Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina26/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   78


371‑362 zichzelven en anderen op. Ook zij had jaren van glorie en magt. De verbastering werd er niet door gestuit. Ontzag voor de heilige dingen was er niet meer: want op het voorbeeld der wijzen waren zij ook voor het volk een voorwerp geworden van minachting en spotternij. De Grieken, door bloedige burgeroorlogen verzwakt, vervuld met onderlinge naijver en hatelijkheid, zonder geloof, zonder zedelijkheid, zonder vaderlandsliefde, zonder kracht, de Grieken in vergelijking met hunne voorvaderen geen Grieken meer, waren rijp om op hunne beurt onder de heerschappij van anderen te worden gebragt.

Evenwel de eerste die hen overweldigd heeft was een Griek: de koning van Macedonië, een gedeelte des lands aan de noordelijke grenzen, hetwelk steeds als monarchie op zichzelve gestaan en in de lotgevallen en vermaardheid van het overige Griekenland weinig gedeeld had. Filippus, schrander en sluw, maakte van elk voorwendsel gebruik om zich in de verdeeldheden te mengen; als scheidsregter, als beschermer, uit belangelooze zucht voor eendragt en regt. Hij bediende zich van vleitaal, bedreiging, omkooping, geweld; vormde zich overal eene partij; breidde door de laauwheid en twisten der Grieken,



338 zijne gevaarlijke magt telkens verder uit en behaalde eindelijk bij Ch[a]eronaea een beslissende overwinning, ondanks de vereeniging van Athene en Thebe, die de redenaar Demosthenes door gloeijende welsprekendheid bereikt had. Aan Macedonië was nu het overwigt verzekerd op de Grieksche republieken. Filippus werd, bij het vernieuwen van den krijg tegen de Perzen, door allen, willens of onwillens, tot opperbevelhebber benoemd. Algemeen was verbastering en verval ook in de Perzische monarchie: de telkens hernieuwde opstand en afval van magtige satrapen, de gewoonte om zich van gehuurde en dikwerf onbetrouwbare krijgsbenden te bedienen, het weelderige en verwijfde hofleven hadden hiertoe zamengewerkt. Van de volkeren, sints lang door regelmatige en onregelmatige uitplundering getergd, kon tegen de vijanden hunner verdrukkers geen ernstige tegenstand worden verwacht.

Filippus stierf, doch het was om een zoon achter te laten, Alexander den Groote, die de wereldheerschappij bedoeld en voor een goed gedeelte bereikt heeft. Negentien jaren oud, hield hij, door dapperheid en geweld, de morrende Grieken in bedwang; stelde zich aan het hoofd hunner troepen; trok met dit kleine leger over den Hellespont; wierp binnen drie jaar, na Fenicië en Egypte onderworpen te hebben, in drie veldslagen (bij den Granicus, bij Issus en Arbela) het Perzische rijk om; drong tot in Indië door, koos Babylon tot zijnen zetel en was op middelen bedacht om eenheid en zamenhang in de veelsoortige landen zijner wijduitgestrekte monarchie te brengen, toen, op tweeëndertigjarigen ouderdom, door eene felle ziekte, aan zijn roemruchtig leven een einde gemaakt en het kortstondige Macedonische rijk, de prooi zijner veldheeren, in vier deelen Syrië, Egypte, Klein‑Azië en Macedonië, gesplitst werd. Driehonderd jaren tevoren zeide Daniël de profeet: ik zag in een gezigt en ziet een ram stond, de koning der Perzen, en hij maakte zich groot; en ziet er kwam een geitenbok, de koning van Griekenland, van het westen over den ganschen aardbodem en hij had een aanzienlijken hoorn tusschen zijne oogen; hij kwam tot den ram en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht; en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet hem en hij brak zijne horens, en in den ram was geene kracht om voor zijn aangezigt te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand die den ram uit zijne hand verloste. En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak de groote hoorn, en er kwamen op in de plaats vier aanzienlijke naar de vier winden des hemels (Dan. 8).

Eerst na meer dan twintigjarigen krijg der veldheeren van Alexander waren er uit de bouwvallen zijner heerschappij behalve Macedonië, ook Syrië, Egypte, en andere kleinere staten gevormd. Nieuwe dynastiën waren ontstaan. In Syrië regeerden de Seleuciden (312‑64), waaronder de koning Antiochus behoord heeft, wiens ijver voor zijne valsche goden den wederstand der Joden onder de Maccabeërs verwekte. In Egypte de Ptolemeën (320‑30), onder wier bestuur het opnieuw, door wereldhandel en wetenschappen een ongemeenen bloei en luister bereikt heeft. In Macedonië en Griekenland was er (323‑146) van den beginne af, en met geringe tusschenpozing, burgeroorlog, losbandigheid, toenemend verval. Weldra nam eveneens in Egypte en Syrië, weelde en zedenbederf de overhand; er ontstonden verdeeldheden, twisten over de opvolging van den troon; en bijkans overal werden de koningrijken van het oosten voorbereid om wingewest der Romeinen te zijn.

In wereldberoemdheid moeten naast de Grieken de Romeinen worden geteld. Weinig opzienbarend was het begin eener stad die de beheerscheres der oude wereld geweest



754 is. In de achtste eeuw vóór Christus werd in Italië aan den Tiber door een hoop vagabonden en gelukzoekers Rome gesticht. Zij werd eerst door koningen of opperhoofden bestuurd, wier gezag noch erfelijk, noch onbeperkt was, en onder wier bestuur zij haar gebied, ten koste der omliggende steden uitgebreid heeft. Midden onder onrustige en ijverzuchtige naburen was zij, van den beginne af, bijkans genoodzaakt zich te vergrooten om te kunnen bestaan. Aldus was zij reeds aan een gestadig oorlog voeren gewend, toen de geweldenarij des konings Tarquinius, bijgenaamd de Trotsche, oorzaak of aanleiding van het oprigten der republiek werd. De magt des konings werd nu op twee consuls, telkens slechts voor een jaar benoemd, overgedragen; terwijl de leiding der staatsaangelegenheden voornamelijk onder den invloed van den senaat of raad der aanzienlijksten stond en er voor het volk slechts verwisseling van een monarchaal met een drukkender aristocratisch bewind was. Deze nieuwe staatsvorm was ter ontwikkeling van Romes oorlogszuchtigen aanleg geschikt. De consuls verlangden hun kortstondig bestuur door eenig schitterend wapenfeit gekenmerkt te zien; en de aristocratie verblijdde zich in al wat aan het klimmend misnoegen der lagere standen afleiding gaf. Voor den Romein werd oorlog behoefte. Het was minder begeerte naar buit waardoor hij ontvlamd werd, maar eerzucht en geestdrift om te leven en te sterven ter vergrooting van Romes magt en heerschappij. De krijgshaftigheid van het volk vertoonde zich in de stelregel welke het steeds daarbij gevolgd heeft. Vrede maakten zij eerst wanneer zij als overwinnaars de wet stelden; bij een nederlaag daarentegen verdubbelden zij somwijlen hun eisch. Losprijs voor gevangenen betaalden zij niet; een Romein moest sterven of overwinnen. Voorbeeldig was hun krijgskunst evenzeer als hun moed, zelfopoffering en volharding. Daarbij waren hunne zeden eenvoudig en streng. Weinig beschaafd waren zij ook nog weinig met de velerlei behoeften bekend, waardoor de volkeren worden bedorven en verzwakt.

Magtigen tegenstand hebben zij ontmoet. Ook hunnen vijanden ontbrak het aan dapperheid niet. De Sabijnen, Volsken, Herni[ci]ërs en andere volken of stammen in Italië gezeteld, waren ongezind voor Rome onder te doen. Telkens werd de strijd her‑



497 nieuwd. De magt van Rome breidde zich uit, na den slag bij Regillus, waardoor eene

400‑395 vereeniging van haar tegenstanders werd verbroken en na de bemagtiging van Veji, de voornaamste stad van Etrurië welke tien jaren weerstand geboden had. Kort daarna werd

389 zij door de Galliërs bij een plotselingen inval verbrand; doch het was om spoedig uit haar asch te herrijzen en de overmagt op haar naburen te handhaven of te herwinnen. De krijg

343‑290 tegen de moedige Samniten werd eerst na eene hevige worsteling die 50 jaren geduurd heeft, ten voordeele der Romeinen beslist. Ook de bijstand van Pyrrhus den magtigen

280‑272 vorst van Epirus kon niet beletten dat met het ten onder brengen van Tarentum, drie eeuwen na de stichting der republiek, de onderwerping van geheel Italië tot stand kwam. Verschillend was de betrekking, zoodat of een ruime, of eene zeer beperkte mate van onafhankelijkheid, of ook wel geen zelfstandig bestaan toegekend werd. Doch Rome was aan het hoofd van allen; het was te voorzien dat haar begeerlijkheid niet binnen de grenzen van het schiereiland zou worden beperkt. Om het nabijgelegen, vruchtbaar en volkrijk Sicilië was het te doen. Daar echter zou een vijand magtiger dan Rome tot dusver gekend had, worden ontmoet. Aan de noordkust van Afrika, tegenover Italië, lag Carthago, eene stad

980 vroeger nog dan Rome gebouwd; eene volksplanting der Feniciërs welke door koophandel en landbezit tot eene voorbeeldelooze hoogte van rijkdom en aanzien opgeklommen was. Uitgestrekt was haar gebied over de Afrikaansche steden en volken; zoodat ze, of door schatting, of door mijnwerken, of door landbouw en verkeer met de binnenlanden velerlei inkomsten had. Haar invloed en magt buiten Afrika had zij inzonderheid op eilanden gevestigd die zij ten onder houden kon. Sardinië was door haar overheerd. Om

480‑307 Sicilië had zij tegen Syracuse bij herhaling een fellen oorlog gevoerd; een groot deel was onder haar invloed gebragt. Talrijke legers te bezoldigen, tallooze schepen uit te rusten was, bij het welgevulde der schatkist, eene ligte zaak; zoodat haar vloot vooral die116 van elken anderen staat zeer ver overtrof. Zij was de beheerscheres althans van het westelijk gedeelte der Middellandsche zee. Zoo Rome over Italië gezegevierd had, het zou, dus scheen het, bij het dingen naar Sicilië, door het magtig[e] en vermaarde Carthago worden gestuit.

Schijn was het; want in den aard en de ontwikkeling dezer republieken lagen de kiemen reeds besloten van Romes onvermijdelijken triumf. Rome steunde op het zwaard, Carthago op het geld; Rome op eigen kracht, Carthago op bezoldigde hulptroepen, wier onvoldaanheid ze dikwerf in de meest gevaarlijke vijanden herschiep; de Carthagers waren rijke kooplieden, de Romeinen een oorlogsvolk, wier begeerte toen minder op schatten dan op heerschappij voeren gerigt was. Weelde en dartelheid waren in Carthago, eenvoud en ingetogenheid in Rome te huis. Carthago werd door factiën verscheurd, terwijl in Rome vaderlandsliefde boven partijdrift de overhand behield. De strijd zou heftig en langdurig, de uitkomst kon niet twijfelachtig zijn.

Rome vreesde niet den strijd te beginnen. Eene vloot, die ze niet had, werd vereischt; zonder aarzeling, zonder verwijl werd ze gevormd, en wel zoodanig eene waarmede op de Carthagers, ondanks hun magt en meerdere ervaring, herhaaldelijk de zege behaald werd. Eene onderneming tegen Afrika, onder Regulus, mislukte, ook voor Rome keerde

264‑241 somwijlen de kans. Eerst nadat men 23 jaren, met hardnekkigheid en wisselend geluk, krijg gevoerd had, werd de vrede ten voordeele der Romeinen, getroffen. Voor Carthago was niet enkel Sicilië verloren, maar ook haar overmagt ter zee; en de uitputting der geldmiddelen verwekte onder de gehuurde krijgsbenden een opstand, onder begunstiging

237 waarvan ook Sardinië door de Romeinen in vollen vrede bezet werd. Onverzoenlijk was de haat van twee republieken die op den duur, om haar grootheid, vermogen, en onverzadelijkheid niet naast elkander konden bestaan. Carthago was vernederd, maar niet ten onder gebragt. Voor de geleden verliezen werd zij, door veroveringen in Spanje grootendeels schadeloos gesteld; onder de leiding van veldheeren als Hamilcar en Hasdrubal

237‑211 werd zij meester van het geheele schiereiland tot aan den Iber. Grootscher taak zou door nog grooter veldheer, den zoon van Hamilcar, den eenigen Hannibal worden beproefd. Deze, terwijl de oorlog gelijktijdig in Spanje gevoerd werd, trok over Pyreneën en Alpen om in Italië zelve het Romeinsch geweld te verpletten. Slag op slag werd door hem gewonnen; bij Cannae het vijandelijke leger vernield; met een zegevierend krijgsheir Rome bedreigd, doch zonder of senaat of volk aan het wankelen te brengen. Rome

210‑206 volhardde; Carthago zond geen versterking. Hasdrubal werd in Spanje overwonnen; de pogingen om in Sicilië en Griekenland bondgenooten te verwerven bleven zonder gevolg; en toch handhaafde Hannibal zich vijftien jaren, van magtige en moedige vijanden omringd, op den Italiaanschen grond. Maar toen was een jeugdig veldheer Scipio, die in Spanje getriumfeerd had, in Afrika ontscheept. Hannibal werd teruggeroepen, niet om

201 Rome te winnen, maar om Carthago te behouden. De slag van Zama besliste haar lot. De tweede Punische krijg eindigde met de verpligting om zich binnen Afrika te beperken, alle oorlogschepen uit te leveren, schatting te betalen, en geen oorlog zonder verlof van Rome te beginnen.

Carthago was magteloos geworden en het westen ten onder gebragt; nu lag het oosten aan de beurt. De rijken geboren uit Alexanders monarchie en reeds aanvankelijk in verval geraakt, waren tegen Romeinsche staatkunde en wapenen niet bestand. Een



200‑190 tiental jaren was genoegzaam om de magt van Macedonië te breken; om Griekenland dat met beloften van vrijheid misleid en gepaaid werd, te onderwerpen, en om Syrië tot

201 verzwakking en afhankelijkheid te brengen. Reeds vroeger was de Romeinsche invloed in Egypte, door opdragt der voogdij van den minderjarigen vorst117 alvermogend geworden. Rome besliste bijkans oppermagtig ieder geschil; haar uitspraak werd van den Atlantischen oceaan tot aan den Eufraat geëerbiedigd; de volken bragten schatting, of verheugden zich, met een nietsbeduidenden schijn van zelfstandigheid onder haar bondgenooten opgenomen te zijn.

Bondgenooten niet, onderdanen begeerde Rome te hebben. Haar heerschzucht breidde zich uit tegelijk met haar gebied. Carthago bestond nog; het werd, nadat men de bewoners door bedrog ontwapend had, meedogenloos verdelgd. Al wat men vroeger ontveinsd of verbloemd had, werd, nu er niets meer behoefde te worden ontzien, duidelijk en openbaar. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid werd overal waar het doenlijk was, geëischt. Griekenland en Macedonië werden onder Romeinsche overheden gesteld, en ook die landen, waar men zich onder voorgeven van vriendschap en bescherming ingedrongen had tot wingewesten (provinciën) gemaakt. Rome was uitgeleerd in al wat de kunst van overheerschen betrof. Elk voordeel werd op de meest doeltreffende wijs ter verkrijging van verdere [voor]deelen118 besteed. Veroveringen strekten niet enkel om den vijand te verzwakken, maar ook, om door geschenk en uitgifte, vorsten op wier goede gezindheid prijs gesteld werd, te beloonen of te winnen. Overal weet Rome tweedragt te verwekken, ten einde zich bij de eene of andere partij te voegen om, door den triumf van haar beschermelingen, zelve meester te worden van den staat. Naarmate ontzag en schrik meer algemeen werd, was haar de weg, door lafhartigheid en moedeloosheid meer gebaand. In de hoop door lijdelijkheid het algemeene lot te ontgaan, greep bijna niemand naar de wapenen vóór zelfverdediging hem dwong. Zoo kon Rome achtereenvolgens elken staat, op het voor haar meest gunstige tijdstip, aanvallen en afzonderlijk bedwingen. Waar het aan reden ontbrak, werd een voorwendsel gezocht; waar ook geen voorwendsel was, ging zij desniettemin volgens haar welbehagen te werk. Op uiterlijke regtsvormen, vooral in den beginne zeer naauwgezet, aarzelde zij niet zich van trouwloosheid en bedrog te bedienen. Aan tractaten gaf zij, waar het haar te stade kwam eene uitlegging ook die blijkbaar valsch en ongerijmd was. Had de overwonneling aan de opgelegde voorwaarden voldaan, dan werden er nieuwe bedacht, waardoor hij of tot geheele overgave gedwongen, of tot wanhopigen en vruchteloozen wederstand getergd werd.

Niet ten onregte had de profeet het Romeinsche rijk hard als ijzer genoemd; gelijk het ijzer zou het alles vermalen en verbreken (Dan. 2, 40). Het vernielen van steden, bloeijend en volkrijk, het verwoesten van vruchtbare landstreken, het verdelgen van geheele volken, niets was hun te gruwelijk, wanneer het strekken kon ter uitbreiding of vestiging van hun gezag. De natiën die zij ten onder hadden gebragt, werden verdrukt, uitgemergeld; als een magtelooze prooi voor de winzucht der landvoogden met hun talrijk gevolg; en van de nog onverzadelijker begeerlijkheden van het Romeinsche volk zelf. Fraaije verordeningen werden ter bescherming van onderdanen en bondgenooten gemaakt; des te erger; want nu moesten bovendien ter omkooping van de aanstaande regters schatten bijeen worden geschraapt.

Niet enkel door krijgvoeren en overheerschen zijn de Romeinen vermaard. De welsprekendheid is er in de raadszaal, de volksvergadering, en voor de regtbanken met ongemeenen ijver beoefend en tot eene zeldzame hoogte van volkomenheid gebragt. In de studie der regtsgeleerdheid hebben zij door scherpzinnigheid welligt alle natiën overtroffen. Ruwheid van zeden en eene zekere woestheid van inborst bleef hun evenwel, ook onder het toenemen in uiterlijke beschaving steeds bij. Ingenomenheid met Grieksche wetenschap en kunst mogt enkelen tot navolging opwekken, maar nooit is er, gelijk in Griekenland, kunstzin volkszin geweest. Met de rijkdommen is ook de weelderigheid van het oosten naar Rome gebragt; maar dit heeft geen verandering gemaakt in de hardvochtigheid, trotschheid, wreedheid119, onverbiddelijkheid die zich vroeger en later, in alle hunne betrekkingen, zelfs in ongehoorde strengheid der vaderlijke tucht, heeft geopenbaard. De zeden, verfijnd en bedorven, zijn niet verzacht. De gedachten van het volk, zoolang meer bekrompen eigenbaat niet algemeen was geworden, bij voorkeur op oorlog en verovering gerigt; in naam der vaderlandsliefde werd jammer en dood over de gansche aarde verspreid.

En toch anderen konden zij ongelukkig maken, zelf gelukkig zijn konden zij niet. Steeds had er verdeeldheid en spanning tusschen de voornamen (patriciërs) en de volksklasse (plebejers) bestaan. Verregaande was de overmoed der eersten geweest; zij hadden hunne minvermogende schuldenaars bijna tot lijfeigenen gemaakt; huwelijken met het volk verboden, geen consul dan uit hun midden gewild. Op de verdrukking was misnoegen, tegenkanting, bedreiging gevolgd; de menigte in opstand geraakt had de aanstelling verkregen van personen bepaaldelijk met voorspraak en bescherming der lagere standen belast (tribunen); een gedurige strijd was er geboren, waardoor wangunst, naijver, verbittering, en haat gevoed en, in belangrijke opzigten tenietdoening van de voorregten der oude geslachten en meerdere gelijkheid afgedwongen werd. Intusschen bleef het gezag van den senaat, die nu ook voor mannen uit het volk toegankelijk was, bijkans onbeperkt. Het was, in gewijzigden vorm, de voortzetting eener aristocratie die velen ondragelijk was. Nu ontstond er weldra eene telkens heviger partij die de hoogste magt in de volksvergadering over wilde brengen. Hoofden der menigte deden zich gelden, door wie regtmatige of ook overdreven eisschen te berde werden gebragt. Bekwame staatslieden als de Gracchen, of zegepralende veldheeren als Marius en Sylla, stelden zich aan de spitse of der aanzienlijken of van het volk. De zwaarden werden uitgetogen, het bloed stroomde op de markt; legers werden opgerigt, waarmede men den burgerkrijg ook in de provinciën brengt, en als de eene of andere der factiën gezegevierd had, werd de wraakzucht en razernij eerst na het vermoorden van honderden der weerlooze tegenstanders bekoeld.

Deerniswaardig moest ook aldus de toestand der wingewesten zijn. Zij werden beurtelings door elke partij, op alle denkbare wijs, ter bevordering van haar ontwerpen, door afperssing en uitplundering, dienstbaar gemaakt. Geen wonder dat onregt en verdrukking, ook in andere opzigten, den weerstand somwijlen der wanhoop teweeggebragt en Rome, midden onder de verschrikkingen van den burgerkrijg, met gevaar en ondergang



134‑131 bedreigd heeft. Nu eens door een geweldigen opstand der mishandelde slaven die vier

102 jaren heeft geduurd; dan door het afkomen van tallooze scharen der Cimbren en Teutonen, woeste horden, die eerst in de nabijheid van Italië werden gestuit; dan weder door eene

91‑88 zamenspanning der Italiaansche volken, niet bedwongen voor hun een zeer gewigtig deel der Romeinsche burgerregten was verleend; dan weder door vorsten, die zich ter zelfverdediging tegen Rome de verdeeldheid der verdrukkers en den haat der verdrukten hadden ten nutte gemaakt. Alle deze woelingen, al dit verzet zou slechts ter bevestiging van Romes oppermagt en ter verzwaring van het reeds ondragelijke dwangjuk verstrekken. Ook Mithridates, koning van Pontus, die Klein‑Azië, Macedonië en Griekenland in een

89‑63 bondgenootschap vereenigd en zich 26 jaren tegen den bloem der Romeinsche legers en de bekwaamste veldheeren had staande gehouden, bezweek. Uit een groot deel van het westelijk Azië werden de provinciën Cilicië en Syrië gevormd.

Inmiddels werd Rome zelf bij voortduring door partijschappen verscheurd. Eene zamenzwering van Catilina in democratischen zin werd door de bekwaamheid van den



64 welsprekenden consul Cicero verijdeld. Evenwel de aristocratie werd telkens meer van gezag en invloed beroofd. Weinige personen, door rijkdom of overwinningen bij het volk dat door hen gevleid, verblind, of omgekocht werd, zeer gezien, wisten zich meester te maken van het bewind. Zoo ontstond een geheim driemanschap van Cesar, Pompejus, en Crassus, ten gevolge waarvan de hoogste waardigheden en krijgsambten onder hen werden verdeeld. Verdeeling laat onvoldaan, waar alleenheersching bedoeld wordt. Geen wonder dat, toen de rijke Crassus in een togt tegen de Parthen omgekomen was, Caesar, onvergelijkelijk veldheer, na Gallië overheerd te hebben, na in Brittenland en Germanje doorgedrongen te zijn, weldra met den insgelijks in eene reeks van veldtogten roemruchtig

49 geworden Pompejus om het oppergezag over het gemeenebest streed. De worsteling breidde zich uit over bijna het gansche Romeinsche gebied. Pompejus werd in Egypte omgebragt. Cesar na in een tijdsverloop van vijf jaren, in zes verschillende oorlogen, zijne magtige tegenstanders in Griekenland, Azië, Afrika en Spanje overwonnen te hebben, omgeven met een glans die zijn naam, door de volgende eeuwen heen, tot titel der hoogste overheid op aarde gemaakt heeft, gereed welligt om, nu hij alvermogend was, den staatsvorm met het wezen der zaak in overeenstemming te brengen, werd straks in

44 den senaat door een hoop zamenzweerders, zoo zij dachten, ten behoeve der volksvrijheid, vermoord. Geen herstel der vrijheid verkreeg men, maar terugkeering van wanorde en burgerkrijg. De vrienden van Cesar, inzonderheid Antonius, Lepidus en Octavius vereenigden zich; met het doel om de republikeinsche partij te verdelgen. Haar hoofden

42 Brutus en Cassius werden verslagen bij Filippi; doch het was om, bij de ontbinding van het driemanschap, een elfjarigen fellen oorlog tusschen Antonius en Octavius te doen

31 ontstaan. Door den zeeslag van Actium werd de strijd ten voordeele van den laatsten beslist. Elke vrede, elke rust werd verkieslijk boven het vernieuwen der zoo langdurige telkens herhaalde krijgs‑ en moordtooneelen geacht; zoodat zijne verheffing, onder den eertitel van Augustus, tot eenig opperhoofd eener aldus eigenlijk vernietigde republiek, bijkans door allen als eene heugelijke uitkomst werd beschouwd.

De eeuw van Augustus werd door vleitaal en ophef uitermate geroemd. En waarom? Wegens den bloei van kunsten en wetenschappen? Maar aan den bloei der welsprekendheid was, door de verandering van staatsvorm, grootendeels een einde gemaakt: regtskennis werd tot de vraagstukken van burgerlijke regten beperkt; de poezij was een zeer flauwe weerklank op hetgeen door Grieksche dichters was gezongen; de wijsbegeerte was tweederlei: der epicuristen waardoor men tot natuurleven, zingenot, en verdierlijking geleid werd; der stoicijnen, wier zelfvolmaking in hoogmoed en, bij het wegvallen van aardsche uitzigten in zelfmoord bestond. Wegens welvaart en volksgeluk? De vrijheid was een naam, de deugd een zeldzaamheid, in veler oog huichelarij of zelfbedrog. Weelde was bij de rijken, ellende onder het volk, zedenbederf overal. De kreeten van het misnoegd gepeupel werden gestild door brooduitdeelingen en schouwspelen, waarin men met welgevallen bespiedde hoe de kampvechters (gladiatoren) elkander ontzielden of door wilde dieren werden verscheurd. Zoo was het te Rome; was het welligt in de wingewesten beter gesteld? In de meeste opzigten was de toestand nagenoeg gelijk; hun lot echter werd, door verdrukking ten behoeve der Romeinen, erger gemaakt. Buiten het Romeinsche gebied waren slechts woeste natiën, zwervende stammen, met de behoeften, genietingen en kundigheden van beschaafde volken onbekend. Overal heerschte bijgeloof en afgoderij.

1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.