Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina24/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   78
Kort overzigt der algemeene geschiedenis. ± 1842.1

§ 1. In den beginne schiep God hemel en aarde.2 Hebreeën 11, 3; Psalm 33, 6.


§ 2. God heeft den hemel geschapen. God zeide: Daar zij licht! en er was licht.3 God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels4, de zon, de maan, en de sterren. De zon die licht en warmte en vruchtbaarheid geeft; de maan die van de zon haar schijnsel ontleent; de sterren, die niemand tellen kan5 en waarvan elke een zon is, door wereldbollen omringd. God alleen telt het getal der sterren (Psalm 147, 4). De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel Zijner handen werk.6
§ 3. God heeft de aarde geschapen; de zee en al wat daarin is.7 De bergen rezen op, de dalen daalden ter plaatse die Hij voor hen gegrond had (Psalm 104, 8). De delfstoffen; de boomen en planten en kruiden, met bloemen en vruchten; de menigvuldige diersoorten; het gevogelte des hemels, een stem gevende van tusschen de takken8; in de zee kleine gedierten met grooten (Psalm 104, 25).9
§ 4. In den hemel de engelen, die God prijzen en verheerlijken; Zijne heirscharen, Zijne dienaars, die Zijn welbehagen doen (Psalm 103, 21).
§ 5. Op aarde den mensch. De Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel.10 God schiep den mensch naar Zijn beeld; man en vrouw schiep Hij ze.11 Adam, met Eva als eene hulpe tegenover hem12, werd op de aarde gesteld om God lief te hebben en te verheerlijken; om, als dienaar Gods, heerschappij over het aardrijk te hebben; om op aarde te vermenigvuldigen en haar te vervullen13; om door liefde en gehoorzaamheid zalig te zijn.
§ 6. Sommige der engelen hebben hun beginsel niet bewaard.14 Door hoogmoed zijn zij van God afgevallen en hebben zich voor altijd ongelukkig gemaakt. De aanvoerder dezer geesten, de satan, de booze verlangt anderen even rampzalig te maken als hij zelf is. God had Adam en Eva geplaatst in het heerlijke paradijs. Vrijelijk mogten zij eten van de vruchten in den hof. Slechts van één boom was de vrucht hun ontzegd. De Heer had gezegd: ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.15 De booze zeide, in de gedaante van een slang: Gij zult den dood niet sterven, maar gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.16 En de menschen geloofden meer den duivel dan God; zij werden door ongeloof tot ongehoorzaamheid verleid; de zonde kwam in de wereld en door de zonde de dood.17
§ 7. Door de zonde is het verderf gekomen over Adam en zijn geslacht. De aarde is om zijnentwille vervloekt18; zij draagt, ook bij al de heerlijkheid der natuur, het merk van dien vloek. Doornen en distelen brengt zij voort.19 Door stormen en aardbevingen wordt zij verwoest; vuurspuwende bergen gieten lavastroomen uit over de vruchtbare velden; watervloeden bederven het land; het uitzigt op den oogst wordt door rups en kever, hagelbui en stortregen teniet gemaakt; verscheurend gedierte heerscht in het woud; nu eens verschroeijende hitte, dan weder het barre wintersaizoen. Smart, lijden, ziekten van allerlei aard pijnigen den mensch. Erger dan ligchamelijke smart: de heerschappij der zonde; die onvoldaan laat en gewetensangst wekt, bij de gedachte aan God den regter over allen. En dan de dood, de koning der verschrikking20, en dan het oordeel en het eeuwig verderf.
§ 8. Dit zou, zonder onderscheid, het lot van Adam en alle zijne nakomelingen geweest zijn. Doch God, die regtvaardig en heilig is, de Almagtige en Alwijze is barmhartig en groot van goedertierenheid.21 In Zijn ondoorgrondelijken raad was het bepaald dat Gods eeniggeboren Zoon eenmaal, in de volheid der tijden22, den mensch in alles, uitgenomen de zonde23, gelijk worden zou24; om zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen25 en om zichzelven een volk te reinigen ijverig in goede werken.26 Reeds bij het vonnis werd de openbaring der genade gevoegd. Er zou een zaad zijn der vrouw dat eenmaal aan de slang den kop vermorzelen zou.27
§ 9. Door de zelfopoffering van den Zone Gods wordt een iegelijk behouden die in Hem gelooft.28 Aan den zoodanigen is vergeving geschonken van alle zijne ongeregtigheden; een nieuw hart om Hem, die het eerst den zondaar liefgehad heeft29, te dienen; en, na korte beproeving, een eeuwig gewigt van heerlijkheid30, als hij onder Gods kinderen zal worden geopenbaard.31 Hier heeft hij vrede en troost, en de dood is hem slechts de afsterving der zonde en de doorgang tot het eeuwige leven.32 De zoodanigen maken de gemeente uit die de Zone Gods met zijn bloed gekocht heeft; waarvan de beloofde Verlosser het hoofd is, Jezus Christus, de Zaligmaker, de Heer!
§ 10. Deze gemeente, deze kerk des Heeren, heeft tegen de wereld, die in het booze ligt33, door alle eeuwen heen, een onophoudelijken strijd. De booze, de God dezer eeuw tracht zijn prooi te behouden; en poogt de ontwerpen van Gods eeuwige liefde tot heil der menschen tegen te gaan. Maar de poorten der helle zullen haar niet overweldigen34; ook onder de meest hevige aanvallen zal zij worden gespaard; totdat Gods langmoedigheid plaats zal maken voor het eeuwig gerigt35; de boozen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de regtvaardigen in het eeuwige leven36; en er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zal zijn, waarin geregtigheid woont.37
§ 11. Onafscheidelijk is dus de geschiedenis van wereld en kerk. Dit Godsplan alleen toont verband en eenheid waar, buiten het licht der openbaring, niet dan raadselachtige verwarring gezien wordt. De geschiedenis wordt, naar aanleiding hiervan, verdeeld in Oude historie, tot op de komst van den Zaligmaker, en Nieuwe historie, tot op Zijn terugkomst.
oude geschiedenis. van den val tot op christus' geboorte. 4000 jaren.38
Veertig eeuwen zouden er verloopen eer het heil der volken op aarde verscheen. De eerste zestienhonderd jaren vormen een afzonderlijk tijdvak, waarin de rampzalige kracht van het zielebederf zich van den beginne en bij toeneming geopenbaard heeft. Zoodra er broeders waren op aarde, is er ook broedermoord geweest. Het nageslacht van Cain scheen den wreveligen en van God afkeerigen aard te hebben geërfd. Zij beoefenden den landbouw, vereenigden zich in steden, vonden het gebruik uit van het ijzer; leerden de muzijk kennen; maakten groote vorderingen in wetenschap en kunst; doch het was om hun wraakzucht te koelen, om aan hunne weelderigheid voldoening te geven, terwijl aan God niet gedacht werd. Niet zoo bij de afstammelingen van Seth. Daar werd het ontzag voor den Heer bewaard; daar begon men, bij eenvoudiger levenswijs, gemeenschappelijk Zijn Naam aan te roepen.39 Weldra echter bezweken ook zij voor de kracht van voorbeeld en verleiding. Vruchteloos traden Henoch en andere predikers der geregtigheid op om, in naam des Heeren te bestraffen en tot inkeer te brengen. Er waren reuzen op aarde, geweldigen, mannen van name; de boosheid des menschen was menigvuldig op de aarde; toen berouwde het den Heer dat Hij den mensch had gemaakt.40

Noach alleen vond genade in de oogen des Heeren. Op Gods bevel bouwde hij eene arke, om zijn gezin en van elke dierensoort minstens een paar te behouden. Nog was de Heer langmoedig geweest: nog had Hij een uitstel van 120 jaren verleend. Maar elke waarschuwing was tevergeefs. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, zij kochten, zij verkochten, zijn planteden, zij bouwden; zij deden alles behalve Gods wil; zij dachten aan alles behalve aan Zijn gerigt; alle dingen schenen den gewonen loop te hebben; toen kwam de zondvloed en verdierf ze allen.41 De Heer gelastte Noach in de arke te gaan; op denzelfden dag zijn alle fonteinen des grooten afgronds opengebroken en de sluizen des hemels zijn geopend en een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.42 En de wateren vermeerderden en hieven de arke op, zoodat zij oprees boven de aarde; en de wateren namen de overhand en vermeerderden zeer op de aarde, en de ark ging op de wateren; en de wateren namen gansch zeer de overhand op de aarde, zoodat alle hooge bergen die onder den ganschen hemel zijn, bedekt werden. Alzoo werd verdelgd al wat een adem des levens had. Niemand bleef over dan Noach en de zijnen alleen.43

Groote veranderingen heeft de aarde aldus ondergaan. Vele blijken bestaan ook thans nog van de algemeenheid en van de gevolgen van den vloed. Zelfs in de hoogste bergen vindt men versteeningen van visschen en schelpen. Niet zeldzaam is het geraamten of beenderen op te delven, wier grootte alle bekende diersoorten zeer ver overtreft. De gesteldheid van den dampkring schijnt gewijzigd. De mensch, die vroeger een ouderdom zelfs van meer dan negen eeuwen bereikte, werd tot een leeftijd van zeventig, of, zoo hij zeer sterk is, van tachtig jaren beperkt.44 Maar God zegende Noach en zijne zonen, en zeide: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde45; en de Heer stelde den liefelijk‑prachtigen regenboog, tot een teeken in de wolken en zeide: het zal geschieden als Ik wolken over de aarde breng dat deze boog zal gezien worden in de wolken; dan zal Ik gedenken aan mijn verbond tusschen Mij en alle levende ziele; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed om alle vleesch te verderven.46

De zondaren waren verdelgd; maar de loop der zonde werd bij het overgebleven geslacht door geen strafgerigten gestuit. Het bleek opnieuw dat het gedichtsel van 's menschen hart boos is van zijne jeugd aan.47 De aarde werd met bewoners, maar tevens andermaal met boosheid en wrevel48 vervuld, met onregt en geweld. Gedreven door hoogmoed, om zich een naam te maken; onwillig zich, naar Gods bevel, over de gansche aarde te verspreiden, bouwden de kinderen der menschen een stad en een toren welks opperste tot in den hemel zou reiken. Maar de Heer belachte hen; verwarde hun spraak, terwijl tot dusver de aarde van eenerlei spraak en eenerlei woorden geweest was. Zij hielden op te bouwen, en terwijl zij bepaald hadden rondom een middenpunt vereenigd te blijven, werden zij verstrooid.49

Nog meer. Niet alleen dat zij Gods bevelen verachtten; zij vergaten Hem; zij vervielen tot afgoderij. Zij hebben de waarheid Gods veranderd in de leugen en het schepsel geëerd en gediend boven den Schepper die te prijzen is in der eeuwigheid.50 En daar het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, werden zij met alle ongeregtigheid vervuld.51 Vier eeuwen verliepen, en het was alsof weldra de kennis van den eenigen waren God van de geheele aarde zou weggenomen zijn. Andermaal scheen de aarde rijp voor het verderf.

Genadig is de Heer en groot van goedertierenheid.52 Hij koos zich een volk uit bij hetwelk door Zijn gestadige tusschenkomst en onmiddellijk bestuur, de waarheid behouden en Zijn dienst bewaard worden zou. Aan Abraham, wiens maagschap ook reeds met de dienst der valsche goden besmet was, werd gezegd: Ga uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal; en Ik zal u tot een groot volk maken, en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.53 En hij geloofde in den Heer en de Heer rekende het hem tot geregtigheid.54 Abraham was de stamvader der Joden of Israëliten. Reeds na vierhonderd jaren was zijn aartsvaderlijk geslacht in Egypte een volk van 600 000 zielen, behalve de vrouwen en kinderen geworden. Het werd vandaar, onder geleide van Mozes, naar het land Canaän overgebragt; door rigters (Jozua, Gideon, Simson) uit benaauwdheid en angsten gered; door koningen (Saul, David, Salomon) geregeerd; in twee rijken van Juda en Israël gescheurd; waarvan het laatste, na derde halve eeuw, het andere omtrent honderdvijftig jaren later, door de Babyloniërs teniet gedaan werd. Na 70 jaren werd het in ballingschap weggevoerde volk van Juda verlost en Jeruzalem de hoofdstad herbouwd; doch het land werd telkens onder den invloed of ook wel onder de regtstreeksche heerschappij van vreemde vorsten of volkeren gebragt.

In alles bleek het dat dit Gods eigen volk was. Hij was wetgever en koning. Van Hem ontving het de wet der Tien geboden en zijne overige instellingen en wetten, in wier nooit geëvenaarde voortreffelijkheid allerwege het merk van goddelijken oorsprong gedrukt is. Hij gaf aan Israël het land Canaän, een land vloeijende van melk en honig55, tot eene eeuwige bezitting.56 Hij was het op wiens bevel telkens als de nood daar was, een rigter als redder optrad. Ook aan de koningen werd het woord: zoo spreekt de Heer, door de profeten gerigt. Jeruzalem was de stad des grooten konings.57 Daar was de berg Sion en de tempel, waar God plegtstatig aangeroepen werd. God was bekend in Juda en Zijn Naam groot in Israël; en in Salem was Zijne tent en Zijne woning in Sion (Psalm 76, 2). Niet op gewone, op buitengewone wijs en door een reeks van wonderen werd dit volk des Heeren geleid. Geen gevaar te groot, geen tegenstand te magtig en sterk. De zee baande hun een pad om straks den vijand met wagens en paarden te verzwelgen58; in de woestijn ging hun des nachts eene vuurkolom voor, des daags eene schaduwgevende wolk59; uit den hemel geregend manna was hun voedsel60 en, als het aan water ontbrak, opende de rotssteen zich om hen te drenken.61 De schrik des Heeren was op de strijdbare Cananieten, daar zelfs het water van den Jordaan voor de arke Gods terugweek62 en Jerichos muur onder hun bazuingeklank viel.63 Als de Filistijnen in het land waren gedrongen, als de meest geduchte vorsten legers tezamen hadden gebragt, als Jeruzalem van vijanden omringd was, dan strekte de Heere Zijne regterhand uit en een Gideon sloeg met 300 man een krijgsheir op de vlucht64, een Simson doodde duizend Filistijnen65, een Jonathan met zijn wapendrager klom in de vesting en veroverde haar.66 Somwijlen was het: de Heer zal voor u strijden en gij zult stille zijn67; en de Heer stortte de Egyptenaars in het midden der zee68; en de Syriërs hoorden een geluid eener groote heirkracht en waren in de schemering gevloden (2 Kon. 7,7), en de engel des Heeren voer uit en sloeg in het leger der Assyriërs in één nacht 185000 man.69 Wel mogt Israël zingen: ik vertrouw niet op mijn boog en mijn zwaard zal mij niet verlossen; maar Gij verlost ons van onze wederpartijders en Gij maakt onze haters beschaamd (Psalm 44, 7‑8).

Dit volk was het volk der belofte. Alles strekte om de gedachtenis aan den Messias levendig te houden: de strengheid der wet waardoor, bij schuldbesef, de behoefte opgewekt werd aan Hem die alleen magtig is van den vloek der wet te verlossen70; de offer‑ en eeredienst, die tot in de minste bijzonderheden naar het alleen genoegzame schuldoffer wees van het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt71; zelfs de tijdelijke zegen en uitredding was een teeken slechts, een afschaduwing en beeld van dien oneindig hoogeren en eeuwigen zegen, die eenmaal aan het volk der geloovigen ten deel vallen zou. Zij hadden Mozes en de profeten72; maar het getuigenis van Jezus Christus was de geest van wet en profetie.73 De komst van dien hoogsten leeraar, van dien eenigen hoogepriester74, van dien eeuwigen koning werd telkens in de treffendste voorstellingen75 herhaald; telkens met bepaalder aanwijzing van stam, geslacht, omstandigheden, plaats en tijd. Groot was het voordeel der Israëliten, aan wie de woorden Gods toevertrouwd zijn, en welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst, en de beloftenissen, welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid (Rom. 9, 4).

En op welke wijs heeft dit volk zich deze weldaden waardig betoond? Het was een wederspannig volk; een geslacht dat zijn hart niet rigtte en welks geest niet getrouw was met God (Psalm 78, 8). Altijd wederstonden zij den Heiligen Geest76: Zij hielden Gods verbond niet; weigerden te wandelen in Zijne wet; vergaten Zijne daden en wonderen, murmureerden tegen Hem77, verlangden den heidenen gelijkvormig te zijn, bogen zich naar hun voorbeeld voor hout en steen78; verontreinigden zich met hunne gruwelijke plegtigheden en zeden79; en als de Heer gezanten tot hen zond, die weerspraken, vervolgden, mishandelden, stenigden zij.80 Niet aan de zoodanigen was de belofte. Niet allen zijn Israël die uit Israël zijn (Rom. 9,6). De prediking deed hun geen nut, omdat zij met het geloof niet gemengd was.81 Doch zij werden bovendien ook tijdelijk gestraft. Dan werd een gansch geslacht veroordeeld om te sterven, na veertig jaren omzwervens, in de woestijn.82 Dan werden zij overgeleverd aan de plage van den hongersnood, of van de pestilentie of van het zwaard.83 Dan was het: Ik zal alle inwoners dezes lands in stukken slaan, Ik zal niet verschoonen noch sparen, noch Mij ontfermen dat Ik hen niet zou verderven (Jerem. 13, 14). Dan werd Sion geploegd als een akker, Jeruzalem tot steenhoopen gemaakt84, en wat niet gedood werd, naar verre landen in treurige ballingschap overgevoerd. Desniettemin werd Juda niet vernield; Zijne goedertierenheden hadden geen einde: Hij gedacht aan Zijn verbond met Abraham en David, en stad en tempel werden hersteld.

Altijd, ook onder den jammerlijksten afval, is er een overblijfsel naar de verkiezing der genade geweest.85 Wanneer de profeet alleen dacht overig te zijn, had de Heer zich zevenduizend die de knie voor den Baäl niet gebogen hadden, bewaard.86 Altijd waren er Israëliten, wier oog geopend werd om, onder de schaduwen der wet, den troost van het evangelie te aanschouwen. Door het geloof konden zij betuigen: ik zal mij vermaken in Uwe geboden die ik liefheb en zal Uwe inzettingen betrachten87; dit is mijn troost in mijne ellende dat Uwe toezegging mij levend heeft gemaakt.88 Door het geloof zagen zij reikhalzend naar den Zaligmaker uit. Door het geloof ontvingen zij kracht tot eenen God verheerlijkenden wandel. En in het geloof zijn zij gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben ze van verre gezien en geloofd en omhelsd, en het betere, dat is, het hemelsche vaderland gezocht.89 Weinig in getal, gering naar de wereld, van vijanden omringd, in het aanzigt des doods, vreesden zij niet; want de Heer had gesproken: Vrees niet, gij wormken Jacobs, gij volksken Israëls; Ik help u, spreekt de Heer, en uw Verlosser is de Heilige Israëls (Jes. 41, 14).


De heidenen
Onder alle de overige volken heeft niet een in de voorregten van Israël gedeeld. Alzoo heeft Hij geen ander volk gedaan en Zijne regten die kennen zij niet (Psalm 147, 20). Hij heeft alle de heidenen laten wandelen in hunne wegen; alleen aan Israël had Hij Zijne wegen bekend gemaakt (Hand. 14, 16). Wel hebben zij gedeeld in de weldaden Zijner alomvattende liefderijke zorg. Hij heeft Zichzelven niet onbetuigd gelaten, goed doende van den hemel, regen en vruchtbare tijden gevende, spijs en vrolijkheid.90 Wel zijn zij onderworpen gebleven aan de beschikkingen Zijner Almagt; de Allerhoogste heeft heerschappij over de koningrijken der menschen en geeft ze aan wien Hij wil (Dan. 4, 17), en Hij zegt: er is niemand die uit Mijne hand redden kan; Ik zal werken en wie zal het keeren? (Jes. 43, 13) Wel ondervonden zij de onontwijkbaarheid Zijner gerigten: Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken en u stellen tot eene verwoesting en een schrik en gij zult weten dat Ik de Heer ben (Ezech. 35, 3).91

Geen volk was er bij hetwelk alle denkbeeld van een Hooger Wezen uitgeroeid of de stem van een beschuldigend geweten ten eenemaal aan het zwijgen gebragt werd. De overlevering, hoe ook verbasterd, is niet ganschelijk uitgewischt. Eenige begrippen bleven er, hoe ook verduisterd, omtrent het aanzijn der godheid, de voortduring der ziel, de wedervergelding van goed en kwaad. Heilrijken invloed heeft dit volksgeloof gehad. Het was de grondslag van gezag, pligt en regt. Het is de schrik der boozen, de troost der verdrukten en de steun der staten en wetgevingen geweest. Aldus heeft er, in het ontzag voor heilige dingen, een breidel van geweld en zedeloosheid kunnen zijn. De eerbied voor den wil der goden is de eenige genoegzame bekrachtiging van volkeren‑, staats‑ en burgerregt geweest.

Jammerlijk desniettemin waren de wanbegrippen waartoe de menschheid, aan zichzelve overgelaten, verviel. Zij hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.92 Zij aanbaden de lichten des hemels, en de krachten der natuur, en nuttige of schadelijke beesten, en degenen die door wijsheid of dapperheid uitgemunt hadden, al wat levendig of levenloos was. Alles was God behalve God. Het afschuwelijkste zedenbederf ging met dit bijgeloof gepaard. Onuitroeibaar bleef het gevoel van zonde, de vrees voor straf, de angstige begeerte om zich met eene vertoornde en onbekende godheid te verzoenen.93 Niets was hiervoor te kostbaar. Tempels en altaren werden opgerigt; en gewetensrust tevergeefs in offeranden, in zelfpijniging, in menschenoffers, in het verbranden van eigen kroost ter eere van de afgoden gezocht.

Sommige volken zijn tot een toestand van volslagen wildheid vervallen: bijna zonder denkbeeld eener geregelde zamenwoning, zwervende in de bosschen, aan het redeloos en verscheurend gedierte ongeveer gelijk. Er zijn er (de cannibalen) voor wie het verslinden van menschenvlees genot is. Andere natiën vertoonen zich als zwervende horden; zonder vaste woonplaats; die of met kameel en paard de woestijnen doorkruissen, ofwel hunne kudden weiden en de tent opnemen, als er geen voedsel meer is. Andere eindelijk, die het land bebouwen, die in steden wonen, aan een meer geregelde leefwijze gewend zijn, en naarmate zij meer behoeften hebben, het verstand meer scherpen en de ervaring te baat nemen om ze te vervullen. Van deze beschaafde volken zijn onderscheidene in de geschiedenis weinig bekend. Zoo is het bijvoorbeeld met de Indianen en Chinezen, die wel door oefening en kunstvlijt in werktuigelijken arbeid een hoogen trap van vorderingen hebben bereikt, maar die overigens zich weinig hebben ontwikkeld en een bijkans lijdelijke prooi van vreemde overheersching geweest zijn.

De volken die in de Oude historie, om hun veelbeteekenenden invloed op den gang der gebeurtenissen, het meest worden vermeld, zijn de Assyriërs en Babyloniërs, de Feniciërs, de Egyptenaren, de Perzen, de Grieken, en de Romeinen. Zij hebben het zuidwestelijk gedeelte van Azië, of het noorden van Afrika, of het zuiden van Europa bewoond. Het overig gedeelte van den aardbodem was weinig of niet bekend. Deze natiën vormden monarchiën of gemeenebesten. Zeer natuurlijk was de oorsprong der staten onder eenhoofdig gezag. Het gezin werd, bij uitbreiding, een stam welks opperhoofd, uit den aard der zaak, met eene aartsvaderlijke magt bekleed was; en de stam werd, hetzij door een talrijker nageslacht, hetzij door andere stammen aan zich te onderwerpen, een volk, welks gezagvoerder vorst en welks gebied rijk genoemd werd. De opkomst der magtigste republieken was doorgaans niet anders dan de opkomst eener stad. Ook hier had de ontwikkeling van het innerlijk beheer een regelmatigen gang: Er was niet onderwerping aan een monarch, maar vereeniging der burgerij, bijeenkomst van het volk, raad der aanzienlijken, magistraten aan wie het bestuur toevertrouwd werd. De magt en invloed der grooten en rijken misbruikt zijnde gaf doorgaans aanleiding tot wrevel en opstand van de volksklasse, wier opgewonden vrijheidszucht losbandigheid en wanorde en daarna, als eenig redmiddel uit de verwarring, de onbeperkte magt van een dwingeland teweegbragt. De stad breidde dikwerf haar gebied uit; wist zich, door hulpbetoon of geweld, meesterschap of invloed over andere steden te verschaffen; zond volkplantingen uit, versterkte of verrijkte zich door verbindtenissen, oorlogen, of handel; en aldus konden er uit steden van geringen omvang allengskens republieken ontstaan, van wier gezag een groot deel der bekende wereld afhankelijk werd.

1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.