Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina21/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   78
Aan de redactie van De Tijdgenoot. 1842.1

Vergunt mij de opneming van eenige regels te verzoeken, nu ook de tweede aflevering2 van mijn Handboek der geschiedenis van het vaderland, en nog stelliger dan de eerste3, in uw geacht tijdschrift afgekeurd wordt.

Ik dank u voor de welwillendheid desniettemin aan mij betoond. Het verblijdt mij, ook om uwentwille, dat gij alle verdenking van kwade trouw geheel terzijde hebt gesteld.

Ik erken de onjuistheid der inhoudsopgave van de Remonstrantie, in het derde punt.4 Doch, vermits de leer van den vrijen wil bij uitnemendheid tot het geloof der remonstranten behoort, zou mijne vergissing, wel verre van eene partijdige strekking te hebben, verbergen wat door uwe verbetering ook hier duidelijk wordt, dat de arminiaansgezinden in den beginne, om in de kerk te kunnen blijven, het tegendeel voorgewend hebben van hetgeen zij eigenlijk hebben bedoeld.

De gegrondheid uwer verdere openlijke berisping veroorloof ik mij openlijk in twijfel te trekken; niet uit gekwetste eigenliefde, maar ik wensch, ook door het Handboek, eenig nut te kunnen stichten; en daarom mag ik het niet geheel stilzwijgend aanzien, wanneer voor menigeen, die om zelf te beoordeelen niet in de gelegenheid is, het werk als een onbekookt pamphlet en de schrijver, in menig opzigt, als `bekrompen, kleingeestig en partijdig'5, zoo onmeedogend tentoongesteld wordt.

`Met groote éénzijdigheid heb ik vermeld, dat van wege de Kerk voor het onderwijs gezorgd is.'6 Hoe dan? Ik wil geen regten van leenheeren of souvereinen betwisten; maar gelieft in het oog te houden, dat, wie ook scholen gesticht of onderwijzers hebben benoemd, én de akademiën, én de Latijnsche scholen, én het lager onderwijs in het naauwste verband met de kerk hebben gestaan; de kerk achtte zich geroepen om, niet enkel voor leerstellig onderwijs, maar voor christelijke opvoeding van de kinderen der gemeente te zorgen: zij kende haar pligt; de staat eerbiedigde haar regt. Zoo was het hier; zoo was het waar de revolutie niet zegevierde, tot dusverre overal. Bedrieg ik mij, gaarne zal ik beter toegelicht worden; maar indien niet, dan meen ik, ja, dat hierin ook voor ons eene gewigtige les opgesloten ligt.

Gij verwondert u over hetgeen ik zeg van Don Juan.7 Waarlijk, ik had veel liever Willem I in allen deele onberispelijk goedgekeurd. Maar ik mogt niet verbloemen wat mij, na langdurig onderzoek, duidelijk werd, dat de landvoogd, ten aanzien der vijftien gewesten, vredelievende en zachtzinnige bedoelingen had, en dat het enkel aan de meesterlijke staatkunde van Willem I, zal ik zeggen te danken is of te wijten, dat ook daar wantrouwen ontstaan en in openlijke krijgsverklaring losgebarsten is.

De § § 175‑177 behelzen de zamentrekking der Archives (V, p. 381‑635 en VI, p. 1‑456) omtrent dit gewigtige punt. Ik heb bij de uitgave dier verzameling getracht een tijdperk, waarover zooveel nieuws bekend geworden is, met bijzondere zorg te bewerken; en zou ik niet mogen verlangen dat, alvorens het resultaat te verwerpen, men de stukken en redeneringen kenne, die ertoe hebben geleid?

Ik heb de opdragt der Nederlanden aan Anjou `een der geliefkoosde ontwerpen van Willem I'8 genoemd. En hoe zou ik niet, daar de prins de landvoogdij voor den hertog gewenscht, voorbereid, trots zwarigheden en tegenkanting verkregen, en ook na het verraad van Antwerpen, zooveel doenlijk in stand gehouden heeft? `Het is ten eenemale ongelooflijk, dat de Prins tegen zijnen wil het Renversaal betreffende Holland en Zeeland, zou aangenomen hebben.'9 En echter, vergeeft mij deze tegenspraak uwer zoo stellige assertie, de overweging van al hetgeen ten aanzien van de aanbieding der grafelijkheid plaatsgehad heeft (bijv. Archives, VII, p. 304‑309) levert het bewijs dat de prins, enkel om zijn geliefkoosd ontwerp elders te doen gelukken, zijne toestemming gaf aan hetgeen bij Anjou en de andere gewesten een rijke bron van wantrouwen werd.

`Ik ga de tegenkanting tegen vreemden invloed voorbij, en neem aldus den Vaderlandschen zin uit de Geschiedenis weg.'10 Wanneer is er tegenkanting geweest in den zin door u bedoeld? In 1573 welligt, toen er ernstig aan gedacht werd, om Holland onder de heerschappij van Karel IX te brengen? Of was het toen de prins zoo dikwerf naderhand heeft verklaard dat er, zonder naauwe betrekking op Frankrijk, geen uitredding was? Of toen, na den dood van Anjou, op vernederende voorwaarden eene onderhandeling met Hendrik III aangeknoopt is? Toen én deze vorst, én Elizabeth tevergeefs om het aanvaarden der souvereiniteit gebeden en gesmeekt werd? Wachten we ons, ter verhooging van den vaderlandschen roem, een anachronisme te begaan. De tijd der grootspraak is gekomen, maar nadat een tijd van bange noodkreet voorafgegaan was.

`Voor de Staatkunde van Willem I en die van Oldenbarneveld, tegen de Ultra‑Gereformeerden heb ik tweederlei toetssteen gehad.'11 Neen, doch het metaal was niet van dezelfde gehalte. Willem I, die zich ook tegen de hervormden, waar zij anderen zouden verdrukt hebben, verzet heeft, was de schutsheer der Gereformeerde kerk, wier regt door Barneveld met voeten getreden werd.

Ook iets over het tijdperk van Leicester. Welligt is er geen moeijelijker in onze historie; geen waarbij men minder steun in onpartijdige geschiedschrijvers vindt. Reeds het karakter van den landvoogd is uitermate problematiek. Ik zou hem voorgesteld hebben als een godvruchtig en vroom man? Ik ontken het. Juist dewijl ik die vroomheid als twijfelachtig beschouw, heb ik opgeteekend, niet overgenomen, bijv. het getuigenis der Staten van Utrecht: `is er ooit godvruchtig, opregt, vroom gouverneur in de landen geweest, dan behoort Zijne Exc. voorwaar wel een van die te worden erkend.'12 Ik acht deze en dergelijke verklaringen gewigtig, dewijl ik mij niet voorstellen kan dat, zoo men hier aan de gruwelijke aantijgingen tegen Leicester eenig geloof gehecht had, zijne voorstanders zich van uitdrukkingen zouden bediend hebben, welke dan inderdaad naar persiflage geleken en de meest vinnige beantwoording zouden uitgelokt hebben. Prounin[c]k13 acht ik, ja, een schrander en verdienstelijk man; maar het is alweder onjuist, dat ik Reingoud als een ten onregte belasterde14 voorgesteld heb. Ik heb § 21515 opgemerkt, en die opmerking is (zoo men ook ten aanzien van Leicester billijkheid verlangt) niet overbodig, dat de Staten, die tegen hem geijverd hebben, vroeger zijne lofredenaars bij den landvoogd waren geweest.

En nu Oldenbarneveld! - `Als een volkomen bewezen feit heb ik vermeld, dat hij jaren achtereen geen deel aan het H[eilig] Avondmaal genomen heeft; en echter het is eene van die opgeraapte beschuldigingen, welke de Ultra‑Gereformeerden in 1619 in menigte tegen hem uitstrooiden.'16 Hieraan tenminste hebben de hervormden, hoe boosaardig, geen schuld. Neen, het is de medestander, de vriend, de lofredenaar van Barneveld, het is Uytenbogaert die het getuigt. Wat leest men in zijn Leven en verantwoording?17 Dat hij in 1590 de eerste particuliere aanspraak met Barneveld had. Waarop volgt: `Barneveld misprees somwijlen sommiger Predikanten onrekkelijkheid . . . Hij zeide mij op zekeren tijd rondelijk, dat hij te Heidelberg professie van de religie gedaan (in 1570), maar zich in Holland van 't Avondmaal had onthouden, alleen om de gemelde inzichten.'18 Wat kan hieruit worden afgeleid? Vooreerst dat hij van 1570, zijnde reeds toen wedergekeerd, tot 1590 geen deel aan het avondmaal had; ten anderen dat ik ten onregte beschuldigd word hatelijken laster, onwaarschijnlijk vermoeden althans, als een bewezen feit opgeteekend te hebben. - Van de diensten van Barneveld, reeds tijdens Willem I, had ik meer kunnen zeggen; maar ik had geen ruimte voor eene biografie; ook geloof ik dat hij niet `onder de meest vertrouwde vrienden'19, maar wel, namelijk ten aanzien van het inwendig beheer, onder de meest bekwame tegenstanders van Willem I behoort.

`In § 237 heb ik geheel ten onregte het mislukken van het plan om Maurits aan het Hoofd van den Raad van State te plaatsen, aan Oldenbarneveld te laste gelegd.'20 En waarom? Omdat ook Maurits aan de Fransche en Engelsche gezanten geen zitting zou hebben vergund. Het zij zoo: wat doet het tot de hoofdzaak die ik beweer? dat namelijk, bij de onbeschrijflijke verwarring, welke uit het bijna teniet gaan van het centraal gezag was ontstaan, velen, ook Maurits, een krachtiger algemeen bewind hebben gewenscht, en dat Barneveld dit, in het belang zijner inzigten, tegengehouden heeft.

Is het billijk u te beklagen dat ik hem overal in een ongunstig daglicht heb gesteld? Ik heb zijne uitstekende talenten vermeld; zijne kunde, ondervinding, scherpzinnigheid en welberekend overleg, zijne goede trouw niet ontkend, en de voltrekking van het vonnis betreurenswaardig genoemd. Ik heb getracht zijn stelsel in staat en kerk met juistheid te doen kennen; maar men verge mijne goedkeuring niet voor beginsels, welke in den staat tot het alvermogen der regenten, en in de kerk tot uitdrijving der geloovige lidmaten, en verbod hunner godsdienstoefening hebben geleid. De Tijdgenoot zelf erkent, dat Barneveld niet geheel vrij is geweest `van een berispelijk en eigenzinnig doordrijven'21, maar het zij mij dan ook vergund, ofschoon ik met u, `het onchristelijk ijveren voor godsdienstige leerstellingen'22, hoogelijk misprijs, deze gelegenheid te baat te nemen om u te doen opmerken, dat geenszins het ijveren voor de godsdienst, maar wel de poging om haar van staatswege te verdrukken, de teregtstelling, die wij allen bejammeren, teweeggebragt heeft.

Nog twee aanmerkingen ten slotte, waarvan de eene de onvolledigheid, de andere de eenzijdigheid van het Handboek betreft.

`Ik heb, terwijl ik van de regtzinnigheid van Maurits gewaag, verzwegen dat juist het tegendeel bij Uytenbogaert en Brandt wordt vermeld.'23 Voorzeker heb ik het verzwegen; omdat ik er, na bedaarde overweging, geen waarde aan hecht. Maar, mag ik vragen, welk denkbeeld vormt ge u over den aard van het door mij ondernomen werk? Moet ik, zonder keus, zonder toetsing, zonder schifting, daarin opnemen al wat onder het twistvuur der partijen, van wederzijde gezegd is? Immers neen; maar elke zinsnede moet de slotsom, dikwerf van een zeer omslagtig, en even daarom niet in zijn' ganschen omvang mededeelbaar onderzoek zijn. De waarborg moet bestaan, in de aanhaling der voornaamste schrijvers, in een kritisch overzigt der historische bronnen (hetwelk ik in de voorrede van het eerste stuk reeds eenigermate toegezegd heb), in eenig vertrouwen op den auteur, en in de goedkeuring dergenen, die, om den arbeid te beoordeelen, zich soortgelijken arbeid hebben getroost.

Ik zou nog zoo gaarne u willen overtuigen dat ik de meest naauwgezette onpartijdigheid24 in acht genomen heb. Welligt zal het mij gelukken. De bron van het kwaad ligt `in mijne alles overwinnende liefde voor het streng Gereformeerd beginsel'25, dit is de zuurdeessem die, naar uw inzien, het geheele deeg bederft; en in dit opzigt vrees ik, laat mij beter zeggen, hoop ik ongeneeslijk te zijn. De waarheden, welke door velen onder den naam van streng gereformeerd beginsel worden bedoeld, en die uitgedrukt zijn ook in de Belijdenis der Hervormde kerk (Handboek bl. 8626) zijn mij, in hun bijbelsche eenheid en zamenhang, het evangelie, het eeuwig evangelie, onafhankelijk van de steeds afwisselende begrippen, het zaligmakend evangelie, welks terugkeering, niet in doode regtzinnigheid, maar in kracht en leven, ik ook in onze dagen en voor het dierbaar vaderland verlang. Moet ik dit geloof27 bij het onderzoek der historie afleggen, en is dit de onpartijdigheid die gij wenschelijk acht? Ik zou u onregt doen door dit te veronderstellen. Gij wilt dat ik, van mijn eigen standpunt, zonder aanneming des persoons, met opregtheid en waarheidsliefde de vruchten geve mijner beschouwing. Dit is, ik verzeker het u, mijn wensch, en waar ik, bij zoo moeijelijken en veelomvattenden arbeid, mogt hebben gedwaald: welkom zal mij elke teregtwijzing, dubbel welkom eene vriendschappelijke en onpartijdige teregtwijzing zijn. Doch ik protesteer tegen het veroordeelen met een pennestreek van hetgeen mij jaren van moeitevollen arbeid gekost heeft. Ik wil de competentie van uwe regtbank niet betwisten, doch ik meen aanspraak op eenige bescheidenheid, ook van de zijde der regters te hebben. En ik kom bij deskundige landgenooten in hooger beroep tegen uw vonnis, dat ik door het Handboek aan de beoefening onzer geschiedenis, die ik meen met eenigen ijver behartigd te hebben, niet slechts geen nut gedaan, maar schade aangebragt heb.28

-----


Noten bij no. 55. Aan de redactie van De Tijdgenoot. 1842.
1 

Gedrukt in De Tijdgenoot II (1842), 577‑581. Gedateerd: 's Hage, 7 nov. 1842. Uiteraard is in deze polemiek steeds de eerste druk van het Handboek bedoeld. Cf. Briefw. II, p. IX; 473; 959 sub 42; Nederlander no. 186 (5 febr. 1851).



2 

Gerecenseerd door J. de Bosch Kemper in De Tijdgenoot II, 545‑552.



3 

Gerecenseerd door J. de Bosch Kemper in De Tijdgenoot I, 81‑86.



4 

In § 251 (p. 299) van het Handboek had Groen als derde punt van de Remonstrantie genoemd: `Vrije wil, of kracht van den verdorven wil ten goede.' De Bosch Kemper citeert de tekst van het derde punt: `Dat de mensch het zaligmakende geloof van zich zelven niet heeft, noch uit kracht van zijnen vrijen wille, alzoo hij in den staat der afwijkinge en der zonden niets goeds, dat waarlijk goed is (gelijk inzonderheid is het zaligmakende geloove) uit en van zich zelven kan denken, willen of doen: maar dat het van nooden is, dat hij van God in Christus door Zijnen Heiligen Geest worde herboren en vernieuwd, in verstand, affectie ofte wille, en alle krachten, opdat hij het ware goed te regt moge verstaan, bedenken, willen en volbrengen naar 't woord van Christus, Joannes XV: 5: Zonder mij kondt gij niets doen' (De Tijdgenoot II, 550). Zie over de wijziging, die Groen op grond van De Bosch Kempers kritiek in deze paragraaf van het Handboek aanbracht: Nederlander no. 766 en 1459 (23 dec. 1852 en 26 maart 1855). De Bosch Kemper kwam op de affaire terug in zijn Open brief (1857),p. 40.



5 

De Bosch Kemper schreef over Groen: `Een goed Staatsman, een bekwaam Geschiedschrijver, een naauwgezet mensch, - in alles waarbij zijn geliefkoosd denkbeeld niet in aanraking komt, - wordt hij bekrompen, kleingeestig en partijdig, waar hij die geliefde meening bepleiten kan' (De Tijdgenoot II, 545).



6 

Cf. De Tijdgenoot II, 546: `Met groote éénzijdigheid wordt, § 146 en elders, meermalen vermeld: dat van wege de Kerk voor het Onderwijs gezorgd werd.'



7 

Cf. Handboek § 175‑177 (p. 186‑190); De Tijdgenoot II, 547.



8 

Cf. Handboek § 192 (p. 207): `Een zijner geliefkoosde ontwerpen was de opdragt der Nederlanden aan Anjou.' Cf. De Tijdgenoot II, 547.



9 

Cf. De Tijdgenoot II, 547.



10 

Cf. De Tijdgenoot II, 547: `De Vaderlandsche zin wordt uit de Geschiedenis des Vaderlands weggenomen, wanneer men het edele en vaderlandslievende beginsel, - die tegenkanting tegen vreemden invloed, - voorbijgaat.'



11 

Cf. De Tijdgenoot II, 545/6: `Zoo stelt hij de gematigde en wijze Staatkunde van Willem I tegenover de Ultragereformeerden in het ware licht. Waarom bij het tijdvak van Leicester niet dezelfde onpartijdigheid bewaard?'; II, 547: `Men verduistert een' trek der Vaderlandsche Staatkunde, gelijk die doorgaans plaats greep, wanneer men den tegenstand tegen de Ultragereformeerden door Willem I en Oldenbarneveld, door Frederik Hendrik en Joan de Witt niet met dezelfde onpartijdigheid beschouwt.'



12 

Cf. Handboek § 211 (p. 231); De Tijdgenoot II, 548.



13 

Cf. Handboek § 215 (p. 238); De Tijdgenoot II, 548.



14 

Cf. De Tijdgenoot II, 549.



15 

Cf. Handboek p. 238.



16 

Cf. De Tijdgenoot II, 548; Handboek § 203 (p. 223).



17 

Zie bibliografie sub Uytenbogaert.



18 

Cf. Uytenbogaert, Leven, p. 18. Groen citeert hier enigszins vrij.



19 

Cf. De Tijdgenoot II, 548.



20 

Cf. De Tijdgenoot II, 549; Handboek, p. 282/3.



21 

Cf. De Tijdgenoot II, 551.



22 

Cf. De Tijdgenoot II, 551.



23 

Cf. De Tijdgenoot II, 549;Handboek § 257 (p. 308‑311).



24 

Cf. De Tijdgenoot II, 545; Handboek, 2e afl. p. VII.



25 

Cf. De Tijdgenoot II, 545.



26 

Handboek § 83.

27 

Aant. van Groen: `Welk geloof De Tijdgenoot belijdt, is mij een raadsel, sedert ik daarin las: ``Wij kunnen het met ons christelijk geloof niet overeenbrengen dat het geloof, dat Christus gestorven is als zoenoffer voor misdaden die nog bedreven moesten worden, een hoofdbeginsel van het Christendom is.'' No. 24, bl. 319.' Groen citeert hier uit De Bosch Kempers recensie (De Tijdgenoot II, 318/9) van Groens Adres (De Vries no. 54); cf. Grondwetherziening, p. 361; 462; Nederlander no. 1181, 1188, 1189 (29 april, 8 en 9 mei 1854).



28 

De Bosch Kemper repliceerde in De Tijdgenoot II, 581‑584.

56 Droit public des Pays‑Bas. ± 1842.1

Les Pays‑Bas étoient un magnifique débris du vaste empire de Charlemagne. On y retrouve donc les mêmes éléments qui constituoient au moyen‑âge le droit public européen. Le régime de Charlemagne étoit essentiellement monarchique. Il avoit ajouté les souvenirs de Rome à la royauté absolue et héréditaire des Francs.2 Aimant à s'entourer de lumières, à demander des conseils, il décidoit en maître, par sa seule volonté, comme souverain, d'après son bon plaisir. Cette souveraineté étoit indépendante de la bonne volonté et du consentement des sujets. L'empereur régnoit par la grâce de Dieu.

L'unité de l'empire se brisa. Les ducs, les comtes, autrefois simples magistrats, vassaux ou bénéficiers, commencèrent à se soustraire de plus en plus à leurs obligations. Au lieu de représenter le souverain, ils voulurent le remplacer, et ils y parvinrent. Ils régnèrent désormais par eux‑mêmes, ou du moins ne conservèrent qu'un foible reste d'obéissance et de soumission. La constitution demeura la même; mais le pouvoir se rapprocha d'un degré.

La nature du pouvoir fut donc la même qu'elle avoit été sous Charlemagne. Pouvoir héréditaire et absolu du monarque, sous beaucoup de dénominations diverses. Il étoit propriétaire de son pouvoir, et pouvoit disposer de ses états par mariage, par donation, par testament. Par lui‑même, ou par ses ministres et ses organes, il donnoit des loix, prononçoit des jugements, faisoit la guerre, exécutoit ses volontés. Ses revenus consistoient dans des redevances des habitants ou dans le produit des immenses domaines qui formoient les biens particuliers du souverain. Ces droits, assurément très étendus, étoient néanmoins limités. Le pouvoir n'étoit pas arbitraire et despotique. Le souverain étoit tenu de respecter les droits d'autrui. Il ne pouvoit pas disposer de la vie et des biens de ses sujets. Il se voyoit entouré de différentes classes d'habitants, envers lesquels il devoit observer et faire observer la justice.

D'abord le clergé. Il étoit puissant et nombreux. La munificence des empereurs, les largesses des fidèles avoient richement doté l'église, dont les ministres représentoient une partie considérable de la propriété territoriale. D'ailleurs son influence étoit immense, et proportionnée au pouvoir qu'exerçoit la religion sur les esprits. Dans ces temps d'ignorance la nécessité de recourir aux lumières du clergé devoit encore beaucoup augmenter son pouvoir.

Puis la noblesse. Son existence étoit le fruit du régime féodal. Les bénéfices et les magistratures étoient devenus héréditaires dans tous les degrés du pouvoir. Ainsi les familles nobles avoient pris naissance; ainsi une classe intermédiaire étoit venu[e] se placer entre le souverain et la majorité de la nation. Les nobles furent longtemps non des sujets obéissants, mais d'insolents vassaux et de petits tyrans en sous‑ordre. Grands propriétaires, puissants par leurs relations de famille, décidant, par la composition des armées, du sort des batailles, ils pouvoient servir très utilement le souverain; mais ils devenoient dangereux s'ils s'opposoient à son pouvoir, ou s'ils lui retiroient leur appui.

Enfin le tiers‑état. Durant plusieurs siècles il n'eut pas d'existence distincte. Il y avoit un grand nombre d'esclaves, un nombre immense de serfs; et le régime féodal, en diminuant, en anéantissant presque toutes les libertés, même des municipes, qui longtemps encore avoient conservé leurs usages locaux, ne laissa guère d'hommes libres en dehors de la noblesse. Esclaves, serfs attachés à la glèbe, colons, villains, tous étoient en dehors de l'ordre politique. Le christianisme ne pouvoit tolérer un pareil état de choses. Il y eut des adoucissements successifs, qui émanèrent d'abord du clergé. Plusieurs causes contribuèrent avec efficace à la renaissance des anciennes libertés, à la création de libertés nouvelles. Mais ce fut surtout aux douzième et treizième siècles que se manifesta un immense mouvement de liberté; l'affranchissement des villes, des communes. Beaucoup de villes, qui avoient gémi sous l'oppression des tyrans féodaux, furent rétablies dans leurs droits. En outre les seigneurs, les rois, les ecclésiastiques donnèrent des lettres d'affranchissement à tel ou tel endroit, c'est à dire, permirent à ceux qui s'y rassembloient en commune, de se considérer comme affranchis des services personnels auxquels ils étoient précédemment tenus; assurant le même privilège à tout serf qui y auroit cherché un refuge et que son maître n'auroit pas réclamé dans l'année. Ces communautés, ces villes avoient une existence propre, leurs droits, leurs biens, leurs revenus. Toutefois elles n'étoient pas indépendantes; au contraire soumises au souverain. Chaque ville, dans son existence collective, étoit aussi un sujet; et parmi ces nouveaux sujets, il y en eut qui firent rapidement fortune, qui devinrent très puissants, rivalisant bientôt avec les seigneurs pour les éclipser plus tard.

Voilà donc trois classes: le clergé, la noblesse, le tiers‑état. Ces trois ordres envoyèrent plus tard des députés qui délibéroient avec le souverain sur les affaires publiques, et formoient le collège des Etats. Comme ces assemblées ont rempli un rôle très considérable dans l'histoire de l'Europe et en particulier dans celle de notre patrie, il est indispensable de rechercher, un peu plus en détail, leur origine, leurs attributions, leur influence.

Partout il y a des Etats, c'est à dire, des classes, des ordres différents, dont l'ensemble forme l'universalité de la nation. Mais l'origine des Etats comme collèges ayant une influence politique, ne remonte guère au delà du quinzième ou du quatorzième siècle. On a commis à cet égard de terribles anachronismes. On croyoit retrouver les Etats dans des assemblées d'un genre tout à fait différent. On les a souvent confondus avec les réunions de conseillers ou de magistrats, appelés à recevoir les directions et les ordres du souverain, ou à lui donner des éclaircissements sur leur administration. Souvent aussi on a pris la cour du souverain, son parlement, nommé par lui pour prononcer, en son nom, des jugements, pour des représentants de la nation. Il y avoit une infinité d'assemblées: des plaids généraux, provinciaux, municipaux; des réunions du clergé; et communément les souverains, avant de régler les affaires, demandoient les avis de ceux qui en avoient le plus de connaissance et qui y étoient le plus intéressés. Mais ce n'étoient pas là les assemblées des Etats.

1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   78

  • Droit public des Pays‑Bas.

  • Dovnload 7.64 Mb.