Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina20/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   78
Reisaanteekening. 1842.1

8 junij. Naar Utrecht. 9 junij. Naar Cleef: bezoek bij den heer Huissen1a . 10 junij naar Meurs.2 11 junij over Keiserswerth naar Dusseldorp. 12 junij. Naar Elberfeld heen en weer, over den spoorweg. 13 junij. Naar Nijmegen. 14 junij. Te Nijmegen; naar Zwol. 15 junij. Naar De Bult.3

Meurs. Praeparanden‑Schule; een veertigtal leerlingen. Na den afloop, als kweekelingen op eene school; vervolgens, 18 à 19 j[aar] oud, in het seminarium: een vijfentwintigtal leerlingen.

Zahn4, een man van vele begaafdheden en uitgebreide kennis; heeft gestudeerd in de regten en de theologie. Veel levendigheid en aangenaamheid van voorstelling. Onderwijs in de bijbelsche geschiedenis; het gebed van Abraham voor S[odom].5 Aanvang met het Onze Vader. Kinderlijke voorstelling in den bijbel; de kinderen luisteren met gespannen aandacht, al weten zij ook de gansche historie. Over de wijs waarop God zich aan den mensch openbaart. Voorlezing van een plaats uit Luther; waarschuwing tegen indringen in hetgeen verborgen voor ons is. Overzigt van het wekelijksch onderrigt der seminaristen; gesprek over de geschiedenis: de invallen der barbaren; de vorming van Pruissen: gelijk das Corinthische Erz, volgens de vergelijking van den koning6 in zijne troonrede.7 Eenmaal zal dergelijke eenheid plaatshebben in hoogeren zin; als er één kudde en één herder zal zijn.8 Overzigt van de week in de Praeparanden‑Schule.

Elementar‑Schule. Vier klassen in afzonderlijke vertrekken. Onder de leeraars nog een kweekeling van Diesterweg.9 De leeraar der onderste klasse was nog eerst op de Praeparanden‑Schule geweest. De Biblische Historien10 van Zahn ten grondslage van het onderrigt. Het gouvernement stelt er veel prijs op dat de geschiedenis des vaderlands goed worde geleerd. In de hoogste klasse behandelde men juist de daden van den grooten keurvorst.11

Wandeling met Zahn naar het huis te Vilt12, met 188 morgen aangekocht; in de hoop van derwaarts alle de inrigtingen over te brengen. Het bidden ex tempore kan al zeer ligt, dagelijks herhaald, routine en woordengeprevel zijn; ook wel een soort van opwinding worden; nu en dan ook een formuliergebed nemen, of het Onze Vader, of een biddend gezang. Zeer ingenomen met de studie der ouden. Zéér met de schriften van Ranke; en met zijn karakteriseren door détails.

Nijmegen. School van Gehne13. Gezang 84; gebed over de aartsvaders. Alle de kinderen (70) in ééne kamer.


----

Noten bij no. 53. Reisaanteekening. 1842.


1 

ARA, G.v.P., no. 44, eigenhandig ontwerp. Aant. van Groen: `Zahn'. Cf. De Vries no. 50 en Briefw. II, 956/7 (Bijlage 39); Kalsbeek, Van strijd en zegen, p. 38 e.v..



1a Waarschijnlijk J.F. Huyssen, kostschoolhouder te Kleef. Cf. Lindeman, Ego in Clivia, p. 17-49.

2 

Moers, ten westen van Duisburg; cf. Briefw. II, 337, 1.



3 

Het buitenverblijf te Steenwijk van Groens schoonmoeder. Cf. De Vries, Mr. G. Groen van Prinsterer in zijne omgeving, p. 43.



4 

F. L. Zahn.



5 

Cf. Gen. 18, 23 e.v.



6 

Frederik Willem IV.



7 

De bedoelde woorden komen niet voor in de eigenlijke troonrede, uitgesproken op 15 oct. 1840 (Frederik Willem IV, Reden, p. 15‑19), maar in 's konings dankwoord aan de Pruisische stenden voor hun eerbetoon op 10 sept. 1840. Cf. Frederik Willem IV, Reden, p. 10/1: `Bei Uns ist Einheit an Haupt und Gliedern, an Fürst und Volk, im Groszen und Ganzen herrliche Einheit des Strebens aller Stände nach einem schönen Ziele: nach dem allgemeinen Wohle in heiliger Treue und wahrer Ehre. Aus diesem Geiste entspringt unsere Wahrhaftigkeit, die ohne Gleichen ist. So wolle Gott unser Preuszisches Vaterland sich selbst, Deutschland und der Welt erhalten, mannigfach und doch eins! wie das edle Erz, das aus vielen Metallen zusammengeschmolzen, nur ein einiges edelstes ist - keinem anderen Roste unterworfen, als allein dem verschönernden der Jahrhunderte!' Het uit de klassieke oudheid stammende, spreekwoordelijke praedicaat `Corinthische' moet dus van Zahn afkomstig zijn. Zie over `Korintisches Erz' Meiners, Geschichte des Verfalls, p. 249.



8 

Cf. Joh. 10, 16.



9 

Cf. Briefw. II, 336, 8: `1820 directeur van het seminarie voor onderwijzers te Meurs.'



10 

Zie bibliografie. Cf. Briefw. II, 957, 5; Verslag van de aanwinsten der K.B., p. 182; Nijmeegsch schoolblad I (1844/5), 2; VII (1850/1), 33 (*).



11 

Frederik Willem I van Brandenburg.



12 

Bedoeld is het landgoed Fild, in de wijk Moers‑Vinn. Zahn kocht het in 1837 om er zijn onderwijzersopleiding te vestigen. (Mededeling van dhr. Brinkmann, stadsarchivaris van Moers.) Cf. Zahn, Dem Andenken an Franz Ludwig Zahn, p. 45.



13 

Cf. Briefw II, 393, 1; 427; 953.

54 Aanteekeningen betreffende de synode. 1842.1

27 sept.


Aan de Hervormde kerk werd haar kroon, haar leven in onzen Heer Jezus Christus ontroofd.2

2 oct.


De nieuwe ontwikkeling kan niet zonder schokken.3 Waarom niet door geleerden wederlegd? Waarom niet het Haagsch genootschap?4 Bekrooning.5 Zij verlaten met Dermout,6 Van Hengel, Egeling, Heringa7, Muntinghe, Kist8 de afwijkingen9 van de oorspronkelijke leer der Hervormde kerk die in de zestiende en zeventiende eeuw10 zijn opgekomen. Met den geest der hervormers [zijn zij] op het innigst verwant.11 Merkwaardig ministerieel rescript12; [de minister] wil niet over de conscientiën heerschen.13 2 Cor. 3, 17.14 Groninger school [is] eene geestrigting die de hoofdzaak des christendoms, het leven van Christus in het hart der christenen krachtig bevordert.15

28 oct.


Zal de synode zich kunnen staande houden nevens de nieuwe leerstellingen, daar zij voor de handhaving der leer van de Hervormde kerk moet waken?16 Niet aan de synode alleen; aan alle andere kerkbesturen in hun kring.17 Als lidmaat voor kerkeraad en klassikaal bestuur.18 Als predikant, bij klassikaal bestuur en provinciaal bestuur.19 Aan de uitkomst op wettige wijs [zullen wij ons] onderwerpen, niet aan eene magtspreuk.20 Verwijzing op de Grieksche21 en Dordsche22 synode. Coccejaansche en Voetiaansche twisten gesmoord, dewijl er geene synode uitspraak over mogt doen.23

Geene nationale synode. Wil thans de synode leerstellige bepalingen of uitspraken geven, [dan volgt er een] scheuring der Nederlandsche Hervormde kerk in twee groote deelen, als in 1619; daarna verbod van nationale synode, of het aan het oude hangende deel gaat voort met verketteren en uitwerpen, zooals nu de Afgescheidenen24: kerk en ook het land prooi van elken vijand. De synode ijke geene leerstellingen; laat25 aan de mindere kerkbesturen, aan elke gemeente en landstreek [de vaststelling van de kerkleer] over. Zoo was het twee eeuwen lang. Willen geene reformatie der Reformatie, maar eene terugkeering tot de Reformatie, om in den geest der hervormers voort te gaan met de reine, na hen zoo vervalschte evangelieprediking.26 Elke stelling over evangelie en bijbel, voldoening27, gezag der apostelen, enz. [kunnen zij] staven uit Luther en Calvijn.28

Niet overgaan tot de Luthersche of Remonstrantsche kerk, omdat in de Hervormde kerk het beginsel van Gods genade als de oorzaak van 's menschen zaligheid heerschend [is] en genoeg vrijheid.29 Aan de kerk getrouw.30 Verhoor, onderzoek, en bij de bevoegde regtbank.31 Aan alle leden (Reglement van opzigt en tucht, art. 29‑34; 47‑57; hetwelk dergelijke aanklagt uitsluit van de zaken die onmiddellijk bij de synode behooren.32

Geene verandering, geene nieuwe formulieren33: [zij zijn de] conservatieven; de revolutionairen zijn de heer Groen en zijne vrienden. Algemeene goedkeuring te Groningen.34 Nu onder Heringa Utrecht, onder Van Voorst Leiden.35 Hebben beloofd Gods Woord te prediken.36 De kerk is niet van menschen, maar van God.37


-----
Noten bij no. 54 Aanteekeningen betreffende de synode.
1 

ARA, G.v.P., no. 46, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan Nagelaten papieren, p. 73. Groen heeft deze aantekeningen gemaakt na de op 29 oct. verleende inzage van de drie brieven die P. Hofstede de Groot ter verdediging van de Groninger richting aan de toenmalige minister van Hervormde Eredienst, H. van Zuylen van Nijevelt, schreef. Deze bevinden zich in het Archief (Hugo) van Zuylen van Nijevelt IV, collectie 110 (in het ARA). De brief van 27 sept. is no. 34, die van 2 oct. is no. 11. No. 12 werd begonnen op 17 oct., voltooid op 27 oct. en - blijkens de erop gemaakte notitie - door de minister ontvangen op 28 oct. Cf. Briefw. II, 472 no. 663. De talrijke afkortingen konden dankzij deze brieven met zekerheid aangevuld worden. De bewerker heeft door enkele aanvullingen de leesbaarheid van de tekst willen verhogen. Alleen die categorie wordt typografisch zichtbaar gemaakt.



2 

Hofstede schreef: `Ik heb de eer Uwe Excellentie hiernevens een exemplaar aan te bieden van eene door mij gehoudene Toespraak over een moeijelijk, maar hoogstbelangrijk onderwerp. Uwe Excellentie gelieve in het houden en uitgeven derzelve een blijk te zien van mijnen vurigen wensch, om het mijne (hoe weinig het dan ook zij) bij te dragen, opdat aan onze Hervormde kerk hare kroon, haar leven in onzen eenigen Heer Jezus Christus, niet worde ontroofd, . . .' Bedoeld is het op 7 sept. 1842 gehouden openingscollege: Wat moeten wij, godgeleerden in de Nederlandsche Hervormde kerk nu doen? De ondertitel hiervan luidt: `eene toespraak aan de theologische studenten . . .'. Cf. Hofstede, Gedachten, p. [III].



3 

Hofstede schreef n.a.v. een opmerking van de minister over het schokeffect van de Groninger theologie: `Doch - indien nu eens de Heer der kerk, gelijk Neander en vele andere vrome en geleerde mannen opmerken, en ook de synode van 1841 in het bekende rapport, 't welk ook Uwe Excellenties goedkeuring in hooge mate wegdroeg, heeft erkend, eene nieuwe ontwikkeling der kerk tot reiner inzigt en vaster geloof en warmer liefde wil bewerkstelligen - zou dan die nieuwe ontwikkeling wel zonder schokken mogelijk zijn? En zouden wij, godgeleerden, die het reine evangelie moeten prediken, die dienaren des Goddelijken Woords zijn, dan ontrouw mogen zijn aan onze roeping en om die schokken, welke velen, ook tot onze smart, verontrusten, mogen zwijgen?'



4 

Hofstede schreef: `Zekerlijk kunnen onze nieuwere voorstellingen, welke voor een deel die schokken mede veroorzaken, dwalingen zijn. Doch . . . aan niemand zal het aangenamer zijn, dan aan ons, zoo men ze ons als dwalingen aanwijst. En zijn ze dat, waarom staan er geene geleerde mannen op, en toonen het aan? Waarom vervult men onze bede niet en onderrigt ons beter? Waarom zwijgt het Haagsch genootschap, tot verdediging van onze Hervormde belijdenis opgerigt?' Bedoeld is het Haagsch genootschap ter verdediging van den christelijken godsdienst. Cf. Buursma, Nederlandse geleerde genootschappen, p. 16; Royaards, Het Genootschap; Hofstede de Groot, Beschouwing, p. 180; Royaards, Brieven, p. 342. Zie voor het verlangen naar weerlegging Aan de Hervormde gemeente, p. 14, 2; Toespraak aan de leden der Nederlandsche Hervormde kerk, p. 7.



5 

Hofstede schreef: `Maar dit genootschap doet juist het tegendeel; het bekroonde dezer dagen met goud eene verhandeling die door een' onzer leerlingen geheel in onzen geest is geschreven, en dat wel over het teedere punt van de werking des heiligen geestes. Ook hieruit zal dus wel blijken, dat wij de oorspronkelijke leer der Hervormde kerk niet verlaten . . .' De bedoelde leerling is S.K. Thoden van Velzen, wiens Verhandeling over de werking van den Heiligen Geest in 1844 door het Haagsche genootschap werd uitgegeven; cf. Godgeleerde bijdragen 19 (1845) I, 29‑62. Zie ook n. 52 van no. 48.



6 

I. J. Dermout.



7 

J. Heringa Ezn.; cf. Biographisch woordenboek van prot. godgeleerden s.v. (p. 729‑740); Aan de Hervormde gemeente, p. 27, 3; 60, 1; Briefw. II, 299, 11; 472, 5.



8 

E. Kist.


9 

Een sleutelwoord in de polemische literatuur van die tijd. Cf. De maatregelen3, p. 29; Aan de Hervormde gemeente, p. 7; Amshoff, Herinneringen, p. VII; Amshoff, Een woord, p. 14; Aspecten van de Afscheiding, p. 26; 111 n. 21; Benthem Reddingius, Brieven, p. 17‑27; Boeles, Over staatsregt, p. 133‑275; Borneman, Algemeene roepstem, p. 10; Van Borssum Waalkes, Opmerkingen, p. 11; 87; Bouman, Broederlijke toespraak, p. 21; Capadose, Eenheid, p. 14; Engels, Ontboezeming, p. 11 e.v.; Waarheid en geloof, p. 22‑50; Hofstede de Groot, Gedachten over de beschuldiging, tegen de leeraars der Nederlandsche Hervormde Kerk in deze dagen openlijk ingebragt, dat zij hunnen eed breken, door af te wijken van de leer hunner kerk; [Hofstede de Groot,] De bewegingen, p. 217; Korte beantwoording, passim; Moorrees, Adres, p. 3; Muurling, Christus in den mensch, p. 48; Muurling, Leerrede, p. 19; Schröter, Gedachten, passim; Toespraak aan de leden, p. 46; 69 n. 130; Vluchtige gedachten, p. 18; Vree, De Groninger godgeleerden, p. 342; Westendorp, Over de Formulieren, p. 21; Van der Willigen, Leerrede, p. 17.



10 

Hofstede schreef: `in de zeventiende en achttiende eeuw'.



11 

Hofstede schreef: `wij verlaten de afwijkingen van de oorspronkelijke leer . . ., terwijl wij ons met den geest der hervormers, ofschoon wij ook in hen feilen van karakter en dwalingen van inzigt opmerken (en wie doet het niet met ons?), op het innigst verwant gevoelen en met hen van harte overeenstemmen.'



12 

Dispositie van minister H. van Zuylen van Nijevelt, d.d. 1 juli 1842. Cf. Briefw. II, 461, 6; Aan de Hervormde gemeente, p. 65; 80, 1; Adviezen 1849/50 I, 120; Bornewasser, The authority, p. 174; Van Borssum Waalkes, Opmerkingen, p. 72; Bouman, Broederlijke toespraak, p. 73; Van Houten, Mijne gedachten (gerec. in Godgeleerde bijdragen 16 (1842) II, 910‑912); Volger, De leer, p. 200. De tekst is afgedrukt in Van der Tuuk, Handboek, tweede vervolg, p. 383‑385 en in de Opregte Haarlemsche Courant van 26 juli 1842. Cf. Thorbecke, Briefw. IV, 214. Ook deze formulering is afkomstig van Hofstede: `. . . het zoo merkwaardige ministeriele rescript van 1 julij toont het, dat Uwe Excellentie niet wil heerschen, ook niet om de beste bedoelingen te bevorderen, over de conscientieën der menschen, maar ruimte wil laten voor den geest van God . . .'



14 

De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. Op deze tekst had Hofstede zich ook reeds beroepen in zijn Gedachten, p. 113 (+).



15 

Hofstede schreef: `Uwe Excellentie houdt het leven van Christus in het hart der christenen buiten twijfel met ons voor de hoofdzaak des christendoms en kan van eene geestrigting, die dit leven krachtig bevordert, geene vrees koesteren voor de kerk.'



16 

Hofstede schreef: `De hoofdvraag, welke Uwe Excellentie mij de eer deed in hare missive van den 13 dezer voor te stellen, is deze, ``of de synode zich zal kunnen staande houden nevens de nieuwere leerstellingen, daar zij voor de handhaving der leer der Hervormde kerk moet waken''.'



17 

Hofstede schreef: `Indien aan de synode - alleen de handhaving dier leer ware opgedragen, zou de zaak eenige moeijelijkheid hebben; doch nu is deze taak aan haar en aan alle andere kerkbesturen opgedragen, en naauwkeurig bepaald, wat elk dier besturen daarin moet doen.'



18 

Hofstede schreef: `Het laagste kerkbestuur, dat daarvoor moet waken, is de kerkeraad; beschouwt men ons, professoren, als lidmaten der gemeente, men kan ons bij den kerkeraad verklagen, en in appel bij het klassikaal bestuur.'



19 

Hofstede schreef: `Het daarop volgende bestuur is het klassikale; beschouwt men ons, professoren, als predikanten, men kan ons verklagen bij het klassikaal bestuur, en in appel, bij het provinciale.'



20 

Hofstede schreef: `En ik verzeker Uwe Excellentie, dat zoo wij op wettige wijze, volgens de bestaande reglementen, als lidmaten of evangeliepredikers worden behandeld, wij ons aan die behandeling zullen onderwerpen, welke dan ook de uitkomst zij. Maar, omdat wij professoren zijn, staan wij toch niet beneden de lidmaten en predikanten en kunnen wij ons dus niet onderwerpen aan iets, waaraan zij niet onderworpen zijn, aan de magtspreuk, welke de Zeven Haagsche Heeren, tegen de reglementen in, over ons wilden doen uitgaan van de synode.'



21 

Hofstede doelt op de concilies `in de vierde tot de zevende eeuw'. Deze `synoden' dachten, dat zij `door handhaven van de leer der kerk, de kerk moesten bewaren, en zij hebben haar verdeeld, en weder verdeeld, zoodat zij weldra eene gemakkelijke prooi werd voor Mahomeds volgelingen.' Cf. Hofstede, Gedachten, p. 72.



22 

Hofstede schreef: `In onze Nederlandsche kerk is de bekende Dordsche synode ook op dezen weg gegaan, en met welk gevolg? Dat er eene scheure ontstond, die nu na twee eeuwen nog niet weder is geheeld. Wat ware het gevolg geweest, zoo er meer zulke synoden waren gehouden?'



23 

De gecursiveerde bijzin letterlijk zo bij Hofstede.



24 

Hofstede schreef: `daarna [zal] het politiek gezag, wil het het vaderland niet te gronde zien gaan, het houden van alle nationale synoden moeten verbieden, evenals na 1619; of doet het politiek gezag dat niet, het meer aan het oude hangende deel gaat opnieuw twisten, verketteren en uitwerpen, evenals nu reeds bij de Afgescheidenen plaatsheeft . . .'



25 

Men verwacht ook hier een conjunctief. Hofstede adviseerde de minister te `verhinderen, dat de synode geene leerstellingen voor allen ga ijken; maar aan de mindere kerkbesturen overlate te volgen, wat in elke gemeente en elke landstreek volgens hare behoeften en naar haar beste weten voor hervormd en christelijk wordt gehouden, en te verwerpen, wat dáár wordt afgekeurd.'



26 

Hofstede protesteerde tegen de conclusie van de minister, dat de Groningers `eene reformatie der Reformatie zouden beoogen. Neen, niet meer dan 't geen prof. Kist voor vijf jaren betoogde, dat noodig is, wenschen wij, eene terugkeering tot de Reformatie, om in den geest der hervormers voort te gaan met de reine, na hen door velen weder zoo vervalschte evangelieprediking.'



27 

Eveneens een sjibbolet. Zie De maatregelen3, p. 23; Adres2, passim; Ong. en rev., p. 177; 193; Aan de Hervormde gemeente, passim; Azonius, B. J. H. Taats' bijdrage; Boeles, Over staatsregt, p. 60; Van Borssum Waalkes, Opmerkingen, p. 44; 92; Capadose, Ernstig en biddend woord, p. 112; Elout, Brief, p. 6‑14; Engels, Geloofs‑verdediging, p. 34‑54; 78‑83; Hofstede de Groot, Beschouwing, p. 150; [Hofstede de Groot?,] Hoe heeft Calvijn de voldoening geleerd?; [Hofstede de Groot,] Over de beginselen, p. 218; Van Limburg Brouwer, Gesprek, p. 19; Van der Linden van Spranckhuysen, Een woord, p. 53‑56; Molenaar, Noodig onderrigt, p. 20; Noodzakelijke verklaring, passim; Opzoomer, Andwoord, p. 13; [Recensie van] Aan de Hervormde gemeente; Rutgers van der Loeff, Antwoord, p. 16‑22; 39‑42; Van Swieten, Nog eene stem, p. 15; 27; 37; Taats, Bijdrage; Toespraak aan de leden, p. 31; Vree, De Groninger godgeleerden, p. 260; 303‑305; 311; Waarheid in liefde‑Inhoud, p. 462 s.v. Voldoening; Wat moeten de geloovigen in Nederland nu doen?, p. 6/7; 19.



28 

Cf. Aan de Hervormde gemeente, p. 27; 140‑147; Briefw. II, 958, Bijlage 41; Hofstede, Gedachten, p. 25.



29 

Hofstede schreef: `De andere vraag, welke Uwe Excellentie zegt dat velen doen, waarom wij niet tot de Luthersche of Remonstrantsche kerk overgaan, heb ik voor 20 jaren na een ernstig onderzoek van maanden en jaren beantwoord. Dat antwoord luidde: `dewijl ik in de Hervormde kerk het beginsel van Gods genade als de oorzaak van 's menschen zaligheid heerschende vind, en niet meer vrijheid begeerde, dan zij mij geeft.'



30 

Hofstede schreef: `Aan die kerk ben ik getrouw gebleven. Eene magtspreuk van den heer Groen van Prinsterer of, al ware het ook, van eene synode kan mij van het tegendeel niet overtuigen.'



31 

Hofstede schreef: `De Hervormde kerk moet ons geven, 't geen de staat ook aan de ergste misdadigers toekent, verhoor van den beschuldigde, onderzoek der misdaad, en die twee zaken bij de bevoegde regtbank.'



32 

Hofstede verwijst hiervoor (ook) naar art. 84 van dat reglement. Het luidt: `Zaken, in welke een of meer provinciale kerkbesturen, derzelver leden, of leden der synode betrokken zijn, worden onmiddellijk bij de synode behandeld.' Men vindt dit Reglement op de uitoefening van kerkelijk opzigt en tucht voor de Nederlandsche hervormde kerk (K.B. van 28 sept. 1825 no. 109) in het Bijvoegsel tot het Staatsblad (nieuwe uitgave 1821‑1830), p. 362‑366 en bij Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 122‑143.



33 

Versta: worden door Hofstede c.s. begeerd.



34 

Hofstede schreef: ` . . . indien Uwe Excellentie de goedkeurende brieven zag, die wij uit alle provincieën ontvangen, de brieven die mij ook nu nog na de uitgave van mijne Toespraak van winkelier en hoogleeraar, van man en vrouw, zijn gezonden, zou Uwe Excellentie zich overtuigen, dat eene zeer talrijke en krachtvolle schaar ons doen goedkeurt . . .'



35 

Hofstede schreef: `. . . worden wij er na zoovele anderen om verketterd; nu - Utrecht was de schuilplaats der ketterij, toen Heringa er begon te doceren, Leiden toen Van Voorst in zijne kracht kwam; dat nu eens de beurt aan Groningen komt, is geen wonder.' Zie over Van Voorst Briefw. II, 472, 4; Hofstede, Beschouwing, p. 179 n. 25; Biogr. lex. Ned. prot. II s.v.



36 

Hofstede schreef: `Zoo alleen meenen wij ons te kunnen verantwoorden voor God en menschen, ook als hoogleeraren der Ned. Herv. kerk, die, als hare predikanten bevestigd wordende, de plegtige belofte voor Gods gemeente hebben afgelegd van Gods Woord voor haar te zullen prediken en deze belofte moeten houden.'



37 

Letterlijk zo in de brief. Aan het eind leest men: `Eerst tien dagen nadat ik dezen brief begon, kon ik denzelven voleinden.'


55

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   78

  • Aanteekeningen betreffende de synode.

  • Dovnload 7.64 Mb.