er met den Paus een Concordaat gesloten werd, de Grondwet te kunnen worden gehandhaafd.'

93 

Onleesbaar. Naam van een andere schrijver of titel van werk van Ranke?



94 

Groen bezat de editie van Tholuck. Op p. 212 treft men § 11 en 12 van het tweede hoofdstuk van het vierde boek aan. Het hoofdstuk is getiteld: Comparatio falsae ecclesiae cum vera. Calvijn besluit zijn requisitoir tegen de Rooms‑Katholieke kerk aldus: `. . . dico unumquemque coetum et totum corpus carere legitimae ecclesiae forma.'

94a 

Lezing en aanvulling onzeker. Als ze allebei juist zijn, levert het vervolg een protestantse variant op van Cyprianus' spreuk: `Extra ecclesiam nulla salus.' Cf. Büchmann, Geflügelte Worte, p. 566.

95 

Hierna een marginale aant. van Groen waarvan alle elementen ook in de tekst voorkomen.



96 

In n. 8 a.l. verdedigt Haller de emancipatie der rooms‑katholieken in Engeland. `Denn erstlich haben sie das ältere und frühere Recht; ganz England war catholisch bevor die höchste Gewalt in die Hände der Protestanten kam; sie haben die catholische Religion nicht aufgenommen sondern vorgefunden.'



97 

Van 1829‑1855 was Liedekerke de Beaufort Nederlands gezant bij het Vaticaan; cf. Briefw. V, 276, 11.

98 

In 1841 Gregorius XVI.



99 

Cf. Matth. 12, 30.



100 

Cf. Joh. 4, 23/4. Zie over de `protestantse' exegese Brom, C. Broere, p. 279; 436.

101 

De eed van trouw die de bisschoppen aan de koning moesten afleggen stelde meer scribenten niet gerust. Cf. Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 16; Capadose, Ontboezeming, p. 12; 22; Christophilus, Gedachten, p. 23/4; 29; Haan Hettema, Het concordaat, p. 17; Van Limburg Brouwer, De concordaten, p. 10; Royaards, Vergelijking, p. 312; Van Voorst, Het concordaat, p. 10.

102 

Cf. Rom. 13, 4.



103 

Cf. Matth. 10, 37.



104 

Cf. 2 Kor. 10, 5 (aangevuld naar de Vulgata).

105 

Cf. 2 Petr. 3, 16.



106 

Versta: gewelddadig. In deze betekenis dikwijls bij Groen. Zie b.v. Ong. en rev., p. 47; 296; 367; Grondwetherziening, p. 169.

107 

Cf. Albers, Geschiedenis I, 33.

108 

Versta: dat de roomsen thans behaald hebben.



109 

Cf. Waakt protestanten!, p. 15: `Ik zie twee legers; doch het zijn burgers en inwoners van een en hetzelfde land.'

110 

Hs.: `Lur . . .' Betekenis onduidelijk.



111 

Niet gevonden aan welke bron Groen deze informatie over de Belgische koning ontleende.



112 

Het woord is weggebonden.



112a 

Dezelfde terminologie bij Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 15; Hofstede de Groot, Over het ongrondwettige, p. 3; Kints, Het goed regt, p. 49.

113 

Cf. Rom. 3, 8; Adviezen 1856/7 II, 281*.

114 

Cf. Handboek, p. 832.

115 

Men leest t.a.p.: `Of zou men denken, dat Rome zelf zoo gaarne de hand zal leenen aan de uitvoering des Concordaats? De ondervinding zal het tegendeel bewijzen.'



116 

Zie over het `onraadzame': Beroep op het gezond verstand, p. 2; Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 2; Is nu alle vrees voor het concordaat verdwenen?, p. 6; Eene stem uit Noord‑Braband, p. 3‑8; Tegenschrift, p. 7; 10; 13; Van Voorst, Het concordaat, p. 6.

117 

Pius VII. Cf. Capadose, Ontboezeming, p. 12 over het concordaat van 1801: `Immers van den eenen kant verbond zich Napoleon den diep gezonken staat der R.K. in Frankrijk weêr op te heffen; van den anderen kant verbond zich de Paus, door het gouvernement een aanmerkelijk deel in de bestiering der kerke, benoeming der Bisschoppen enz. te verleenen.'

118 

Na de m zijn enkele letters weggebonden. Wellicht: m[eer toe]geven of m[eer prijs] geven.



119 

Van de grondwet van 1815. Art. 193: `Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen.' Art. 196: `De Koning zorgt dat geen Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening die de grondwet waarborgt. Hij zorgt tevens dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.'



120 

Deze bladzijden beslaan echter het achttiende hoofdstuk o.d.t. Berigt van ettelijke concordaten, in de veertiende en vijftiende eeuw gesloten; in vereeniging met de vraag: of het nog in onzen tijd, en bijzonder voor onkatholijke staten raadzaam en voegelijk is die aan te gaan?

121 

T.a.p. een brief van Niebuhr d.d 29 jan. 1827 aan Perthes: `Sie sagen Sie stehen gegen die Katholiken wie Ost zu Nord. Ganz recht dasz Sie so stehen. Das ist aber gegen den Katholiken wie es in der wöhltätigen Zeit der Demüthigung war, wo von Verschiedenheit der Ansicht die Rede war, und nichts Weiterem. Jetzt aber is alles alte Böse in seinem ganzen Umfang erwacht: alles Pfaffenwesen, alle, auch die gigantischen Eroberungs‑ und Unterjochungspläne; und est ist kein Zweifel, dasz sie auf Religionskriege und alles was dahin führt, hintrachten und hinarbeiten. Daher müssen wir jetzt sehr auf der Huth seyn, und uns gewaltig in Acht nehmen, den Leuten nicht zu Werkzeugen zu dienen.' In zijn exemplaar van de Lebensnachrichten heeft Groen aangetekend: `N[ederlander no.] 663.' Men vindt inderdaad dit citaat met Nederlandse vertaling in dat nummer (van 25 aug. 1852). Een soortgelijke uitspraak van Niebuhr uit Lebensnachrichten II, 169, in 1826 gedaan tegen `das Getreibe der Katholiken' wordt door Groen aangehaald en vertaald in Nederlander no. 659 (20 aug. 1852). Cf. no. 667 (30 aug. 1852).

122 

Zie bibliografie s.v. Bunsen.



123 

T.a.p. begint Bunsen met de verdediging van `Niebuhrs Ansichten über die Unterhandlungen mit Rom und das Verhältnisz protestantischer Regierungen überhaupt zum päbstlichen Stuhle.'



124 

`Ein Concordat abzuschliessen, war ihm von Anfange an ein in jeder Beziehung unzulässiger Gedanke, weil er wuszte, dass ein solches überhaupt, bei der Stellung des ausgebildeten Europäischen Staates zur Römischen Kirchengewalt, mit Redlichkeit nicht abgeschloszen werden kann, selbst abgesehen von der besondern Stellung einer protestantischen Regierung.' Cf. Classen, B.G. Niebuhr, p. 85‑87. Groen geeft ook citaten uit Bunsens opstel in Nederlander no. 1446 en 1451 (10 en 16 maart 1855).

125 

Deze bladzijden heeft Groen ook aangetekend in zijn excerpt van dit werk. Het bevindt zich in zijn exemplaar van Fiévée, Histoire de la session op hetzelfde perkamentvel waarop hij zijn notities over laatstgenoemd werk schreef. Groens aantekeningen over dl. 10 beginnen aldus: `X. Concordat, pacte politique: 19; traité?: 55. 2. liberté des cultes: 7; 19.' De eerste helft van dit tiende deel is getiteld: Du concordat. Op p. 2 betoogt Fiévée: `En France, la religion de l'Etat; n'est pas loi de l'Etat; la loi de l'Etat, c'est la liberté des cultes.' Op. p. 7: `. . . la liberté des cultes et l'action simultanée des pouvoirs de la société se sont établies ensemble, et forment notre état politique, notre droit public, notre pacte constitutionnel . . . un Concordat . . . est hostile aujourd'hui contre la liberté des cultes, admise par la constitution . . .' Op p. 19 bewijst hij `que le Concordat n'est pas seulement un pacte religieux, et qu'il est bien plus un pacte politique.' De beide Kamers hebben daarom het recht het concordaat (van 1817) te bespreken, `puisqu'ils ont intérêt à examiner si cette convention ne nuit ni directement, ni par induction, à la liberté des cultes . . .' Op p. 55 bestrijdt hij de opvatting, dat het concordaat te beschouwen is als `un traité diplomatique' in de gangbare zin van het woord. Cf. Den Tex, Regtsvragen, p. 176/7; Terlinden, Guillaume Ier I, 269, 3.

126 

IV, 93 is niet relevant. Vermoedelijk is p. 393 bedoeld, waar Haller gewaagt van de talrijke concordaten `welche selbst von protestantischen Fürsten mit dem Oberhaupt der catholischen Kirche unterhandelt und zum Theil geschlossen werden.' Hij wijst er op de - zelfs in het protestantse noorden van Duitsland - veld winnende opvatting `dasz die Kirche dem unmittelbaren Einflusz des Staates entzogen, als eine selbständige Gesellschaft alles was ihren Glauben, ihre Lehrer, ihr inneres Regiment und ihre äuszeren Gebräuche betrifft, frey solle anordnen und bestimmen können . . .'



127 

Zie n. 77.



128 

II, 151‑160 bevat De Gerlache's Discours sur le concordat, la presse et l'instruction publique, à l'occasion du budget de 1828 (séance du 18 déc. 1827). In die rede toont De Gerlache zich een warm voorstander van het concordaat, `mais les protestans qui, par intérêt ou par crainte pour leur religion, attaquent ce même concordat, ne savent point à quel danger ils sont exposés' (p. 159).

128a 

Lees: heeft.



129 

Bron niet gevonden. Wellicht ook een nummer van het Handelsblad. Soortgelijke berichten uit het Handelsblad van 24 febr. 1841 worden aangehaald in Een gesprek, p. 14; De teekenen des tijds, p. 10.

130 

Versta: bescherming van de vrijheid door de koning.



131 

Nogal duister.



132 

Sc. bescherming van het evangelie door de koning.



132a 

Het tiendrecht was in België in 1794 afgeschaft. Maurice de Broglie vroeg in zijn Mémoire (8 oct. 1814) aan het Weener congres `le rétablissement de la dîme'; cf. Briefw. I, 246, 5; De Valk, Een stem, p. 45; De Gerlache, Histoire I, 339; Münch, Vollständige Sammlung II, 432/3; Broes, De kerk en de staat IV, 2, 529‑535; Terlinden, Guillaume Ier I, 18.

133 

De Celles was `Ridder van den Nederlandschen Leeuw'; cf. Verzameling van officiele stukken, p. 5/6; Albers, Geschiedenis I, 227; 534.

134 

Zie n. 85.



135 

Ook dit materiaal lag dus ten grondslag aan het adres.



136 

Van Hogendorp zegt t.a.p. in zijn `Aanmerkingen op het ontwerp eener Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden': `Onder een hervormd Vorst hebben alle de andere gezindheden eenen volmaakten waarborg in de duldzame denkwijze van de Nederlandsche Hervormden, die, onder de woede van religie oorlogen, aan geheel Europa het voorbeeld gegeven hebben van bescherming aan gewetens vrijheid. Indien nu andere, zelfs geheel roomsche landschappen, zich met ons willen vereenigen, is er niet de minste zwarigheid in den godsdienst gelegen'. Deze `Aanmerkingen' vindt men ook bij Zeldam Ganswijk, Bijdragen II, 24‑33. Het citaat op p. 30/1.

137 

Waarschijnlijk een schrijffout. Art. 1 van het concordaat van 1827 luidde immers: `De overeenkomst, die in den jare 1801, tusschen Paus Pius VII, en het Fransch Gouvernement aangegaan, en voor de Zuidelijke provincien van het koningrijk der Nederlanden van kracht is, zal op de Noordelijke provincien toegepast worden'. Cf. Verzameling van officiele stukken, p. 12. Misschien is sprake van verwarring met het Pruisische concordaat van 1821. Cf. Stemmen over elk concordaat, p. 42; Royaards, Vergelijking, p. 296.

138 

Cf. Handboek, p. 822: `Het Arrest van het Hof van Brussel dat hem [Maurice de Broglie, bisschop van Gent], afwezig, tot deportatie veroordeelt, ten toon gesteld op het schavot te Gent tusschen twee boosdoeners . . .'; De Gerlache, Histoire du royaume I, 352‑354.

139 

Bijvoorbeeld de `als ijverige Jozefist' bekend staande Goubau, in 1815 benoemd tot `Directeur‑Generaal voor de Zaken van de Roomsche Eeredienst'; cf. Handboek, p. 814; Briefw. I, 240, 3.

140 

Over het `onnoodige' gaat het ook in Beroep op het gezond verstand, p. 2; Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 2; De pragmatieke sanctie, p. 53; Is nu alle vrees voor het concordaat verdwenen?, p. 6; Eene stem uit Noord‑Braband, p. 11; Tegenschrift, p. 10; Van Voorst, Het concordaat, p. 6.

140a 

Of k[euze der bisschoppen]?



141 

Zie n. 57.



142 

Dit lijkt een citaat uit een rooms‑katholieke brochure ten gunste van het concordaat. De gedachtengang is te vinden in Kints, Het goed regt, p. 47; 59.

143 

Afkeer van deze orde wordt ook ten toon gespreid in Bretschneider, Over de grondslagen, p. 46; Broes, Zedig‑vrijmoedige bedenkingen, p. 19; 23; 25; Capadose, Ontboezeming, p. 20; 25; Christophilus, Gedachten, p. 7/8; 17/8; 35; Gedachten van een' leek, p. 7; Van Houten, Iets tot toelichting, p. 11; Iets over het: Wij zullen ons regt doen gelden, p. 8; De Jezuieten en het concordaat; Lanjuinais, Dissertation, p. 4; 6; De teekenen des tijds, p. 11; Tegenschrift, p. 16; Vertrouwelijke brief; Van Voorst, Het concordaat, p. 16; Een woord van waarschuwing, p. 27; 117.

144 

Cf. Ef. 4, 14.



145 

Misschien staat er: `wel'.



146 

Cf. Ef. 6, 17.



147 

Deze toevoeging maakt het waarschijnlijk, dat met de gezant hier Capaccini bedoeld is, en niet Liedekerke.



148 

Cf. Handboek, p. 847; Colenbrander, Gedenkstukken IX, 2, 736. Van Emile d'Oultremont, de neef van Henriette, zegt Maurice Yans in de Biographie nationale 38 (1973/4), 659: `La carrière politique du comte d'Oultremont est dominée par sa participation à la Révolution de 1830.'

149 

Waarschijnlijk een denkbeeldige tegenwerping van Groen.



150 

Cf. Matth. 10, 32.



151 

Hs. onleesbaar.



152 

Zie n. 16.



153 

Zie n.1.


154 

Men leest t.a.p. sub Nachrichten: `Gegen fünfhundert Bewohner des Zillerthales, die vor zehn Jahren sämmtlich noch der Römisch‑Katholischen Kirche aangehörten, haben den Befehl erhalten, ihr Vaterland zu verlassen, weil sie gesonnen sind, zur Evangelischen Kirche überzutreten'. De EKZ vergelijkt deze onrechtmatige verdrijving met die van de protestantse Salzburgers in 1731/2 door aartsbisschop von Firmian; cf. Handboek, p. 450; Rheinwald, Verhaal; Nederlandsche stemmen IV, 10‑16; VI, 214.

155 

De protestanten genieten godsdienstvrijheid `selbst unter catholischen Landesherren, überall wo ihre Religion einmal aufgenommen oder durch Verträge und Versprechungen anerkannt ist, und der nemlichen Freyheit sollten billiger Weise auch die Catholiken unter protestantischen Fürsten geniessen . . .'



156 

Bedoeld zijn de `heilzame gestrengheden' van de Bartholomëusnacht, de inquisitie etc. In zijn polemieken met de ultramontanen kwam Groen er vaak op terug. Cf. Nederlander no. 110 (5 nov. 1850), 158 (3 jan. 1851), 481, 483, 488, 493, 669, 737, 767 (22, 24 en 30 jan., 5 febr., 1 sept., 19 nov. en 24 dec. 1852), 1404, 1411 (20 en 29 jan. 1855); Le parti, p. 62; La Prusse, p. 11; Brieven van Da Costa II, 111; Maurice et Barnevelt, p. CCXIII. Nergens vermeldt Groen waar Lacordaire deze uitdrukking gebezigd heeft. Zie over deze `lofredenaar' van de verdelging der Albigenzen ook Nederlander no. 774 en 834 (4 jan. en 15 maart 1853).

157 

Men leest t.a.p.: `D'ailleurs, qu'est‑ce que l'inquisition a de commun avec les libertés de l'Eglise gallicane? Supposons‑la aussi mauvaise qu'on voudra, comment l'Eglise sera‑t‑elle plus libre, parce qu'elle n'exerce pas cette juridiction dont elle est revêtue en d'autres pays?' De Maistre legitimeert de wreedheid der inquisitie met de definitie `verser légalement quelques gouttes d'un sang vil et coupable' (Hoofdstuk XIII van het tweede boek van De l'église gallicane). Men vergelijke de merkwaardige omschrijving van De Maistre in Oeuvres II, 298: `l'exécution légale d'un petit nombre d'hommes, ordonnée par un tribunal légitime, en vertu d'une loi antérieure solennellement promulgée, et dont chaque victime était parfaitement libre d'éviter les dispositions.'

158 

`Beym ersten Entstehen einer Sekte' acht Von Haller `die Verbannung oder anderweitige Bestrafung einzelner Irrlehrer zweckmäszig und hinreichend . . .'



159 

`. . . das Beginnen der heutigen Bibelgesellschaften, welche zu angeblicher Beförderung des Christenthums, ohne Belehrung, ohne Commentar mit vollen Händen überall Bibeln verbreiten, kömmt mir eben so vor, als wenn man jedermann medicinische und pharmaceutische Bücher austheilen wollte . . .'



160 

Bedevaarten zijn volgens Von Haller niet verplicht, maar wel nuttig. Tegen reliquien is `durchaus nichts einzuwenden'.



161 

De opheffing der kloosters is schadelijk geweest: `. . . überall wo es möglich ist, sollte die Wiedererrichtung solch geistlicher Orden empfohlen und betrieben werden . . .'



162 

T.a.p. drukt Fénelon zich vrij gematigd uit. In no. 6 van 22 juli 1684 leest men: `Il n'est point à propos, ce me semble, de tourmenter ni d'importuner les soldats étrangers et hérétiques, pour les faire convertir: on n'y réussiroit pas . . . Il suffit de ne souffrir pas d'exercice public, suivant l'intention du roi'. In no. 7 van 7 febr. 1686: `Il me semble aussi que l'autorité du roi ne doit se relâcher en rien . . . Mais en même temps que l'autorité doit être inflexible pour contenir ces esprits que la moindre mollesse rend insolents . . . il seroit important de leur faire trouver en France quelque douceur de vie, qui leur ôtât la fantaisie d'en sortir. Il est à craindre qu'il en partira un grand nombre dans les vaisseaux hollandois . . .' Het woord `hug(u)enots' komt t.a.p. niet voor. Wellicht is p. 466 (brief no. 10 aan Bossuet d.d. 8 maart 1686 `Sur la difficulté de ramener les protestants') bedoeld: `Les hugenots mal convertis sont attachés à leur religion jusqu'au plus horrible excès d'opiniâtreté; mais dès que la rigueur des peines paroît, toute leur force les abandonne'.

163 

Groen schreef boven deze brief (934) van Jan van Nassau aan Marnix c.s. (d.d. 20 nov. 1579): `Doit‑on observer la Paix de religion envers les Catholiques?' (Archives, 1e série, VII, 127). Op p. 130 schrijft de graaf: `Quia vero hisce diebus, re diligentius examinatâ, scrupulus a quibusdam nobis injectus fuit, asserentibus non posse salvâ conscientiâ foedus cum idolatris iniri, quo falsa ipsorum superstitio confirmaretur, operae pretium duximus vestram in gravi hoc et maximi momenti negotio sententiam exquirere.'

164 

T.a.p. leest men het advies van een onverdraagzaam protestant (Jean Schuurman) aan Jan van Nassau: `Necesse est, imo etiam honestum et pium rescindere, irrita reddere, non servare juramenta ac promissa imprudenter aut etiam dato studio facta gloriae veritatique sceptri Christi repugnantia'.



165 

Boven deze brief (961a) van Beza c.s. (d.d. 7 maart 1580) schreef Groen o.a.: `On a souvent remarqué que de Bèze ne capituloit pas avec les erreurs; on peut se convaincre ici que, plein de modération et de charité envers tous, il ne vouloit pour arme que la prédication de la vérité'. Met de Franse woorden die het stuk besluiten vat Groen vermoedelijk het eerste punt van Beza's advies samen: `Respondemus e contrario nobis videri hanc veram esse, in hoc statu rerum, stabiliendae verae religionis rationem, si non vi et armis, sed verbi Dei gladio, et omnibus charitatis officiis, Christiani, concordiam ex Domini praecepto colentes, extraneos Christo lucrifacere conentur' (p. 253 initio). Daar het vreemd is, dat Groen plotseling op het Frans overschakelt, is het aannemelijk, dat deze woorden ergens in de Archives voorkomen.

50

1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.