Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina28/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   24   25   26   27   28   29   30   31   ...   78

De tachtig jaren waarover de regering dezer keizers zich uitgestrekt heeft, zijn het laatste tijdvak waarin het Romeinsche rijk kracht en luister heeft getoond. Allerwege waren reeds, uit het noorden en oosten, de volkeren in beweging en aantogt, door wie Gods oordeelen, gelijk over Babylon weleer, evenzoo nu over het trotsche en wreede Rome zouden worden ten uitvoer gelegd. Zware nederlagen had het al vroeger, vooral in Germanje ondergaan; het voortdringen was belet; de tijd was er dat de adelaar terug zou worden gedrongen. De oorlogen tegen de Parthen, Marcomannen en andere barbaren werden niet altijd met zegepralen bekroond; en weldra vestigden zich de Gothen reeds over den Donau. De keizers waren grootendeels verachtelijke despoten: meestal verkoren, hetzij te Rome door de lijfwachten, hetzij in de provinciën door de legioenen. Zij zochten hun steun bij het leger en die steun moest voor geld dat men aan de onderdanen afperste, worden verkregen en behouden; de troon werd somwijlen geveild en aan den meestbiedende verkocht. Meermalen werd de keizer door de soldaten vermoord. Ook als de keus op uitstekende veldheeren was gevallen, droeg hun bewind weinige vrucht. Zij hadden den wil noch de kracht om zich tegen weelde, praal, en zedeloosheid te verzetten; veel was het wanneer het hun gelukte de grenzen te dekken en zich tegen mededingers staande te houden.

Gewigtig was de regering van Constantijn. De christenen waren telkens opnieuw en, naarmate zij vermenigvuldigden, met des te meer verbittering vervolgd. Lijdelijk waren zij gebleven, ook toen hun weerstand, indien zij naar de wapenen hadden willen grijpen, niet vruchteloos zou geweest zijn. Deze keizer werd christen; en reeds waren zij magtig genoeg om in twijfel te doen trekken221 of deze verandering het werk van overtuiging of van staatkundige berekening was. Nu werd het christendom de godsdienst van den staat; reeds begon men de afgoderij, vanwege het hoog gezag, tegen te gaan. Wenschende zich aan den invloed der heidensche priesters en der soldaten, waaraan men te Rome meer dan elders gewend was, te onttrekken, verplaatste hij den zetel van het rijk naar de oevers van den Bosporus, in eene heerlijke ligging, waar Constantinopel door hem gesticht werd. Tevens werd, bij alle uiterlijke godsdienstpraal de grond voor een staats‑ en hofinrigting gelegd, welke met het despotismus en de weelderigheid der oostersche monarchen veel overeenkomst gehad heeft.

Het rijk was, in den drang der tijden, veel te groot om door één keizer te worden bestuurd en beschermd. Er werden mederegenten benoemd, welke het somtijds bezwaarlijk was in afhankelijkheid te houden. De barbaren stuwden elkander voort naar het zuiden; de voorsten waren genoodzaakt in het rijk een schuilplaats te zoeken, die hun niet altijd betwist, maar somwijlen op voorwaarde van dienstbetoon, gaarne verleend werd. Aldus tegen hunne stamgenooten in dienst getreden, somwijlen een groot deel uitmakende der Romeinsche legers, met hooge, vooral krijgswaardigheden bekleed, verkregen zij van lieverlede een magt en invloed die weldra, terwijl hierdoor ook aan anderen, op gelijksoortige wijs, de weg gebaand werd, tegen Rome zou worden gekeerd. De Gothen en Vandalen werden door de Hunnen, die uit het verre Azië afdwaalden, gevolgd. Eene krachtige regering, zooals die van Theodosius den Groote, hield ook enkel door het bezoldigen van barbaren, als hulptroepen, stand en hijzelf begreep dat het rijk onder zijne twee zonen Arcadius en Honorius, in oosten en westen moest worden gedeeld.

Het oostersche of Grieksche rijk was aan allerlei ellende, willekeur, en verdeeldheden ten prooi. Over niets evenwel werd met gelijke heftigheid als over de godsdienst getwist. Het verval dat bij de christenen, in geloof en leven, reeds onder de verdrukking een begin had genomen, was schrikbarend vermeerderd na de uiterlijke zegepraal van de kerk. `Uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen', deze apostolische voorspelling222 werd op velerlei wijze vervuld. Vooral te dezer tijd was het Arius die vele discipelen achter zich aftrok door te beweeren dat de Zone Gods, God boven allen te prijzen in der eeuwigheid223, een bloot schepsel224 geweest was; en ofschoon deze godlastering door de geloofstaal van een Athanasius wederlijd en door de uitspraak van eene kerkvergadering te Nicea veroordeeld werd, was de aanhang der Arianen sterk genoeg, vooral daar het wereldlijk gezag beurtelings voor en tegen hen partij nam, om beroeringen en burgeroorlogen, die zich tot in het westen uitbreidden te verwekken. En evenwel, niet door kracht of geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heer.225



Voor het westersche rijk dat steeds meer bedreigd en overheerd werd, kon dus uit het oosten geen hulp worden verwacht. Het neigde met toenemende snelheid ten onvermijdelijken val. De volkerenverhuizing werd steeds geweldiger, een stroom welke door niets kon worden gekeerd. Zwervende horden zonder tal, somwijlen in vreesselijke legermagten, onder bekwame aanvoerders als een Alaric en Attila, zamengevloeid, verspreidden, roofziek en onbarmhartig, overal waar zij niet door schatting afgekocht werden, verwoesting en dood. Weldra drongen zij ook in Italië door; Rome werd herhaaldelijk ingenomen; keizers in naam regeerden, onder goedvinden en voogdijschap van een of ander hoofd der barbaren. Met het einde der vijfde eeuw was elke provincie, Spanje, Gallië, Afrika zelfs, hun wingewest geworden; ook in Italië werd, na wegneming der

492 bespottelijk geworden schaduw van het keizerlijk bewind, een rijk der Gothen gesticht. Onbeschrijfelijke jammeren waren uitgestort over de landen, waar de Heer zoo lang door der menschen trots, zedeloosheid, afgodendienst en vervolging Zijner gemeente getergd was; Hij had het krijgsheir gemonsterd; zij waren gekomen uit verren lande `van het einde des hemels, de Heer en de instrumenten Zijner gramschap om te verderven'; `Hij had over de wereld de boosheid bezocht en over de goddeloozen hunne ongeregtigheid; Hij had den hoogmoed der stouten doen ophouden en de hoovaardij der tyrannen had Hij vernederd; vanwege de verbolgenheid des Heeren der heirscharen en vanwege den dag Zijns hittigen toorns' (Jes. 13).226 Doch niet enkel ter verdelging waren de heidenen te zamen geroepen: tot velen zou de stem gebragt worden: `Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer'.227 De dag der wraak zou, door het hoog opheffen van de kruisbanier, een dag ook der barmhartigheid zijn.228
de middeleeuwen, 500‑1500
Bijkans geheel Europa was een tooneel van rampzaligheid en verwarring. Het volksgewijs doortrekken van onweerstaanbare veroveraars hield niet op. Woest, onverzadelijk van buit en levensgenot, waren zij weldra gewend al wat hun zwaard bereiken kon, als hun wettig eigendom te beschouwen; zij vernielden uit onkunde en afkeer, de gedenkteekenen van wetenschap en kunst; de laatste sporen der beschaving schenen te zullen uitgewischt worden. Ook was hetgeen de waarde der beschaving uitmaakt, sedert lang ten onder gegaan: zij was slechts een behagelijk kleed om over de diepten der ondeugd te werpen. Wat kon er van de vereeniging der barbaarsche ruwheid en der Romeinsche verfijning tegemoet worden gezien! De overwinnaars mogten zich naar de gewoonten en wetten der overwonnelingen voegen; woestheid en verbastering zouden zamenwerken tot voortplanting en verergering van het zedenbederf; het christendom zou niet bestand zijn, noch in het westen tegen het geweld der afgodische overheerschers, noch in het oosten tegen de velerlei wanbegrippen waarmede de waarheid die in Christus is, bestreden of vermengd en onkenbaar gemaakt werd.

IJdel was ook die vrees. Niet de afgoden alleen van Griekenland en Rome, ook de godheden der barbaren vielen voor het kruis. Geheele natiën, zooals de Gothen en Franken werden, gelijk het heette, tot het evangelie bekeerd. Waarachtige bekeering zal toen, gelijk later, het deel van weinigen zijn geweest; maar toen, zooals ten allen tijde, bleek het dat de invloed van het evangelie, waar het de wetten en instellingen der staten en maatschappijen doordringt, nevens het hooger en eeuwig heil der geloovigen, voor allen tijdelijke en gewigtige zegeningen verspreidt. De leer van zondevergeving, in verband met de heiligheid van den levendigen God, was alleen berekend om zelfs bij den nog ongeloovige, hartstogten en begeerlijkheden, wraakzucht en bloeddorst te temperen, zoo229 niet te bedwingen; om, bij de inzegening van den echt, de vrouw, ook in hoogeren zin, als levensgezellinne te doen beschouwen; om in het deerniswaardige lot van slaven en lijfeigenen verbetering te brengen; om den trots der magtigen te buigen en aan de zwakken en verdrukten genoegzamen troost te verschaffen; om uit den bajert, waarin Europa was vervallen, een overgang tot geregelde maatschappijen voor te bereiden en te bewerken.

Allerwege gingen zendelingen uit om de woorden Gods aan de heidenen te brengen; mannen vol des geloofs en des Heiligen Geestes, die hunne zielen overgegeven hadden voor den naam onzes Heeren Jezus Christus.230 De bisschop van Rome, welke van lieverlede in het westen een zeer grooten invloed verkregen had, werkte, door ondersteuning en aanmoediging, krachtig tot dit evangelieverkondigen meê. De Franken, die zich in Gallië hadden gevestigd, werden op het voorbeeld van hun opperhoofd Clovis, naar den naam van Christus genoemd. Boden des vredes door het bloed des kruises231 drongen overal door: Augustinus in Engeland bij de Anglen en Saxen (596), Willebrord bij de Friezen (700), Bonifacius bij de Duitschers. De wetten en instellingen der landzaten werden, evenwel gedeeltelijk slechts, door de barbaren overgenomen of nagevolgd, maar in de meeste landen was echter nog bijkans geen schijn of schaduw van een geregelden staat; wel daarentegen verdeeldheid, onrust, verwarring, strijd zoowel tegen elkander als tegen andere volken, door wie op hunne beurt een woonplaats in de liefelijke zuiderstreken en een deel in den onmetelijken buit van het Romeinsche wereldgebied gezocht werd.

Zoo was het in het westen, erger welligt was het in het oosten gesteld. Het Grieksche rijk werd door eene reeks despoten, waarvan de meeste verachtelijk waren, beheerd. Hun willekeur en wreedheid gaf dikwerf aanleiding tot opstand en verraad. Pracht en weelde, involging van elke begeerlijkheid, bragten ontzenuwing en vadzigheid teweeg. Christelijke vermaning was ondragelijk geworden; de stem van godzalige bisschoppen, als een Chrysostomus en anderen, werd door het geweld des hofs en de vleitaal eener bedorven geestelijkheid gesmoord. Des te meer ijverde men voor de leer; en grootendeels naar de veranderlijke luimen der wereldlijke overheid werd bepaald wat regtzinnigheid, wat strafbare ketterij was. Het verstand putte zich uit in twistredenen en spitsvindige ontleding der godsdienstbegrippen; woordenstrijd werd door bloedige vervolging, factiën, en burgerkrijg gevolgd. Zoo werd de zegenrijke werking van het evangelie veelzins gestuit; de waarheid door schijnwaarheid en leugen verdrongen en een leer waarvan het wezen liefde en heiligheid is, tot leus van doodelijken haat en tot een deksel der ongeregtigheid232 gemaakt.



570‑632 Eene krachtige dwaling rees uit deze verbastering op. Mahomet, de valsche profeet van Arabië, verscheen. Magtig werd hij, vooral ook door het weder te voorschijn brengen eener waarheid welke door hem uit het verband der christelijke openbaring gerukt werd: zelfs het begrip der eenheid van het Opperwezen was, ook bij Joden en naamchristenen, door afgodische bijgeloovigheden bijkans verloren gegaan. Er is, riep hij uit, één God en Mahomet is zijn profeet. Mozes en Christus waren, o ja! Godsgezanten geweest, maar voorloopers slechts der hoogere openbaring, wier prediking hem opgedragen was. Voor de Heilige Schrift gaf hij den coran, eene in gloeijenden stijl geboekte verzameling van leeringen en voorschriften welke, zoo hij beweerde, uit den hemel tot hem waren nedergedaald. Geen prediking met woorden alleen, maar met het zwaard. Alle volkeren moesten geloovig, of aan de geloovigen cijnsbaar worden gemaakt. Het gevaar zelfs was een prikkel te meer in den heiligen strijd: elks noodlot was onvermijdelijk bepaald en sneuvelende werd men onmiddellijk in een hemelsch paradijs vol aardsche weelde overgebragt. Dus werden zijne volgelingen, door het uitzigt op al wat de wereld kan aanbieden, ontvlamd: krijgsroem, aanzien, schatten en zinnelijk genot. Vreemd was het niet zoo dergelijke leer ook, in meer dan één opzigt, met uitwendige godsdienstigheid en onthouding gepaard, ingang vond inzonderheid bij de Arabieren, een dapper en zwerfziek volk, vatbaar voor al wat op verbeelding en gevoel werkt, tuk op krijg en avontuur, aan de ontberingen der woestijn en de aartsvaderlijke eenvoudigheid van het tenteleven gewend, voor hetwelk het trotseren van moeijelijkheden en gevaren, onder den vrijen hemel en op het moedige ros, spel en genot was, nakomelingen van Ismaël, die het karakter van den stamvader, door alle tijden heen, geërfd [hadden] en in wie nu vooral de voorspelling vervuld werd: `hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem' (Genesis 16, 12).233

In de toenmalige omstandigheden, bij het verzonken zijn van zoovele landen in bijgeloof, vadzigheid en zedenbederf, was voor den heldhaftigen Arabier eene reeks van zegepralen gewis. De taak der wereldoverheersching door Mahomet voorgeschreven en begonnen, werd onder de veldheeren of califen die hem, als opperhoofden van volk en kerk, opgevolgd zijn, voor een goed gedeelte volbragt. Met verbazende snelheid veroverden zij Perzië, Syrië, Palestina, Egypte, de Noord‑Afrikaansche kust, waar eene menigte van christelijke kerken werden vernield, staken over naar Spanje, bragten het bijna geheel ten onder. Reeds werd het ontwerp gevormd om door Frankrijk en Duitschland op Constantinopel te trekken en een rijk te stichten, van vrij wat ruimer omvang dan weleer de Romeinsche heerschappij.

De christenstaten in het westelijk Europa aanvankelijk gevormd, en voor wie van de verwijfde en magtelooze Grieken geen bijstand was te verwachten, werden op tweederlei even bedenkelijke wijze bedreigd: door den onophoudelijken toevloed en aandrang van barbaarsche volken en door het zwaard der Muzulmannen, door wie geen andere keus gelaten werd dan geloofsverzaking of slavernij. Maar de evangeliezin zou voor geen halve maan, de bijbel voor geen islam teniet gaan; en, toen de overweldiging der christenheid nabij was, werd door een almagtige hand voor het `tot hiertoe en niet verder'234 gezorgd. Het heldengeslacht der Karolingers dat bij de Franken invloed, gezag en weldra ook den vorstelijken titel verkreeg, was der christenheid ten schild. De Arabieren, tot in het hart van Frankrijk gedrongen, werden door Karel Martel verslagen bij Poitiers, naar Spanje teruggedreven, waar echter hun rijk eerst zevenhonderd jaren later geheel uitge‑

768‑814 roeid is. Voorts trad weldra Karel de Groote als koning der Franken op; godvruchtig, vol oorlogsmoed en staatkundig beleid, beroemd door de wijsheid zijner instellingen en wetten, de veerkracht van zijn veelomvattend bestuur; de uitgestrektheid van het gebied dat, na veelvuldigen krijg, onder zijn scepter gebragt is. Opperheer over Frankrijk, Italië en een groot deel van Duitschland, heeft hij, te Rome door den bisschop235 gekroond, het westersche rijk, als keizer, weder hersteld en door de overwinningen waarmee hij, in zijne langdurige regering, de grenzen beschermd en uitgezet heeft, een zoo stevigen dam tegen het voorttrekken der woeste stammen van de Saxen en andere barbaren gelegd dat het christelijk Europa voortaan van de landzijde veilig kon worden geacht.

Persoonlijke grootheid is geen erfgoed. De opvolgers van Karel waren onvermogend om in stand te houden wat hij door bekwaamheid, moed en vasten wil tot stand had gebragt. De eenheid van het rijk was kort van duur. De opvolging van den oudsten zoon236 werd door een splitsing onder eergierige broeders en naastbestaanden vervangen.237 Frankrijk, Italië, Bourgondië, Lotharingen werden nu eens vereenigd, dan weder van elkander gescheurd, terwijl de keizerlijke waardigheid en titel bij het gezag over Duitschland gevoegd werd. Een nieuw soort van jammeren begon. De volkerenverhuizing, die te land eindelijk opgehouden had, werd voortgezet ter zee. Drie eeuwen was men aan de telkens herhaalde invallen van Noormannen en Deenen ten doel. Woest en krijgshaftig, kwamen zij, uit de ruwe luchtstreek van het Scandinavische schiereiland, op hunne ligte barken, in gedurig talloozer zwermen, als vermetele zeeschuimers tot roof en plundering af. Niet de kusten alleen werden door hun moorddadigheid verontrust; weldra verstoutten zij zich, landwaarts in, de rivieren op te zeilen en, bij gebrek aan eendragtigen weerstand, waren zij magtig genoeg om het bezit van verschillende streken (Normandye) te bedingen en zelfs belangrijke gewesten (Sicilië) onder de heerschappij hunner opperhoofden te brengen. De verlegenheid der vorsten, zoowel bij dergelijke gestadigen aanval van buiten, als bij de velerlei inlandsche twist en verwarring, ontnam hun meer en meer de kracht ter handhaving van een ietsbeteekenend gezag. De troon in Frankrijk en elders kwam bijna onder voogdij van den adel en van de geestelijkheid.

De magt der geestelijkheid kon niet gering zijn, reeds om haar getal. Ontelbaar was de menigte dergenen die zich wijdden aan den priesterlijken stand. Het kluizenaarsleven, waarin velen, dikwerf vruchteloos, rust tegen de verleidingen der wereld hadden gezocht, was grootendeels door de meer gezellige wereldverzaking van het kloosterleven vervangen en duizenden waren er voor wie, in de ellende der tijden, zoodanige schuilplaats gewenscht was. De landen werden met kerken en kloosters overdekt. Maar deze werden tevens middenpunten van beschaving, christelijke mededeelzaamheid en nuttigen arbeid. Elk overblijfsel van geleerdheid dat trouwens bijna enkel in de beginselen van lezen, schrijven en rekenen bestond, was nagenoeg uitsluitend het eigendom der geestelijkheid. In heilrijke ondernemingen, bijvoorbeeld in het bebouwen der gronden, ging voorbeeld en ondersteuning van haar uit. Onberekenbaar is het voordeel dat, ten dien opzigte bijvoorbeeld door de monnikenorde der benedictijnen gesticht is. Door landontginning en ruime giften, ook van de vorsten, werd de kerk rijk. Hierbij kwam de veelvermogende kracht die uit de heiligheid der bediening ontleend werd. De priester was vraagbaak in elke gewigtige aangelegenheid, maar bovenal waar het gewetenszaken betrof, en hoe minder kennis er in die tijden van onwetendheid238 aan de Heilige Schrift was, hoe meer behoefte er aan raad, inlichting en leiding bestond. Al deze magt en invloed werd meer dan verdubbeld door de eenheid uit de hierarchie of het overwigt van Rome ontleend. De bisschop werd paus of algemeene vader genoemd; zijn meerderheid door de overige bisschoppen erkend; zijn uitspraak allengskens als een soort van orakel beschouwd. Zijne magt klom, ook omdat hij, door de grooten der aarde als scheidsregter over hen gesteld, de gelegenheid niet zelden tot beteugeling van het onregt gebruikt had. Een onwaardeerbaar voorregt was het zijne goedkeuring verworven te hebben. Reeds was zij ook op de onttrooning van vorsten gevraagd; alzoo werd de weg opengesteld om over de kroonen ook ongevraagd te beschikken.

De geestelijken, maar ook de edelen vermogten zeer veel. Vooral overwinning en grondbezit had in de overheerde landen een stand van rijke landeigenaars doen opkomen, magtig door de herinneringen aan de wapenfeiten van hun geslacht, door de ambten en waardigheden welke hun bij voorkeur werden verleend, door de schare hunner dienaars en afhangelingen en de onmisbaarheid van hun dienstbetoon in den zich telkens hernieuwenden krijg. De vorsten poogden, bij het afnemen van hun gezag, de zoodanigen door allerlei gunstbewijs, inzonderheid door uitgifte van landerijen in leen, voor zich te winnen. De leenman was verpligt den leenheer hulde en trouw te bewijzen en de gehoorzaamheid waarvan hij zich, bij het verval der vorstelijke magt, bijna ontslagen zou geacht hebben, betoonde hij tenminste eenigermate als vasal. De leenman gaf, op soortgelijke voorwaarden, het leen weder geheel of gedeeltelijk in achterleen uit; en zoo ontstond van lieverlede een nieuw zamenstel van regten en verpligtingen (het leenstelsel), waardoor eenige orde en ondergeschiktheid bewaard, doch ook velerlei ellende teweeggebragt werd: strijd van pligten, ten gevolge van menigvuldige betrekkingen die elkander doorkruisten en aan wie de noodige bestemdheid ontbrak; zamenspanning van eerzuchtige leenmannen om den vorst terzijde te stellen; onderlinge twisten en veeten die, bij de krachteloosheid der wetten, telkens met het zwaard werden beslist; willekeur en verdrukking niet slechts ten aanzien der lijfeigenen, maar ook der vrije lieden, voor zoover zij niet, opgenomen in het leenverband, door een magtigen heer werden beschermd. Bij de wegkwijning van des vorsten oppergezag, traden eene menigte kleine dwingelanden op, die, meester van land en volk, in verbindtenis met elkander ter handhaving van willekeur en onregt, een ieder in zijn eigen kring souverein en wetgever waren, zonder aan iemand rekenschap te geven, zonder met iemand in overleg te treden omtrent de wijs waarop hun overmagt gebruikt werd. Geen wonder zoo men de tijden waarin zich dit stelsel van ongelijkheid en geweld, door klimmenden overmoed heeft gevestigd, de ijzeren eeuw genoemd heeft.

De wanorde en rampzaligheid was te groot om duurzaam te kunnen zijn. Allengskens begon, naar den wensch der verdrukte landzaten, het diep vernederd koninklijk gezag te herrijzen. Zoo was het in Frankrijk, waar onder Hugues Capet en zijne opvolgers weder eenige der leengoederen tot het vorstelijk domein teruggetrokken en ook trotsche en weerbarstige vasallen allengskens onder de afhankelijkheid van de kroon werden gebragt. De keizerlijke magt werd in Duitschland bevestigd. In Engeland, door de Noormannen onder Willem den Veroveraar vermeesterd, was een krachtig bewind onmisbaar om de bevolking bij diep gewortelden haat, onder het juk te kunnen houden.

Jammerlijk was het intusschen met de godsdienst en zeden der christenheid gesteld. Oneenigheden met de Grieksche kerk bragten wederzijdschen banvloek, fellen haat en eene breuk teweeg, wier heeling vruchteloos in later eeuwen beproefd is. Voor de leer die naar de godzaligheid239 is, was er verregaande onkunde, veelsoortig bijgeloof, een leven naar drift en begeerlijkheid. De geestelijkheid was even bedorven als zij aan wie ze bekeering en geregtigheid prediken moest. De kerk, der wereld gelijkvormig geworden240, was onder afhankelijkheid der wereld geraakt. Verbetering was ondenkbaar, zoolang de keizer die van de geestelijken, door gunstbewijs en ambten, zijne vasallen en dienaars had gemaakt, zich bovendien het regt aanmatigde om tot hooge kerkwaardigheden

te benoemen, die hij aan zijne gunstelingen uitdeelde of ook wel aan den meestbiedende verkocht.

Dit begreep Hildebrand, een timmermanszoon, die, onder den naam van Gregorius VII, paus werd. Verontwaardigd over de verbastering en vernedering der kerk, vertrouwend op de regtmatigheid der zaak, stelde hij zich onverschrokken tegenover het algemeen zedenbederf en het keizerlijk bewind. Met bewonderenswaardige volharding en zonder zich door de geweldenarijen van den keizer Hendrik IV en zijn magtigen aanhang te laten ontzetten, eischte hij dat aan de overheersching van het wereldlijk gezag en aan den koop en verkoop van kerkelijke bedieningen (simonie) een einde zou worden gemaakt. Maar hij ging verder en te ver, toen hij, om de geestelijken uitsluitend aan de dienst der kerk te verbinden, hun het huwelijk verbood (1 Tim. 4, 3); of, toen hij, niet voldaan met de onafhankelijkheid der kerk, de regten der overheid bestreed, zich als stedehouder Gods, ook in den kring van het wereldlijk bewind, boven alle magthebbers der aarde verhief en zich, dientengevolge, bevoegd achtte om, door plegtigen ban,

zelfs den keizer het gezag te ontnemen en de onderdanen van eed en trouw te ontslaan.

De veelomvattende strijd werd door dezen paus slechts begonnen. Zijne opvolgers beijverden zich ter voortzetting van een ontwerp waarvan hun, in zeker opzigt, ook het



1088‑1097241 behoud der kerk afhankelijk scheen. Sommigen, Urbanus II, Alexander III, vooral Inno‑

1159‑1181 centius III, spreidden daarbij eene sluwheid, kracht en onwrikbaarheid ten toon, die niet

1198‑1216 vruchteloos zijn geweest. Ook de weerstand was langdurig en geweldig; Italië en Duitschland werden door de worstelingen van pausgezinden en keizerlijken (Guelfen en Gibelijnen) verscheurd; maar eindelijk toch had, ten gevolge der bijgeloovige onkunde en ook der zedeloosheid van vorsten en volken, de vrees voor den somtijds regtmatigen en doorgaans alvermogenden kerkban een onbedwingbare kracht. Het huis der Hohenstauffen in Duitschland, de koningen van Frankrijk en Engeland (bijvoorbeeld Filippus Augustus en Hendrik II) ondervonden dat elke zetel, tegenover pauselijke aanranding, waggelend stond. Christus, dit scheen nu uitgemaakt te zijn, heeft een geestelijk en een wereldlijk zwaard, het eene moet door de kerk, het ander, onder haar leiding, door vorsten en krijgslieden ten haren behoeve worden gebruikt. Het onregt werd nu grooter naarmate de magt meer onbeperkt werd. Zoo werd de waarheid miskend dat, naar de Schrift, de overheid niet der pausen, maar Gods dienares is.242 Tegelijkertijd was de meerderheid van den paus over de bisschoppen in oppermagt en alleenheersching over de gansche kerk en geestelijkheid verkeerd; men scheen ook vergeten te hebben dat er slechts één overste herder is, die in de opzieners der kudde Gods geen heerschappijvoerders over het erfdeel des Heeren, maar voorbeelden der kudde bekleed met ootmoedigheid, verlangt (1 Petrus 5, 3243).

Midden onder het toenemend geloofsverval en de woelingen van geestelijke en wereldlijke magt, waren er steeds getuigen der geregtigheid die in Christus Jezus is. De bijbel mogt door overleveringen worden verdrongen, in de valleijen van Piëmont bleven de Waldenzen aan Gods Woord als eenigen rigtsnoer van geloof en wandel gehecht. De zaligmakende leer der zondenvergeving mogt door velerlei wanbegrippen, ook omtrent



1033‑1099 den persoon en het werk des Zaligmakers, verduistering ondergaan, Anselmus, de geleerde en vrome bisschop van Canterbury, wees op den waarachtigen God en mensch, door wiens schuldvoldoenend offer voor een iegelijk die gelooft, algenoegzame geregtigheid aangebragt is. Priesters en monnikken mogten reeds op vele plaatsen voorgangers zijn in het kwaad met schaamteloosheid of huichelarij, de Heer deed ook evangelieverkondigers

1090‑1153 opstaan als een Bernardus, abt van Clairvaux, door wie telkens tegen den afval geprotesteerd, telkens hervorming beproefd en in sommige opzigten doorgezet werd, en wier leven de treffendste blijken van geloofsijver en zelfverloochening droeg.

1096‑1291 Gewigtig zijn, ook ter vestiging van het pauselijk gezag, de zeven kruistogten geweest. De eenheid van het rijk der Mahomedanen of Saracenen was niet lang tegen inwendige twisten en tegen de eerzucht van bijkans onafhankelijke landvoogden en veldheeren bestand. Het had zich in verschillende rijken ontbonden waar de geest van krijgvoeren en overheerschen door de zucht naar ongestoord levensgenot, de ingenomenheid met wetenschap en kunst, de begeerte naar die volheid van oostersche pracht, overdaad, weelderigheid en luister, waardoor de rijkszetel, zoowel van Cordua in Spanje, als in Syrië van Bagdad en Damascus, heeft geschitterd, zeer aanmerkelijk getemperd en bekoeld was. Paal en perk was aan hunne veroveringen gesteld; maar, zoo begreep men nu, er moest meer worden gedaan. Zij beheerschten, welk een gruwel! het Heilige land. Verontwaardiging ontgloeide bij de herinnering der mishandelingen welke door de pelgrims naar het Heilige graf werden verduurd. Dit mogt door geen christen worden geduld. Palestina moest bevrijd worden van der ongeloovigen geweld. Peter de Kluizenaar244, vandaar wedergekeerd, hing met gloeijende verwen een tafereel der onwaardige bejegeningen op. Straks werd, uit naam der pausen, vorst en onderdaan, met belofte van zondenaflaat, opgeroepen tot den Gode welbehagelijken krijg. Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, tot hoofd gekozen en van Jeruzalem meester geworden, wilde geen koningskroon dragen, waar zijn Heer en Zaligmaker eene doornenkroon getorscht had.

Geene ligte zaak was het de aldus ontwrongen prooi te behouden. Afwisselend was de voorspoed der wapenen. Bijgeloovige geestdrift, eer‑ en baatzucht, verlangen naar onbekende gewesten, begeerte om de ellende van eigen land en huis te ontwijken, dreven, ook na velerlei tegenspoed en teleurstelling, gedurig opnieuw tallooze scharen naar den krijg. In het Grieksche rijk dat, sedert lang in verval, door den doortogt en het verblijf der kruisvaarders veel had te lijden, was het somtijds, gelijk men het in oosterschen stijl uitdrukte, alsof geheel Europa van zijne grondvesten opgenomen, naar Azië werd overgebragt. Magtige vorsten, grootendeels om den nog magtiger paus te gehoorzamen of te believen, streden aan de spits hunner onderdanen en vasallen. Zo bijvoorbeeld de koningen van Engeland en Frankrijk (Richard Leeuwenhart en Filippus Augustus) en de keizer Frederik Barbarossa. Ook geestelijke ridderorden werden gevormd: de ridders van Sint Jan, van de tempelieren en anderen, wier zwaard in naam aan God, bij velen inderdaad aan eigenbaat, begeerlijkheid des vleesches en der oogen en grootschheid des levens gewijd was.



Bij de kruistogten tegen de Saracenen werden, helaas! kruistogten ook tegen christenen gevoegd. De leer der kerk was op velerlei wijs bedorven en die bedorven en valsche leer werd voortaan gehandhaafd met geweld. Afwijking werd als misdaad gestraft. Elk overblijfsel van zuiver evangelisch geloof moest dus het voorwerp zijn van een, waar het noodig was, te vuur en te zwaard ten uitvoer gelegden kerkelijken ban. Zoo ging men met de Waldenzen te werk; zoo met de Albigenzen in het zuiden van Frankrijk woonachtig en tegen wie, onder de kruisvaan, een twintigjarige oorlog gevoerd werd, met vernieling en ontvolking dezer vruchtbare streken die herschapen werden in een woestijn. Geen vrouwen of grijsaards of kinderen werden gespaard. Nog meer. De regtbank der inquisitie werd door den paus opgerigt; bevoegd om, op het geringste vermoeden van ketterij, ook op geheime aanklagt, een iegelijk gevangen te nemen, door de uitgezochtste folteringen tot bekentenis te brengen en daarna ter dood over te geven aan de wereldlijke magt omdat, zeide men, de kerk zelve afkeer van bloed heeft.245

Twee eeuwen werden, onder de oppermagt van Rome, de oorlogskrachten der christenheid aan de worsteling tegen de ongeloovigen gewijd. Europa was in krijgsdienst getreden bij den paus. En welk is het einde dezer inspanning geweest? Heeft men Jeruzalem behouden? Neen: Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden totdat de tijden der heidenen vervuld en de volheid der heidenen zal ingegaan zijn (Luc. 21, 24 en Rom. 11, 25). Evenwel de kruistogten, ofschoon het hoofddoel niet bereikt werd, hebben gewigtige en daaronder heilrijke gevolgen gehad. De eenheid van het christelijk Europa werd door gemeenschappelijke bestrijding van het mahomedanisme gesterkt. Er was aldus krachtige afleiding voor onderlinge oorlogen en burgertwisten. Het vorstelijk gezag werd opgebeurd, ook door de afwezigheid van vele edelen wier onrustige roemzucht in het oosten bevrediging vond. Zoo men de Saracenen niet achteruit had gedreven, men had toch het voorwaarts streven belet.



De omgang met de Arabieren heeft, gelijk vroeger reeds in Spanje, zoo ook tijdens de kruistogten veel ter ontwikkeling van den riddergeest gewerkt. Evenals de Noormannen hadden ook zij, bij het afleggen hunner vroegere woestheid, den zin behouden en gekweekt voor al wat stout, edelmoedig, grootsch en avontuurlijk was. Die zin werd in de instelling der ridders openbaar. Voor godsdienst, liefde en trouw het leven te besteden en veil te hebben was hun eer en lust.246 Zij hadden een afkeer van al wat een zweem van laf‑ of laaghartigheid had. Om de schande te ontvlieden was hun de dood een genot. De luister van hunne wapenoefeningen en steekspelen was met fijnheid van manieren en ingenomenheid voor poezij en beschaving gepaard. Krachtig was de invloed dezer instelling om ruwheid te verzachten, onregt en geweldenarij tegen te gaan.

De staatsvormen begonnen meer regelmaat en vastheid te verkrijgen. De vorsten hadden, bij de miskenning hunner regten, steun gezocht en gevonden bij de bevolking. De vrijmaking der lijfeigenen was, op het voorbeeld der geestelijken, door hen ook uit staatsbeleid begunstigd. Zij hadden zich vereenigd, de bij elkander gelegen woningen met wallen en grachten omschanst; aan die steden waren gemeentelijke regten en vrijheden verleend; door handel en nijverheid waren zij opgekomen, magtig geworden en begonnen, ten behoeve hunner beschermheeren, een belangrijk gewigt tegen adel en geestelijkheid in de schaal te leggen. Aldus ontstond nevens deze twee ook de derde stand. De koningen werden opnieuw in hun uitsluitend regt van souvereiniteit en wetgeving erkend. Zij waren echter niet sterk genoeg om willekeurig te zijn. Wel vingen zij aan, als vorsten bij de gratie Gods, zich aan de overmagt der kerkvoogden te onttrekken, maar zij hadden aan de liefde en trouw der onderdanen behoefte, ook om de eisschen der geestelijkheid te wederstaan. Wel waren de opbrengsten van domeinen en kroonregten zeer groot, maar in buitengewone omstandigheden werd echter de vrijwillige hulp der landzaten vereischt; niet enkel het persoonlijk dienstbetoon van den adel, maar ook de geldelijke bijdragen der stedelingen vooral. Menigmaal moest de inwilliging door het wegnemen van grieven en bezwaren of door toekenning van voorregten (privilegiën) worden gekocht. Het vorstelijk gezag werd door de stendenvergaderingen en de verpligte naauwgezetheid omtrent de verkregene regten van bijzondere personen of corporatiën veelzins getemperd en beperkt.



Bij eenheid in menig opzigt was er onder de Europesche staten ook velerlei verschil. Er hadden zich, door eigenaardigheid van afkomst, taal, zeden, regering, onderscheidene nationaliteiten gevormd. In het noorden waren de rijken van Denemarken, Zweden en Noorwegen ontstaan. Duitschland, ofschoon het vele grootendeels zelfstandige vorstendommen bevatte, bleef echter een geheel onder keizerlijk opperbewind. Engeland werd, ondanks de beroeringen waaraan het doorgaans ten prooi was, onder de magtigste rijken geteld. Frankrijk niet minder, waar de schranderheid der vorsten over den tegenstand der edelen had getriumfeerd. Spanje werd stuksgewijs aan de Mooren ontwrongen; alleen Granada bleef in hunne magt, terwijl er een aantal christelijke monarchiën, daaronder die van Castilië en Aragon ontstond. In Italië was Napels en Sicilië een twistappel der Franschen en Duitschers; doch in het noordelijk gedeelte wisten de meeste steden zich te onttrekken aan des keizers gezag: Milaan, Florence, Pisa waren veelvermogende republieken; inzonderheid Genua en Venetië, die zich bijkans uitsluitend van den handel in de Middellandsche zee en in het oosten hadden meester gemaakt; wier kooplieden vorstelijke schatten en paleizen hadden en aan wie, om de gewigtige diensten in de kruistogten betoond, de heerschappij over uitgebreide landstreken en eilanden toegekend werd.

Het einde der kruistogten was voor Europa het begin van onwaardige verdeeldheid en krijg. Bijkans onafgebroken was ook vroeger reeds in de meeste landen de strijd van vorsten en steden tegen den adel geweest. De edelen waren doorgaans al te gereed om hun overmagt te misbruiken; naijverig op den vermeerderenden bloei der steden, waren zij in hunne kasteelen en burgten, dikwerf als in een soort van roofnesten, verschanst, vanwaar de nabuurschap bestookt en de handel der stedelingen werd belemmerd. Verbindtenissen ter onderlinge bescherming werden tegen die geweldenaars opgerigt, zooals het Rijnverbond en de insgelijks zeer magtige Hanze, waartoe Hamburg, Lubeck en vele andere steden hebben behoord. Doch nu geen algemeene kamp der christenheid tot terzijdestelling van eigen geschillen meer drong, werd de kiem ook van menigvuldige andere tweespalt niet meer verstikt. Een twijfelachtig erfregt was genoeg om oorlogen te ontsteken en factiën te scheppen, die door nationalen haat en partijwoede somtijds eeuwenlang werden gevoed. Zoo was het met den schrikkelijken krijg waarin de Fransche dynastie der Valois, na menige bloedige nederlaag (bij Poitiers, Crécy, Azincourt)247 geleden en een groot deel van het rijk door de Engelschen bezet gezien te hebben, ten laatste op het Britsche vorstenhuis de overhand behield. Zoo met den moorddadigen burgerkrijg der Hoekschen en Kabeljaauwschen, die 140 jaren248 in Nederland geduurd heeft. In Duitschland ontbrak het niet aan twisten, onderdrukking, geweld. Zwitserland

1308 scheurde zich af en vormde, aangevuurd door den moed van Tell en de zijnen, een afzonderlijk en vrij gemeenebest.

De pausen waren niet alvermogend, gelijk weleer. Veel had er plaats ter vermindering van hun gezag. De vorsten ontworstelden zich bijkans allen aan het juk van den



1305‑1378 Heiligen Stoel en gedurende 70 jaren was de paus, om tegen mededingers in veiligheid te zijn, van Rome te Avignon, onder Fransche bescherming, maar tevens onder Franschen invloed geraakt. Het gezag en de onfeilbaarheid, die men vroeger hem toegekend had, werden betwijfeld en betwist. Vele bisschoppen beweerden dat zij niet onder, maar nevens den paus, hun medebisschop, behoorden te staan. Groot bleef echter de pauselijke magt. Krachtigen steun had zij ook in de monnikkenorden; vooral in de dominikaners en franciscaners, bedelmonnikken genaamd, omdat zij geen onderhoud dan de aalmoezen der geloovigen hadden en wier invloed, door gestadigen omgang met de bevolking, veelvermogend was. Ook hadden de twisten met Rome weinig of geen betrekking tot den wortel van het kwaad. Het geloof was bijkans onbekend; de zedeloosheid ontzettend; en waar soms het evangelie van bekeering en heiligmaking te voorschijn trad, vervolging

1323‑1384 gewis. Wicleff en zijne aanhangers in Engeland waren het voorwerp van den ijverigen haat der geestelijkheid en dezelfde k[erk]vergadering welke te Constanz het op beteugeling der pauselijke willekeur gezet had, aarzelde niet den vromen Husz, wiens volgelingen in Bohemen door een schrikkelijken krijg verdelgd werden, om het getuigenis van Jezus

1415 Christus249 ten vure te doemen.

De vijftiende eeuw was overrijk in gebeurtenissen van ongemeen belang. Daaronder moet de val van het Grieksche keizerrijk worden geteld. Bij gestadige kwijning had het meer dan duizend jaren bestaan. Een raadsel dat in de zeer sterke ligging der hoofdstad, de kracht van een despotiek beheer, droevig redmiddel van een diep gezonken volk, en in de begunstiging der omstandigheden oplossing vindt. Geen zweem van energie, een schroomelijk bederf, een reeks van keizers zonder bekwaamheid of karakter, onophoudelijke twisten over godsdienst en wijsbegeerte, even kleingeestig en onbeduidend als hatelijk en fel. Sedert eeuwen had dit verachtelijke rijk den ondergang verdiend. Uit het verre Azië baande zich een woest en magtig volk, de Turken of Osmanen, naar het westen den weg. Reeds waren zij in Europa, toen een aanval der Mongolen onder Tamerlan250 hen terugriep. Weldra echter keerden zij magtiger terug; vermeesterden telkens een deel van des keizers gebied; bestookten hem zoowel ter zee als te land, omsingelden Constantinopel, veroverden het, en de vaan van Mahomet, wiens leer zij aangenomen hadden, werd allerwege op den Griekschen bodem geplant. Weldra werd de Middellandsche zee met hunne roofschepen vervuld en Hongarije en Duitschland door hunne tallooze ruiterscharen bedreigd.

Gelukkig dat juist aan die zijde in Duitschland eene krachtvolle mogendheid allengskens gevormd werd. Het huis van Oostenrijk aan hetwelk de keizerlijke titel, bij de regten en aanmatigingen van vorsten en keurvorsten niet veel wezenlijk gezag schonk, begon zich door landbezit en verstandig staatsbeleid te versterken. Doch er zou bovendien een snelle aanwinst van geheele rijken bij de erfbezittingen worden gevoegd. Bourgondië dat zich ook over de zoo bevolkte, door handel en rijkdom van magtige steden zoo gewigtige Nederlanden uitgebreid had, scheen, door de bekwaamheid en den moed zijner hertogen (Filips den Goede en Karel den Stoute) spoedig een' geduchten staat te zullen vormen. Maar èn dit rijk, èn geheel Spanje en Italië waren bestemd om, ten gevolge van huwelijksvereeniging, onder Oostenrijk eene magt te helpen vormen, waardoor Duitschland tegen Frankrijk aan den eenen, tegen de Turken aan den anderen kant zou worden beschermd. Gewigtige uitvindingen251 van zeer verschillenden aard hadden grooten invloed op de geheele inrigting der maatschappij. De bekendheid van het buskruid252, ten gevolge waarvan het gebruik van grof geschut en handgeweer ingevoerd en de waarde van persoonlijke kracht en dapperheid en sterke wapenrusting grootelijks werd verminderd om voor de overmagt van vuurwapenen en de berekeningen van taktische en strategische kennis te wijken, deed den glans tanen van adel en ridderschap, vermits nu ook het voetvolk, als hoofdmagt en kern der legers, de ridderruiters verving. Hierbij kwam dat de steden uit den bloem der burgerij schutterijen vormden, die weldra, als gewapende ligchamen, veel gewigt hadden, en dat de vorsten, na reeds lang krijgsbenden tijdelijk in soldij genomen te hebben, die, bij den vrede, dikwerf rooversbenden werden, allengskens staande legers verzamelden, zoodat de krijgsadel, wiens hulp tevoren onontbeerlijk was, als een bevoorregte militaire stand teniet ging. Niet minder belangrijk was de uitvinding der drukkunst te Haarlem, waardoor de snelle en algemeene verbreiding der gedachte, die tevoren, bij de omslagtigheid van het afschrijven zoo moeijelijk was, zoo gemakkelijk werd.

1498253 Nieuwe handelswegen werden ontdekt. De omzeiling der Kaap de Goede Hoop opende den toegang naar Oost‑Indië ter zee; dubbel welkom nu de gewone weg door de rooverijen der Turken werd belemmerd. De Portugezen streefden derwaarts en het gelukte hun binnen korten tijd in Indië een aantal bezittingen te verkrijgen, waardoor zij eene voorname plaats innamen onder de handeldrijvende volken. De magt van Genua en Venetië verkwijnde. In Azië had eene geheele ommekeer der handelsbetrekkingen plaats, ten gevolge waarvan ook Babylonië, hetgeen ten allen tijde door uitgebreid verkeer, ook onder allerlei lotwissel, bloeijend was geweest, nu door verwaarloozing en onbewoondheid tot een woestenij werd, ter volkomene vervulling van de woorden gesproken door den profeet: `de steden van Babel zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land waarin niemand woont' (Jer. 51, 43). Gewigtiger nog was de ontdekking van

1492 Amerika. Aan Columbus viel het te beurt zijne schrandere gissing en stoutmoedige onderneming door de meest verbazende uitkomsten bekroond te zien. De Spanjaarden, in wier dienst hij getreden was, maakten zich meester van vele eilanden en van landen als Mexico en Peru, rijk in goud en edelgesteenten. Een nieuw werelddeel kwam te voorschijn, waarin de onverzadelijkheid der Europeanen voedsel, maar geen bevrediging vond.

De christenheid intusschen was geen christenheid meer. De bijgeloovigheden en afgoderijen hadden zich vermenigvuldigd. Het evangelie was verdrongen, de zaligmakende genade Gods254 onbekend; de bijbel een ongelezen boek, een zeldzaamheid. Aanbidding der heiligen en der maagd Maria was algemeen. De hemel verkrijgbaar door goede werken; geen werken des ootmoedigen en dankbaren geloofs, maar zelfpijniging, bedevaarten, stichtingen en giften ten behoeve der kerk. Aflaat was te koop, ter uitdelging van misdrijven die men had bedreven, of die men voornemens was te begaan. De kern van geloofs‑ en zedeleer was de geestelijkheid te verrijken. De werken des satans en der duisternis255 waren algemeen. De priesters, die ze moesten bestraffen, namen er deel in. De pausen waren dikwerf voorbeelden in wangedrag en gruwel. Nergens was het erger dan in Rome gesteld. Bij velen, die beschaafder en geleerder dan anderen waren, was ongeloof en huichelarij. Het ketterdooden hield, waar zich een zweemsel van vrijmoedig geloof openbaarde, niet op. Wereldlijke en geestelijke magt, hoe ook somwijlen naijverig en verdeeld, vereenigden zich om de belijdenis der waarheid te verdrukken. Het christelijk Rome was in zedeloosheid en vervolgzieke en bloeddorstige godverzaking aan het heidensche Rome gelijk. De nacht was op aarde wedergekeerd, maar nu ook was het oogenblik daar dat andermaal de Zonne der geregtigheid256, in haar verlichtenden, reinigenden en vruchtbaarmakenden gloed doorbreken zou.
de hervorming
Niets zal voor den Heer te wonderlijk zijn.257 Sedert lang waren er voorloopers eener hervorming geweest, wier stem was gesmoord. Nu zou de blijde boodschap weder met kracht en zegen aan de volkeren gebragt worden. Sommiger harten werden geopend om de vermaning en bedreiging, de belofte en vertroosting der Schriften te verstaan. Zij leerden inzien dat de zondaar, geregtvaardigd zijnde uit den geloove, door onzen Heer Jezus Christus vrede bij God heeft (Rom. 5, 1). Zoo was het met Luther voor wien, nadat hij de genade Gods aan zijn eigen hart, na menigen strijd, had ondervonden, de schandelijke aflaathandel ondragelijk was. Predikers der geregtigheid alleen door het bloed des kruises werden overal gehoord; God stortte van Zijnen Geest uit258 en Zijn Woord keerde niet ledig tot Hem weer.259 Het wies260; menigte beide van mannen en vrouwen leerden Christus kennen, de kracht Gods en de wijsheid Gods.261 De regtvaardiging door het geloof alleen262 werd het steunpunt waarop de Reformatie gegrond werd.

Deze prediking was onvereenigbaar met de leer der verbasterde Roomsche kerk. Tot staving beriep men zich op de onfeilbaarheid en het onvoorwaardelijk gezag der Heilige Schrift. Op grond van een biddend onderzoek des bijbels werd tegen elk dwaalbegrip, tegen elke leering die tegen Gods gebod was, geprotesteerd. Weldra zag men dat bijkans ieder gebruik der kerk misbruik, bijna elke leering een leugenachtige voorstelling was. De onmisbaarheid van bekeering, wedergeboorte en heiligmaking, de ergerlijkheid van misoffer, beelden‑ en heiligendienst, het ongepaste der biecht, de overheersching van het pauselijk gezag werden nu duidelijk en openbaar. De Roomsche kerk werd des te meer tegen bijbellezing in het harnas gejaagd; maar wat zou haar verbod tegenover het bevel des Heeren vermogt hebben? Geen krachtiger wapen der geloovigen263 dan het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.264 Door ééne waarheid terug te vinden, vond men weldra den ganschen schakel der evangeliewaarheden terug. Door ééne dwaling aan te tasten werd men tot de bestrijding van elke dwaling geleid. Door de eenvoudige aanneming des geloofs vond men zich in gemeenschap met hen die vroeger door alle tijden heen, belijdenis der waarheid afgelegd en, ten koste ook van hun bloed, zich tegen de leugengeest en de verbastering der kerk hadden verklaard. Met verwerping der latere afwijking verkondigde men de apostolische leer, de leer der kerkvaderen, die altijd oud en nieuw is en in eeuwigheid blijft.

Onvermijdelijk was een tijdperk van martelaarschap. De Roomsche kerk nam nu overal de middelen waaraan zij sedert lang gewend was, te baat. De vorsten, voor zoover zij niet zelven tot het evangelie werden bekeerd, begrepen dat haar de sterke hand moest worden geleend. Wel was de overtuiging algemeen dat er eene verbetering in de zeden der geestelijkheid, te beginnen van den pauselijken zetel, vereischt werd, maar het prediken van Christus en zijne geregtigheid, waardoor zoo menige instelling zou vervallen en de innig met het staatswezen verbondene kerk geschokt werd, kon niet worden geduld. Dit was gevaarlijke overdrijving en dweeperij. De volharding der christenen bragt verbittering teweeg, zoodat naarmate zij vermenigvuldigden, ook vervolging en dwang heviger werd. Maar de gemeente des Heeren toonde zich ook nu tegen de ergste aanvallen der wereld, door geloof en lijdzaamheid, bestand. `Wandelende in de vreeze des Heeren en in de vertroostinge des Heiligen Geestes, werden zij vermenigvuldigd' (Hand. 9, 31).



Nuttig is de werking der Hervorming geweest ook op de Roomsche kerk. Zij begreep dat er buiten zelfverbetering geen middel tot zelfbehoud was. Men nam de Schrift, al was het om haar te bestrijden, in de hand. Eenige tucht en ingetogenheid keerde bij de geestelijken weêr. Verscheidene hoofdwaarheden, eeuwenlang begraven265, werden opnieuw openlijk als de grondslagen der zaligmakende waarheid erkend. Maar tevens werden

1545‑1563 de wanbegrippen van Rome grootendeels door de kerkvergadering van Trente gewettigd; zij sprak tegen de leer der vrije genade den banvloek uit, zoodat hetgeen vroeger afwijking en ontaarding geweest was, nu geloofsregel en kerkbelijdenis werd.

Geen vereeniging met Rome kon, na dezen stelligen afval, voor de protestantsche christenen bestaan. Twee strijdige rigtingen waren ten allen tijde in de kerk zigtbaar geweest: de eene waardoor de verheerlijking van Gods vrije genade en der menschen volslagen bederf op den voorgrond, de andere waarbij zij, met verheffing van des menschen vrijen wil en verdienstelijk werk, terzijde gesteld was. De Roomsche kerk had zich voor de laatste verklaard. De protestantsche kerken daarentegen kwamen in hunne geloofsbelijdenissen, hoe verschillend ook dikwerf in uitdrukking en vorm, allen ten aanzien zoowel der overige geloofswaarheden, als ook in het roemen van Gods ongehoorde266 barmhartigheid overeen. Hem die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden regtvaardigheid Gods in hem.267 De belijdenis der lippen werd met de belijdenis in het leven gepaard, want de Zone Gods heeft zich overgegeven om zichzelven een volk te reinigen ijverig in goede werken.268 Indien iemand zegt dat hij het geloof heeft en heeft de werken niet, kan dat geloof hem zalig maken? (Jac. 2, 14).

De Hervorming, waarbij allereerst het koningrijk Gods gezocht werd269, is even daarom overvloedig in allerlei zegeningen geweest. Haar grondslag was onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord en wet. Aldus heeft zij op het gebied van wetenschap en maatschappij den grondslag voor ware vrijheid en onderwerping gelegd. Vrijheid van de menschen om onderworpen aan aller menschen Opperheer te zijn. Vrijheid van alle menschelijke leerstelsels, niet om ze, met overgave aan hoogmoedigen eigenwaan, te verwerpen, maar om ze ootmoedig aan de openbaring ter toetse te brengen; vrijheid van menschelijk gezag, niet om zich eigenwillig te verzetten, maar om zich daarvoor enkel als voor Gods stedehouderes, om der conscientie wille, en onder voorbehoud der regten van de majesteit des Allerhoogsten te buigen. Vrijheid der souvereinen van alle rekenschap en verantwoordelijkheid aan de menschen, niet om verdrukkers der onderdanen, maar om dienaars enkel van den koning der koningen270 te zijn. Aldus is zij bevorderlijk geweest om den overmoed van vorsten, of priesters, of volkeren te bedwingen; om de middeleeuwsche duisternis, door het licht der christelijke beschaving meer dan door terugkeering tot Grieksche en Latijnsche geleerdheid, te verdrijven en om die volksverlichting teweeg te brengen, welke, bij de verkondiging van heil en vrede, steeds van volksverbetering onafscheidelijk was. Het was alsof gelijktijdig met de Hervorming voor Europa een nieuwe tijdorde begon.
De Hervorming
§ 91.271 God sprak: er zij licht en er was licht.272 Het evangelie werd weder op den kandelaar gesteld273; het oog geopend om Zijne heerlijkheid en de wonderen Zijner genade in Christus te aanschouwen. Luther (1483‑1546) leerde uit de Heilige Schrift de bedorvenheid van zijn eigen hart en den rijkdom van Gods barmhartigheden274 kennen; hij schroomde niet voor vorsten en overheden de waarheid te belijden: de regtvaardigheid door het geloof; de algenoegzaamheid van den Zaligmaker; het bederf eener kerk die sints lang zich aan verloochening des Heeren had schuldig gemaakt. Melanchthon (1497‑1560), Zwinglius, Calvijn (1509‑1564) zetten het begonnen werk voort. Geloof aan Gods Woord, gehoorzaamheid aan Gods wet, zonder voorwaarde, zonder uitzondering, is het beginsel der Hervorming geweest.
§ 94.275 Bijkans gelijktijdig met de Hervorming was de weg ter evangelieprediking aan de heidenen gebaand. De magt der christenen breidde zich over andere werelddeelen verbazend en spoedig uit. Het is zoo: schandelijk werd de gelegenheid verzuimd276; de pogingen der geloovigen somwijlen tegengewerkt; verderfelijk was het voorbeeld der christenen door wie hunne belijdenis onteerd werd en die niet schroomden, met herstel der slavernij, hunne medemenschen als lastdieren te misbruiken. Hier en daar echter werd het goede zaad gestrooid en onbekende landstreken waren voor den ijver van betere tijden toegankelijk gemaakt.
1   ...   24   25   26   27   28   29   30   31   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.