Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina25/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   78

Azië is de wieg en bakermat der menschheid geweest. Dit uitgestrekte werelddeel is viermaal grooter dan Europa; geen wonder dat er eene groote verscheidenheid van bodem, luchtgesteldheid en voortbrengselen is. Het barre en onvruchtbare noorden (Siberië) was den ouden nagenoeg onbekend. Middel‑Azië bevat meerendeels onafzienbare vlakten, waar grazige weiden of kruidenrijk heideveld, maar geen bosch of akkerland is. Het zuiden daarentegen is, door de gunst van bodem en klimaat, overrijk aan alles wat tot levensonderhoud, tot weelde of zingenot kan verstrekken. Dit verschil is de oorzaak der grondtrekken die men in de geschiedenis van Azië telkens terugvindt. Nomaden, aan ontberingen en gevaren gewend, begeerig naar oorlog en buit, overvallen aan een losgelaten stroom gelijk, de min krijgshaftige bewoners van het zuiden; onderwerpen hen, vestigen zich, worden hun in week‑ en vadzigheid gelijk; totdat zij, op hunne beurt, door krachtiger stammen, die hen in de verlaten streeken opgevolgd zijn, worden overheerd. Vandaar de plotselinge opkomst en val van wijduitgestrekte monarchiën; vandaar ook het willekeurig en despotiek gezag, hetwelk tot bedwang der velerlei stammen en natiën vereischt werd.

Onder de alleroudste volken hebben de Babyloniërs of Assyriërs behoord. Babylonië lag tusschen de rivieren de Tiger en den Eufraat. De moeite om dezen stroom door waterleidingen en dijken te betoomen, werd rijkelijk vergoed: zoo buitengemeen en ongehoord was de vruchtbaarheid dezer vlakte dat een graankorrel honderd‑ en somwijlen driehonderdvoud droeg. Uitmuntend was haar ligging, daar zij een blijvend middenpunt van den Aziatischen landhandel was; zoodat magtige steden aldaar ten allen tijde, althans totdat er nieuwe handelswegen ter zee ontdekt waren, hebben gebloeid.

Reeds in de vroegste tijden wordt van Babel en den geweldigen Nimrod gewaagd.94 Later, ofschoon nog in de grijze oudheid, van den Assyriër Ninus en de groote stad Ninive, drie dagen in omtrek, met haar sterke muren en 1500 torens; de stad, die zich op de prediking van Jona bekeerd heeft; maar spoedig wederom de bloedstad die gansch vol leugen en verscheuring is en door vuur en zwaard verteerd worden zou (Nahum 3, 1; 15).



1237‑800 Het hoogste toppunt van magt en bloei heeft Babel eerst in lateren tijd, na eene

630-538 lange reeks van koningen, tijdens de heerschappij der Chaldeën, bereikt. Reeds tevoren konden de Assyriërs die ook het rijk van Israël verstoord hadden, roemen over de vele volken die zij onder het juk hadden gebragt (2 Kon. 19, 13); maar weinig was het in vergelijking met de zegepralen door Nebucadnezar behaald. Hij is de uitvoerder van Gods oordeelen over Fenicië en Egypte, ook over Juda geweest: hij verbrandde het huis des Heeren, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem en het overige des volks voerde hij gevankelijk weg (2 Kon. 25, 9‑10). Zijne heerschappij strekte zich over geheel westelijk Azië, tot aan de Middellandsche zee uit. Tot hem, toen hij in den droom een profetisch beeld der zich afwisselende rijken gezien had, kon door Daniël gezegd worden: Gij zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koningrijk, magt en sterkte en eer gegeven; gij zijt het gouden hoofd (Daniël 2, 37‑38).

De Feniciërs, die mede door hem ten onder werden gebragt, wonende digt bij Canaän, aan de zee, moeten voorzeker onder de merkwaardigste volken worden geteld. Engbeperkt was hun oorspronkelijk gebied; een smalle strook, 25 mijlen lang, in breedte naauwelijks vijf; maar die streek was de oever der Middellandsche zee, met welgelegen havens, boschrijk gebergte (de Libanon), en een arbeidzaam en ondernemend volk. Onder hunne uitvindingen zijn er die, zooals bijvoorbeeld het glas en vooral het letterschrift, nuttige gevolgen van onberekenbaren omvang gehad hebben. Ruilhandel hebben zij gedreven te land en ter zee. De verst afgelegen landen die voor de kustvaart toegankelijk waren, hebben zij bereikt. Talrijke coloniën zijn door hen gesticht, sommigen wier magt (zooals van Carthago) ontzagwekkend was. Fenicië bestond uit een rei van zeehavens, steden bloeijend en vermogend door al wat tot handel en fabrijken behoort, en waarin een groot deel van de schatten der aarde bijeengezameld was. De magtigste waren Sidon en Tyrus; de laatste vooral, die zich een soort van over‑ en oppermagt aangematigd had. Ook door hen werden voorregten en zegeningen misbruikt. Hemeltergend was hun zedenbederf en afgoderij. Bij hen was de Baälsdienst gevestigd en die van Astarte en van Moloch en van Remfan95; door hen werden de gruwelen van kindermoord en menschenoffer gepleegd, en met de hoogste beschaving [ging] het ergste bijgeloof gepaard. Hun bloei



1000‑500 heeft vijf eeuwen geduurd.

Vernedering en verval is erop gevolgd. Nebucadnezar heeft het magtig en hoogmoedig Tyrus, die daar woonde aan de ingangen der zee, handelende met vele volken (Ezech.



572 27, 3), verwoest. Een nieuw Tyrus werd gesticht; hetwelk mede tot grooten bloei opgeklommen [is], doch na 200 jaren ten eenemale omgekeerd werd. Toen werd ten volle vervuld wat de Heer gesproken had door den profeet: Ik wil aan u o Tyrus, en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met hare golven deed opkomen, die zullen de muren verderven en de torens afbreken, ja Ik zal haar stof van haar wegvagen en zal haar tot eene gladde steenrots maken (Ezech. 26, 4).

Van Afrika is, behalve Egypte, weinig meer dan de noordkusten bekend. Een groot deel der binnenlanden schijnt, om de onverdragelijke hitte, het gebrek aan water, de uitgestrektheid der zandwoestijnen, de menigte van leeuwen, tijgers, en ander wild gedierte onbewoonbaar, naauwelijks bruikbaar te zijn. De invloed van het klimaat heeft zich niet enkel in de kleur der negers, maar ook in den lagen trap van ontwikkeling en beschaving geopenbaard. In Egypte is het geheel anders gesteld. Bodem, welvaart, en voortgang in velerlei kennis kunnen er als het geschenk der Nijlrivier96 worden beschouwd. Overigens zand en steenachtig gebergte is het een heerlijk korenveld geworden, zoover de jaarlijksche overstrooming het met den vruchtbaarmakenden slib bereikt. Maar die heilrijke overstrooming zou ook heilloos kunnen worden. Er moesten kanalen gegraven, dammen gelegd, op velerlei wijs voor regelmatige besproeijing en afloop worden gezorgd. Hiertoe was arbeid noodig, kennis van meet‑ en waterbouwkunde; inspanning der krachten die ze ontwikkelt en verdubbelt, en vatbaarheid tot opleiding in kunstzin en wetenschap geeft.



1700 De geschiedenis van Egypte verliest zich in de grijze oudheid. Reeds vroeg was het een magtig rijk, bloeijend door akkerbouw en handel; door veroveringen, inzonderheid onder koning Sesostris, die tot in Arabië en Indië schijnt doorgedrongen te zijn. Het volk bestond er, gelijk in vele landen van het oosten, uit onderscheidene klassen of kasten, waarvan elke haar eigen bedrijf had: der akkerlieden, der visschers, der krijgslieden, der priesters; zoodat het bedrijf des vaders telkens ook door den zoon weder uitgeoefend werd: eene gewoonte wier oorsprong lag in de verscheidenheid der onder één gezag gekomen stammen. Het land was rijk aan welvarende steden; waaronder Thebe en Memphis de voornaamste zijn geweest. Nog getuigen de overblijfsels der gebouwen van den voortgang dien zij vooral ook in de werktuigkunde, in bouw‑, beeldhouw‑ en schilderkunst gemaakt hadden: de pyramiden, ongeveer 40 in getal, waarvan een de hoogte van 450 voet heeft; de obelisken, vierkantige spits toeloopende zuilen uit één granietblok gehouwen; de puinhoopen van tempels en paleizen; verbazende gewrochten door het kolossale van den omvang; allerwege met beeldhouwwerk en figuren, waarvan zij zich in stede van letters bedienden (hieroglyphen) bedekt; ook wel met schilderwerk, waarvan de kleur nog als van gisteren is. De priesters, door wier invloed het gezag der koningen zeer beperkt [werd]97, waren de bewaarders en beoefenaars der wetenschap. Ook Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren98; maar het was de wijsheid niet, waardoor hij de leidsman en verlosser van Israël werd. Het was geen wijsheid in de dingen die bij God te doen zijn. Aan het volksgeluk is zij niet bevorderlijk geweest. Zelve door hunne overheden verdrukt waren de Egyptenaren gestreng en wreed tegen de volken die zij ten onder hadden gebragt. Vaak werden zij door onderlinge twisten verscheurd. En de hoogwijze priesters zelve waren voorstanders van een bijgeloof hetwelk gevaarlijke of nuttige99 gedierten, krokodillen, kalveren, stieren, katten en slangen als godheden aanbad. Ook dit

606 volk werd aan Nebucadnezar gegeven (Ezech. 29, 19). Hij overwon het; en later werd het eerst onder de Perzen, vervolgens onder allerlei buitenlandsche overheersching gesteld.

Aldus was Babel, hetwelk over Egyptenaren, Feniciërs, en een gansche rei van volkeren getriumfeerd had, het sieraad der koningrijken, de heerlijkheid, de hoovaardij der Chaldeën (Jes. 13, 19)100, de stad vol groot gedruisch, de woelige, de vrolijk huppelende stad (Jes. 22, 2); die zeide: Ik zal koningin in eeuwigheid zijn.101 Doch ook voor Babel, langen tijd het werktuig des Heeren om Zijne oordeelen te voltrekken, voor het trotsche en weelderige Babel zou de ure der vernedering slaan. Honderd koperen poorten, muren 300 voeten hoog en 75 voeten breed, de wateren van den Eufraat en talrijke krijgsbenden schenen het tegen den magtigsten vijand te kunnen behoeden. Geenszins. Opperhoofd van een moedig bergvolk, de Perzen, kwam Cyrus, na Meden en Lydiërs overwonnen te



538 hebben, voor de stad; omsingelde, verraste102, bemagtigde haar, en stichtte het Perzische rijk (Jer. 50, 23).103 Aan de ballingschap der Joden werd een einde gemaakt. Meer dan tweehonderd jaren vroeger had Jesaja voorspeld: Alzoo zegt de Heer tot Zijnen gezalfde, tot Cores104: Ik zal voor uw aangezigt gaan en de koperen deuren zal Ik verbreken105; hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd, en tot den tempel: Word gegrond (Jes. 44, 28). Weinig meer dan twee eeuwen heeft de heerschappij der Perzen geduurd. Zij breidde zich over geheel Zuid‑Azië, Egypte en Thracië uit. De koning was bijkans alvermogend, en werd als eigenaar van land en lieden beschouwd. Het zoo veelomvattend rijk was in landschappen (satrapiën) verdeeld, waarover stedehouders en schatmeesters gesteld waren, door welke heffingen geïnd werden, ten behoeve van den oppervorst en ter bezoldiging van de talrijke troepen ter beteugeling van allen wederstand vereischt. Babel was nu slechts eene der hoofdsteden; nevens Suza, Ecbatana, en Persepolis. De godsdienst was de leer van Zoroaster in het boek de Zendavesta opgeteekend. De Perzen wilden geen tempels, omdat de godheid niet woont in tempelen met handen gemaakt106; doch zij aanbaden het vuur. Zij geloofden dat er een rijk des lichts en een rijk der duisternis is; en dat het laatste eenmaal teniet zal worden gedaan; doch den weg om in het rijk des lichts in te gaan kenden zij niet.

522‑486 Een geweldig veroveraar was koning Darius. Het wederspannige Babel werd door hem bedwongen. Hij onderwierp de natiën tot aan den Indus. Minder voorspoedig was zijne onderneming tegen de Scythen, of nomadische volken noordwaarts van de Zwarte

513 en Caspische zeeën. Met 700 000 man tegen hen opgetrokken werd hij, ook door gebrek aan levensmiddelen, tot overhaasten terugtogt gedwongen. Nog erger teleurstelling zou hem treffen. Het kleine Griekenland zou aan zijn onmetelijk rijk worden gehecht: maar ook die poging mislukte en eindigde in later eeuw met den ondergang van der Perzen heerschappij.

Geen plek op aarde was, behalve Jeruzalem, meer dan Griekenland vermaard. Het behoort tot die zuidelijke en kleinere helft van Europa welke, door de keten der Alpen, in verband met de Pyreneën aan de eene en het Carpathisch gebergte aan de andere zijde, van het meerendeels nog woestliggend noorden gescheiden, de zetel der beschaving geweest is. Vijftig mijlen lang, 36 breed, en met den halven krans van eilanden die het omgeeft, naauwelijks aan tweederden van Portugal gelijk. Maar boven anderen tot zelfverdediging zoo van het geheel, als van de afzonderlijke deelen geschikt; door grondgesteldheid en ligging evenzeer voor akkerbouw en veeteelt als voor handel en fabrijkwezen gevormd, en in de nabijheid der meest beschaafde natiën der oudheid. Door de omstandigheden begunstigd heeft een klein en gering volk aldaar eene hoogte van ontwikkeling en magt, kunstzin en wetenschap bereikt, waarvan geen wederga kan worden genoemd.

Aan de ruwe in bosch en berg omdoolende stammen der Pelasgen en Hellenen werden de eerste beginselen van nuttige kennis uit Fenicië en Egypte gebragt. Cadmus,

1600‑1400 Pelops, Danaus, en andere vreemdelingen wisten hen tot geregelde en huisselijke leefwijze te brengen. Gemeenschappelijke godsdienst werd het middel eener blijvende vereeniging en de weldoeners der bevolking werden ook de stamhoofden der regerende geslachten. Al het vreemde, ofschoon overgenomen, werd grootendeels gewijzigd en, naar het karakter en den geest der Hellenen of Grieken genationaliseerd. De volkseenheid van oorsprong en taal werd versterkt door de gemeenschap der tempels waar de goden geëerd, der orakels, waar zij omtrent toekomstige dingen geraadpleegd, der feesten waar de bewoners van alle oorden des lands tot onderlingen wedstrijd en onderling verkeer te zamen werden gebragt.

Weinig is van die vroege tijden bekend. Er wordt gewaagd van helden als Hercules en Theseus, die wilde dieren getemd en dwingelanden gestraft, van zangers als Orfeus en Linus, die de ruwheid der zeden door ontwikkeling der vatbaarheid voor de schoone kunsten hebben verzacht. Gewigtig ter vorming of verlevendiging van den volksgeest was het beleg der stad Troje, in Klein‑Azië, waarheen bijkans elke stam krijgslieden zond, en dat eerst na tien jaren, door de verwoesting der magtige stad ten einde gebragt werd. Naauwelijks was zij gevallen of onderlinge naijver en hatelijkheid werd in velerlei twisten, in menig wreed en gruwzaam bedrijf openbaar. Allengskens verkreeg het burgerlijke leven een meer geregelden vorm. Onafhankelijkheid werd als een groot voorregt beschouwd. Elke stam en iedere stad wenschte, zooveel doenlijk, en behoudens de volksverwantschap, op zichzelve te staan. Vandaar dat er eigenlijk zoovele staten waren als steden met haar gebied. Eerst hadden zij koningen; later verkregen de voornaamste burgers het bewind; dikwerf had ook het volk veel magt, door wier misbruik het veeltijds de speelbal van een tyran werd. De voornaamste steden waren Sparta of Lacedaemon, Athene, Corinthe, Thebe. Groot was het handelsverkeer, de welvaart, rijkdom en bloei. Weldra was het land voor de bevolking te eng. Coloniën werden uitgezonden naar de talrijke eilanden der Egeische zee, naar de kusten van Italië en Sicilië en ook naar de even vruchtbare oevers van Klein‑Azië. Miletus, Efeze, Phocaea, en zoovele andere steden werden aldaar gesticht. Aldus was de magt der Grieken toegenomen; maar aldus waren zij ook genaderd tot aan het half‑Aziëbedwingend Perzische rijk.



1200‑500 Zevenhonderd jaren waren verloopen sedert den Trojaanschen krijg. Toen was het dat de reeks der oorlogen tusschen Perzië en Griekenland begon. Darius vergramd over de hulp welke Athene aan hare Ionische stamgenooten tegen zijne drukkende overheersching had verleend, besloot dat de stad zou worden verdelgd. Hij had tevens op spoedige onderwerping van geheel Griekenland rekening gemaakt. Hoe bedroog hij zich! Zijn

490 talloos leger werd verslagen door 10 000 man te Marathon, bij dat Athene, hetwelk hij uit de rij der steden zou hebben gewischt. Die schande riep om wraak. De tuchtiging van dat Grieksche volk dat zich tegen de Perzische wereldmonarchie durfde verzetten, was, naar het scheen, voor Xerxes, zoon en opvolger van Darius, bewaard. Een opontbod ging uit aan de velerlei natiën zijner heerschappij. 56 verschillende volken leverden voetvolk, schepen, of ruiterij. Het getal der weerbare mannen beliep derdehalf millioen; er waren 1200 oorlogsvaartuigen en 3000 vrachtschepen. En wat heeft die overmagt gebaat? Reeds bij den ingang hielden driehonderd Spartanen, die nagenoeg allen hun leven ten offer bragten den vijand in de bergengte der Thermopylen, dagen achtereen op. Weldra werd in den zeeslag van Salamis de vloot der Perzen grootendeels vernield; Xerxes ontmoedigd keerde zelf naar Azië terug; een jaar later werd op één dag het leger dat hij achtergelaten had, bij Plataea verslagen en de vloot bij Mycale verbrand. Het bleef oorlog, maar op Griekschen bodem niet meer.

Zoo bleek het wat de moed van een volk tegen den moedwil van een despoot, wat de vaderlandsliefde eener vrije burgerij tegen het losgelaten geweld van zamengedrevene slaven vermag!107 De aanval werd nu uit Griekenland tegen de bezittingen der Perzen gerigt. Het was om de bevrijding der volksverwanten in Azië te doen. Dertig jaren nog duurde de krijg, meest onder leiding van Athene, welks veldheeren, Themistocles en



449 Cimon, zich waardig toonden het opperbevel te bezitten. De worsteling werd 51 jaren na den aanval van Darius, geëindigd door een vrede waarbij bepaald werd dat de Grieksche steden in Azië vrij zijn, de Perzische troepen twee dagreizen verwijderd blijven en de Egeïsche zee door de Perzische schepen ontruimd worden zou. Aldus had Griekenland grootendeels door de opofferingen en verdiensten van Athene, over half‑Azië getriumfeerd. Geen wonder dat er inzonderheid voor Athene, onder het bestuur en den bijkans alvermogenden invloed van Pericles, staatsman bij uitnemendheid, een, in elk opzigt, glansrijk tijdperk van rust en bloei op gevolgd is.

Geen minderen, ja meerderen roem dan in den krijg hebben de Grieken op het gebied van kunsten en wetenschappen behaald. Een fijn gevoel voor het schoone, gaaf die bij andere volken zoo weinigen ten deel valt, scheen bij hen [het?]108 kenmerk [der?]109 natie te zijn. De overblijfsels van bouw‑ en beeldhouwkunst geven er getuigenis van: de tempels waar alles niet zoozeer door grootte verbaast als wel door eenvoudigheid, evenredigheid, sierlijkheid treft en bekoort; de standbeelden waar de afbeelding der godheden de menschelijke gedaante in haar hoogste volkomenheid vertoont. In elk gedeelte van poezij of welsprekendheid heeft Griekenland en vooral Athene geschitterd. De taal was zinrijk en welluidend; een heerlijk werktuig door een reeks van zangers en redenaars aan de verscheidenheid van hun aanleg en genie dienstbaar gemaakt. Middelmatigheid werd niet geduld. Voortreffelijk waren hunne dichters (reeds in den ouden tijd Homerus, later Sophocles, Euripides) en geschiedschrijvers (Herodotus, Thucydides, Xenophon) en redenaars (Demosthenes).110 Aan wijsgeeren ontbrak het niet. Met scherpzinnigheid handelden zij over de natuur en den mensch, de godheid en de deugd, menschenbestemming en menschengeluk; in heerlijke taal werden gewigtige zaken ontvouwd. In schoonheid der omtrekken en vormen, in volkomenheid van stijl en uitdrukking zijn de meesterstukken der Grieksche oudheid, tot op dezen dag, modellen nooit overtroffen, zelden of nooit geëvenaard.

En hoe was het overigens met die fijnbeschaafde, vrijheidlievende en wereldberoemde Grieken, ten aanzien van regt, billijkheid, onderlinge welwillendheid, volksgeloof en zeden gesteld? Zij minden vrijheid en regt, namelijk een ieder voor zich en waar het hun te pas kwam; de vrijheid waarvan men zoo hoog opgaf, werd veeltijds met losbandigheid en volksovermoed verward; de vrijheidsliefde belette niet dat het burgerregt aan een groot deel der inwoners geweigerd, de slavernij in stand gehouden, en de ergste verdrukking omtrent de zwakkeren uitgeoefend werd.111 Spoedig reeds na den vrede met de Perzen openbaarde zich velerlei onregt, burgertwist, en verwarring. Athene had, ook bij het ophouden van den krijg, zijne overmagt op de bondgenooten ten eigen behoeve schroomelijk misbruikt. Slechts twintig jaren waren voorbij, toen aldus en door den naijver van Sparta een schrikkelijke burgerkrijg, de Peloponnesische oorlog, uitbrak, die zevenentwintig jaren geduurd en na velerlei afwisseling, de vernedering van Athene bewerkt heeft. Het was tevens om den triumf van Ioniërs of Doriërs, van democratischen of aristocratischen regeringsvorm te doen; zoodat, bij den strijd over de meerderheid van Sparta of Athene, bijna elk landschap en iedere stad in factiën verdeeld en het tooneel van partijwoede, van wraak‑ en moordzinnigheid werd.

De wijsbegeerte, in diepzinnige redeneringen gehuld, had weinig invloed op het volk. De godsdienst van het algemeen was bijgeloof en afgoderij. Er waren godheden zonder getal. Voor elk gedeelte der schepping: voor den hemel, de aarde, de zee; voor elke boomsoort en elke rivier en ieder112 bron; voor elke deugd en ondeugd; terwijl bovendien iedere held der fabelachtige oudheid onder de goden of halve goden geteld werd. Het ongerijmde des veelgodendoms moest te verderfelijker zijn, omdat de gewaande geschiedenis dezer godheden niet anders dan een zamenweefsel van wanbedrijven en gruwelen was. Aldus achtte het volk zich omringd en omwemeld van onderling naijverige en kwaadwillige wezens, wien het, bij den wil, ook aan de magt niet ontbrak om jammer en ellende te bewerken, aan wie het noch liefde kon toedragen, noch ontzag, maar die het, door hulde en offergave, bevredigen moest. Grenzenloos was de invloed van priesterlist en orakelbedrog en wigchelarij; en het is niet vreemd dat de Atheners, wier stad zoo zeer afgodisch was, uit angst van bij de honderd‑ en duizendtallen hunner godheden de eene of andere nog vergeten te hebben, een altaar opgerigt hadden met het opschrift: aan den onbekenden God.113

Dergelijke ongerijmdheden werden door de wijsgeeren veracht; maar zijzelven wat geloofden, wat verkondigden zij? De meest verschillende en strijdige begrippen. Enkelen, de voortreffelijkste (Pythagoras, Socrates, Plato), welligt door een vonk der oorspronkelijke openbaring die in schoolgeheimenissen (mysteriën) overgeleverd werd, geholpen, wezen op zelfkennis en godegelijkheid; maar, onbewust van de diepte des menschelijken bederfs, van zonde nooit overtuigd en geenszins bekend met het eenige middel om der Goddelijke natuur deelachtig te worden (2 Petr. 1, 4), wilden zij opvoeren naar eene hoogte welke met hunne bespiegelingen wel, in de toepassing niet kon worden bereikt. Velen, ook die zich wijsgeeren noemden, waren schijnwijsgeeren of sofisten: lieden welke uitnemende bekwaamheden misbruikten om door fijngesponnen redenering en schitterenden woordenpraal, ten behoeve van heerschzucht en eergierigheid aan leugen en onregt een voorkomen van waarheid en regt te verleenen. Anderen maar ter goeder trouw verdiepten, maar verloren zich in allerlei beschouwingen die weinig of geen nuttigheid hadden. De wijsgeerige stelsels vermenigvuldigden, verdrongen, weerspraken, vernietigden zich. De stoïcijnen plaatsten het hoogste geluk in eigengeregtigheid; de epicureërs in levensgenot; hun trotschheid of hun begeerlijkheid kende geen perk. Niets zoo verderfelijk of ongerijmd dat niet door den een of anderen dezer filozofen geleerd werd. Zich uitgevende voor wijzen waren zij dwaas geworden.114

Dergelijke volksgodsdienst of bedriegelijke vertooning van menschenwijsheid kon geen behoedmiddel zijn tegen zedenbederf115 en verval. Steeds waren, uit hun aard, de Atheners ligtzinnig, wuft, weelderig, de Spartanen hardvochtig, hooghartig, overmoedig geweest. Deze ondeugden werden ontwikkeld en medegedeeld. De wijze instellingen van Solon te Athene en de nog veel gestrenger wetgeving van Lycurgus te Sparta baatten niet meer. Pracht, overdaad, ongebondenheid nam bijkans overal toe. Aan het Grieksche vaderland meer onverschillig was elke stad op eigen grootheid bedacht. Sparta, na de overmagt aan Athene ontwrongen te hebben, had het juk verzwaard dergenen die het in naam had bevrijd. Nu trad Thebe onder leiding van Epaminondas ter verdediging van

1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.