Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI

Dovnload 7.64 Mb.

Studiën over de revolutie en over het staatsrecht VI



Pagina31/78
Datum28.10.2017
Grootte7.64 Mb.

Dovnload 7.64 Mb.
1   ...   27   28   29   30   31   32   33   34   ...   78

Regtsgeleerd advies omtrent het Koninklijk Besluit van 29 julij 1843, no. 57. 1843.1

Weleerwaarde Heeren!2

Uwe commissie heeft ons gevoelen omtrent het Besluit van 29 julij ll.3 gevraagd. Erkentelijk voor het vertrouwen in ons gesteld, doordrongen van het gewigt eener zaak, die, in haar gevolgen, het zijn of niet zijn van een aanmerkelijk getal Hervormde gemeenten betreft, hebben wij het zoo teregt opzienbarend onderwerp met de meeste belangstelling en naauwgezetheid onderzocht. Wij wenschen, ook bij het rekenschap geven van dit onderzoek, den eerbied voor de overheid evenmin als onze gehoudenis om de gansche waarheid te zeggen, uit het oog te verliezen; wij wenschen gedachtig te zijn dat onze inlichting en raadgeving aan een kerkbestuur gerigt wordt, hetwelk voorzeker tot pligtmatige toegeeflijkheid en onderwerping, maar ook, ten aanzien van toevertrouwde regten, tot vrijmoedigheid en standvastigheid in spreken en handelen, verpligt is.

Wij hebben voorts, met opzet, dit advies binnen den kring onzer eigene bevoegdheid beperkt. Verre zij het van ons den aandoenlijken oorsprong4 en de merkwaardige lotgevallen der Waalsche kerken, haar belang en zegenrijken invloed, in vroegeren of lateren tijd, te willen miskennen; doch de uiteenzetting hiervan te dezer plaatse zou even overbodig als ten uwen aanzien bijkans onbetamelijk zijn. Zonder te herhalen wat reeds met zooveel nadruk en warmte in de adressen, zoo der Waalsche commissie5 als der kerkeraden6, is aangeduid of ontwikkeld, zonder in te grijpen in hetgeen aan de behandeling van uw[el]eerw[aarden] met zooveel gerustheid overgelaten wordt, achten wij ons geroepen ter beoordeeling enkel van hetgeen, regtstreeks of zijdelings, te dezer zake, met vraagstukken van kerk en staatsregt in verband is, en wij gelooven, in het belang der zaak, ons zorgvuldig te moeten onthouden van, zonder noodzaak, voet te geven aan het vermoeden alsof, uit hoofde onzer hooggeschatte betrekking op de Waalsche kerken7, de beschouwing vooringenomen en het oordeel niet zuiver juridiek was.


Het onderzoek van regtsgeleerden komt eigenlijk hierop neêr:

I. Kan het Besluit van 29 julij ll. met de grondwet overeen worden gebragt?

II. Zoo niet, door welke middelen behoort de handhaving der grondwettige regten te worden beproefd?
Eenstemmig is op de eerste vraag het ontkennend antwoord geweest. Inderdaad te verwonderen is het dat hieromtrent eenig uitvoerig betoog vereischt wordt.

Immers de vraag kan omschreven worden op de volgende wijs: zijn tractementen die, bij de uitvaardiging der grondwet, door eene gezindheid of derzelver leeraars genoten werden, ontneembaar bij Koninklijk Besluit? En wanneer men dan in art. 1928 leest: `de tractementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheiden godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd', dan is dit antwoord zoo stellig, zoo duidelijk en zoo volledig, dat de bloote aanhaling ons van verderen arbeid zou moeten ontslaan.

Dit is echter het geval niet. Men heeft zich ook tegenover dit artikel, aan de verdediging van het Besluit gewaagd. Wij willen dus, tot eene regelmatige behandeling, gelijk ze thans, na zoo uitvoerige tegenspraak van gouvernementswege, vereischt wordt, met beknoptheid, eerst het Besluit nader vergelijken met het artikel, en ten anderen, de redeneringen opnemen en wederleggen, waarmede men onze eenvoudige gevolgtrekking omtrent het ongrondwettige bestrijdt.
Genoodzaakt dus tot meerdere toelichting van hetgeen, in zichzelf duidelijk genoeg, door overvloed van woorden, gelijk het veeltijds gaat, duister gemaakt is, gelooven wij een blik te moeten werpen op de geschiedenis van art. 192, ten einde aldus de aard en strekking van den gegeven waarborg, zoo het mogelijk is, nog meer ontwijfelbaar zij.

Wij mogen kort zijn omtrent hetgeen overbekend is. Althans bij uw[el]eerw[aarden] kunnen wij volstaan met de herinnering, zonder meer, dat de staat zich in 1795 van de goederen der kerk meester gemaakt en de beschikking over dit vermeend staatseigendom, bij de constitutie van 1798 aangematigd heeft; dat de onregtvaardigheid dezer toeëigening van privaatgoederen eener kerkgemeenschap weldra blijkbaar is geworden; dat eene meer billijke bepaling omtrent de tractementen welke daaruit voldaan werden, gevolgd is; dat evenwel het lot der kerkleeraars van de wisselvallige en, tijdens de Fransche heerschappij zeer ongunstige gezindheid der zich snellijk opvolgende gouvernementen afhankelijk was; dat bij Nederlands herstel, ook de kerk, ten dien opzigte, in haar miskende regten hersteld werd; dat art. 136 der grondwet van 18149 een dam tegen hernieuwing van willekeur gelegd heeft, en dat hieruit bij de nieuwe grondwet het bijkans gelijkluidend, en, tenminste in doel en strekking, identieke art. 192 ontleend is. Onvoorwaardelijke en onherroepelijke vaststelling der toen bestaande tractementen werd met ondubbelzinnige bewoordingen bepaald.

Aldus is het artikel, door heilzame reactie tegen staatsgeweld, ontstaan. Tot eene juiste interpretatie (indien het waarlijk gerekend mag worden exegetische hulp te behoeven) moge het volgende drietal opmerkingen strekken, waardoor tevens de onjuistheid zal kunnen blijken van meer dan één beweren, dezer dagen te berde gebragt.

a. Er wordt omtrent den oorsprong der uitkeering geen onderscheid gemaakt. Integendeel art. 136 spreekt van `alle tractementen enz. hetzij directelijk uit 's lands kas, of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen, of eenige plaatselijke inkomsten.' Deze uitdrukkingen, waarmede in art. 192 het `de tractementen, van welken aard ook' overeenstemt, moesten de kerken eens voor altijd vrijwaren tegen elke captie, waarmede in vervolg van tijd deze beveiligende uitspraak, in eenigen deele, ontzenuwd zou kunnen worden. Bij de moeijelijkheid van het onderzoek ten aanzien van de hoegrootheid der geestelijke goederen, van de eigendomsbewijzen eener kerk, van de wettige aanspraak welke zij, uit dien of uit anderen hoofde, op eene toelage uit 's lands kas verworven mogt hebben; bij de omslagtigheid, bij de gedeeltelijke onmogelijkheid zelfs van dergelijke nasporingen, bij den wensch om voor het begane onregt met onbekrompenheid en op eene volledige wijs schadeloos te stellen, werd, met afsnijding van alle ingewikkelde vraagstukken van dezen en dergelijken aard, eenvoudig bepaald, dat het oogenblik der uitvaardiging van de grondwet het normale tijdpunt zijn, en de waarborg zich tot alle tractementen, thans genoten wordende, uitstrekken zou. Derhalve het bedrag der vroegere bezittingen van de kerk doet niets meer tot de zaak, de vraag dienaangaande heeft geen ander dan historisch en antiquarisch gewigt meer, en ook ten nutte der Waalsche kerken behoeft geenszins nagegaan te worden welke haar aandeel in de geestelijke goederen, maar eenig en alleen welk het getal en het bedrag der tractementen is geweest, waarvan de uitkeering in 1815 plaatsgehad heeft.

b. Art. 192 waarborgt niet een gunstbewijs, maar eene schuld. Niet enkel in dien zin, alsof het gouvernement, van nu af aan en ten gevolge dezer bepaling, tot de voldoening van deze nieuw gecreëerde en vrijwillig door den staat op zich genomen schuld, als van eene soort van civiele lijst en rente perpétuelle ten behoeve van de kerkleeraars verpligt was. Neen! Het was hier de erkenning van eene schuld, die in volle kracht, onafhankelijk van alle grondwetsbepalingen, bestond. Het was de aanwijzing van een equivalent voor hetgeen men aan de kerk had ontnomen. Het artikel was het pligtmatige gevolg der schuldbelijdenis die men, gelijk de heeren Ypey en Dermout vermelden, op meer ingewikkelde wijs reeds in 1805 afgelegd had: dat namelijk `de staat in het beheer der10 geestelijke goederen getreden zijnde, zich niet vermogt te onttrekken aan de betalingen ter zake van de[n]11 godsdienst'.12 Ware het noodig, wij zouden uw[el]eerw[aarden] verwijzen naar de woorden van den minister van Maanen, toen hij in eene plegtige rede, de grondwet van 1814 toegelicht heeft, `de betaling der Leeraars is als een verkregen regt aan hen verzekerd'.13 Het eigendom, het onvervreemdbaar en heilig eigendom der kerk werd, in den nieuwen vorm, waarin het, door revolutionaire regtsmiskenning, gebragt was, voor het vervolg althans, boven ministeriële willekeur en politieke stormen gesteld. Vermits er dus quaestie niet van welwillendheidsbetoon, maar van schuldvoldoening is, moet de aanspraak ook der Waalsche kerken uit het oogpunt van regtsvordering worden beschouwd. Hieruit volgt dat het redetwisten over de voortdurende nuttigheid en onmisbaarheid dezer kerken voor ons oogmerk geheel nutteloos is. Ik vraag niet of een ander zich mijner aantrekt, maar of ik regt heb om het voedsel, tot welks geregelde levering hij gehouden is, van hem te eischen; ik vraag niet of hij al dan niet in mijn leven belang stelt, maar of ik regt heb om van zijne gedienstige en baatzuchtige tusschenkomst ter levenskorting te worden verschoond. Hieruit volgt ook dat het woord betaalsheer14, hetwelk meermalen in de redevoering en schrifturen van zijne excell[entie] den minister15 aangetroffen en zelfs met een zeker regt van inzage en beschikking in verband gebragt wordt, te dezer zake, het zij met bescheidenheid gezegd, min gepast is. De oorsprong van art. 192 toont dat de staat zich over het al dan niet voldoen der aldaar omschreven inkomsten geen meesterschap toekennen mag, dat het gouvernement, zoo men het betaalsheer noemen wil, geen heer is van de betaling maar wel de heer door wien moet worden betaald; hetgeen welligt eenvoudiger door het meer nederige, het is zoo, doch ook hier in vollen nadruk geldige woord schuldenaar uitgedrukt wordt.

c. Art. 19216 heeft de tractementen verzekerd; die elke gezindheid of haar leeraars genoot. De tractementen, elk op zichzelf17, het getal en het bedrag der in 1815 bestaande tractementen werd gegarandeerd. De waarborg had betrekking, zoowel op hetgeen de gezindheid in haar geheel, als op hetgeen zij bij gedeelten, gemeentelijk, door de leeraars genoot; op de tractementen der leeraars, dat is, gelijk uit den aard der zaak blijkt, niet der individuen door wie in 1815 het leeraarambt werd bekleed, maar der predikantsplaatsen, voor welke toentertijd een leeraar het tractement van landswege ontving.

Desniettemin beweert men, dat de tractementen in massa18 gewaarborgd zijn, dat de repartitie aan het goedvinden der overheid verblijft. En vermits deze tegenwerping, die wij althans niet ligt zouden voorzien hebben, nu eenmaal gemaakt is, zal het noodig zijn, zonder in onnoodige breedvoerigheid te vervallen, ten aanzien van dit zonderlinge sustenu, hetwelk voor een onbevangen lezer van het artikel voorzeker niet het veri sigillum19 eener bij uitnemendheid ongedwongen uitlegging draagt, te doen opmerken dat het in lijnregte tegenspraak is met de bewoordingen die het interpreteert. Ook in het tweede alinea van art. 192 wordt van het toeleggen van nieuwe en van het vermeerderen van bestaande tractementen, maar niet van verhooging eener algemeene rijkssubsidie melding gemaakt. Wij vinden in het gansche artikel niets van de aanwijzing eener globale som, waaruit voortaan, naar bevind van zaken, tractementen zullen worden verleend. Het zijn de tractementen zelve waaromtrent de verzekering geschiedt. Naar welken regel van uitlegging zou men onderstellen dat de wetgever zich van woorden bediend heeft, waardoor het tegendeel uitgedrukt werd van hetgeen hij bedoeld had; en is het niet blijkbaar, dat de minister zich op eene de geheele kracht van het artikel wegnemende wijze vergist heeft, als hij in de Tweede Kamer, na de openlegging van zijn systema omtrent de regten van den staat als betaalsheer, er bijvoegt: `op deze wijze blijft de Grondwet geëerbiedigd. - Zoo is en blijft de som voor tractementen in het algemeen bepaald en aan alle Gezindheden verzekerd, tot het voorgestelde doel besteed'.20

Dergelijke opvatting geeft bovendien aanleiding tot gevolgtrekkingen die ongerijmd, die althans met den geest der grondwet onvereenigbaar zijn. De regering zou slechts aan ééne voorwaarde behoeven te voldoen, dat namelijk dezelfde som als in 1815 voor elke gezindheid op de begrooting uitgetrokken bleef. Zij zou overigens, ten aanzien der geldelijke belangen, de meest volkomene heerschappij over en in de kerk hebben. Zij zou naar goedvinden, zonder tot eenige verantwoording dezer handelwijs gehouden te zijn, hier tractementen intrekken, mits er elders wierden verleend; het eene tractement afschaffen, om het ter verdubbeling van een ander te gebruiken; zij zou de invoering van een soort van episcopaal kerkbestuur21, althans ten aanzien van het financieel verschil tusschen de leeraars, kunnen bewerken: een aldus van de geldkas meester geworden gouvernement zou, door tast‑ en telbare bewijzen van gunst of ongunst, zich desverkiezende een noodlottigen invloed weten te verwerven. Wij gelooven niet, Weleerw[aarde] Heeren! dat de regering zich uitersten van dergelijken aard veroorloven zal. Maar wij vragen u, en wij zouden het durven vragen aan een ieder die in regten en vrijheden eenig belang stelt, is het der moeite waard eene grondwet te hebben, om naar het goed vertrouwen op de onveranderlijke naauwgezetheid der regering verwezen, met andere woorden, om overgeleverd te worden aan het alvermogen en de willekeur van een gouvernement?

Wij verwerpen eene uitlegging die evenzeer door de bedoeling als door de woorden des wetgevers wordt gewraakt, en houden ons aan het getuigenis van den graaf van Hogendorp, dat men in 1815, op het stuk der jaarwedden van de leeraars, `alles heeft willen laten, zoo als het toen was'.22

Het status23 quo werd bevestigd. Ook aan de Waalsche kerken werd dus, op grond van te lang miskende regten, het voortdurend genot verzekerd van ieder tractement dat in 1815 bestond.

En wanneer wij nu vragen op welke wijs deze bepaling, zonder inbreuk op wettig verkregen regt, tegen den wil der gezindheid, kan worden buiten werking gesteld, zoo is het antwoord: op geenerlei wijs. Noch door ministeriëel rescript, noch bij Koninklijk Besluit, noch krachtens eene wet, noch zelfs als de grondwet mogt worden herzien. Immers de uitbetaling, welke de wettig verschuldigde inkomsten der geestelijke goederen vervangt, kan, al wierd art. 192 vernietigd, evenmin (althans zonder de nu onmogelijk geworden teruggave dezer goederen) ophouden, als de rentebetaling der gewone staatsschuld, om heilig te zijn, de opschrijving onder de artikelen eener grondwet behoeft.
Nemen wij, na deze toelichting, het Besluit van 29 julij ll., zooals het ligt, in de hand.

Zooals het liggende is. Deze bijvoeging geschiedt met opzet, omdat de wijziging in het uitvoeren, waarop de minister heeft gezinspeeld, ter beoordeeling van zijner excell[enties] bedoelingen wel, maar geenszins ter waardering van het Besluit in rekening kan worden gebragt.

Zijne excell[entie] heeft in de Tweede Kamer gezegd: `wanneer er vacatures zullen ontstaan, zal het de vraag zijn of in deze of gene Hervormde Gemeente het prediken in de Fransche of Engelsche taal eene behoefte is, die door den Staat moet bezoldigd worden? Ieder speciaal geval zal ook aan een speciaal onderzoek worden onderworpen. Het onderzoek zal overal met het doel van behoud, nergens met dat van destructie worden ingesteld. De Staat erkent voor zes steden24 verpligt te zijn, hij betwijfelt het voor de overige.'25

Ook wij hebben ons over deze uitlegging, over deze belofte, als over het voorteeken eener toenadering van gouvernementswege, verblijd. Deze blijdschap echter zou te ver gaan, zoo dientengevolge aan de woorden eene hoogere kracht, dan zij inderdaad bezitten, gehecht wierd. Weleerwaarde Heeren! Wat is eene ministeriële belofte? Blijkens veelvuldige ervaring, eene betuiging die alleen den persoon des ministers verbindt. Duidelijk is het bovendien, dat deze belofte hier op verre na geen genoegzame geruststelling geeft, vermits het zwaard opgeheven en de nadere beschikking, ten aanzien van een onbetwistbaar regt, aan de uitspraak van het gouvernement overgelaten blijft. Maar wij moeten vooral letten op de tegenstrijdigheid der gedane toezegging met het uitgevaardigde Besluit. De minister spreekt van nader onderzoek; het Besluit geeft te kennen, dat het onderzoek reeds ten einde gebragt is. De minister wil behoud; het Besluit heeft, door het vervallen verklaren van de tractementen, het vonnis van destructie reeds geveld. De minister betwijfelt wat door het Besluit reeds uitgemaakt is. Het Besluit belooft bezuiniging; de minister neemt het uitzigt op bezuiniging bijna weg. Het is moeijelijk zich de bedoeling voor te stellen van het overeenkomstig de ministeriële geruststellingen ontzenuwde Besluit. Wij zijn dus veiligheidshalve verpligt deze gedeeltelijke wegredenering niet in aanmerking te brengen, en veeleer zorgvuldig in het oog te houden dat geene explicatie van dien aard iets vermag tegen den stelligen inhoud eener verordening, waaronder zich de naamteekening des konings bevindt.

Plaatsen wij, na deze noodige waarschuwing, art. 192 nevens het Besluit. Geen breedsprakig betoog wordt hier, maar een eenvoudig opteekenen van de contrasten vereischt.

Het Besluit is ongrondwettig in den vorm. Er wordt niet gemeld dat de Raad van State gehoord is. En toch art. 72 der grondwet eischt dat de Raad worde gehoord over alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur. Of zou een Besluit, hetwelk zoo grooten invloed heeft op de gesteldheid der Nederlandsche Hervormde kerk, naar de heilzame bedoelingen van het artikel, niet als een algemeene maatregel van inwendig bestuur moeten worden beschouwd?

Het Besluit is ongrondwettig in de consideranten. De vervallenverklaring geschiedt om der bezuinigingswille: `in overweging genomen de noodzakelijkheid om de bezuiniging zoo veel mogelijk op alle Departementen toetepassen'. En toch art. 192 zegt niet: de tractementen worden verzekerd, voor zoolang er geen inrigting op zuiniger voet zal worden vereischt.

De vervallenverklaring geschiedt omdat zij, naar het oordeel der regering, plaats kan hebben `zonder wezenlijk nadeel voor de belangen van de Godsdienst'. En toch het artikel zegt niet: de tractementen worden verzekerd, voor zoolang het gouvernement meenen zal dat de niet‑uitbetaling wezenlijk nadeel aan de godsdienst toebrengen zou.

Het Besluit is ongrondwettig in het dispositief. Behalve hetgeen ten aanzien der Engelsche en Schotsche predikantsplaatsen bepaald is, worden van de 25 tractementen voor de Waalsche kerken waarvan men tot dusver, en bepaaldelijk in 1815, het genot had, vijftien bij de eerstkomende vacature, teniet gedaan. En toch art. 192 zegt niet, dat de Waalsche kerken van den algemeenen en plegtigen waarborg uitgesloten zijn.


Wij vleijen ons hiermede, wat de opgaaf onzer meening betreft, te mogen volstaan. Geene verdere uiteenzetting van hetgeen openbaar is, zal door uw[el]eerw[aarden] worden verlangd. Doch we behooren nog de waardij te onderzoeken der tw[e]e voornaamste argumenten welke van regeringswege ter verdediging van het Besluit zijn in het midden gebragt. Er zijn, zegt men, antecedenten, en de Waalsche kerken mogen niet als eene afzonderlijke gezindheid worden beschouwd.

Er zijn antecedenten. Welligt zou een enkel woord hier genoeg zijn. Wij vragen niet wat vroeger geschied is, maar wat vroeger, overeenkomstig de grondwet waaronder wij thans leven, is geschied. Doch wij achten een meer uitvoerig overzigt van hetgeen in vorige dagen plaatsgehad heeft, niet overbodig; dewijl hieruit blijken zal, en, hoe de regering van lieverlede tot het nemen van zoodanig Besluit heeft kunnen worden geleid, en tevens hoever men daarbij, niet enkel van art. 192, maar van den geest der grondwet, ten aanzien der betrekking tusschen staat en kerk, afgeweken is.

Wij behoeven niet op te klimmen tot hetgeen geschiedde tijdens de vereeniging der Hervormde kerk met het gemeenebest. Er was van staatswege toezigt en bescherming; de invloed der regering stond met haar kerkelijk lidmaatschap in onafscheidelijk verband, en zelfs in stadhouderlooze tijden werd de kerk nooit als eene aan den staat ten eenemaal onderworpene maatschappelijke instelling beschouwd. Doch aan het einde der vorige eeuw was het aanbreken van hetgeen men toen vrijheid genoemd heeft, ook voor de kerk de dageraad der slavernij. De staat, na het verscheuren van vroegere betrekking, heeft de kerk aan den band eener knellende administratie gelegd. In dit opzigt - vergunt ons de zeer beknopte aanwijzing hiervan - is de geschiedenis van de meeste staatsregelingen en van alle gouvernementen één noodlottig en doorloopend antecedent.

De staatsregeling van 1798 sloeg acht alleen op de goederen der kerk26, zij gaf aan kerkrooverij een wettelijken vorm, en stelde overigens in de kerk zelve weinig of geen belang. Onverschilligheid bragt onafhankelijkheid teweeg.

Dit duurde kort. Bij de klagten en wanorde aldus veroorzaakt werd voorziening vereischt. De overheid, die tot elke zorg geroepen meende te zijn, belastte zich ook met die zorg. De staatsregeling van 1801 verpligtte een iegelijk eenig kerkgenootschap te kiezen, tot welks instandhouding hij eene jaarlijksche bijdrage uitbetalen zou27, en, volgens een besluit van 2828 september 1801, zou de wet bepalen de wijs, waarop de contributie in ieder kerkgenootschap onder de respective gemeenten zou worden verdeeld. Opmerkelijk is het dat deze eerste schrede op het pad van eigendunkelijk staatsbeheer eenigzins schoorvoetend gedaan werd. Stellig verklaarde men dat deze verdeeling geschieden zou, `zonder zich verder met de Godsdienstige schikkingen en inrigtingen van elk Kerkgenootschap te bemoeijen'.29 Doch vier jaren later is men onbeschroomd op dezelfde lijn vrij wat verder gegaan. In den grond der zaak heeft men toen, onder de onbestemdheid der uitdrukking, het doel eener stelselmatige heerschappij over de kerkelijke zaken bereikt. Immers, volgens de staatsregeling van 1805, `neemt het Gouvernement de noodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart vereischen' (art. 4) en `de Raadpensionaris is belast met de Hooge Policie, zoowel in burgerlijke als in kerkelijke zaken' (art. 51).

In 1806 werd dit systema bevestigd. `Door het gezag van den Koning en de Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie, de bescherming en de uitoefening van alle Eerediensten.'30

Behoeven wij bij het citeren dezer wetsartikelen aan te wijzen wat in het oog springend is? De kerk was in den staat, een onderdeel van den staat, een ministeriëel departement, een rad hetwelk door de algemeene beweging van het groote staatsraderwerk voortgedreven werd. In stede van onafhankelijkheid, was er eene in vroeger eeuw onbekende soort van caesaropapie.

Van Napoleon voorzeker kon het slaken van dezen echt Napoleontischen band niet worden verwacht. Doch welke zijn in dit opzigt de vruchten onzer in 1813 herboren vrijheid geweest?

Aan goede voornemens ontbrak het niet. Wij hebben reeds de teruggave der geestelijke goederen in den vorm eener verpligte uitbetaling gezien. Verre zij het van ons de zegenrijke leidingen Gods te miskennen, of geen hulde te brengen aan hetgeen door menschen, vóór en na het verbreken onzer boeijen, tot stand gebragt of bedoeld is. Doch helaas! het vaderland werd, ofschoon van het juk der Franschen, geen[s]zins van het juk eener albeheerende administratie bevrijd. De kracht van het vorstelijk bewind werd somtijds teveel gezocht in de voortzetting der autocratie van het revolutionair bestuur. De naam der instellingen werd veranderd; het wezen en de geest der instellingen, als een kostelijk erfgoed, als een duur betaalde vrucht der negentienjarige omwenteling, bewaard; de staf aan den geweldenaar billijkerwijs ontvallen, werd in de hand des prinsen van Oranje gelegd, maar het gouvernement werd, in den grond der zaak, wat de onmiskenbare strekking tot albeheer betreft, ook onder vaderlandsche vlag (in menig opzigt, ook met vaderlandsche gezindheid en bedoeling) dikwijls teveel voortzetting van het keizerlijk bewind.

Dit bleek spoedig ook ten aanzien van de kerk. Reeds den 24 december 1813 verscheen een Besluit31, waarbij de vorst zichzelven het regt van handopening en approbatie toekende, op grond dat de keizer het uitgeoefend had: `Overwegende, dat onder de Fransche regering de beroeping32 van kerkelijke leeraars aan den Keizer was gereserveerd'.

Doch bij de grondwet bleek het vooral. Door het geïsoleerde art. 133, krachtens hetwelk de souvereine vorst de christelijke hervormde godsdienst belijdt, keerde men in schijn tot vroeger inrigting terug, doch overigens en inderdaad werd de inbreuk op de vrijheden der kerk ook bij deze staatsregeling gewettigd. In art. 139 werd, `boven het toezigt dienstig voor de belangen van den Staat, aan den Souvereinen Vorst het regt van inzage en beschikking toegekend omtrent de inrigtingen van die gezindten welke eenige betaling of toelage uit 's Lands kas genieten' (art. 139).

Gaf dit artikel waarlijk aan het gouvernement de bevoegdheid om tractementen in te houden en over bestaande kerkelijke gemeenten naar goedvinden het vonnis der vernietiging te vellen? Wij betwijfelen het, wij kunnen dit artikel niet uitleggen dan zooals het door het voorafgaande art. 136 beperkt werd; wij achten het ongelooflijk, dat dit uiterste van willekeur, in eigendunkelijke suppressie van gemeenten geopenbaard, stelselmatig in de grondwet van 1814 opgenomen is. Doch wij willen ons daarvan niet prevaleren en het ervoor houden dat het Besluit van 8 april 181433, bijkans gelijktijdig met de afkondiging der grondwet genomen, inderdaad constitutioneel was.

Hier vinden wij de kiem, tot wier wrange vruchten, in zeker opzigt, ook het Besluit van 29 julij ll. behoort. Immers, na de vaststelling van het beginsel omtrent de combinatie en het getal der predikantsplaatsen, na de bepaling dat elke gemeente beneden de 200 zielen vernietigd en met eene naburige gemeente ineengesmolten wordt, leest men in het Besluit van 1814 dat de commissaris‑generaal voor de Binnenlandsche Zaken gelast wordt nader eene voordragt te doen omtrent het getal der Fransche . . . predikanten, `waarvan de conservatie zou dienen te worden bepaald'.34

Alle de opgevolgde suppressiën van Waalsche gemeenten of tractementen zijn de toepassing en het uitvloeisel geweest van dit commissoriaal. En waarlijk, indien het Besluit van 29 julij aan reminiscentiën van vóór 1815 moet worden ter toetse gebragt, dan is de taak der verdediging ligt.

De regering oordeelt dat de intrekking der tractementen de godsdienst geenszins benadeelen zal. Waarom zou dergelijk oordeel niet op de eene of andere wijs onder de hooge Policie, welke de raadpensionaris uitgeoefend heeft, kunnen worden gebragt? De regering acht dat er eene globale som is ter eigenmagtige beschikking. Wij hebben gezien dat dergelijk repartiëren in 1801 inderdaad aan de regering opgedragen werd. De regering wil tractementen inhouden. Bijkans zou men kunnen zeggen: eene kleinigheid, wanneer men dit bij het supprimeren van gemeenten vergelijkt! En evenwel er is geen twijfel aan, of in de letter en in den geest der revolutionaire staatswetten zou aanleiding genoeg zijn tot het beweren der regtmatigheid, der grondwettelijkheid althans, van dergelijke suppressie.

Gelukkig dat de grondwet van 1815 een anderen beteren maatstaf aan de hand geeft! Hier breekt, ten aanzien der kerk, de schakel der staatsregelingen, door de eigenaardigheid der omstandigheden, af. In het nieuw gevormde rijk der Nederlanden was de vorst protestant en de meerderheid der bevolking roomschgezind. De protestantsche vorst moest de helft zijner onderdanen winnen; dit was niet mogelijk, zoo de onafhankelijkheid der Roomsche kerk aan den band der vroegere staatswillekeur gelegd wierd. Al heeft men later, ook in dit opzigt, een geheel ander, een gevaarlijk en bij de uitkomst verderfelijk voetspoor gevolgd, toen, bij het ontwerpen der grondwet, toen heeft men met angstvallige naauwgezetheid weggelaten al wat tot kwetsing eener zeer ligt raakbare gezindheid zou geleid hebben. Geenerlei suprematie van den staat, geenerlei jus in sacra, geen jus circa sacra dan in zoover het bepaaldelijk bij art. 193 en 19435 uitgedrukt werd: zorg dat de penningen, die uit 's lands kas voor de openbare godsdienst worden betaald, tot geene andere einden worden besteed dan waartoe dezelve bestemd zijn, zorg dat de gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den staat.

Zoo heeft de grondwet bepaald. Doch heeft zij nu ook, in de praktijk, aan de reeks der tegen de vrijheden der kerk gerigte antecedenten een einde gemaakt? Ook wij zijn verpligt hierop te antwoorden wat thans algemeen erkend wordt: er is dikwerf gehandeld, alsof de grondwet niet bestond.

Waaraan is het te wijten? Wij zoeken de oorzaak het liefst in de kracht der gewoonte, aan welke het zooveel moeijelijker valt een eigen stelsel te kiezen dan de sedert lang aangenomen sleur lijdelijk te volgen. Wij gelooven, dat de schuld minder bij personen dan in den magtigen invloed van velerlei omstandigheden ligt, en dat zij bovenal op rekening komt van sommige begrippen, met wier voortdurende heerschappij eene ruime mate van vrijheid niet zonder vrees voor wanorde vereenigbaar is.

Het feit althans is onbetwistbaar. De kracht van een sints lang gevestigd administratief beheer heef[t] over menige bepaling der grondwet de overhand behaald. Zoo het ons vergund ware uw[el]eerw[aarden] over te brengen op politiek terrein, wij zouden u ten voorbeelde op de zelfstandigheid der gewesten en gemeenten en op de openbaarheid der financiën kunnen wijzen: twee beginselen van het hoogste gewigt en waaromtrent de grondwet overrijk aan waarborgen is, doch wier plaatsing in de constitutie ons noch tegen overdreven centralisatie, noch tegen geheimhouding in het beheer der geldmiddelen, behoed heeft.

Doch wij behoeven waarlijk, ook blijvende op kerkelijk gebied, in het zoeken naar voorbeelden niet verlegen te zijn. Bijkans gelijktijdig met de uitvaardiging eener grondwet, waarbij alle denkbeeld eener kerkelijke organisatie van staatswege buitengesloten was, werd de Nederlandsche Hervormde kerk bij Koninklijk Besluit (7 januarij 1816)36 georganiseerd. Uw[el]eerw[aarden] vergt van ons geen optelling der waarlijk ontelbare verordeningen, waardoor de regten der kerk werden miskend, en een vorst, die als zoo‑

danig gerekend moest worden geenerlei godsdienst te kennen, gehuldigd nagenoeg als summus episcopus der Nederlandsche Hervormde kerk.

Geen wonder, dat, waar zulk een systema van kerkonderwerping veld gewonnen heeft, het ook ten aanzien van de tractementen der Waalsche gemeenten aan verkeerde antecedenten niet ontbreekt.

Bij Besluit van 19 augustus 181737 werd, ten gevolge van het Besluit van 838 april 1814, de opheffing van twaalf gemeenten gedecreteerd, onder reserve van hetgeen in tijd en wijle nader mogt worden bepaald. Alsof de betrekking van staat en kerk onveranderd gebleven, en een regt van inzage en beschikking, bij art. 13939 der grondwet van 1814 aan den souvereinen vorst toegekend, in de staatswet van 1815 ware overgegaan. Van evengemelde reserve heeft men zich later tot opheffing van ettelijke gemeenten bediend.

De pijnlijke herinneringen hiervan zijn bij uw[el]eerw[aarden] nog versch. Wij behoeven u niet bezig te houden met het ophalen of karakterizeren van hetgeen door de regering, ex plenitudine potestatis, in den eigenlijken onbeperkten zin van het woord magt (potestas), geschied is. De tractementen werden ontnomen; de gemeenten, zooveel van het gouvernement afhing, vernietigd; de kerkelijke goederen, naar goedvinden, bij Hollandsche gemeenten gevoegd of tot andere einden besteed. Ja zelfs aan eene gemeente40 die het bezoldigen van een leeraar op zich genomen had, de bevoegdheid tot zelfbehoud op eigen kosten ontzegd.

Wij weten het, Weleerw[aarde] Heeren! dat er van den boezem der kerkeraden en ook der Waalsche commissie menige klagt, menige aanvrage tot voorkoming of herstelling van het onregt uitgegaan is, en dat men, bij het aan den dag leggen eener zeer groote, zoo niet al te groote bescheidenheid, zich toch geenszins, ten overstaan van dergelijke handelwijs, aan een volkomen stilzwijgen schuldig gemaakt heeft. Doch wij zouden ons op pligtbetoon ten dien opzigte ongaarne beroepen, ten einde niet op eenigerlei wijs aanleiding te geven tot de onderstelling, alsof ijverloosheid en lafhartigheid van kerkbesturen, alsof het niet waken voor onvervreemdbare regten, ooit, in eenig geval, eene ongrondwettige handeling ten aanzien van de kerk wettigen kon.

Indien naar antecedenten regt gesproken wordt, dan voorzeker is het eene gewigtige opmerking welke de minister in het midden gebragt heeft, dat men toch niet zoover gegaan is als vroeger, want dat men thans de gemeenten niet supprimeert.41

Waar, volgens de grondwet, onregt begaan is, mogen wij door zoodanig gedeeltelijk terugkomen niet tevrede worden gesteld. Dit partieel regtverleenen, hetwelk tevens partieel regtweigeren is, schijnt nu eenigzins stelselmatig te zijn; immers er is bijkans geene onzer meest gewigtige kerkelijke aangelegenheden, waarin het niet opgemerkt wordt. Doch, wat hiervan ook zij, het Besluit van 29 julij ll., ofschoon het de gemeenten niet supprimeert, wijkt in andere opzigten, verder nog dan de vroegere Besluiten, van de grondwet af. Moest hier vergelijkenderwijs worden beslist, ook dan nog zou het de veroordeeling niet kunnen ontgaan. Zoo de vorige Besluiten afzonderlijke gemeenten hebben vernietigd, de strekking van hetgeen nu gebeurt, is, bij de geringheid van het overschot, blijkbaar vernietiging van het gansche Corps Wallon. Zoo de regering vroeger op de bezwaren der kerkbesturen weinig acht geslagen heeft, thans is er geen zweem van voorafgaand overleg met kerkbesturen geweest; zoo het voordeel der opgeheven tractementen vroeger grootendeels aan de Hervormde kerken toegekend is, thans moet de maatregel strekken tot bezuiniging ten voordeele van den staat. Doch, ook zonder onze aanwijzing, gevoelt uw[el]eerw[aarden] dat zoodanige apologie, op grond van een `het is tevoren nog erger geweest', geen invloed hebben kan op eene naar regt en billijkheid ingerigte beschouwing. De vraag is niet, of de kerk minder dan tevoren van haar regten beroofd wordt, maar of zij, ten volle en in elk opzigt, in de regten wordt geëerbiedigd, welke de grondwet haar ondubbelzinnig en stellig toegekend heeft.

Genoeg dus ten aanzien van gestadige verwijzing naar maatregelen en daden die men liever zich beijveren moest met den sluijer der vergetelheid te bedekken. Wij houden ons overtuigd dat de waarborg van art. 192 door geen beroep op vroeger onregt aan het wankelen gebragt wordt. Wie is er die niet met ons erkent: het systematizeren der verordeningen waarin men grondwettige bepalingen overzien42 heeft, zou met wegcijfering der grondwet gelijk staan! De hoop die voor het vaderland nog overig is, zou afgesneden worden, zoo het verledene ten regel van de toekomst moest worden gesteld; en, althans met betrekking tot het handhaven van de grondwet, is het tijdstip dat achter ons ligt, van dien aard geweest, dat de antecedenten niet ter navolging, maar ter waarschuwing voor de nakomelingschap zijn. Wij betwisten voorzeker het aanwezen van antecedenten niet, maar wij meenen dat de antecedenten der Besluiten die men verdedigt, tevens antecedenten zijn ook der rampen waaronder Nederland gebukt gaat.


Een ander punt, door den minister breedvoerig betoogd, is de eenzelvigheid der Waalsche kerken met de Nederlandsche Hervormde gezindheid.

Veel kan hieromtrent in utramque partem43 worden geredeneerd.

Er is eenheid van geloof. Dit spreekt wel vanzelf ten aanzien van eene kerk, aan welke de Nederlandsche Hervormde kerk haar geloofsbelijdenis44 dank weet; wier lidmaten, zonder nader onderzoek, in den Nederlandschen Hervormden staat, in de Nederlandsche Hervormde academiën, in de Nederlandsche Hervormde kerk, waardigheden en bedieningen hebben bekleed, en wier gelijkheid van godsdienstovertuiging zich in deelgenootschap aan dezelfde strijd en zelfopoffering, en in verdediging van de aloude christelijke waarheid tegen Rome's betreurenswaardig bijgeloof45, geopenbaard heeft.

Doch volgt hieruit dat de Waalsche kerk, in den zin der grondwet, als een lid der Nederlandsche Hervormde gemeente, als ééne zelfde gezindheid met haar, moet of kan worden beschouwd?

De wetgever in art. 192 schijnt veeleer, waar het materiële belangen betrof, zonder juist op geloofseenheid te letten, de materiële organisatie der kerkgenootschappen, een op zichzelf staand huishoudelijk beheer, dat met de uitkeering der tractementen in verband was, te hebben bedoeld. En nu is het bekend dat de Waalsche kerken, met haar eigen synodaal beheer, als Corps Wallon, meer dan derdehalve eeuw46 een afzonderlijk bestaan hier te lande gehad hebben; zonder dat de inlijving in 181647, na en tegen de grondwet geschied, bij de interpretatie van haar voorschriften in aanmerking komt.

Zeer opmerkelijk is het bovendien dat er bij overeenstemming des geloofs, verschil in liturgie en eeredienst is. Dit verdient te meer in het oog te worden gehouden, omdat het woord gezindheid in art. 192 juist door het woord culte, dat is eeredienst, in de authentieke tekst overgezet wordt.

De beslissing over punten van zoo tederen aard behoort niet bij het gouvernement. De vragen omtrent het meerdere of mindere gewigt der verscheidenheden in geloof of eeredienst, de hiermede in onmiddel[l]ijk verband staande vragen omtrent de gepastheid en geoorloofdheid der vereeniging van gezindheden en kerkgenootschappen, zijn te zeer geschikt om gewetensbezwaren te [d]oen ontstaan en om hooggaanden twist te verwekken; zij hebben te zeer tot het inwendig leven der kerken betrekking dan dat de regering zich niet, ook in haar eigen belang, van alle tusschenkomst ten dien aanzien zou behooren te onthouden. Ook het woord gezindheid is elastiek. Er is eene christelijke gezindheid die roomschen en protestanten, er is eene protestantsche gezindheid die hervormden en lutherschen en remonstranten omvat. De regering kan zoo ligt verleid worden om als spitsvindigheden en haarkloverijen te beschouwen wat toch voor menigeen een geloofspunt is, hetwelk hij, zelfs tot behoud van goed en leven, niet verloochenen mag. Antecedenten, o ja! zijn ook hier. Men denke slechts aan de algemeen protestantsche gemeenten, die het gouvernement, in België zoowel als in Oost‑ en West‑Indië, zonder eenig bezwaar in de verscheidenheid der protestantsche gezindheden te erkennen, heeft georganiseerd.48 Doch ook hier is terugkeeren verkieslijk en niet het voortgaan op een pad hetwelk tot de schroomelijkste vermenging van wereldlijke en kerkelijke attributen geleid heeft.

Zooveel ten betooge dat de grondwettige eenzelvigheid der Nederlandsche Hervormde met de Waalsche kerk allesbehalve uitgemaakt is. Doch welke, Weleerw[aarde] Heeren! is de bedoeling waarmede dit punt van regeringswege met zooveel warmte uiteengezet wordt? Begrijpelijk is het dat men van den kant der Waalsche kerken aan het behoud van zelfstandigheid, ook tegenover Hollandsche geloofsgenooten, eenige waarde gehecht heeft, maar het is ons niet mogelijk geweest te bevroeden op welke wijs door de beschouwing van het gouvernement, al wierd zij voor de ware erkend, aan het Besluit van 29 julij eenige meerdere constitutionaliteit bijgezet wordt.

Laat ons gaaf het sustenu aannemen van het gouvernement. Verschil van taal is dan het eenige verschil. Er is eene Nederlandsche Hervormde kerk, waarin voor sommige gemeenten de Fransche taal in zwang gebleven is. Wat vroeger behoefte was, is nu, bij verandering van omstandigheden, in sommige plaatsen minder noodig, is noodeloos, en welligt ongepast. De tijd komt of is gekomen waarin, zonder wezenlijk nadeel voor de godsdienst, het prediken in de vreemde spraak ophouden kan. Volgt nu hieruit dat de zaak geregeld mag worden zonder kerkelijk overleg bij Koninklijk Besluit?

Het onderwerp behoort, al is het niet meer bij uitsluiting tot de Waalsche, dan toch in het algemeen bij de Hervormde kerk. De zamensmelting tot ééne zelfde gezindheid kan een punt van inwendig kerkbeheer niet in een punt van gouvernementale willekeur herscheppen. Ook hier heeft het gouvernement, dat noch hervormd, noch protestantsch, noch christelijk is49, heeft een minister, die morgen roomschgezind, Israëliet, rationalist, deïst wezen kan, over het al dan niet nadeelige voor de hervormde godsdienst geen oordeel te vellen. Ware het noodig, wij zouden ten overvloede uit de redeneringen zelve die hier gebezigd zijn, kunnen toonen hoe weinig bevoegdheid de regering, niet enkel jure, maar ook facto, als men de ondervinding raadpleegt ook van den huidigen dag en van het laatst genomen anti‑Waalsche Besluit, gerekend kan worden ten dezen aanzien te bezitten. De minister maakt van de Waalsche kerk bijkans als van eene gouvernementsinrigting ten genoege van voorstanders der Fransche tale gewag. Zijne excell[entie] meent, dat ook de vroegere intrekking der landstractementen in de beschaving der vaderlandsche sprake en in de uitnemendheid van haar kansel‑welsprekendheid50 haar voornaamste en genoegzame regtvaardiging vindt, zoodat de zaak, die ons bezighoudt, bijkans het voorkomen van een literarisch en aesthetisch vraagstuk verkrijgt. Is het dan zoo moeijelijk te beseffen: dat er overwegingen zijn van hoogeren en in den eigenlijken zin godsdienstigen en kerkelijken aard, welke, ofschoon, welligt ook door de eigen schuld van leeraars en leden der Waalsche kerken, bijkans in vergetelheid geraakt, evenwel niet terzijde, maar op den voorgrond moeten worden gesteld? De wenschelijkheid om een natuurlijken en eigenaardigen band tot de gereformeerde zusterkerken in Frankrijk en Zwitserland te behouden; de kans dat, bij de altijd eenigzins gewijzigde ontwikkeling van de Waalsche en Hollandsche kerk, het algemeen worden van dwaalbegrippen door deze verscheidenheid van inzigten tenminste eenigermate zou kunnen worden gestuit; de mogelijkheid dat, bij de terugkeerende spanning die zich in roomsche landen, bij de aanvankelijke vervolging die zich bijv[oorbeeld] in Savoye tegen de Waldenzen reeds openbaart51, de Waalsche kerken spoedig, op soortgelijke wijs als in vroeger eeuw, tot een vernieuwd bestaan zullen worden geroepen; de opmerking dat het aanzijn dezer kerken, in het belang der protestantsche geloofsovertuiging, een levend gedenkteeken van vervolgzieken ijver en van der christenen zelfverloochening en standvastigheid is. Het zou ons niet voegen deze punten nader voor uweleerw[aarden] uiteen te zetten. Wij hebben deze en dergelijke consideratiën slechts aangeduid om te doen zien hoe weinig eene eigenmagtige beslissing daaromtrent in den kring van ministeriële bemoeijenissen ligt.

Zonder verder in de ongepastheid eener gouvernementsbeschikking omtrent de taal, waarin de godsdienst uitgeoefend wordt, te willen dringen; zonder in het onderzoek te treden hoe het aan de roomschen of Israëlieten zou gevallen, indien er een last van regeringswege tot kerkdienst in de landstaal uitgevaardigd werd, achten wij het beter de aandacht van uweleerw[aarden] nog kortelijk te vragen voor eene opmerking, naar ons inzien, van het hoogste gewigt. Deze namelijk: dat, al mogt, hetgeen zoo niet is, de regering regt hebben van over het al dan niet gebruiken van de Fransche taal te beslissen, dit niet genoeg wezen zou ter regtvaardiging van een Besluit, dat op de onderstelling eener vrij wat verder gaande gouvernementsbevoegdheid gebouwd is. Het tractement eener Waalsche predikantsplaats wordt niet enkel, indien wij het dus mogen uitdrukken, genationalizeerd, maar vernietigd. De ongrondwettigheid hiervan zou door het sustenu der identiteit, zoo het noodig ware, nog worden versterkt. Indien de Waalsche en Hollandsche gemeenten slechts als onderdeelen eener zelfde Hervormde kerk moeten worden beschouwd, indien het Waalsche, om deze vergelijking te gebruiken, slechts de kleur is van het object, dan moest, met het wijzigen der kleur, tenminste het voorwerp zelf geenszins teniet worden gedaan. De zaak wordt telkens voorgedragen, alsof, bij het goed‑ of afkeuren van het Besluit, de vraag ware: zal er gepredikt worden in het Fransch of in het Hollandsch; terwijl de vraag is: zal er in het Fransch gepredikt worden of in het geheel niet? De last om voortaan niet meer in het Fransch, maar in zuivere landstale de gemeente te stichten, de bekendmaking dat het landstractement alleen onder die voorwaarde uitgekeerd worden zou, ware voorzeker in zonderling contrast met art. 192 en den beschermenden inhoud der grondwet geweest, maar toch de inbreuk zou, in dat geval, zich meer bijzonder tot het regt der Waalsche kerk, en haar eigenaardigheid als zoodanig, hebben beperkt. Elke Waalsche kerk is tevens eene Hervormde kerk. Wat bij het Besluit ontnomen wordt, is niet enkel de gelegenheid tot evangelieverkondiging in het Fransch, het is de gelegenheid tot hervormde, tot christelijke evangelieverkondiging, welke, voor zooveel het gouvernement aangaat, teniet gedaan wordt. Omdat er niet meer in het Fransch behoeft gepredikt te worden, vernietigt men het tractement. Wij zouden de redenering begrijpen, indien, bij het aanleeren der taal, de leden der Waalsche kerk tevens tot de roomsche dwaalbegrippen waren teruggekeerd, maar moeijelijker is het te bevatten, waarom hervormden, dewijl zij Hollandsch hebben leeren verstaan en derhalve geen behoefte meer hebben aan een Franschen, ook geen behoefte meer hebben aan een hervormden predikant.

De zaak dus betreft geen verwisseling van taal, maar wel ontneming van gelden die onder bescherming der grondwet zijn gesteld. Het is uitgemaakt dat aan eene gezindheid, welke dan ook, aan de Waalsche of aan de Nederlandsche Hervormde gezindheid, tractementen ontnomen zijn, waarvan het voortdurend genot haar bij de grondwet toegekend was.

Regtstreeks of zijdelings is het Besluit gerigt tegen de gansche Hervormde kerk. Wij beamen ten volle wat hieromtrent door twee leden uwer commissie52, in eene krachtige toespraak aan de provinciale kerkbesturen, gezegd is. De opmerking der roomschgezinde bladen53 is even naïf als waarachtig, dat, te weten in hun belang, de regering zeer wel gedaan heeft, ofschoon het Besluit van 29 julij maar een klein begin is van hetgeen op ruimer schaal omtrent de gansche protestantsche kerk plaatshebben moet. Want de argumentatie der consideranten gaat zoo ver, dat geen tractement, dunkt ons, buiten haar bereik ligt. De kleine gemeenten in Noord‑Braband welke de kerk, wel bezet zijnde, als onwaardeerbare voorposten in den wederstand tegen de allerwege voortdringende Roomsche kerk beschouwt, kunnen ligt, bij het zoo gering getal ledematen, prijsgegeven worden, bezuinigingshalve en omdat het gouvernement er geen wezenlijk nadeel voor de godsdienst in ziet. Straks zal er ook in andere gewesten soortgelijke stof tot geldbesparing zijn. Nog meer: velen achten thans, dat het stelsel van vrijwillige giften ter instandhouding van de godsdienst boven dat eener landstoelage de voorkeur verdient; en teregt voorzeker, wanneer (tegen de letter en geest van art. 192) de uitbetaling of intrekking, de vermeerdering of besnoeijing van het tractement het loon van gedienstig pligtverzaken of de straf van onbaatzuchtig moedbetoon zou kunnen zijn. Waarom zou deze opinie omtrent het dusgenaamd voluntary system54 niet door een geldbehoevend gouvernement worden omhelsd, en de tractementen ook in de steden vernietigd, ter vereeniging der belangen van de schatkist met die van de kerk! Wij vertrouwen dat het niet gebeuren zal, maar wij zien echter dat het volgens het Besluit van 29 julij ll. plaatshebben kan. Zich tegen dit begin, gelijk de roomschen het noemen, te verzetten is pligt; niet enkel omdat de regering eigendunkelijk het Fransch spreken belet, maar omdat zij over tractementen, die tegen haar willekeur door de hoogste staatswet verzekerd zijn, willekeurig beschikt.
Wij meenen hiermede de eerste vraag beantwoord te hebben: is een Besluit grondwettig, volgens hetwelk de kerkroof, waaraan de grondwet een perk gesteld heeft, andermaal, uit bezuiniging en als de regering het voor de godsdienst onschadelijk acht, kan worden gepleegd?
De tweede hoofdvraag blijft nog over: welke zijn de middelen waardoor herstel van het onregt teweeg kan worden gebragt?

Vergunt, Weleerw[aarde] Heeren! dat vooralsnog hieromtrent door ons het stilzwijgen worde bewaard. We zouden ons bezwaard achten tot halve maatregelen te raden, waar de bestaande wetten, in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid, en de grondwettige attributen van den Hoogen Raad . . .55, maar, wij herhalen het, vergunt ons, vooralsnog te zwijgen; wij zouden u zoo gaarne andermaal verwijzen naar het gouvernement. Niet om gratie, maar om regt. Welligt zou daartoe eene ongedwongen gelegenheid zijn bij het overleggen casu quo van ons betoog.56

Wij beseffen dat zich nogmaals bij het gouvernement te vervoegen voor uweleerw[aarden] niet aangenaam kan zijn. Na de wijs waarop men uwe tusschenkomst vóór het Besluit onmogelijk57 en naderhand nutteloos gemaakt heeft, wordt zelfverloochening vereischt om, bij de bewustheid van goed regt en bij vertrouwen ook op hen die met de regtshandhaving belast zijn, nogmaals eenige poging tot conciliatie te doen.

Ten volle wordt het door ons erkend, het is een offer dat van uweleerw[aarden] gevergd wordt. Doch wij zijn tevens overtuigd, dat uw[el]e[er]w[aarden] tot de middelen welke hier zouden gebezigd moeten worden, niet zoudt willen overgaan, zonder vooraf, door de gematigdheid bijkans te overdrijven, de uiterste grenzen van geoorloofde toegeeflijkheid te hebben bereikt.

Evenwel het is geene transactie, geene capitulatie die wij op het oog hebben. Van het u toevertrouwde regt mag ook niet het allerminste ten offer worden gebragt. Eene gedeeltelijke tegemoetkoming kan niet worden ontvangen dan onder protest. Het moet, wat er ook gebeure, en al mogt ook ten aanzien van het dispositief eene voldoening, zonder uitzonderingen, worden verleend, op de meest ondubbelzinnige wijs blijken, dat de kerk in haar gevoelen omtrent de ongrondwettigheid der tegen haar gerigte beginsels volhardt. De intrekking van het Besluit moet uw doel zijn, onder bereidvaardige medewerking om zulks plaats te doen hebben op dien voet, welke voor de waardigheid der regering het meest wenschelijk zal worden geacht. Ook zal het noodig zijn langdurig en afmattend oponthoud te vermijden. Wij gevoelen dat, ofschoon er geen eigenlijk periculum in morâ58 is en de overtuiging omtrent de deugdelijkheid uwer zaak door tijdsverloop en nader overleg wint, er toch ook vele redenen zijn waarom de voortduring van onzekerheid en spanning niet wenschelijk is.

Blijvende op het regtsterrein, zult uweleerw[aarden] geen berouw hebben eene schikking in der minne, al ware het vruchteloos, te hebben beproefd. Doch wij meenen dat eene goede uitkomst zeer mogelijk is.

Deze hoop grondt zich ten deele op de bedoeling, ten deele op het belang van het gouvernement.

Wij mogen niet in twijfel trekken dat de koning en dat ook de minister59 gaarne de grondwet eerbiedigen wil. Wij houden het ervoor dat zijne excell[entie], die voorzeker van geen opzettelijk benadeelen der Hervormde kerk verdacht wordt, door den kreet van bezuiniging gedrongen, door herinneringen uit een ander tijdperk geleid, tot een daad gebragt is, die hij, gerugsteund door vroegere Besluiten, meer aan den inhoud dezer verordeningen dan aan de grondwet zelve ter toetse gebragt heeft. Waarom zouden wij dan de hoop moeten opgeven dat de regering, wanneer zij van de ongrondwettigheid bij nader onderzoek mogt worden overtuigd, daarop uit eigen beweging terugkomen zal? dat een staatsman, die - wij behoeven niet te zwijgen, wat algemeen bekend is - zich door karakter evenzeer als door talenten onderscheidt, niet de handhaving, maar het goedmaken van onregt zich tot eer rekenen en een Besluit60 provoceren zal, waarbij, al ware het enkel op grond der algemeen gebleken belangstelling van kerkbesturen, van leeraars en van geloofsgenooten, het vroegere Besluit buiten werking zal worden gesteld.

De regering heeft hierbij belang. Al ware het mogelijk, dat zij van de grondwettigheid van haar Besluit overtuigd bleef, het is voor de regering noodig, indien zij vertrouwen inboezemen wil, dat de grondwettigheid van haar daden, althans in het oog dergenen die haar niet ter kwader trouw, noch uit die vaderlandsliefde waarachter baatzuchtige eigenliefde schuilt, bestrijden, duidelijk en ontwijfelbaar zij.

Het eenig doel van den maatregel, bezuiniging, is door de latere verklaring van den minister61 bijna vervallen. De geldelijke winst scheen reeds op verre na niet evenredig aan het zedelijk verlies; hoeveel te minder, als, bij elke vacature, het verleenen van toelagen, gelijk z[ijne] exc[ellentie] belooft, opnieuw mogelijk wordt!

De deelneming, welke velerzijds betoond of tegemoet gezien wordt, is sterk en veelbeteekenend genoeg, om, ook in dit opzigt het terugkomen op het Besluit wenschelijk te doen zijn. Wij behoeven uweleerw[aarden] niet te wijzen op de eenheid van leedwezen en pligtmatigen wederstand die zich in de Waalsche kerken zonder uitzondering openbaart.

Waartoe herhaald, wat wij van de Nederlandsche Hervormde kerk hebben gezegd? Beleedigend ware het te onderstellen dat zij, zelve tijdelijk gespaard, door geene klagt van geloofsgenooten, door geen triumfkreet dergenen die haar vijandig zijn, tot hulpbetoon zou worden gewekt. Maar, zoo het noodig wezen mogt, het ontbreekt niet aan den prikkel van het eigenbelang. Zij zal inzien dat ook haar regt aangerand wordt, en dat de aanneming van het beginsel eener ministeriële bevoegdheid om gewaarborgde tractementen in de landskas te storten, althans uit een materieel oogpunt, ook voor haar eene levensvraag is.



Voorts gelooven wij, dat inzonderheid ook op de merkwaardige houding der Tweede Kamer, in de zitting van 3 oct. ll., moet worden gelet. Wij bedoelen hier niet enkel de welsprekendheid en warmte, met welke de heer Luzac62 op eene, dit zij genoeg gezegd, zijner en der zaak allezins waardige wijze, het regt der Waalsche kerk ter sprake gebragt heeft; er behoort vooral ook in het oog gehouden te worden, welke de toedragt en afloop der gansche discussie geweest is. Of zou welligt uit het aannemen der begrooting kunnen afgeleid worden dat althans de meerderheid aan den minister een vrijbrief verleend heeft? Geenszins. Zij die voor de begrooting hebben gestemd, gaven daarom hunne goedkeuring niet aan het Besluit. De meesten der leden die in de beschouwingen van den heer Luzac omtrent het ondoelmatige en onstaatkundige hebben gedeeld, die de hoop op intrekken of buiten werking stellen hebben geopenbaard, verklaarden tevens eene begrooting, waarop het Besluit natuurlijkerwijs nog geen den minsten invloed gehad heeft, niet te zullen verwerpen, terwijl sommigen zich het nader uitbrengen van hun gevoelen omtrent de ongrondwettigheid hebben gereserveerd. Voegt hierbij dat de Tweede Kamer, tot afstemming van sommige hoofdstukken, naar zij meende, gedwongen, even hierom geneigd scheen ter aanneming van al wat aannemelijk was; dat er vooroordeelen tegen de Waalsche kerken bestaan; dat de zaak door velen als eigenlijk en nagenoeg uitsluitend haar zaak, aangemerkt werd; dat er welligt niet één lid zou kunnen genoemd worden, bij wien de minister niet persoonlijk in hoogachting stond; dat elk argument hetwelk uit financiële of andere consideratiën af te leiden was, door zijne excell[entie] uiteengezet, dat aan de zaak de beste verdediging welke haar te beurt vallen kon, te beurt gevallen is. Herinnert u dit alles, en leest dat, na die merkwaardige beraadslaging vijftien leden63, door verwerping van het budget der Hervormde Eeredienst, aan zijne excell[entie] alle gelden hebben geweigerd, de meesten ongetwijfeld alleen omdat hij onder het Besluit van 29 julij zijne handteekening heeft gesteld. Leest dit en vraagt u, of het een ongunstig of weinigbeteekenend resultaat is, voor de eerste maal dat de zaak in 's lands hooge vergaderzaal te berde gebragt werd.
Weleerw[aarde] Heeren! mogt in een tijd, waarin velerlei zaden van misnoegen of onvoldaanheid, door den loop der gebeurtenissen uitgestrooid zijn, in dagen waarin op de ondersteuning der welgezinden door de regering, naar ons toeschijnt, dubbele prijs moet worden gesteld, onze hoop desniettemin worden beschaamd, niemand onzer zal, in dat geval, aarzelen u het aanwenden, niet van halve maatregelen, neen! maar van de meest krachtige middelen aan te raden waarmeê de grondwet de vrijheden en regten der ingezetenen beschermt. Wij zullen door geene aanneming des persoons terugdeinzen voor het uitoefenen van die heilige pligt. Vooraf echter moet het blijken, dat uweleerw[aarden] (voor zoover in uw vermogen stond) om des Heeren wil, onderwerping betoond hebt aan de magt door Hem verordineerd64; dat er meer ten dien opzigte gedaan is dan van uweleerw[aarden] naar regten kon worden geëischt; dat alle middelen van toenadering uitgeput zijn; en dat, zoo de kerk zich eindelijk van een constitutioneel plegtanker bediend heeft, het is omdat zij, door de ongrondwettigheid van het Besluit niet slechts, maar ook door de onmogelijkheid om op eenige andere wijs regt te verkrijgen, tegen wil en dank tot een pligtbetoon dat haar grieft, gedwongen is geweest.65

-----
Noten bij no. 59 Regtsgeleerd advies.


1 

ARA, G.v.P., no. 50 (De Vries no. 56), eigenhandig ontwerp. De Vries vermeldt niet, dat dit stuk gedrukt is in Geschriften over kerk en staat no. 15, kerkelijk staatsregt, 1843 sub 18. Dit convoluut uit Groens boekerij bevindt zich in de K.B. Als brochure o.d.t. Regtsgeleerd advies etc. vindt men ook een exemplaar in de UB‑Leiden. Cf. Briefw. II, 960, 5. Op de eerste omslag van no. 50 tekende Groen aan: `29 julij 1843. Kon[inklijk] Besluit over de Waalsche kerken.' Op de tweede: `Adressen van de Waalsche kerken.' Over de relatie van de drie door De Vries genoemde hs. het volgende: Groens concept (1) is door iemand in het net geschreven, waarna Groen op dat hs. zijn correcties heeft aangebracht (2). Dat tweede hs. is vervolgens door iemand anders (mevr. Groen?) overgeschreven en door de zes juristen ondertekend (3). De veronderstelling ligt voor de hand, dat dit derde hs. (of een copie ervan) aan de drukker ter hand gesteld is. Het vreemde is echter, dat het tweede hs. vaker overeenstemt met de gedrukte tekst dan het derde. Wellicht zijn nog correcties aangebracht op een drukproef. Aan de hier afgedrukte tekst is het gedrukte exemplaar van de U.B.‑Leiden ten grondslag gelegd. Spelling en interpunctie zijn in overeenstemming gebracht met die van de overige Bescheiden. Evidente fouten zijn verbeterd, soms met behulp van de hs. Verschillende door De Vries vermelde archiefstukken zijn reeds uitgegeven in Briefw. II, 961‑964. Zie ook Adviezen 1856/7 II, 261‑264; Nederlander no. 147 (18 dec. 1850); Briefw. V, 229‑231; Poujol, Histoire, p. 373.

Inventarisatie van het hele archiefnummer levert het volgende op:

a. Adresse, présentée à S.M. le Roi, relative au décret royal du 29 juillet 1843, no. 57 d.d. 22 aug. 1843. Dit gedrukte stuk van de Waalse commissie telt vier pagina's.

b. Brief van de Waalse commissie aan minister van Zuylen van Nijevelt d.d. 22 aug. 1843 (eveneens gedrukt, drie blz.).

c. Gedrukt adres aan de koning van `le consistoire de l'église wallonne de la Haye' (ongedateerd, drie blz.). Dit adres is ook door Groen ondertekend.

d. Groens exemplaar van het d.d. 25 aug. 1843 door J. Teissèdre l'Ange aan de Waalse kerkeraden verzonden, gedrukte rondschrijven (4 p.). De kerkeraden hadden behalve de sub a en b genoemde stukken ook de tekst van het K.B. en circulaire no. 94 (d.d. 24 aug.) van de Waalse commissie ontvangen. Teissèdre pleit voor schielijke vorming van een gemeenschappelijk Waals fonds voor de bekostiging van tractementen en pensioenen.

e. Gedrukte brief van de Waalse commissie aan de provinciale kerkbesturen van de N.H.K. d.d. 19 sept. 1843 (4 p.).

f. Gedrukt antwoord (8 p.) van minister van Zuylen van Nijevelt (d.d. 28 sept. 1843) op het adres van de Waalse commissie.

g. Een overdruk van Van Zuylens Kamerrede van 3 oct. uit de Ned. Staatsc. no. 239 van 7 oct. 1843 (10 p.).

h. Groens concept.

i. Het derde (ondertekende) hs.

j. Het tweede hs.

k. Groens Deductie (Briefw. II, 961/2), gevolgd door zijn concept hiervan.

l. De minuut en twee copieën van het adres van de Waalse commissie van 10 april 1844 (Briefw. II, 963/4); cf. II, 963, 3. Dan volgt nog weer een andere versie van hetzelfde adres.

m. Brief van Dompierre de Chaufepié d.d. 11 jan. 1844 namens de Waalse commissie aan de zes rechtsgeleerden over het te verzenden adres. Samenvatting hiervan in Briefw. II, 963 sub f.

n. Brief van G. Delprat - mede namens Groen - aan Brugmans en Donker Curtius over de te volgen gedragslijn (17 febr. 1844).

o. Brief van Groen - mede ondertekend door Delprat - aan de vier overige juristen d.d. 29 maart 1844. Er blijken verschillende brieven in het eerste kwartaal van 1844 gewisseld te zijn tussen de op sommige punten dissentiërende juristen.

p. Het ministerieel rescript no. 14 d.d. 23 mei 1844 van Van Zuylen van Nijevelt aan de Waalse commissie samengevat in Briefw. II, 964 sub h.

q. Het gedrukte antwoord (4 p.) d.d. 24 juni 1844 van de Waalse commissie op dit rescript. Cf. Briefw. II, 964, 4.

r. Première partie du rapport du député au synode général fait à la réunion des députés des églises wallonnes à Nimègue, le 9 août 1844; envoyée, sur la résolution de la dite réunion, aux différents consistoires. Inclusief de drie bijlagen telt dit gedrukte stuk 28 p.

s. Groens exemplaar van de gedrukte circulaire van de Waalse kerkeraad van Den Haag d.d. 28 febr. 1845 over fondsvorming (3 p.).

t. Articles arrêtés par la conférence de députés des églises wallonnes réunis à Harlem le 1er et 5 août 1845. Dit gedrukte stuk telt 8 p.

u. Gedrukte circulaire (4 p.) aan de plaatselijke bestuurders van de Waalse kerken, opgesteld door `le comité pour le secours mutuel' d.d. 23 sept. 1845. Cf. Perk, De Waalsche gemeenten, p. 50 en 58.

Veel informatie over de hele affaire in Van der Kemp‑Koenen, Briefw., p. 227‑246; 283‑290.

2 

Aan de voet van p. 3 leest men: `Aan de weleerwaarde commissie tot de zaken der Waalsche kerken'. Cf. Poujol, Histoire, p. 365; Perk, De Waalsche gemeenten, p. 44 over het ontstaan van deze `commission wallonne'. De commissie bestond toen uit C.G. Merkus (président), J. H. Dompierre de Chaufepié (secrétaire), P. J. Marcus, D. Serrurier, G. H. M. Delprat, P.G. van Hoorn (ancien).



3 

Tekst bij Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 304/5. Op p. 305‑307 ook het ministerieel rescript no. 14 van 23 mei 1844.



4 

Zie Cornu, Origine des Eglises réformées wallonnes des Pays‑Bas; Amersfoordt, La suppression, p. 13 e.v.



5 

Van 22 aug. 1843. Zie n. 1.



6 

Cf. Poujol, Histoire, p. 372.



7 

Groen zelf was er ouderling, de anderen waren ambtsdrager (geweest) of stonden in familiebetrekking tot Waalse predikanten.



8 

Dit art. wordt hier en in het vervolg geciteerd naar de grondwet van 1840.



9 

`Aan de christelijke hervormde kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit 's Lands kasse van alle zoodanige tractementen, pensioenen, weduwe‑, kinder‑, school en academie‑gelden, als voormaals aan derzelver leeraren, het zij directelijk uit 's Lands kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten, zijn betaald geworden'.



10 

Bij Ypey/Dermout staat: `dier'.



11 

Verbeterd conform Ypey/Dermout.



12 

In een noot verwijst Groen naar Geschiedenis der Ned. Herv. kerk IV, 295. Cf. Briefw. II, 961.



13 

Groen verwijst in een noot naar Metelerkamp, De regeringsvorm, p. 138. De aangehaalde zin staat echter op p. 134/5. Van Maanens rede ook bij Stuart, Jaarboek 1814, p. 11‑26. Het citaat op p. 24. Cf. Royaards, Hedendaagsch kerkregt I, 222.



14 

Cf. Hand. S‑G 1842/3, p. 703a en b; 704b; Briefw. II, 960 r. 8; Antwoord van 28 sept. 1843, p. 5.



15 

H. van Zuylen van Nijevelt, van 1 maart 1841‑25 maart 1848 minister van Hervormde Eeredienst.



16 

De gedrukte tekst heeft hier abusievelijk: `129'. De drie hs. hebben echter: `192'.



17 

De hs. hebben hier: `in specie'.



18 

Versta: en bloc. Cf. Nederlander no. 666 (12 aug. 1852): `. . . de oude letterkunde in massa op den index gebragt . . .'; Parlementaire studien I, 19, 19.



19 

Cf. Westerhuis, Prisma latijns citatenboek, p. 187; Zwaan, G. v. P., p. 629.



20 

Cf. Hand. S.‑G. 1842/3, p. 705a. Cursivering van Groen.



21 

Dit argument komt reeds voor in de brief van de Waalse commissie aan de provinciale kerkbesturen d.d. 19 sept. 1843 (p. 2).



22 

In een noot verwijst Groen naar Bijdragen VIII, 353. Van Hogendorp betoogt er o.a. het volgende m.b.t. art. 192: `De Hervormde‑ en Roomsche Kerken waren van ouds begiftigd geweest met geestelijke goederen, en toen deze goederen waren aangeslagen door de Regering in de Revolutionnaire tijden, hadden de leeraars van die kerken jaarwedden van den Staat bekomen. Op dit stuk werd het beginsel aangenomen, in de eerste plaats, om alles te laten op den voet, zoo als het toen was, en, in de tweede plaats, om aan de wet over te laten, om de kosten tot onderhoud van den Godsdienst verder uit te strekken.' Groen vond dit citaat al in Luzacs eerste Kamerrede (Hand. S.‑G. 1842/3, p. 700a). Cf. Briefw. II, 962.



23 

De hs. hebben: `statu'. Zie I, 335.



24 

Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Leiden, Utrecht en Groningen; cf. Poujol, Histoire, p. 371.



25 

Cf. Hand. S.‑G. 1842/3, p. 705a. Ook hier citeert Groen nogal vrij.



26 

Zie de `Additioneele artikelen'; cf. Van Hasselt, Verzameling, p. 86/7.



27 

Zie art. 12; cf. Knappert, Geschiedenis II, 193.



28 

De gedrukte tekst heeft abusievelijk: `8'. Tekst in het aanhangsel bij de staatsregeling van 1801 (Van Hasselt, Verzameling, p. 114).



29 

Cf. De Visser, Kerk en staat III, 82, 2.



30 

Zie art. 1 van de `tweede afdeeling'.



31 

Tekst van dit Besluit no. 17 in Ned. Staatsc. van 3 jan. 1814 (no. 2), waar echter 23 dec. als datum opgegeven wordt. Cf. Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 61 en 76; Ypey/Dermout, Geschiedenis IV, 606/7.



32 

In het K.B. staat: ' de goedkeuring der beroepingen van kerkelijke leeraars' etc.



33 

No. 15: tekst bij Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 349/50 (cf. p. 61*); Stuart, Jaarboek 1814, p. 450‑452; Volledige verzameling, p. 11‑15.



34 

Zie art. 9 van dat K.B.



35 

Ofschoon `de grondwet van 1815' zojuist vermeld is, bezigt Groen ook hier de nummering van 1840. Deze artikelen zijn identiek met art. 195 en 196 in de grondwet van 1815.



36 

Gedrukt bij Broes, De kerk en de staat IV, 2, 418‑435; Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 24‑41; Van Loon, Het algemeen reglement, p. 223‑235; Stuart, Jaarboek 1816 III, 175‑189.



37 

No. 79: tekst bij Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 300‑302; cf. Poujol, Histoire, p. 368‑370; Gagnebin, Introduction, p. 64.



38 

De gedrukte tekst heeft hier abusievelijk: `6'. Van de drie hs. heeft alleen Groens concept het juiste cijfer. Zie ook n. 33.



39 

De gedrukte tekst en de twee nette hs. hebben hier abusievelijk: `136'. Het relevante deel van deze zin ontbreekt in Groens concept.



40 

Goes. Deze gemeente werd opgeheven bij K.B. van 25 maart 1818; cf. Gagnebin, Liste, p. 89. Het aanbod om zelf een predikant te betalen werd gedaan in 1827/8; cf. Teissèdre l'Ange in Deux mémoires, p. 39; 45; Bresson, La question, p. 407; Luzac in Hand. S.‑G. 1842/3, p. 698a.



41 

Cf. Hand. S.‑G. 1842/3, p. 705a.



42 

Versta: over het hoofd gezien, genegeerd.



43 

Cf. Zwaan, G. v. P., p. 116; 624 s.v.



44 

Sc de `Confessio Belgica' van Guido de Brès; cf. Koenen in Deux mémoires, p. 22; Les Eglises wallonnes des Pays‑Bas, p. 11.



45 

Cf. Adviezen 1840, p. 104 (,1).



46 

Waarschijnlijk gerekend vanaf 1581 of 1586 (Middelburgse resp. Haagse synode); cf. Koenen in Deux mémoires, p. 15.



47 

Het Algemeen reglement bepaalde in art. 13: `Alle de Hervormde kerken in het Koningrijk zoo wel Waalsche, Presbyteriaansche Engelsche en Schotsche, als Nederduitsche behooren tot hetzelfde geheel en zijn onder hetzelfde gemeenschappelijk bestuur geplaatst'.



48 

Cf. Broes, De kerk en de staat IV, 1, 166 (*) over België; Hooijer, Kerkelijke wetten, p. 313‑332 over de `Oost‑ en West‑Indische Kerken'; Bakhuizen van den Brink, Handboek IV, 178; 309 e.v.



49 

Groens berusting in de neutrale staat begint zich hier al af te tekenen. Cf. Diepenhorst, Historisch‑critische bijdrage, p. 33; 50.



50 

Cf. Hand. S.‑G. 1842/3, p. 703b. I.p.v. `sprake' staat er `taal'.



51 

In de handboeken voor kerkgeschiedenis over vervolging in 1843 niets gevonden. Ook het Essai van Du Rieu en Bressons Notice geven geen aanknopingspunt. Dat de Waldensen in 1843 nog onvoldoende beschermd werden, valt op te maken uit Groens exemplaar van het gedrukte verslag d.d. 26 sept. 1844 van de 29e `Réunion des députés des églises wallonnes' (te Nijmegen op 8 aug. 1844), waar men op p. 4 sub B9 leest: `La population Vaudoise Evangélique . . . sans pouvoir se réjouir d'une équitable protection de la part de son Monarque, se félicite du relâche qu'il lui accorde momentanément, et se maintient, malgré l'apostasie de quelques indignes membres, dans la foi de ses pères'. Men vindt dit verslag onder de `Varia' in Geschriften over kerk en staat, no. 15. Zie ook Comba, Storia, p. 279‑285; Monastier, Histoire II, 215 (Geschiedenis II, 343).



52 

C. G. Merkus en J. H. Dompierre de Chaufepié; cf. Poujol, Histoire, p. 372.



53 

Reeds in de brief van de Waalse commissie aan de provinciale kerkbesturen (zie n. 1) wordt gewezen op de toejuichingen van `buitenlandsche en inlandsche Catholijke bladen', maar namen worden ook daar niet vermeld.



54 

Groen had geen vertrouwen in `het voluntary system'; cf. De Tweede Kamer en de verzoekschriften, p. 86, 12; H.O.W., p. 123; Briefw. V, 323; Van Woelderen, De volksopvoeding, p. IX. De `voluntaristen' waren voorstanders van volstrekte scheiding van kerk en staat. Cf. Nederlandsche stemmen V, 23; De Bruijn, Thomas Chalmers, p. 36/7; 121; 132. De uitdrukking wordt soms ook gebezigd om de vrije en vrijwillige relatie van een predikant met zijn gemeente aan te duiden; cf. Verhandlungen der Versammlung, p. 235/6.



55 

Versta: u in staat stellen de minister voor het gerecht te dagen wegens schennis van de grondwet. De Waalse kerkeraad van Amsterdam wendde zich inderdaad enkele jaren later tot de Hoge Raad. Bij arrest van 5 mei 1848 (tekst in Weekblad van het regt 10 (1848) no. 913 (18 mei), p. 1/2) werd de staat in het ongelijk gesteld. Het logisch gevolg was, dat het K.B. van 29 juli 1843 ingetrokken werd bij K.B. van 24 mei 1848, no. 88 (tekst in Ned. Staatsc. no. 128 van 30 mei 1848). Cf. Briefw. II, 964, 4; V, 231, 10; Poujol, Histoire, p. 376; Perk, Le ressort wallon, p. 21; Bresson, La question, p. 410/1; W.A.C. de Jonge, Bijdrage, p. XXXIV; De Bosch Kemper, Handleiding (1865), p. 940.



56 

De Waalse commissie volgde deze raad op en bood zowel het Regtsgeleerd advies als een tweede adres (gedrukt in Briefw. II, 963/4 sub g) de koning aan op 10 april 1844. Op dezelfde dag schreef zij ook een brief aan Van Zuylen van Nijevelt; cf. Briefw. II, 964, 1. Zie ook Poujol, Histoire, p. 373.



57 

Cf. Briefw. II, 960, 2.



58 

Cf. Zwaan, G. v. P., p. 626 s.v.



59 

Cf. Briefw. II, 959 i.f.: Van Zuylen verwachtte geen `lessen van ongrondwettigheid' van de Raad van State.



60 

Cf. Briefw. II, 961 r. 10.



61 

In zijn Kamerrede van 3 oct. 1843; cf. Briefw. II, 962, 2; 963 sub f. In overeenstemming hiermee is zijn rescript van 23 mei 1844; cf. Briefw. II, 964, 2‑4.



62 

Luzacs redevoeringen in Hand. S.‑G. 1842/3, p. 696‑700; 705‑708. Cf. Briefw. II, 963, 2.



63 

Nederburgh, Van Nes, Druyvesteyn, Van Nagell, Uytwerf Sterling, Van Sasse van Ysselt, Schooneveld, Van den Bosch, Van Rechteren, Luzac, Kniphorst, De Backer, Brouwer, Repelaer en Anemaet.



64 

Cf. Rom. 13, 1‑5; 1 Petr. 2, 13; Handboek, p. 490.



65 

Aan de ondertekening gaat vooraf: `Aldus door ons juris utriusque doctores gedelibereerd en geadviseerd, te Leiden den 18 november 1843'. De namen bij De Vries t.a.p. en in Briefw. II, 960, 5.


60
1   ...   27   28   29   30   31   32   33   34   ...   78


Dovnload 7.64 Mb.