Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina27/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   78

Maar wat was er van Israël geworden, Gods uitverkoren en hoogbegenadigde volk? Het had, na de terugkeering uit Babel, zich aan geen beeldendienst schuldig gemaakt; en onder de vervolging om der godsdienst wille die het van de koningen van Syrië had ondergaan, folteringen en dood voor den naam des Heeren getrotseerd; doch het was desniettemin diep uit‑ en inwendig gevallen. Na velerlei verdeeldheden, was het eindelijk geheel, zoo niet onder de onmiddellijke heerschappij, toch onder den aldwingenden invloed der Romeinen geraakt; dezen hadden het Edomitische geslacht der Herodessen over de Joden gesteld. De dienst van den eenigen waren God was bewaard. De Heilige Schriften van het Oude Verbond waren sedert lang bijeengezameld; van die heilige mannen Gods, welke van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben gesproken (2 Petr. 1, 21). Zij hadden Mozes en de profeten120; doch bij de meesten was de lezing van het Woord niet met het geloove gemengd.121 De secte der Sadduceën predikte een ongeloof dat zelfs de voortduring der ziel voor twijfelachtig hield. De Farizeën verbeeldden zich door hunne werken, vooral door naauwgezette inachtneming van alle plegtigheden en gebruiken, regtvaardig en zelfs verdienstelijk te zijn. IJverende voor de uiterlijke eeredienst zagen zij de kracht en het wezen der godzaligheid voorbij. Zij maakten Gods geboden teniet door hunne inzettingen.122 Over 't algemeen waren de Israëlieten een volk geworden dat den Heer diende met de lippen, maar hun hart was verre van Hem.123 Zeer weinigen slechts, acht gevende op de teekenen der tijden124 en op het licht der profetie, zagen geloovig en verlangend naar dien Zone Davids uit, naar dien Messias die de ongeregtigheid verzoenen en eene eeuwige geregtigheid aanbrengen zou. In de gansche wereld, en zelfs te Jeruzalem, was duisternis en schaduwe des doods.125

De tijd der vervulling van Gods onberouwelijke beloftenissen was daar. Het volk dat in duisternis wandelt, zou een groot licht zien; degenen die wonen in het land van de schaduwe des doods, over hen zou een licht schijnen (Jes. 9, 1). De Zonne der Geregtigheid zou opgaan, die genezing onder Zijne vleugelen heeft (Mal. 4, 2). Een Kind zou geboren, een Zoon gegeven worden, en de heerschappij is op Zijn schouder, en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon Davids en in zijn koningrijk, om dat te bevestigen en te sterken met gerigte en met geregtigheid tot in eeuwigheid toe (Jes. 9, 5‑6). Jezus die zijn volk zalig maken zou van hunne zonden, Emmanuël, God met ons126, Christus de gezalfde, Jezus Christus werd ontvangen van den Heiligen Geest, geboren van de maagd Maria, te Bethlehem Efrata, en de engelen verkondigden aan eenige herders in Palestina groote blijdschap, dat hun in de stad Davids geboren was de Zaligmaker welke is Christus de Heer en van stonden aan was daar eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.127

Dertig jaren oud begon Jezus te prediken en zeide: Bekeert u, want het Koningrijk Gods is nabij gekomen.128 Arm en in nederigen stand had de Zone des menschen niet waar hij het hoofd nederleggen zou129 en werd door anderen van hunne goederen gediend.130 Maar hij ging het land door goed doende131; hij leerde als magt hebbende en niet als de Schriftgeleerden132; hij zeide: Zone, dochter zijt welgemoed, uw geloof heeft u behouden, de zonden zijn u vergeven133; hij sprak het wee uit over degenen die den Godsraad ter hunner zaligheid verwierpen. De blinden werden ziende en de kreupelen wandelden; de melaatschen werden gereinigd en de dooven hoorden134; de zee en de winden waren Hem gehoorzaam135; de booze geesten sidderden voor Hem; de dooden rezen uit het graf op zijn bevel. Hij legde van zichzelven het getuigenis af: Ik en de Vader zijn een136; die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien.137 En uit den hemel werd de stem gehoord: deze is Mijn geliefde Zoon in dewelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort hem.138 De Zone Gods was ook het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.139 Het was voorzegd dat hij ter slagting zou worden geleid140 en zijne ziel tot schuldoffer zou stellen (Jes. 53, 10). Hij zelf had gezegd: de Zone des menschen is gekomen om zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.141 Vrijwillig ging hij lijden en dood tegemoet. Ik leg mijn leven van mijzelven af142; de goede herder stelt zijn leven voor zijne schapen.143 De Schriftgeleerden en ouderlingen eischten onder beschuldiging van Godlastering en oproer, van den Romeinschen landvoogd dat hij ter dood zou worden gebragt. Aldus heeft God, in den kruisdood des Heeren, vervuld hetgeen Hij door den mond van alle Zijne profeten tevoren verkondigd had, en, gelijk Mozes de slang verhoogd heeft in de woestijn, is de Zone des menschen verhoogd, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.144 Door den dood heeft hij teniet gedaan dngenen die het geweld des doods had, namelijk den duivel (Hebr. 2, 14). Moest niet de Christus alle deze dingen lijden en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan?145 Het was niet mogelijk, dat hij, de Vorst des levens, van den dood zou gehouden worden.146 Ten derden dage is hij krachtiglijk bewezen te zijn de Zone Gods uit de opstandinge der dooden.147 Veertig dagen later is hij opgenomen daar zijne apostelen het zagen en een wolk nam hem weg van hunne oogen, en alzoo zij hunne oogen naar den hemel hielden, terwijl hij henenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleederen, welke ook zeiden: Gij Galilesche mannen; wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.148

Tusschen de hemelvaart en de wederkomst des Heeren ligt de vorming, bevestiging en uitbreiding der kerk. Predikt het evangelie aan alle creaturen149; gaat henen, onderwijst alle de volkeren, hen doopende en leerende hen onderhouden al wat Ik u geboden heb150, was het bevel dat de Heer den zijnen achtergelaten had. Maar hoe zou het door weinige ongeleerde visschers ten uitvoer worden gelegd? Geen nood: Hij, aan wien alle magt gegeven is in hemel en op aarde, had gezegd: Ik ben met u alle de dagen tot aan de voleinding der wereld.151 Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal; en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.152 En reeds tien dagen nadat Hij weggevaren was, werd deze belofte op het Pinksterfeest vervuld. Geen nieuwe openbaring werd verkondigd; dezelfde God die tot de vaderen heeft gesproken door de profeten, heeft in de laatste dagen tot ons gesproken door zijnen Zoon.153 Maar de beloftenis was vervuld. Schaduwen en beelden werden, nu men het wezen der zaak had, niet meer vereischt. Wat duister geweest was, werd helder: Christus heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebragt door het evangelie.154 De toegang tot den troon der genade155 was, zonder tusschenkomst of voorspraak van den eenigen Middelaar156 en Hoogepriester157, overal en voor allen die geloofden, zonder aanneeming des persoons158, opengesteld. De verborgenheid werd nu duidelijk geopenbaard dat de heidenen zijn medeërfgenamen en van 't zelve ligchaam en mededeelgenooten van Gods belofte in Christus (Ef. 3, 6). De muur des afscheidsels was gebroken159; één zelve Heer van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen (Rom. 10, 12). Op Christus, als op den levenden hoeksteen160, zouden uit alle talen en natiën161 de geloovigen, als levende steenen tot een geestelijk huis en tot een heilig priesterdom worden gebouwd162; uitverkoren naar de voorkennisse Gods des Vaders, in de heiligmakinge des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenginge des bloeds van Jezus Christus (1 Petr. 1, 2).



Deze gemeente des Heeren zou in de uiterlijke kerkgemeenschap met de wereld vermengd zijn. De vijand zou komen en onkruid zaaijen midden in de tarwe (Matth. 13, 25). Evenals in Israël zouden velen in de christenheid, schoon uiterlijk opgenomen in het verbond, geen deel aan het geloof hebben, noch aan de belofte. De ergste vijanden der evangeliewaarheid zouden gevonden worden onder de evangeliebelijders. Velen zouden ten allen tijde den Heer dienen met de lippen, terwijl hun hart ver van Hem blijven zou.163 Wanbegrippen van allerhanden aard zouden worden geleerd. Maar de Heer had gesproken: Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koningrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders die in de hemelen is.164 En zijn apostel had gezegd: al ware het ook dat een engel uit den hemel u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt (Gal. 1, 8). Indien iemand den Heere Jezus niet liefheeft, die zij eene vervloeking; de Heer komt (1 Cor. 16, 22). Strijd was het waartoe de gemeente, met het oog op den Heer, door alle tijden heen, werd geroepen. Ik ben niet gekomen, had hijzelf, ofschoon de Vredevorst165, gezegd, om vrede te brengen op de aarde, maar het zwaard.166 Strijd tegen de wereld die in het booze ligt167; tegen de dwaling ook waar zij binnen de kerk is; strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, de magten, de geweldhebbers der wereld, de duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.168 De duivel zou blijven omgaan als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden.169 De god dezer eeuw zou de zinnen der ongeloovigen verblinden, opdat zij niet door de verlichting des evangeliums zouden worden bestraald.170 Geen list, geweld, onregt, foltering, verschrikking des doods zou ter uitroeijing der zaligmakende waarheid worden gespaard.

En op welke wijs moest door de gemeente krijg worden gevoerd? Ook aanvallenderwijs; geen vrede met wat zich aan God niet onderwerpt. Met de wapenrusting Gods171; met het gebed, met de zachtmoedigheid die het kwaad door het goed overwint172; met het zwaard des Geestes hetwelk is Gods Woord173: de wapenen onzes krijgs zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God tot nederwerpinge der sterkten (2 Cor. 10, 4). De gemeente zou niet overweldigd worden door de poorten der hel.174 Altijd zouden er, ofschoon somwijlen, gelijk bij Israël onder schijnbaar algemeenen afval, in de gehoorzaamheid des geloofs getuigen zijn der waarheid dat Jezus Christus God is geopenbaard in het vleesch175; dat hij de zonden in zijn ligchaam gedragen heeft op het hout176; dat er vergeving der misdaden is in zijn bloed177; dat zonder wedergeboorte en heiligmaking niemand in het koningrijk Gods zal ingaan178, en dat allen voor den regterstoel van Christus moeten worden geopenbaard, opdat een iegelijk wegdrage nadat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.179 Tot de geloovigen is gezegd: wederstaat den duivel en hij zal van u vlieden180; wordt krachtig in den Heer en in de sterkte Zijner magt.181 In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed; Ik heb de wereld overwonnen.182 Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is mijns Vaders welbehagen u het koningrijk te geven.183 Altijd zou er een overblijfsel zijn naar de verkiezing der genade184; altijd zou er, ook onder de onrust en vijandschap der wereld, vrede zijn over het Israël Gods.185 Dit rijk zou een eeuwig rijk zijn.186 Midden onder de koningrijken der aarde had de God des hemels een koningrijk verwekt dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en aan geen ander volk overgelaten worden. Het zal alle die koningrijken vermalen en teniet doen; maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.187 Het is niet van de wereld188, doch de wereld is een deel van dit rijk. Maar dit koningrijk der hemelen zou ook wezen gelijk een mosterdzaad189; in den aanvang schijnbaar onaanzienlijk en gering. Uitwendig had niets in den gewonen loop der wereldsche dingen verandering ondergaan. Keizer Augustus, de aangebeden opperheerscher van het Romeinsche wereldgebied, zoo hij van Jezus den Nazarener gehoord heeft, vermoedde niet dat er voor het aardrijk een nieuwe tijdrekening begonnen, een dag des levens en der zaligheid was aangebroken, omdat in het verachte Judea een verkondiger van godsdienstbegrippen tusschen twee moordenaren gekruist was. Hij wist niet dat die Nazarener het vleesch geworden Woord Gods190, de Zone des levendigen Gods191, tot heil van zondaren zonde gemaakt192, na alles volbragt te hebben193, uit de dooden opgewekt194 en gezeten was aan de regterhand Gods.195
geschiedenis na christus
Het evangelie is allengskens tot de volkeren gebragt. Vele natiën zijn ook thans nog met de blijde boodschap des eeuwigen levens onbekend. Sommige zijn wederom afgevallen van het geloof. Meer dan één land is thans in duisternis, voor hetwelk, in vroeger eeuw het licht opgegaan was. Langen tijd is de christelijke kerk, na in Azië en Afrika gebloeid te hebben, binnen Europa beperkt; totdat het den Heer behaagd heeft opnieuw ook andere werelddeelen onder Europeschen en christelijken invloed te brengen.

Eenig is het lot der joden geweest: Van den aanvang af en altijd waren er ook onder hen die op den gekruisten Heiland hebben gezien; maar als volk is Israël tijdelijk verworpen; de verharding is over een deel van Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.196 De heidenen zijn op den goeden olijfboom ingeënt, waarvan de Heer hen, de natuurlijke takken afgebroken heeft.197 Het wee over Jeruzalem, dat de profeten doodt en steenigt die tot haar gezonden zijn198, is op vreesselijke wijze vervuld. Veertig jaren nadat zij, door den Zone Gods te kruisigen, de mate der vaderen vervuld had199, is zij door de Romeinen omsingeld, ingenomen, verbrand, stad en tempel verwoest; zoodat er geen steen op den anderen steen gelaten werd.200 Honderdduizenden kwamen om door hongersnood of pest, in de vlammen of door het zwaard. De overigen werden tot slaven gemaakt. Nog heden ten dage getuigt de triumfboog van den veldheer Titus te Rome dat de Heer getrouw ook in Zijne bedreigingen is. Vernietigd zijn de Joden evenwel niet. Neen! Toen en door alle opvolgende eeuwen is de natie der Israëliten gebleken onvernietigbaar te zijn. In alle deelen der aarde verstrooid, aan smaad, mishandeling, vervolging ten doel, is zij noch met andere volken zamengesmolten, noch door haar menigvuldige en onbarmhartige vijanden uitgeroeid geworden. De eigenaardigheid in godsdienst, taal, zeden, karakter, zelfs in gelaatstrekken is in elke hemelstreek en onder elke lotwisseling bewaard. Na achttien eeuwen is zij nog daar; getuige, zelfs door haar ongeloof, van de onbedriegelijkheid der oordeelen, getuige eenmaal, door haar bekeering, van de onberouwelijkheid der roeping en verkiezinge Gods.201 Nog is zij Abrahams nakroost en het volk der belofte. De kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgerigt beeld, en zonder efod of terafim; daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeeren, en zoeken den Heer hunnen God en David hunnen Koning; en zij zullen vreezende komen tot den Heer en tot Zijne goedheid, in het laatste der dagen (Hosea 3, 4‑5).

Vijf eeuwen verliepen er waarin de christelijke kerk zich in het gebied der Romeinen heeft uitgebreid en bevestigd. Hierop zijn de middeneeuwen gevolgd; na den val van het Romeinsche rijk werd het evangelie de godsdienst der staten die eruit zijn ontstaan; doch allengskens werd de waarheid door bijgeloof bijna onkenbaar gemaakt. Eindelijk werd door de Kerkhervorming of Reformatie de zuivere bijbelleer wedergebragt; doch het was om reeds tweehonderd jaren daarna voor eene verloochening des Heeren te wijken waarvan men nog geenszins tot onvoorwaardelijke onderwerping teruggekeerd is.

De grenzen van het Romeinsche rijk, hetwelk zich nog eenigzins verder dan tijdens de republiek uitgebreid heeft, waren in Europa de Donau en Rijn; in Azië de Eufraat, Arabië en het rijk der Parthen; in Afrika de zandwoestijn; zoodat daarin omvat werden de schoonste landen der drie werelddeelen rondom de Middellandsche zee. Veel was er dat als voorbereiding om het evangelie in dien wijden omtrek bekend te maken kon worden beschouwd. Reeds bij den eersten val van Jeruzalem waren de Joden in vele landen verspreid; zij hadden allerwege Jodengenooten gemaakt (Hand. 2, 9‑11); niet enkel in Judea waren hunne profetiën bekend; de Schriften van het Oude Testament waren te Alexandrië in het Grieksch overgezet; de algemeenheid der Grieksche spraak en de eenheid van het Romeinsche gebied namen vele bezwaren weg die in vroeger eeuw zouden hebben bestaan; terwijl in den rampzaligen toestand der menschheid en het verval van voormaligen glans en luister, menig troostbehoevend hart meer toegankelijk werd. Doch wat kon er desniettemin menschelijkerwijs van de evangelieprediking worden verwacht! De wereld, in haar hoogmoed en zedenbederf was meer dan ooit tegen de leer van genade en bekeering, met alle hare magt en al haar wijsheid, gekant. Het algemeen202 was verzonken in afgoderij; de staatsman en wijsgeer, die ermee spotte, was van de onmisbaarheid des bijgeloofs ter handhaving van orde en wet overtuigd; ook zij en zij vooral moesten vijandig zijn aan een leer waardoor het aangerand en, naar hun inzien, slechts een ander soort van bijgeloof en dweeperij ingevoerd werd.

Het christendom zou ligt ingang gevonden hebben, zoo het niet onverdraagzaam was geweest. Weinig moeite zou het gekost hebben in de rij der godheden ook het beeld van den Zaligmaker te doen stellen; minder ligt was het de heidenen te doen buigen voor den Heer, omdat Hij groot is en zeer te prijzen en vreesselijk boven alle goden; want alle de goden der volken zijn afgoden; maar de Heer heeft de hemelen gemaakt (Psalm 96, 4‑5). Aan hen die de duisternis liefhadden, omdat hunne werken boos waren203, moest de verkondiging van regtvaardigheid en matigheid en toekomend oordeel worden gerigt: bekeert u, of gij zult in uwe zonden sterven204; wordt heilig; want Ik ben heilig, zegt de Heer205; hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.206 Aan hen in wier oog het minste blijk van verachting der heidensche eeredienst heiligschennis of poging tot staatsomkeering was, werd toegeroepen: De God die de wereld gemaakt heeft, woont niet in tempelen met handen gemaakt; en is geen goud, of zilver, of steen, door menschenkunst en bedenking gesneden, gelijk207; wendt u van deze ijdele dingen tot den levendigen God208; wacht u van de afgoden.209 Alle ziele zij den magten over haar gesteld onderdanig210; maar zijt Gode meer gehoorzaam dan aan de menschen.211 Zij die gewoon waren zich op diepe inzigten en spitsvindige redeneringen te verheffen en te beroemen, zouden dit hooren: Dit is het eeuwige leven den eenigen waren God te kennen en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft212; wij hebben niet voorgenomen iets onder u te weten dan Jezus Christus en dien gekruist213; wordt dwaas, opdat gij wijs worden moogt.214 De hoogste waarheid was in elk opzigt tegen het rijk der leugen, was tegen alle driften en begeerlijkheden, tegen alle aardsche uitzigten en berekeningen gekant.

Vreemd was het niet dat de evangelieprediking aan de felste haat en vervolging ten doel stond. Door de woede der joden was het, bij den aanvang, reeds bewaarheid geworden: de ure komt dat een iegelijk die u zal dooden, zal meenen Gode een dienst te doen.215 Weldra werd de tegenstand der heidenen openbaar. Priesters, overheden, filozofen, gepeupel, allen vereenigden zich om deze secte die overal tegengesproken werd (Hand. 28, 22) ten onder te brengen. De christenen werden onthoofd, ten vure gedoemd, aan de wilde beesten ten prooi geworpen; het vernuft putte zich in afgrijsselijke folteringen uit; het evangelie werd bestreden met de wapens der geleerdheid, der scherpzinnigheid, der spotternij; al wat verleidelijk was werd tot lokaas voor afval en verloochening des Heeren gesteld. En met welk gevolg? Dat de kracht van Gods Woord en Geest openbaar werd en het geloof, in de verdrukking, telkens dieper wortelen schoot. Door het leven en het sterven der christenen werd het zegel op hun belijdenis gedrukt; de vrucht des Geestes was openbaar: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.216 Blijde van tot een drankoffer geofferd te worden voor de bediening hunnes geloofs217, gingen de martelaren, onder lofzang en gebed ook voor de vijanden, den dood tegemoet. De Heer wrocht mede en bevestigde het woord door teekenen die erop volgden (Marc. 16, 20). Deze leer kon niet gebroken worden, omdat zij uit God was.218

Bijkans een halve eeuw bleef Augustus aan het bewind. Ook na hem werden de republikeinsche vormen bewaard; doch zonder in het allerminst hinderlijk te zijn aan de ontwikkeling der dwingelandij. Droevig was de toestand der provinciën: er mogt, onder keizerlijk bewind, eenige meerdere rust, eenig meerder opzigt over de stadhouders, eenige meerdere regelmatigheid zijn; de volkeren zuchtten onder eene overheersching, waarbij inkomsten en krachten ten behoeve van het oppermagtig Rome werden besteed. Talrijke staande legers waren gevormd om elke poging tot opstand voor te komen of te straffen; ook om de grenzen tegen overval te dekken. Nergens echter was het zoo erg als in de hoofdstad zelve gesteld. Alle veerkracht, alle ingenomenheid met hooger beginsel was weg; geen ander doel was er dan te mogen leven in overdaad en brasserij. Zoo was het mogelijk dat, ten gevolge der lafhartigheid van den senaat en der onverschilligheid van het algemeen, de rijkszetel achtereenvolgens door een reeks van tyrannen (Tiberius, Caligula, Nero) ingenomen werd, in gruwelen verhard; voor wie het plegen van misdaden een spel was, en wier staatkunde in de volgende regels bestond: de soldaten en het gepeupel tevrede te stellen en zich van al wie vermogend en aanzienlijk was, ter verrijking of beveiliging, door vergif, sluikmoord, of valsch getuigenis te ontdoen. Op een Vespasianus, een Titus, wier bestuur eene verademing was, volgde weder een Domitiaan, welligt de ergste despoot van allen. Vreesselijk waren de vervolgingen die het christendom, ofschoon het nog meer veracht dan gevreesd werd, onder hem en Nero doorgestaan heeft. Reeds was het geluid der prediking uitgegaan tot de einden der wereld (Rom. 10, 18); in bijna elk deel van het rijk de gemeente geplant; de nalatenschap der apostolische berigten en lessen aan de volgende geslachten door de onfeilbaarheid der Heilige Schriften verzekerd, en de bemoedigende vermaning des Heeren door de pen van zijnen dienstknecht Joannes tot de geloovigen gebragt: vreest geen der dingen die gij lijden zult; de duivel zal eenige van ulieden in de gevangenis werpen; gij zult verdrukking hebben; zijt getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens.219

Vier keizers volgden zich op wier bewind niet zonder reden hoog geroemd werd: Trajanus die zich vrijwillig aan de wetten onderwierp, voorspoedigen krijg in het oosten gevoerd en nuttige inrigtingen tot stand gebragt heeft; de vredelievende Hadrianus; voorts Antoninus, onder wien rust, orde, en bloei was; Marcus Aurelius, die zich den naam van voortreffelijk vorst en schrander en diepzinnig wijsgeer en zedemeester verwierf. Al wat goed was werd ondersteund en begunstigd; er was eerbied voor billijkheid en regt. De opperheer was nu ook de beschermheer van het volk. Dus werden ook de christenen beschermd? Neen voorzeker; want hun dweeperij scheen rustverstorend, gevaarlijk, en tegenover de hooghartige wijsgeerte, menschvernederend te zijn. Hadden zij gezwegen, men zou hen wellicht niet opgezocht hebben; maar bij hen was het: wij hebben geloofd, daarom spreken wij ook.220 De vervolging werd dubbel heftig. Vervolging van eene andere soort bleef niet achter: schrandere geesten beijverden zich om het ijdele der nieuwe begrippen te bewijzen; want de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Cor. 2, 14). Wat erger was, bij de christenen zelve begon men het evangelie met wijsgeerige begrippen te vermengen; ziet toe dat niemand u als een roof vervoere door de filozofie en ijdele verleiding, naar de overleveringen der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus (Col. 2, 8).

1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.