Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina30/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   ...   78
§ 123. De invloed der revolutiebegrippen heerscht nog in staat, kerk en maatschappij. De onuitvoerlijkheid der theoriën heeft tot meer beperkte toepassing, geenszins tot verwerping van den leugen en terugvinden van de waarheid geleid. Nog is de heerschappij der valsche leerstellingen krachtig genoeg om, op velerlei wijs, de ontwikkeling van echte vrijheid en vooral ook van evangelische waarheid te beletten. Teleurgesteld en moedeloos geworden, vertwijfelt men aan de wezenlijkheid van hetgeen men op dwaalwegen tevergeefs gezocht heeft; verblijd, al is het ook door willekeur, tegen wanorde en verwarring te worden beschermd.
§ 124. Bij de onverschilligheid voor hooger belangen, legt men des te grooteren ijver voor stoffelijk welvaren aan den dag. Allerwege tracht men aan nijverheid en handel bevorderlijk te zijn. Merkwaardige uitvindingen hebben de werktuigkunde tot eene vroeger ongekende hoogte gebragt. De stoomkracht heeft te land en te water wonderen gedaan en verwijderde natiën tot naburen gemaakt. Doch hoedanig zijn de gevolgen van deze voortgang in volmaking geweest? Overproductie, financiële ongelegenheid, verarming van den burgerstand, ellende der lagere volksklasse; een toestand waarin, bij het toenemen der bevolking en het afnemen der bronnen van bestaan, ook in het zweet des aanschijns295 het broodverdienen niet altijd mogelijk is.
§ 125. Droevig is de gesteldheid der christelijke kerk. De godverzaking en de terzijdestelling van Gods Woord was niet langdurig, noch algemeen; maar veel meer uitgebreid en duurzaam is de ontzenuwing van het evangelie door vermenging van menschelijke begrippen geweest. Ook waar neologie en rationalisme niet alle de waarheden des bijbels hebben weggeredeneerd, werd evenwel de hoofdzaak en de kern der Heilige Schrift als onwaar, of gevaarlijk, of overtollig beschouwd. Zoo is het nog in meer dan eene kerk door de hervormers op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, gebouwd.296
§ 126. De kerk van Rome, die somwijlen bijna vernietigd scheen, herleeft. Niet enkel het belang dergenen die de godsdienst waarderen als een steunsel der wereldlijke magt, ook afkeer van het ongeloof heeft haar, bij vasthouding aan enkele geloofswaarheden, nieuwe zegepraal ook over verbasterde protestantsche kerken bereid. Onveranderd is haar leer en doel en verkettering en dwang; onveranderd haar streven naar geestelijk en wereldlijk oppergezag. Alle middelen zijn haar wel; ook vereeniging met ongeloovigen en ondersteuning van rebellie, zoodra het de vestiging van haar heerschappij geldt.
§ 127. Waar ongeloof en bijgeloof zooveel magt heeft, kan ten aanzien der verbetering van de volkszeden weinig worden verwacht. Het gif van evangeliebestrijding en zedeloosheid is, onder menigerlei verleidelijken vorm, in boeken en nieuwsbladen verspreid. De vruchten zijn niet achtergebleven en schrikbarend is, in de meeste landen, de vermeerdering der wanbedrijven en het algemeen‑worden der verbastering geweest.
§ 128. De Heer liet Zich echter nooit onbetuigd.297 Treffend was, ook in de meest duistere tijden, Zijne tusschenkomst tot handhaving van Zijne kerk. Als dorre orthodoxie de overhand kreeg, wekte hij in Duitschland een Spener en Franke298, in Engeland een Wesley en Whit[e]field299; mannen door wie, gelijk door een Zinzendorff, die de Hernhutsche Broedergemeente gesticht heeft, eigen geloofsleven en zielegloed aan vele duizenden medegedeeld werd. Als het evangelie in Europa door de wereldwijzen en de magthebbers der eeuw miskend en verzaakt werd, werd bijbel‑ en zendelinggenootschap gesticht om den onvervalschten inhoud der Heilige Schrift en de zuivere prediking der waarheid naar alle landen der wereld te kunnen brengen.
§ 129. Ook de laatste tijden kunnen getuigenis dragen omtrent de onveranderlijkheid van Gods trouw. Hoe algemeen de afval, hoe heftig de tegenstand moge zijn, overal wordt opwekking en verlevendiging bespeurd300; met veel zwakheid en ellende gepaard, het is zoo; maar krachtig en heerlijk evenwel door het eenstemmig getuigenis dat, gelijk in de dagen der Reformatie, zoo ook nu gegeven wordt, in Europa niet alleen, maar overal waar evangelische kerken geplant zijn, aan de groote waarheid dat Gods eigen zoon, onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, God geopenbaard in het vleesch301, zijne ziel tot een schuldoffer voor verlorene zondaars hebbende gesteld302, voor de uitverkorenen des Vaders den Geest der wedergeboorte en der heiligmaking303 en het eeuwige leven verwerft.
§ 130. Merkwaardig zijn de teekenen des tijds. De vrede en rust zijn bedriegelijk, zoolang zij op geen regt en billijkheid gebouwd zijn. Men heeft van oorlogen en geruchten van oorlogen gehoord. Er zijn hongersnooden en pestilentiën en aardbevingen in verscheidene plaatsen geweest. Vele valsche profeten zijn opgestaan en hebben er velen verleid. De ongeregtigheid is vermenigvuldigd en de liefde van velen verkoeld. Weldra schijnt men te kunnen zeggen dat het evangelie in de geheele wereld gepredikt is geworden.304 Indië wordt sedert lang van zendelingen doorkruist, ook naar China is de toegang voor het evangelie gebaand. Het Turksche rijk wordt ternaauwernood, door de mogendheden uit eigenbelang, staande gehouden; de glans der halve maan heeft uit. De Israëliten beginnen305 te vragen naar Jeruzalem alsof de tijd genaakte waarop de Verlosser uit Sion komen en de godloosheden van Jakob afwenden zal (Rom. 11, 26).
§ 131. Heere zult Gij in dezen tijd het koningrijk aan Israël wederoprigten? Het komt u niet toe, sprak de Heer, te weten de tijden of de gelegenheden die de Vader in Zijne eigene magt gesteld heeft.306 Eén dag is bij den Heer als duizend jaren en duizend jaren als één dag. De Heer vertraagt de belofte niet, maar is langmoedig voor ons; maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welken de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden; maar wij verwachten, naar Zijne belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke geregtigheid woont (2 Petr. 3, 8‑13307).

------
Noten bij no. 57. Kort overzigt etc.



1 

ARA, G.v.P., no. 38 (De Vries no. 48), eigenhandig ontwerp. Op de omslag: `Begin van een Kort overzigt der algemeene geschiedenis.' Cf. Briefw. II, 421, 7.



2 

Cf. Gen. 1, 1.



3 

Cf. Gen. 1, 3.



4 

Cf. Gen. 1, 14.



5 

Cf. Gen. 15, 5.



6 

Cf. Ps. 19, 2.



7 

Cf. Ex. 20, 11.



8 

Cf. Ps. 104, 12.



9 

Hs. abusievelijk: `104, 24.'



10 

Cf. Gen. 2, 7.



11 

Cf. Gen. 1, 27.



12 

Cf. Gen. 2, 20.



13 

Cf. Gen. 1, 28.



14 

Cf. Jud. 6.



15 

Cf. Gen. 2, 17.



16 

Cf. Gen. 3, 4‑5.



17 

Cf. Rom. 6, 23.



18 

Cf. Gen. 3, 17.



19 

Cf. Gen. 3, 18.



20 

Cf. Job 18, 14.



21 

Cf. Joël 2, 13; Jona 4, 2.



22 

Cf. Ef. 1. 10.



23 

Cf. Heidelb. Catech. Zondag 14, antwoord 35; Ned. Geloofsbelijdenis, art. 18.



24 

Cf. Filipp. 2, 7.



25 

Cf. Matth. 20, 28.



26 

Cf. Tit. 2, 14.



27 

Cf. Gen. 3, 15.



28 

Cf. Joh. 3, 15‑16.



29 

Cf. 1 Joh. 4, 19.



30 

Cf. 2 Kor. 4, 17.



31 

Cf. Rom. 8, 19.



32 

Cf. Heidelb. Catech. Zondag 16, antwoord 42.



33 

Cf. 1 Joh. 5, 19.



34 

Cf. Matth. 16, 18.



35 

Cf. 1 Petr. 3, 20; 2 Petr. 3, 9 en 15.



36 

Cf. Matth. 25, 46.



37 

Cf. 2 Petr. 3, 13.



38 

Hierna volgen zes doorgestreepte paragrafen (§ 12‑17). De afwijkingen van de hier afgedrukte tekst zijn van weinig belang.



39 

Cf. Gen. 4, 26.



40 

Cf. Gen. 6, 4‑6.



41 

Cf. Luk. 17, 27‑29.



42 

Cf. Gen. 7, 11‑12.



43 

Cf. Gen. 7, 17‑23.



44 

Cf. Ps. 90, 10.



45 

Cf. Gen. 9, 1.



46 

Cf. Gen. 9, 13‑15.



47 

Cf. Gen. 8, 21.



48 

misdaad.


49 

Cf. Gen. 11, 1‑9.



50 

Cf. Rom. 1, 25.



51 

Cf. Rom. 1, 28.



52 

Cf. Joël 2, 13; Jona 4, 2.



53 

Cf. Gen. 12, 1‑3.



54 

Cf. Gen. 15, 6.



55 

Cf. Ex. 3, 8.



56 

Cf. Gen. 48, 4.



57 

Cf. Ps. 48, 3.



58 

Cf. Ex. 14, 28.



59 

Cf. Ex. 13, 21.



60 

Cf. Ex. 16, 4.



61 

Cf. Ex. 17, 6.



62 

Cf. Joz. 5, 1.



63 

Cf. Joz. 6, 20.



64 

Cf. Richt. 7, 7.



65 

Cf. Richt. 15, 15.



66 

Cf. 1 Sam. 14, 13.



67 

Cf. Ex. 14, 14.



68 

Cf. Ex. 14, 27.



69 

Cf. 2 Kon. 19, 35.



70 

Cf. Gal. 3, 13.



71 

Cf. Joh. 1, 29.



72 

Cf. Luk. 16, 29.



73 

Cf. Openb. 19, 10.



74 

Cf. Hebr. 4, 14.



75 

Sic! Men zou `voorspellingen' verwachten.



76 

Cf. Hand. 7, 51.



77 

Cf.Num. 14, 27.



78 

Cf. Jes. 37, 19; 44, 15; Ezech. 20, 32.



79 

Cf. Ezech. 22, 7.



80 

Cf. Matth. 21, 35; 23, 37.



81 

Cf. Hebr. 4, 2.



82 

Cf. Num. 32, 13.



83 

Cf. Ezech. 6, 12; 7, 15.



84 

Cf. Jer. 26, 18; Micha 3, 12.



85 

Cf. Rom. 11, 5.



86 

Cf. 1 Kon. 19, 18.



87 

Cf. Ps. 119, 47‑48.



88 

Cf. Ps. 119, 50.



89 

Cf. Hebr. 11, 13‑16.



90 

Cf. Hand. 14, 17.



91 

Marginale aant. van Groen: `Ook waren hunne lotgevallen aan die van het Isr[aëlitische] v[olk] ondergeschikt.'



92 

Cf. Rom. 1, 23.



93 

Cf. Hand. 17, 23.



94 

Cf. Gen. 10, 8‑9.



95 

Cf. Hand. 7, 43.



96 

Cf. Herodotus II, 5.



97 

Dit woord is weggevallen, toen Groen de oorspronkelijke versie: `(De priesters) waren magtig en wijs boven allen. Door hun invloed werd het gezag etc.' doorstreepte.



98 

Cf. Hand. 7, 22.



99 

Oorspronkelijke lezing: `zelfs de verachtelijkste gedierten.'



100 

Hs. abusievelijk 14, 19.



101 

Cf. Jes. 47, 7.



102 

Hs. abusievelijk: `verrastte'.



103 

Misschien moet gelezen worden: vs. 2‑3.



104 

Cf. Jes. 45, 1.



105 

Cf. Jes. 45, 2.



106 

Cf. Hand. 17, 24.



107 

Cf. Herodotus VII, 103‑104; Zwaan, G.v.P., p. 75 n. 95; Maier, Griechische Freiheit, p. 223‑228.



108 

Hs. beschadigd.



109 

Hs. beschadigd.



110 

Varia lectio: `In de voortreffelijkste bewondert men bij vrijheid nijverigheid, eenvoud en verhevenheid, bevalligheid zonder praalzucht, natuur en kunst.'



111 

Dit scherpe oordeel was reeds in 1806 door Arndt uitgesproken. Zie Gawantka, Die sogenannte Polis, p. 197/8 over `E.M. Arndts Angriff auf `die griechische Freiheit' v. J. 1806.'



112 

Sic. Cf. Inleiding p. XIII.



113 

Cf. Hand. 17, 23.



114 

Cf. Rom. 1, 22.



115 

Groen staat hier onder invloed van C. Meiners, in wiens werken over het verval van Griekenland en Rome het woord `Sittenverderbnisz' regelmatig voorkomt; cf. Geschichte des Luxus, p. 8; 13; 19; Geschichte des Verfalls, p. 1‑45; 238.



116 

In het hs. is abusievelijk `dat' blijven staan na de vervanging van `het zeewezen' door `haar vloot.'



117 

Gezien de datering in margine moet Ptolemaeus V Epiphanes bedoeld zijn. Groen volgt hier Heeren, Handbuch der Geschichte der Staaten des Alterthums, 4. Aufl., p. 305/6. De datering van deze voogdij is problematisch. Zie Pauly‑Wissowa, Real‑Encyclopädie XXIII, 2 s.v.



118 

Hs. beschadigd.



119 

De schets van het Romeinse rijk is sterk beïnvloed door Chateaubriand. Cf. Etudes (1831) III, 49 over `L' instinct de la cruauté romaine.' Ook door Meiners, Geschichte des Verfalls. Zie b.v. p. 225: `Harte und Grausamkeit waren stets ein Hauptzug in dem Charakter des Römischen Volkes . . .'



120 

Cf. Luk. 16, 29.



121 

Cf. Hebr. 4, 2.



122 

Cf. Matth. 15, 3‑6.



123 

Cf. Jes. 29, 13; Matth. 15, 8; Mark. 7, 6.



124 

Cf. Matth. 16, 3.



125 

Cf. Job 10, 21; 34, 22; Jes. 9, 1.



126 

Cf. Matth. 1, 21‑23.



127 

Cf. Luk. 2, 8‑14.



128 

Cf. Matth. 4, 17.



129 

Cf. Matth. 8, 20.



130 

Cf. Luk. 8, 3.



131 

Cf. Hand. 10, 38.



132 

Cf. Matth. 7, 29.



133 

Cf. Matth. 9, 2 en 22.



134 

Cf. Matth. 11, 5.



135 

Cf. Matth. 8, 27.



136 

Cf. Joh. 10, 30.



137 

Cf. Joh. 14, 9.



138 

Cf. Matth. 3, 17; Luk. 9, 35.



139 

Cf. Joh. 1, 29.



140 

Cf. Jes. 53, 7.



141 

Cf. Matth. 20, 28.



142 

Cf. Joh. 10, 18.



143 

Cf. Joh. 10, 11.



144 

Cf. Joh. 3, 14/5.



145 

Cf. Luk. 24, 26.



146 

Cf. Hand. 2, 24; 3, 15.



147 

Cf. Rom. 1, 4.



148 

Cf. Hand. 1, 9‑11.



149 

Cf. Mark. 16, 15.



150 

Cf. Matth. 28, 19.



151 

Cf. Matth. 28, 18 en 20.



152 

Cf. Hand. 1, 8.



153 

Cf. Hebr. 1, 1.



154 

Cf. 2 Tim. 1, 10.



155 

Cf. Hebr. 4, 16.



156 

Cf. 1 Tim. 2, 5.



157 

Cf. Hebr. passim; Heidelb. Catech. Zondag 12, antwoord 31.



158 

Cf. Hand. 10, 34.



159 

Cf. Ef. 2, 14.



160 

Cf. Ef. 2, 20; 1 Petr. 2, 6.



161 

Cf. Openb. 7, 9.



162 

Cf. 1 Petr. 2, 5.



163 

Cf. Jes. 29, 13; Matth. 15, 8; Mark. 7, 6.



164 

Cf. Matth. 7, 21.



165 

Cf. Jes. 9, 5.



166 

Cf. Math. 10, 34.



167 

Cf. 1 Joh. 5, 19.



168 

Cf. Ef. 6, 12.



169 

Cf. 1 Petr. 5, 8.



170 

Cf. 2 Kor. 4, 4.



171 

Cf. Ef. 6, 11 en 13.



172 

Cf. Rom. 12, 21.



173 

Cf. Ef. 6, 17.



174 

Cf. Matth. 16, 18.



175 

Cf. 1 Tim. 3, 16.



176 

Cf. 1 Petr. 2, 24.



177 

Cf. Ef. 1, 7.



178 

Cf. Joh. 3, 3‑5.



179 

Cf. 2 Kor. 5, 10.



180 

Cf. Jak. 4,7.



181 

Cf. Ef. 6, 10.



182 

Cf. Joh. 16, 33.



183 

Cf. Luk. 12, 33.



184 

Cf. Rom. 11, 5.



185 

Cf. Gal. 6, 16.



186 

Cf. Dan. 4, 3.



187 

Cf. Dan. 2, 44.



188 

Cf. Joh. 18, 36.



189 

Cf. Matth. 13, 31.



190 

Cf. Joh. 1, 14.



191 

Cf. Matth. 16, 16.



192 

Cf. 2 Kor. 5, 21.



193 

Cf. Joh. 19, 28.



194 

Cf. Hand. 3, 15; 17, 31.



195 

Cf. Hebr. 10, 12.



196 

Cf. Rom. 11, 25.



197 

Cf. Rom. 11, 17‑21.



198 

Cf. Matth. 23, 37.



199 

Cf. Matth. 23, 32.



200 

Cf. Matth. 24, 2.



201 

Cf. Rom. 11, 28/9.



202 

Het volk als geheel of het lagere volk.



203 

Cf. Joh. 3, 19.



204 

Cf. Luk. 13, 3‑5; Joh. 8, 21‑24.



205 

Cf. Lev. 19, 2; 1 Petr. 1, 15.



206 

Cf. Ef. 5, 11.



207 

Cf. Hand. 17, 24 en 29.



208 

Cf. Hand. 14, 15.



209 

Cf. 1 Joh. 5, 21.



210 

Cf. Rom. 13, 1.



211 

Cf. Hand. 4, 19.



212 

Cf. Joh. 17, 3.



213 

Cf. 1 Kor. 2, 2.



214 

Cf. 1 Kor. 3, 18.



215 

Cf. Joh. 16, 2.



216 

Cf. Gal. 5, 22.



217 

Cf. Filipp. 2, 17.



218 

Cf. Hand. 5, 38.



219 

Cf. Openb. 2, 10.



220 

Cf. Ps. 116, 10; 2 Kor. 4, 13.



221 

Versta: om de vraag te doen rijzen.



222 

Cf. Hand. 20, 30.



223 

Cf. Rom. 9, 5.



224 

Cf. Heidelb. Catech. Zondag 5,vraag en antwoord 13.



225 

Cf. Zach. 4, 6.



226 

Cf. vs. 4‑13.



227 

Cf. Jes. 45, 22.



228 

Cf. Chateaubriand, Etudes (1831) III, 100; 424.



229 

Versta: zij het c.q. ofschoon.



230 

Cf. Hand. 15, 25/6.



231 

Cf. Kol. 1, 20.



232 

Cf. 1 Petr. 2, 16.



233 

Hs. abusievelijk: `16, 22'.



234 

Cf. Job 38, 11.



235 

Leo III.


236 

Lotharius I, zoon van Lodewijk I de Vrome.



237 

Verdrag van Verdun (843).



238 

Toespeling op Hand. 17, 30?



239 

Cf. 1 Tim. 6, 3.



240 

Cf. Rom. 12, 2.



241 

Sic! Urbanus II was paus 1088‑1099.



242 

Cf. Rom. 13, 4.



243 

Zie ook vs. 4 en 5.



244 

Petrus van Amiens.



245 

Toespeling op de spreuk: Ecclesia non sitit sanguinem; cf. Nederlander no. 259 en 693 (2 mei 1851 en 29 sept. 1852); Bijdrage voor kerkgemeentelijk overleg, p. 21; Rutgers van Rozenburg, Dissertatio.



246 

Marginale aant. van Groen: `Hoogste krijgsmanseer zwakken te beschermen.'



247 

Zie n. 25 van no. 40.



248 

Cf. Handboek, p. 27.



249 

Cf. Openb. 1, 9.



250 

Franse naam voor Timoer Lenk (1369‑1405).



251 

Marginale aant. van Groen: `kompas'.



252 

De gewone spelling bij Groen; cf. Kort overzigt, p. 57; 62; 90.



253 

Bartholomeu Diaz voer in 1488 om deze kaap.



254 

Cf. Tit. 2, 11.



255 

Cf. Rom. 13, 12; Ef. 5, 11.



256 

Cf. Mal. 4, 2; Zwaan, G.v.P., p. 37.



257 

Cf. Gen. 18, 14.



258 

Cf. Hand. 2, 17.



259 

Cf. Jes. 55, 11.



260 

Cf. Hand. 6, 7; 12, 24.



261 

Cf. 1 Kor. 1, 24.



262 

Cf. Rom. 1, 17.



263 

Het hierop volgende woord `was' is in het hs. blijven staan, nadat Groen de oorspronkelijke versie (`Spoedig begreep men dat er geen 'etc.) geschrapt had.



264 

Cf. Ef. 6, 17.



265 

De oorspronkelijke lezing (`die eeuwenlang althans voor het oog des volks onder geprevel en kerkgebaar begraven waren geweest') is geschrapt, waarbij `die' over het hoofd is gezien.



266 

Hs.: `ongehoorden'.



267 

Cf. 2 Kor. 5, 21.



268 

Cf. Tit. 2, 14.



269 

Cf. Matth. 6, 33.



270 

Cf. 1 Tim. 6, 15.



271 

Na 11 c.q. 17 (zie p. 25 n. 38) keert pas hier weer de nummering van paragrafen terug.



272 

Zie n. 3 en Kort overzigt, p. 19.



273 

Cf. Mark. 4, 21.



274 

Cf. Rom. 2, 4; Ef. 2, 4.



275 

§ 92 en § 93 zijn doorgestreept. De inhoud stemt overeen met de vóór § 91 aan de Hervorming gewijde inleiding. De tekst is gepubliceerd in Zwaan, G.v.P. over de Hervorming, p. 23. In n. 7 leze men aldaar `Prot[estanten]' i.p.v. `Prot[esten]' en `voor de T.' i.p.v. `door de T.'



276 

Marginale aant. van Groen: `wreedheid en bijgeloof.' Enkele andere aantekeningen zijn onleesbaar of onbegrijpelijk.



277 

Cf. Hand, 5, 29; 1 Petr. 2, 13.



278 

Cf. 2 Tim. 4, 2.



279 

Cf. Jes. 53, 7; Hand. 8, 32.



280 

Hendrik II; cf. Kort overzigt, p. 28; Handboek, p. 73.



281 

Marginale aant. van Groen: `Hand. 4, 26. Alva.' Dezelfde bijbeltekst aangehaald in Kort overzigt, p. 29.



282 

Karel IX.



283 

Waarschijnlijk zijn Gustaaf I Wasa en Christiaan III bedoeld.



284 

Marginale aant. van Groen: `taal‑ en letterkunde.'



285 

Karel I werd in 1649 onthoofd.



286 

Karel II.



287 

Geen lacune. De nummering der paragrafen is foutief.



288 

Karel II.



289 

Frederik III van Brandenburg, sinds 1701 Frederik I van Pruisen.



290 

Cf. Spr. 1, 7.



291 

Dood lichaam (Van Dale).



292 

Marie Antoinette.



293 

Respectievelijk Lodewijk Napoleon (1806), Jozef (1806), Jérôme (1807) en Jozef (1808).



294 

Cf. Luk. 6, 44; Nederlander no. 801 (4 febr. 1853); Adviezen 1856/7 I, 18; Groen's reis naar Parijs, p. 88; Verspreide geschriften I, 254.



295 

Cf. Gen. 3,19.



296 

Cf. Ef. 2, 20.



297 

Cf. Hand. 14, 17.



298 

A. H. Francke; cf. Ong. en rev., p. 175; idem, 2e dr., p. 162.



299 

Zie voor de spelling behalve de in de voorgaande noot genoemde plaatsen Beschouwingen, 2e dr., p. 31; Handboek, p. 490.



300 

Marginale aant. van Groen: `de wetenschap buigt zich voor Gods Woord.'



301 

Cf. 1 Tim. 3, 16.



302 

Cf. Jes. 53, 10.



303 

Cf. 1 Petr. 1,2‑3.



304 

Cf. Matth. 24, 6‑14.



305 

? Hs. beschadigd.



306 

Cf. Hand. 1, 6‑7.



307 

Hs. abusievelijk: `17‑18.'


58 Over de oprigting van een christelijke school te Nijmegen. 1843.1

Nijmegen.



September 1842. Verzoek om oprigting van eene vervolgschool der christelijke bewaarschool.

11 november. Afwijzing door het stedelijk bestuur, wegens artikel 28 van het reglement2, en omdat de christelijke bewaarschool niet was geautoriseerd (wel eene bewaarschool voor kinderen van twee tot zes jaren van niet bedeelde en toch behoeftige protestanten).

Appel aan de Gedeputeerde Staten 11 december.3 Artikel 28 zoo letterlijk opgevat, ongerijmd. Ook veel ruimer interpretatie voor de Maatschappij van 't nut van 't algemeen, diaconiescholen enz. Te Nijmegen wel 1000 kinderen, die geen onderwijs genieten. De vraag welke kinderen, is van latere zorg. Zij willen, desnoods, eene lijst van inteekenaars overleggen.

14 februarij 1843. Nader request ter ondersteuning van het vorige. Zij hebben het regt de kinderen op te nemen die zij willen. Artikel 28 geldt alleen van diaconiën, godshuizen, maatschappijen, gestichten. Geheel subsidiaire aanbieding om eene lijst over te leggen van inteekenaars, tegen betaling eener contributie, die tevens voor schoolgeld zal dienen. Christelijk onderwijs. De bijbel is niet geweerd, maar aanbevolen in 1810 door V[an] d[en] Ende.4 Een christ[elijk] gebed is voorgeschreven5; ook opleiding tot christelijke deugden.6 Zoo men leerstellig onderzoek7 vreest, is dit een reden tot toezigt.

18 maart [1843]. Van de hand gewezen door Gedeputeerde Staten, zooals het is liggende.8 Tweede request aan de stedelijke regering. Verzoek eenvoudig ter oprigting van eene bijzondere school der eerste klasse, op grond van artikel 3 der wet van 3 april 18069 en van het Koninklijk Besluit van 27 mei 1830.10

9 mei 1843. Afwijzing: omdat het aan kenmerkende toelichting ontbreekt, en dus het karakter der school niet kan getoetst worden aan de wet.

29 mei [1843]. Appel aan de Gedeputeerde Staten.11 Afwijzing waarschijnlijk gegrond op artikel 1 van Besluit van 27 mei 1830. Doch de inlichtingen zijn niet gevraagd; noch bij henzelven, noch elders. Het doel is het geven van lager onderwijs. Doch inrigting niet enkel om te leeren lezen, schrijven en rekenen, maar zedelijke opvoeding; dan alleen goed, als die opvoeding uitgaat van en gegrond is op de vrees des Heeren; naar Gods Woord. In dit bijzonder doel is niets strijdigs tegen de wet van 1806. Alleen als de inlichtingen nadeelig waren uitgevallen, had men hen kunnen afwijzen. Bezwaar van artikel 28. Zij zullen zich aan de interpretatie der regering conformeren. Natuurlijk eene lijst van inteekenaars, die zich dadelijk of in het vervolg zullen verbinden. Zonder dit laatste ongerijmd; er wordt niet enkel van oprigters gesproken. Hartelijk betreuren de adressanten een vierde verzoek te moeten indienen voor de oprigting eener school, uit een weldadig oogmerk, en overeenkomstig met den wil des wetgevers.12

-----


Noten bij no. 58 Over de oprigting van een christelijke school te Nijmegen.
1 

ARA, G.v.P., no. 53, eigenhandig ontwerp. Titel ontleend aan de inhoud. Groen volgt het verslag der gebeurtenissen in het Nijmeegsch schoolblad I (1844/5), 1‑6; 60‑62; 67‑71. Verschillende van de door Groen genoemde stukken zijn daar - geheel of gedeeltelijk - afgedrukt. Cf. Briefw. II, 466; 468. Van der Brugghen c.s. vroegen toestemming voor een `Bijzondere School der 1e klasse.' Zie ook Kalsbeek, Van strijd en zegen, p. 36‑47; Boekholt, Het lager onderwijs, p. 280‑284.

2 

Cf. Briefw. II, 475, 1 waar art. 28 aangehaald wordt.

3 

Van der Brugghen c.s. wilden zich aanvankelijk rechtstreeks tot de koning wenden, maar gaven uiteindelijk toch gehoor aan de raad van de `Haagsche broeders'; cf. Briefw. II, 475; 478.

4 

Cf. Hemkes, Handboek I, 179 e.v.; Nederlander no. 845 (29 maart 1853); no. 1344 ( 8 nov. 1854); Aan de kiezers [De Vries no. 96] VI, 4; Brieven van Wormser I, 70; 74; 77; Briefw. II, 635; 953. Zie ook n. 130 van no. 47.

5 

Zie n. 8 van no. 47.



6 

Toespeling op art. 22 van Reglement A (Hemkes, Handboek I, 114).

7 

Men verwacht hier `onderrigt'; cf. Stukken betreffende de afwijzing, p. 18; Verzoekschrift, p. 14; 19; Verspreide geschriften II, 147.

8 

Cf. Briefw. II, 510, 2; 953, 2; Brieven van Wormser I, 7.

9 

Cf. Briefw. II, 478, 3 waar art. 3, 1 wordt aangehaald; 510.

10 

Het relevante art. 1 van dat K.B. wordt aangehaald in Briefw. II, 953, 4. Cf. Stukken betreffende de afwijzing, p. 31; 33; 50; Verzoekschrift, p. 25.

11 

Afgedrukt in Briefw. II, 953/4.

12 

De autorisatie werd op 2 sept. 1843 door Gedeputeerde Staten verleend; cf. Briefw. II, 535; 954, 1; Het regt der Hervormde gezindheid, p. 166; Aan G. graaf Schimmelpenninck, p. 60; Verspreide geschriften II, 183.
59
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   ...   78

  • Over de oprigting van een christelijke school te Nijmegen.

  • Dovnload 7.64 Mb.